Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 21
Over de oldenburgsche regeering hebben de Birkenfelders trouwens niet te klagen gehad, daar zij hun ook in andere opzichten ter wille geweest is en met hun belangen rekening gehouden heeft. De groothertog Peter kwam vroeger ook dikwijls onder zijne Birkenfelders vertoeven. Maar met dit al is de strooming in Birkenfeld voor een aansluiting bij de Pruisische Rijnprovincie aldoor sterker geworden. De Birkenfelders stellen nu een ruiling van gebied tusschen Oldenburg en Pruisen voor, waarbij Oldenburg, als schadeloosstelling voor Birkenfeld, een stuk aan de pruisische grens zou krijgen. In dien geest heeft de afgevaardigde voor Birkenfeld onlangs in den oldenburgschen Landdag gesproken.
Het is een steenachtig bergland, dat tot den Hunsrücke behoort en waar de bovenloop der Nahe door loopt. De landbouw levert niet genoeg op voor de behoeften der bevolking, al is het klimaat in de dalen zacht genoeg, zoo zelfs dat er hier en daar nog aan wijnbouw kan worden gedaan. Meer bekend dan de hoofdstad Birkenfeld is Oberstein, om de agaatslijperijen, die er zijn. Het regeeringscollege, dat uit een president en twee leden bestaat, zetelt te Birkenfeld en staat onmiddellijk onder het ministerie van het groothertogdom Oldenburg.
WANDELEN OM DE WERELD.
Van een Rotterdammer, den heer G. W. Kriesz, die een reis om de wereld maakt met zijn vriend, den Skandinaviër Erik Welen, heeft het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam eenige halssierraden ten geschenke gekregen, die uit vruchtenpitjes vervaardigd zijn en gestuurd zijn uit Honoloeloe. De heeren doen den grooten tocht op de meer en meer gebruikelijke manier per pedes apostolorum, levend van de opbrengst, die ze halen uit den verkoop van briefkaarten met hun portret. De wandeltocht heeft tot hier toe nog niet zoo heel veel van dat, waar hij voor wil doorgaan, want ze zijn te Denver in Colorado begonnen en al is het al een heele wandeling naar de Stille Zuidzee, van daar naar de Hawai eilanden moest het wandelen behalve op het dek van de stoomboot worden opgegeven, en hoe ze van de Sandwich-archipel verder wandelen meldde de geschiedenis tot nog toe niet.
GEORG VON NEUMAYER OVERLEDEN.
Op 82-jarigen leeftijd is na korte ongesteldheid de voormalige directeur van de groote Deutsche Seewarte in het laatst van Mei overleden te Neustadt an der Haardt. Georg Neumayer is een man van beteekenis geweest, de schepper van het veelomvattende observatorium voor den zeedienst te Hamburg. Een geleerde was hij van wereldreputatie en daarbij iemand, die de wetenschap geheel in den dienst stelde van den maatschappelijken vooruitgang. De praktijk was voor hem de zaak, waar het op aankwam, en in den loop van zijn lang leven is hij haar altijd trouw gebleven. Zijn talrijke geschriften over zeevaartkunde, over meteorologie, aardmagnetisme, weervoorspelling in het belang van de zeevaart, leggen daarvan een sprekend getuigenis af. Aardig is in dit opzicht ook zijn werk "Anleitung zu wissenschaftlichen Beobachtungen auf Reisen", dat eenige malen herdrukt is.
Hij was geboren te Kirchheim-Bolanden in de Palts op 21 Juni 1826, had aan de Polytechnische school en aan de universiteit te München gestudeerd, en toen hij in 1850 daarmee klaar was, ging hij in de school des levens op 24 jarigen leeftijd nog eens op de leerbanken zitten en verschafte zichzelven de gelegenheid tot de practische beoefening der aardrijkskundige, meteorologische, en aardmagnetische wetenschappen door als gewoon matroos groote zeereizen te maken. Vooral de raad van Maury, den Amerikaanschen geleerde, had hem daartoe gebracht. Het resultaat is dan ook geweest dat Neumayer als beoefenaar der zeevaartkundige wetenschappen weinig meerderen heeft gehad, want aan zijn oefening in en door praktijk waren degelijke wetenschappelijke studiën, onder leiding van mannen als Reindl en Lamont te München, voorafgegaan. Koning Max II van Beieren zond Neumayer in 1857 met een wetenschappelijk opdracht naar Australië, in welk land hij vroeger reeds op zijn omzwervingen als matroos-vrijwilliger was geweest. Den 1sten Jan. 1859 werd Neumayer benoemd tot directeur van den magnetischen opnemingsdienst in Victoria (Australië). Hij bleef dat tot 1864, ging toen naar Duitschland terug en werd, na eenige jaren ambteloos te hebben doorgebracht, in 1872 te Berlijn benoemd als hydrograaf bij de marine. Al jaren lang was hij toen bezig de stichting voor te bereiden van de Seewarte te Hamburg, welk instituut in 1876 onder zijn leiding werd gesteld. In die betrekking heeft hij de schitterendste blijken gegeven van zijn organiseerend talent; hij heeft de Seewarte gemaakt tot een wereldinstituut van den allereersten rang. Ook op zuiver wetenschappelijk gebied, en als organisator van allerlei wetenschappelijke expedities heeft hij onvermoeid gearbeid. De Duitsche Zuidpoolexpeditie met de Gauss, onder leiding van Von Drygalski, is vooral aan Neumayers krachtige opwekking te danken geweest. Zijn voornaamste verdienste voor de wetenschap en de praktijk blijft echter zijn werk als directeur van de Seewarte.
Op den langsten dag van dit jaar zou hij 83 jaar zijn geworden.
Zijn 80ste geboortedag is indertijd door vrienden en vereerders tot een luisterrijken feestdag voor hem gemaakt.
MEI 1909 EN ANDERE MOOIE MAANDEN.
De heerlijke maand Mei, die wij dit jaar gehad hebben, heeft een mooi record gemaakt; zij toch heeft, naar uit Engeland wordt bericht, het grootste aantal uren zonneschijn gegeven, die in de laatste vijftien jaar officiëel zijn opgeteekend, en wel 262 uren tot en met den 28sten.
Tot nu toe was de beste maand Juli 1900 met 261.1 uur, dan volgen Juni 1908 met 245.7, Augustus 1904 met 230.3, April 1909 met 219.7 en September 1895 met 193.9 uur.
In een dagboek, dat niet in het bijzonder om het weêr wordt gehouden, maar waarin er nu en dan opmerkingen over worden gemaakt, lazen we eens na, of de bedoelde maanden ook tot bijzondere opmerkingen hadden aanleiding gegeven, en of zij dus ook in ons land als zeer rijk aan zonneschijn waren geboekt. Er is natuurlijk veel kans, dat het weêr in Engeland en hier in hoofdtrekken overeenkomt, maar we ervaren toch telkens, dat er groote verschillen kunnen bestaan ook.
Nu lezen wij juist voor Juli 1900: "Leelijk weêr geweest, veel regen en geen zon van 19 Juni tot 11 Juli." Maar tegen het eind van de maand: »'t Is prachtig weêr steeds, maar heel warm! Soms 88 Fahrenheit in de schaduw nog tusschen 5 en 6 uur." Dus schijnt hier het aanhoudend zonnige weêr eerst den 11den in die gezegende Julimaand begonnen te zijn en dat het toen zonder afwisseling gebleven is, blijkt uit wat er staat bij 29 Juli: »Iets koeler; het onweert op 't oogenblik en 't is zoo donker, dat ik deze regels niet kan onderscheiden. Sinds 11 Juli nu steeds echt zomerweêr gehad.« Met dat bewuste onweêr, toen o.a. in Lochem een man, die voor het raam zat in een arbeidershuisje door den bliksem gedood werd midden in de stad, schijnt toen het mooie weêr afscheid te hebben genomen, want op 2 Augustus lezen we: »Sinds Zondag 29 Juli is het weêr veranderd; 't is winderig en niet warm en veel regen«, en nog weer den 16den Augustus: »Het is altijd leelijk weêr geweest met regen, onweêr en kou tot 13 Augustus.«
Over Juni 1908 heet het, dat het in de laatste dagen van Mei en de eerste van Juni tot 4 Juni prachtig zomerweêr is geweest, heel warm en heerlijk en dan verder nog: »Op den langsten dag was het wondermooi weêr.«
Augustus 1904, ook al onder de in Engeland door zon bevoordeelde maanden, schijnt hier ook bijzonder mooi te zijn geweest, ten minste er staat bij het begin van September: »De zomer was blijkbaar te heerlijk en te mooi om aan schrijven (in het dagboek) toe te komen. Het was altijd prachtig weêr.«
De jongst verloopen April kon ook in ons land, wat de mooie dagen betreft, schitterend meedoen, en ten slotte September 1895, nu al weer veertien jaar geleden, daaromtrent komen in het dagboek herhaaldelijk uitroepen van bewondering voor. Zoo den 5den: »Steeds maar onvergelijkelijk mooie Septemberdagen, altijd buiten thee drinken!«, den 9den: »Het is steeds mooi weêr gebleven«, den 19den: »Altijd sierlijk mooi weêr!«, den 22sten: »Goddelijk mooie herfstdag, verbazend hooge barometerstand,« den 23sten: »Zoo mogelijk noch prachtiger weêr dan gisteren«, den 24sten: »Nog zoo onvergelijkelijk mooi weêr,« den 27sten: »Nog dat wonderschoone weêr en die hooge barometerstand,« en als om die heerlijke maand September 1895 alle eer alleen te laten houden begint het al op 1 October: »Voor het eerst na al die weken een bedekte lucht en de barometer terug tot 755«.
Men mag hier dus wel uit besluiten, dat in hoofdzaak engelsch weêr ook hollandsch weêr is.
OP DEN UITKIJK.
PARIJSCHE CABARETS.
In de jaren na 1880 waren de cabarets, waar de kunstenaars samenkwamen, nog zoowat tot Parijs beperkt, en eerst in het laatste tiental jaren heeft ook in de groote steden van andere landen het cabaretwezen zich ontwikkeld en is er zeer bemind geworden. De kunst is in alle kringen te huis, en daarom is het cabaret, trots de democratie die er heerscht, in de gunst van het beste publiek.
De eigenlijke stoot voor de cabaretbeweging is van het Quartier Latin uitgegaan. Een studentengrap dreef de overmoedige club van Bohémiens, de »Hydropathie«, in het jaar 1881 naar de streek der Apachen. Aan den boulevard Rochechouart begonnen de clubbroeders onder het grappige presidentsschap van den nog al aan lager wal geraakten beeldhouwer Salis hun zonderlinge bijeenkomsten. Ze zongen en declameerden afwisselend hun eigen gedichten en composities. Elke week kwamen ze tot groote vreugde van de bezoekers van het lokaal samen en stelden zich tevreden met de bescheiden gaven, hun vrijwillig geboden.
De kleine ruimte werd langzamerhand met kunstwerken van allerlei soort gevuld door de kunstenaars, en toen de kleine kroeg al grooter toeloop kreeg, en de naam van den beeldhouwer Salis door geheel Parijs klonk, zagen de vrienden zich genoodzaakt, hun werkzaamheid naar een eigen lokaal in de Rue Laval te verplaatsen. Hier bloeide de cabaret onder den naam van Chat Noir bekend, en trok avond op avond de elegante wereld naar Montmartre. De club was ook uitgebreid geworden; studenten en kunstenaars, die schipbreuk hadden geleden of het met het nuchtere gewone leven niet konden vinden, boden hun diensten aan en werden zonder veel omslag aangenomen. Zoo kon men een aan afwisseling rijk programma krijgen, dat naast origineele lyrische en epische gedichten ook wel fijne satiren en gloedvolle hymnen ten beste gaf.
In aansluiting bij de voordrachten in de club gaf Salis samen met Emile Goudeau een cabaretblad uit, de Chat Noir, waarin schetsen en gedichten van bekende schrijvers verschenen. De illustraties van den tekst werden door uitnemende kunstenaars geleverd, onder wie ook de onlangs gestorven caricatuurteekenaar Caran d'Ache. In 1885 verplaatste Salis de kunstzaal naar de straat Victor Massé, waar de Chat Noir zijn grootste triomfen vierde.
Tegenwoordig is er nog slechts een flauwe naglans daarvan over. Met den dood van Salis is zijn schepping in verval geraakt; iets ervan is nog blijven bestaan in het achterafgelegen cabaret »Quat-Z'Arts«, maar het is het rechte niet. Voor eenige jaren is nu aan den boulevard de Clichy een nieuw cabaret onder den naam Chat Noir ontstaan, uiterlijk op den grooten voorganger gelijkend, maar in de degelijkheid der voorstellingen er ver vandaan blijvend. Toch wordt het nog druk bezocht. Een smalle trap leidt van de straat naar beneden in een als herberg ingerichte kelderruimte. Aan de muren hangen groteske en onkiesche voorstellingen, en aan het eene eind is de werkplaats voor de kunst, een klein podium en een zware piano, en daarachter in het midden ter grootte van een gewoon keldervenster het chineesche schimmentheater. Een goed glaasje bier kost in het etablissement een franc, maar de entrée is er onder begrepen.
De voorstellingen beginnen in den regel elk halfuur en duren ook niet langer. De leider van de voorstelling verwelkomt ieder nieuw aangekomene met een karakteristieke opmerking, die geregeld het publiek aan het lachen maakt.
Een emancipatie van de school van Salis is het schuin tegenover de Chat Noir gelegen cabaret »Le Ciel«, dat in het erbij behoorende cabaret »L'Enfer« zijn completeering vindt. De gasten zitten op kerkbanken met hooge leuningen, nemen aan een lange rechthoekige tafel plaats, worden door monniken bediend, die ook een preek houden, en gaan ten slotte onder het geleide van een Capucijner monnik verscheiden wenteltrappen op naar een tooneeltje waar paradijsachtige schoonheden te bewonderen zijn en waar door allerlei optisch bedrog den toeschouwers verrassingen worden bereid.
De cabaretstemming wordt tegenwoordig naar de balzalen overgebracht. Een der interessantste in dien zin is de Moulin de la Galette. Om die bezienswaardigheid te bereiken, moet men van den boulevard de Clichy een kleine bergtoer naar de Rue Tholozé ondernemen. Het gaat bijna tien minuten bergop. Zelden is een koetsier bereid, er tegen op te rijden; af en toe waagt nog eens een auto het, maar ook zij vermijden liefst de beruchte streek der Apachen. De zaal met alle moderne comfort heeft in haar midden een grooten molen, die lustig draait en in rhythme blijft met de onzinnigste dansmelodieën. Bij cotillons en dergelijke aanleidingen treedt de molen ook nog anders in werking. Bij elke omdraaiing komen er dan nieuwe verrassingen voor de uitgelaten dansers. Het danst er prettig, want de inrichting is bekend voor de beste dansmuziek. Het is een zeer gemengd gezelschap, dat er avond aan avond verschijnt.
Een door de druk uitgaande jongelui bevoorrecht lokaal is »Elysée Montmartre«, een elegant danslokaal van Montmartre, waar automobielen en eigen rijtuigen voor te wachten staan, behoed door lakeien. Over breede marmeren trappen gaan de schoonen naar de prachtige zaal. Poeder en blanketsel zijn er sterk vertegenwoordigd, en men danst er tot tegen drie uur in den morgen, wanneer »Elysée Montmartre« de deuren sluit, om ze overdag voor bokserswedstrijden en andere sport te heropenen.
Meer cabaretkarakter droeg vroeger de »Moulin Rouge«, die ook thans nog veel vreemdelingen trekt. Uit het beroemde ballokaal is voor eenige jaren een elegant variété-theater geworden, waar een stuk, dat trekt, eenige dozijnen malen wordt gegeven. De groote »promenoir« blijft altijd een aantrekkelijkheid der Moulin Rouge.
WONDERLIJKE TOESTANDEN IN ONZIJDIG MORESNET.
In het pruisische Huis van Afgevaardigden is de vorige maand nog eens gewezen op de wonderlijke en afkeurenswaardige toestanden in het landje op de grenzen van Nederland, België en Duitschland, dat bij het Weener Congres in 1815 bij de verdeeling van Europa na de ontreddering door Napoleon erbij is ingeschoten. Men heeft er blijkbaar allertreurigste toestanden.
Over het door ongeveer 3400 inwoners, meerendeels Duitschers, bewoonde landje, regeert de burgemeester van de naburige gemeente Pruisisch Moresnet, onder toezicht van den landraad van Eupen en den Belgischen prefect van Verviers. In het civiele recht geldt de Code Napoléon, volgens den tekst van 1814, strafrechtelijk de Code pénal van 1810. Wegens zijne draconische bepalingen wordt die laatste code echter meestal niet toegepast. Wanneer inwoners onder elkaar geschillen hebben, kunnen zij in België of in Pruisen recht zoeken. Daar zijn ongewenschte toestanden het gevolg van.
Onzijdig Moresnet geniet volkomen vrijdom van invoerrechten, zoodat de menschen van rechts en van links kunnen invoeren, wat zij willen. Alle neringen en bedrijven zijn er vrij. Geen wonder, dat het kroegwezen er meer ontwikkeld is dan ergens anders ter wereld. Slimme lieden hebben een aantal branderijen opgericht en smokkelen jenever in België binnen, waar zij goede prijzen maken. Het moet voorgekomen zijn, dat in België jenever is ingevoerd in mineraalwaterflesschen, met het opschrift: Altenberger Mineralwasser. De pogingen om een speelbank op te richten, zijn mislukt. Toch blijft Onzijdig Moresnet het beloofde land voor een aantal menschen van verdacht allooi: landloopers, kwakzalvers, speculanten en allerlei andere rondtrekkende lieden. Het treurigst is de toestand van de scholen. Er is geen leerplicht. Er zijn 5 veel te volle klassen, in 4 ervan zitten meer dan 110 jongens en meisjes. In de eenige meisjesklas zitten meer dan 200 kinderen. In de schoollokalen zijn geene banken, ten minste geen banken met een tafel eraan. De kinderen zitten in alle hoeken neergehurkt en kunnen alleen schrijven, door hun lei in den linker arm te nemen. De luchtverversching, of liever het luchtbederf, is van dien aard, dat onderwijzers, onderwijzeressen en kinderen herhaaldelijk dientengevolge ziek worden.
De bevolking zelve is verbitterd, de burgemeester van Pruisisch Moresnet houdt haar aan het lijntje, door altijd weer opnieuw te herinneren aan de sedert tien jaren hangende onderhandelingen.
De afgevaardigde Hackenberg, een nationaal-liberaal, werd door den heer Frantzius, directeur aan het ministerie van Buitenlandsche Zaken, vriendelijk te woord gestaan; de regeering moest de gewraakte toestanden erkennen, maar men moest wachten, tot een uitvoerige overeenkomst, die de pruisische aan de belgische regeering had overgelegd, door België zou zijn beantwoord.
ECHTE PANAMA'S, DOOR NEDERLANDERS GEVLOCHTEN.
Op de Middenstandstentoonstelling, die deze maand te Amsterdam wordt gehouden, kan men echte Panamahoeden zien vlechten door vrouwen uit Willemstad en omstreken, die ervoor van Curaçao zijn overgekomen. De gouverneur van het eiland schreef aan het uitvoerend comité der tentoonstelling, dat de regeering van Curaçao het aanbod van genoemd comité aanvaardt en gaarne van de ter tentoonstelling aangeboden ruimte gebruik zal maken voor de inrichting eener expositie van Curaçao'sche stroohoeden of Panama's, waar een werkplaats voor de vervaardiging van de hoeden aan verbonden zal zijn.
Een viertal dames heeft de zorg op zich genomen, om aan het Nederlandsche publiek te vertoonen, hoe onze mede-Nederlanders, de vrouwen van Curaçao, dat werk verrichten. Gelukkig, dat de vrede met Venezuela is hersteld, want vandaar moet het beste stroo voor het maken der Panama's komen; in den tijd, toen het met de gemeenschap met Venezuela verleden jaar zoo slecht geschapen stond, zat men op Curaçao met de handen in het haar, want het stroo, waarover men te beschikken had, voldeed niet en gaf aan de hoeden niet die soepelheid en veerkracht, die ze zoo gunstig onderscheidt.
ROTTERDAMS MUSEUM VOOR LAND- EN VOLKENKUNDE.
Er zijn groote en degelijke veranderingen op til met het Museum te Rotterdam, dat een flinke uitbreiding ondergaat, zoodat de verzamelingen tot hun recht zullen komen en zullen kunnen worden vertoond op een wijze, die overeenkomt met den stand van het tegenwoordige museumwezen en die beantwoordt aan de hooge eischen, door den directeur gesteld, waar het hem vooral te doen is, om het ten toon gestelde voor het publiek duidelijk en helder te doen spreken. Hij meent, dat er van zoo'n collectie veel goeds kan uitgaan voor de volksontwikkeling, voor de belangstelling in onze koloniën en misschien ook voor onze nijverheid, maar daarvoor moet het geëxposeerde gemakkelijk toegankelijk wezen en zóó zijn uitgestald, dat herkomst en bijzonderheden goed herkenbaar zijn.
Daartoe was in het Museum gebrek aan de noodige ruimte en aan de juiste bergplaatsen, vandaar de noodzakelijkheid der verbouwing, omtrent welker voorbereiding het dezer dagen verschenen Verslag, uitgebracht door de Commissie van toezicht op het Museum, over het jaar 1908 een uitvoerige uiteenzetting geeft. Dat jaar is er een van onrust geweest en het publiek heeft de voordeelen, aan het bezit van het Museum verbonden, een groot deel van den tijd moeten missen, want reeds op 1 Juli werd begonnen met het inpakken der voorwerpen, en den 15den van die maand werd het Museum voor het publiek gesloten, aan welk feit bekendheid werd gegeven door middel van aanplakborden in de stad en door advertenties in de dagbladen.
Maar daarom is 1908 niet onvruchtbaar geweest voor de instelling. »Verblijdende winste« valt er volgens het verslag te constateeren. Er is veel nieuws bij gekomen, en met bijna 3000 nummers is de inventaris in het afgeloopen jaar vermeerderd. Herinnerd wordt aan de belangrijke en uitgebreide verzamelingen van den heer Hondius van Herwerden, van Mevrouw A. Sturms-Scheuer, de heeren Mr. J. H. van Hasselt, W. R. Vroon, Te Wechel; aan de collecties van de heeren L'Honoré Naber, Van Hille, Barends en Müller; aan de enkele stukken van groote waarde door de heeren Jonker, Bosman, Van Oosterzee en den Resident der Lampongsche distrikten geschonken, bewijzende dat het belang eener ethnografische collectie niet altijd afhankelijk is van haren omvang. Van de aangekochte verzamelingen mogen in 't bijzonder die van Madagascar en van de Bataklanden genoemd worden, van Madagascar vooral, dat thans, door de medewerking van den heer E. H. Bolten, bijzonder goed vertegenwoordigd is.
Het gehalte der verzamelingen, die ten behoeve van het Museum bijeengebracht werden, verbetert aanzienlijk; een collectie als die van den heer Hondius van Herwerden mag gerust een model-collectie genoemd worden; van elk voorwerp zijn de inlandsche naam en de plaats van herkomst aangegeven en het gebruik ervan wordt uitvoerig omschreven. Met zorg bewerkt zijn in dit opzicht ook de verzameling van de heeren Mr. van Hasselt en Bolten; bij eerstgenoemde gaf de schenker daarenboven de prijzen aan van het speelgoed, dat hij op den pasar kocht.
Het verslag geeft een lijst van de voorwerpen, ten geschenke of in bruikleen ontvangen of door ruiling of aankoop verkregen, en bevat tevens een prettig geschreven overzicht der tijdelijke tentoonstellingen, gehouden in het eerste halve jaar van 1908, waarbij de secretaris gelegenheid vond, een belangwekkende uiteenzetting van het ikat-procédé ter verving van weefsel in zijn verslag in te lasschen.
DE DUITSCHER, ONDER BOETEN GEBUKT GAANDE.
Ieder jaar steekt Duitschland millioenen marken in den zak, wegens overtredingen van politieverordeningen. Let bij voorbeeld eens op een dag in het leven van een duitschen koopman. Al vroeg opent hij zijn vensters; de wind doet een luik kraken en werpt een bloempot omver en in de straat: twee mark boete.
Hij schrijft aan de politie, dat hij een meid heeft gehuurd. Die mededeeling is te laat ingekomen: vijf mark boete.
Uitgaande voor een zaak, die haast heeft, springt hij op een tram, die in beweging is: vijf mark.
Hij heeft in zijn winkelkast een curiositeit, die een oploop veroorzaakt: tien mark.
Zijn schilder heeft op het uithangbord bloemversieringen aangebracht, die den voornaam van den winkelier onzichtbaar maken: vijf mark.
Om twaalf uur neemt den eeuwig beboete den metro, om thuis te gaan ontbijten. Hij heeft zijn abonnementskaart vergeten: zes mark.
De controleur voor de nationale verzekeringen wekt hem uit een dutje, om hem de ziektekaart te presenteeren voor zijn dienstbode. Die kaart is gefrankeerd met de noodige zegels, maar men heeft vergeten, ze af te stempelen: tien mark.
Die controleur wordt door een anderen gevolgd; de winkelier had zijn zoontje den 2den Januari laten inenten, dat was twee dagen na den wettelijken termijn: twintig mark.
Om naar zijn winkel terug te gaan, bestijgt de trouwe onderdaan van Z. M. Wilhelm II zijn rijwiel, maar laat zijn wielrijderskaart thuis bij ongeluk. Een agent houdt hem staande: drie mark. Om den verloren tijd in te halen trapt hij woest voort; te groote snelheid: drie mark. Hij rijdt door een straat, waar de passage voor wielrijders verboden is: drie mark. In den snellen gang is zijn bel los geraakt: een agent beboet hem, omdat de bel geen helder geluid geeft: drie mark. Die boeten, die hem ophouden, houden hem op straat tot het donker wordt. Hij heeft geen lantaarn: drie mark. Na het eten vergeet hij te gaan naar de oefening van de brandweer: tien mark.