Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 20

Chapter 203,834 wordsPublic domain

De groep der Marianen, die in de Stille Zuidzee ten oosten van de Philippijnen ligt, is een duitsche kolonie. In de Deutsche Kolonialzeitung van 8 Mei vertelt Dr. Dwucet, die er verblijf houdt, hoe hij er in geslaagd is, bijen in te voeren op Saipan, het belangrijkste eiland van de groep.

Het tropische klimaat van den archipel, zoo vertelt hij, brengt veel mildbloeiende gewassen voort. Maar desniettegenstaande zijn er op de eilanden nooit bijen geweest, zooals de inboorlingen mij hebben verzekerd, die onze nuttige honiggaarsters zelfs niet bij naam kenden. In het jaar 1905 kwam ik voor onderwijsbelangen naar Saipan, en eenigen tijd na mijn komst, toen ik het eiland eenigermate had leeren kennen en mij met de verschillende bloeiende planten bekend had gemaakt, kreeg ik de overtuiging, dat de bij op het eiland zeker zeer goed zou gedijen. Ik besloot, er eens een proef mee te nemen.

De overheid gaf mij in dezen volle vrijheid, en van een bevriend scheepskapitein had ik vernomen, dat op de ten noorden van ons gelegen japansche Bonin-eilanden zeer druk met bijen werd gewerkt. Ik verzocht den kapitein, op zijn volgende reis van Japan uit de eilanden aan te doen en voor ons eenige volken mee te brengen. Den 31sten December bracht hij ons op zijn "Paula" vier volken mee in japansche kasten. De japansche gouverneur der Bonin-eilanden had de bijen aan ons bestuur ten geschenke gegeven.

Nadat de kasten op de ervoor in gereedheid gebrachte plaats waren neergezet, onderzocht ik ze en vond, dat in iedere kast meer dan de helft der bijen dood was; de lange zeereis van 16 dagen op een zeilschip, opgesloten in de tropische hitte, heeft veel kwaad gedaan. Tot mijn groote vreugde vond ik echter de koninginnen in goeden toestand. De kasten werden dadelijk schoongemaakt en in orde gebracht. Korten tijd achtereen voederde ik, ofschoon er juist veel bloeide, om broedaanzet te krijgen, en ik zag er goede resultaten van. Den 2den Maart, dus na twee maanden, kwam al een eerste sterke zwerm naar buiten, den 5den Maart een tweede, die even groot was als de eerste; toen volgden nog verscheiden met vrij groote regelmatigheid het heele jaar door; alleen in Augustus, September, October en November was de zwermlust gering.

Daar het er mij vooreerst maar om te doen was, de vermeerdering der volken zooveel mogelijk te bevorderen en minder op de opbrengst aan honig te werken, heb ik het zwermen zijn gang laten gaan. Op die manier heb ik in het eerste jaar 48 zwermen gekregen, waarvan echter eenige naar de wildernis zijn ontkomen. In Augustus en September zijn zes volken te gronde gegaan, zonder dat ik de oorzaak heb kunnen nagaan.

De bijenstand bestond aan het eind van het eerste jaar, in Januari 1908, uit 37 volken in bijenkasten, ongeveer drie centenaars honig en bijna 24 pond zuivere was.

Om bij de inboorlingen de belangstelling voor de bijenteelt te wekken, heb ik de grootere schooljongens voor allerlei werk te hulp geroepen en ik gaf hun op die manier practisch les in het bijenkweeken. In den laatsten tijd hebben ze reeds al het werk in de imkerij zelfstandig kunnen doen. Als prijzen voor knap werk met mooie resultaten gaf ik aan de jongens telkens een zwerm cadeau. Enkele inboorlingen hebben zich bijenkasten met bijen gekocht van onze regeering, die een volk met kast voor zeven en een halven mark verkocht. De prijs is zoo laag gesteld, om de zaak onder de inboorlingen ingang te doen vinden.

De bij is op Saipan vlijtig en steekt zoo goed als niet. Deze ingevoerde schijnt een product van de kruising der italiaansche met de koreaansche bij. Ook bij het grondigste werk in de kast heb ik nooit een sluier of handschoenen gebruikt, en ook de schooljongens deden het er zonder. De bijen zijn zeer zwermlustig en, wat ik vaak heb waargenomen, ook bij zeer regenachtig weer gaan ze uit, om honig en stuifmeel te halen. Als vijanden der bij doen zich op Saipan voor de hagedissen, de mieren en een soort van kevers, die hier kakkerlakken worden genoemd.

De tijd der hoofddracht begint op Saipan al in December en duurt bijna tot einde Mei. Al dien tijd doen de bijen zoo hard mogelijk haar werk. Als ik toen veel kunstraat te mijner beschikking had gehad, zou de honigvoorraad nog driemaal zoo groot zijn geweest.

Bijna alles wat op het eiland bloeit, wordt door de bijen bezocht, de bananen, de kokospalmen, de gomboomen en duizend andere bloeiende gewassen.

Om ook op het eiland Rota in onze buurt met bijen een proef te doen, zond ik in April 1908 aan den daar gevestigden zendeling, pater Corbinian, die zich voor de bijenteelt zeer interesseerde, twee van mijn eigen kasten met bijen. Gedurende zijn slechts kort verblijf op Saipan heeft hij aan alle werkzaamheden deelgenomen en zich het meest wetenswaardige over de bijenhuishouding eigen gemaakt. Na een mij reeds bekend geworden bericht van Rota is het ook daar met de bijen uitstekend gegaan en de honigoogst is overvloedig.

Even goed als Saipan zal ook het eilandje Tinian wel geschikt zijn voor het bedrijf. Ik was juist voornemens daar een proef te wagen, toen mijn vertrek de uitvoering van het plan verhinderde.

De Saipanhonig is van zeer goede hoedanigheid; aroma en smaak verraden terstond de tropische herkomst, die het product zachter maakt van smaak en geur. Het pond honig is op Saipan voor één mark verkocht. Dadelijk in het eerste jaar bracht de imkerij 115 mark voor honig en bijen op. Dat resultaat bewijst duidelijk, dat een intensieve bijenteelt op Saipan mogelijk is; maar de omstandigheid, die de zaak bezwaarlijk maakt, is de naar alle richtingen te groote afstand van een afzetgebied voor honig en was.

En ten slotte vertelt de heer Dwucet, dat hij van huis uit geen bijenkweeker is, dat hij al wat hij van de bijen en het bedrijf weet, uit goede bijenboeken heeft geleerd en dat hij een paar malen een practische imker bij zijn werk heeft bezig gezien. Maar de liefde tot de zaak was groot bij hem en daardoor is het hem gelukt, de bijen in te burgeren op de Marianen en de inboorlingen op te wekken tot belangstelling in de bijenteelt.

In ons Indië houdt men, meenen wij, wel hier en daar bijen; maar zonder twijfel zijn er honderden ambtenaren, die op hun standplaatsen het voorbeeld van den Duitscher zouden kunnen navolgen, en ook particulieren zouden, als ze in de zaak belangstelden, een nuttig werk kunnen doen door invoering van de nijvere bijtjes in hun omgeving.

KUNST EN PUBLIEK.

De kunst is er voor het publiek, niet voor de kunstenaars; dus behoeft een kunstwerk zich niet te schamen, als het in den smaak valt van het publiek.

EEN EN ANDER OVER SHACKLETON'S EXPEDITIE.

Uit de berichten, die over de belangrijke zuidpoolexpeditie van luitenant Shackleton nog in de bladen zijn verschenen, zij nog meegedeeld, dat de bestijging van den Erebusvulkaan den 5den Maart 1907 volbracht werd door luitenant Adams, Sir Philip Brocklehurst, prof. Edgeworth David, A. Forbes Mackay, Eric Marshall en Marson. Tot op een hoogte van 1650 meter konden ze met de slede doordringen. Daarna droegen ze hun uitrusting en bereikten op den avond van den 7den Maart 2850 meter hoogte. Hier werden ze door een hevigen sneeuwstorm dertig uren opgehouden. Den 9den werd de tocht voortgezet en bereikten ze den ouden krater ter hoogte van 3350 meter. Deze werd onderzocht en er werden fumarolen ontdekt. De oude krater was met veldspaath, puimsteen en zwavel gevuld. De 4000 meter hooge top, waar zich de nieuwe, werkzame krater bevindt, die 8000 meter in middellijn wijd is en 240 meter diep, werd den 10den bereikt. Denzelfden dag werd met de afdaling begonnen en den 11den was men weer bij Kaap Royds.

Toen begonnen de stationswaarnemingen, die het geheele jaar 1908 door werden volgehouden. Bij Kaap Royds liggen eenige kleine zoetwatermeren, die een rijk leven vertoonden aan microscopische dieren, als infusoriën, raderdiertjes e.a. De raderdiertjes hebben een bijzonder taai leven, daar ze verscheiden jaren in het ijs der meren kunnen blijven leven. Ze kunnen niet alleen zeer lage en zeer hooge temperaturen verdragen, maar ook zeer sterke zoutoplossingen.

Op den bodem der meren werden veel fungusachtige planten gevonden, die door de raderdiertjes met graagte werden verslonden, zoodra de laatste ontdooid waren. In Juni 1908 was de Erebus sterk werkzaam, en den 14den Juni werden bij maanlicht verscheiden goede photografieën der uitbarstingen genomen. Den geheelen winter zag men veel mooie Zuiderlichten, die het meest aan den oostelijken hemel voorkwamen, zelden in de richting van de magnetische pool.

De motorsleden bleken voor tochten over landijs en de oppervlakte van het ijs van den Rossgletscher ongeschikt, en dus konden ze ook niet worden gebruikt voor den grooten opstoot naar de pool. Voor het zee-ijs daarentegen deed de Arrol-Johnstonmotor goede diensten, trots de lage temperaturen. Er werden van het winterkwartier uit veel sledevaarten in verschillende richtingen gedaan, de eerste in Augustus naar de ijsbarriere, en de tijd van den 22sten September tot den 13den October 1908 werd gebruikt voor het aanleggen van een depot ten behoeve van de ontworpen reis zuidwaarts op den Rossgletscher. Het werd aangelegd op 79 graden, 36 minuten Z.B. en 168 graden O.L.

De groote reis naar de Zuidpool, waaraan buiten Shackleton, Adams, Marshall en Wild in het begin ook Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley deelnamen, werd op 29 October begonnen. Voor het trekken der sleden werden vier pony's meegenomen, nadat reeds in Maart 1908 vier van die belangrijke dieren gestorven waren, daar ze zand hadden gegeten. Levensmiddelen werden voor 91 dagen meegenomen. Den 7den November keerden Brocklehurst, Joyce, Marson, Armytage en Priestley om, en op den 13den November werd het genoemde depot bereikt. De dagelijksche porties werden nu al verminderd.

De tocht was moeilijk door de zachte sneeuw, die afwisselde met de "sastrugi" of sneeuwruggen. Op 81 graden en 4 seconden werd een paard gedood en een depot van olie, beschuit en paardevleesch achtergelaten. Den 28sten November werd het tweede paard gedood en op 82 graden, 45 minuten Z.B. en 170 O.L. weer een depot aangelegd. Den 30sten November moest ook het derde paard zijn leven laten.

Den 2den December trof men het rotsgesteente; de Rossgletscher liep ten einde en men zag het naar het Noordoosten ombuigende randgebergte vóór zich. Over een gletscher van dat gebergte ging het van af den 5den December verder. De gletscher had gevaarlijke spleten, zoodat men den 6den December maar 550 meter verder kwam. Den 7den verloor men het laatste paard door een val in een gletscherspleet, en nu moest elk lid van den tocht zelf een slede trekken. Den 8sten December begon een nieuwe gletschertocht, die tot den 18den duurde, en waarbij alleen door voortdurend met touwen verbonden te blijven de deelnemers voor een val in een spleet werden behoed. De hier bereikte hoogte bedroeg 2000 meter. Op 85.10 graden werd weer een depot aangelegd en de laatste aanloop begon na nog een vermindering der dagporties. Den 26sten December stond men na overwinning van verscheiden ijsvallen op een plateau van 2700 meter hoogte, dat trapsgewijze tot 3150 meter steeg. Die ketens hielden den volgenden dag op, en Shackleton besloot, om de uitputting der medeleden door koude en ijle lucht, nog een laatste depot aan te leggen.

Van den 7den tot den 9den Januari werd men door sneeuwstormen in de tent en de slaapzakken vastgehouden, en den 9den werd ten slotte de hoogste breedte van 88.23 graden bereikt. Een groote vlakte breidde zich naar het Zuiden uit.

Tot de geologische vondsten van deze reis behoort de ontdekking van kolenlagen in het kalkgesteente en van sporen van groote vroegere vergletschering. Het aantal der overschreden bergketenen is acht, waarvan de toppen tot 3600 meter reiken. De Zuidpool zelf moet, naar Shackleton vermoedt, op een 3000 tot 3500 meter hoog plateau liggen.

De terugreis ging natuurlijk langs denzelfden weg. Gebrek aan levensmiddelen en uitputting verzwakten de leden meer en meer. Gelukkig werd men in het begin door de zuidenwinden wat geholpen, die men nu in den rug had, zoodat soms tot 46 kilometer per dag werd afgelegd. Den 27sten was Marshall aan het eind van zijn krachten en moest onder de hoede van Adams worden achtergelaten. Shackleton en Wild spoedden zich naar het winterkwartier vooruit en troffen de intusschen teruggekeerde "Nimrod", van waar ze hulp voor hun kameraden kregen.

De afdeeling, die naar de magnetische pool opbrak, bestond uit David, Marson en Mackay. Zij bereikte de oostkust van Victorialand bij Butter Point op 77.40 Z.B., trok over het zee-ijs noordwaarts tot 75 graden en beklom het hoogland in het binnenland in de laagte tusschen den Mount Nansen en den Mount Larsen. De magnetische zuidpool lag op een hoogte van 2000 meter op 72.25 Z.B. en 154 O.L., terwijl de ligging naar de berekeningen van de Discovery-expeditie 72.51 Z.B. en 156.25 O.L. was aangegeven. Toen de afdeeling naar de kust was teruggekeerd, zag ze zich doordat het zee-ijs van daar middelerwijl was weggedreven, van de verbinding met kaap Royds afgesneden. Ze werd echter den 4den Februari 1909 door de "Nimrod" gevonden en aan boord genomen.

ERRATUM.

Het onderschrift der illustratie op blz. 166 in dit nummer is door den zetter verkeerdelijk onder de bovenste illustratie van blz. 165 geplaatst en omgekeerd. De welwillende lezer gelieve deze fout te verontschuldigen.

ZIGEUNERS IN ZEVENBURGEN.

De Zigeuners in Zevenburgen hebben in Europa het zuiverst hun taal, zeden en gewoonten bewaard. In de taal zijn slechts weinige romaansche en slavische woorden opgenomen, terwijl de Zigeuners, uit bij voorbeeld de Hongaarsche laagvlakte, gekleed als de paardenherders uit die streken, de tsjikoschen, een veel meer gemengde taal spreken. In Zevenburgen dragen de Zigeunermannen het haar in krullen, en de vrouwen hebben naar voren hangende vlechten, waar ze zilverstukken in vlechten. Getrouwde en ongetrouwde zijn door de haardracht te onderscheiden, want de eerste laten de vlechten loshangen over de borst, en de laatste binden de uiteinden van achteren samen. Het aantal eigenaardige gebruiken, dat in het Zigeunerleven een rol speelt, is eindeloos, even talrijk als hun bezweringsformules bij ziekte en ongeluk.

Deze Zigeuners hebben een rijke litteratuur van liederen, sprookjes en sagen, waaruit opvallend blijkt, dat dit volk in den grond nobel van karakter is, en inderdaad wie hen tot zijn vrienden weet te maken, vindt in hen niet het leugenachtige bedelvolk, waar ze voor doorgaan, maar een hartelijk en naïef menschenslag.

Ze leiden in Zevenburgen een zwervend leven; maar dikwijls laten ze zich voor langeren tijd in een of ander dorp neer, zonder er echter ooit huizen te bouwen. Ze werken er dan in daghuur, zijn kalk- en kolenbranders, maar allereerst smeden, die het liefs ketels lappen. Ook de vrouwen gaan werken op de velden, in de tuinen, aan het houtdragen, en doen aan het waarzeggen in het dorp. In dat laatste zijn ze knap, en het is bijna niet te gelooven, met hoeveel slimheid ze van de roemeensche vrouwen geld of kleedingstukken loskrijgen.

Hier is een voorbeeld:

Een Zigeunervrouw komt in een huis. Ze vraagt, of ze der huisvrouw de kaart mag leggen en voegt erbij, dat ze er niets voor begeert en het enkel uit vriendschap voor de boerin wil doen. De vrouw stemt toe. Nu leest de Zigeunervrouw met iets plechtigs in haar stem uit de kaarten, dat de boerin veel vijandinnen heeft en dat die een groot ongeluk over haar hoofd zullen brengen.

De Roemeensche is bang geworden. Ja, ze heeft vijandinnen, welke roemeensche vrouw zou die niet hebben! Maar wat moet ze doen? Ze vraagt de vreemde vrouw raad.

»We zullen het ongeluk afwenden,« zegt deze, »maar moeilijk is het, want gij hebt te veel vijandinnen, die machtig zijn. Ik wil echter beproeven, u te helpen.«

Ze verlangt een glas water, dat men haar brengt. Nu neemt ze drie stukjes kool uit het haardvuur en werpt die in het water. Dan gaat ze op den grond zitten, draait het glas onafgebroken in het rond en mompelt in al grooter wordende opwinding: »Se trese riului din capu lui, din casa lui, din totje!« (Het booze verdwijne van u, van uw hoofd, uw huis en allen!) Dan verlangt ze aarde van alle vier hoeken van het huis, plaatst het glas erop, maakt een kruis, en de boerin moet een zilverstuk in den mond nemen. En weer mompelt ze bezweringen, en kijkt strak vóór zich, beeft als in grooten angst, en ook de boerin heeft het angstzweet op het gelaat. Nu vraagt ze een tweede geldstuk, legt dit in het water, en de Roemeensche moet met den voet op negen penningen gaan staan. En weer beginnen de bezweringen.

Eindelijk is de ceremonie ten einde. De Zigeunervrouw gaat opstaan en verklaart, dat nu de booze geesten gevlucht zijn, maar dat ze nog kunnen terugkeeren. Om dat te verhinderen en opdat de betoovering langer zal werken, moeten de beide zilverstukken thans in een nieuw kleedingstuk worden gebonden, dat voor een enkelen dag door de waarzegster moet worden begraven. En daarna gaat de vrouw heen, en de boerin ziet noch het geld, noch het kleedingstuk ooit terug.

Al gaan de Zigeuners in Zevenburgen wel aan het werk, al zijn ze behalve smeden en ketellappers, ook wel kooplui in glaswerk en potten en pannen of in houten lepels, zooals soms in dekens en tapijten, toch blijven de arbeid en de handel altijd bittere noodzakelijkheid. Als het niet volstrekt moet, voeren ze niets uit en loopen doelloos rond. De welgestelden onder hen, die niet gering in aantal zijn, versmaden elk werk en ook het bedelen. In hen woont nog iets van den trotschen geest der oude Brahmanen, die zich de weelde veroorloofden, alles te verachten, ook het leven en zichzelven.

DR. J. D. E. SCHMELTZ.

Op den 70sten verjaardag van Dr. J. D. E. Schmeltz, den directeur van het Ethnographisch Museum te Leiden, konden zijn vrienden en de verdere belangstellenden constateeren, hoe flink en opgewekt de jubilaris was, die een goede gezondheid genoot. Helaas, dat hij slechts zoo kort dien feestdag mocht overleven! Op den Vrijdag, die op den Maandag, den 17den Mei volgde, vatte Dr. Schmeltz koude, die tot een ernstige longaandoening leidde en die hem op Woensdag den 26sten Mei ten grave sleepte.

Johannes Diedrick Eduard Schmeltz werd in Hamburg geboren en genoot geen wetenschappelijke opleiding. Door toevallige omstandigheden kwam hij in zijn vaderstad in aanraking met den heer Godeffroy, hoofd van een aanzienlijk handelshuis, tevens beoefenaar der land- en volkenkunde, die voor eigen rekening een ethnographisch museum stichtte, aan het hoofd waarvan Schmeltz in 1863 werd geplaatst. Hierdoor kwam hij in aanraking met wetenschappelijke mannen in Duitschland, die in den ijverigen man grooten aanleg voor land- en volkenkunde ontdekten. In 1882 werd het Museum Godeffroy opgeheven, omdat de zaken van de firma minder gunstig liepen, doch Schmeltz zag zich benoemd tot conservator van het Rijks Ethnographisch Museum te Leiden.

Dr. Serrurier, destijds directeur van het Leidsche Museum, zag in den heer Schmeltz een kracht voor die instelling, en hij heeft zich in hem niet bedrogen gezien.

Toen dr. Serrurier in 1897 als directeur bedankte, werd de heer Schmeltz eerst tijdelijk met de leiding belast en later als directeur benoemd.

Intusschen had deze laatste inzonderheid door vele bijdragen op het gebied der land- en volkenkunde naam gemaakt in de wetenschappelijke wereld. Hij werd benoemd tot lid van verschillende geleerde genootschappen, verwierf de gouden medaille van het Keizerlijk Genootschap voor Ethnographie en Natuurlijke Historie te Moskou, en de universiteit te Leipzig bevorderde hem in 1896 op grond zijner geschriften tot doct. phil.

Niet het minst werd zijn naam gevestigd als redacteur van het "Internationales Archiv für Ethnographie."

Als directeur van het Museum was het zijn streven, deze instelling tot haar recht te doen komen in binnen- en buitenland bij de mannen der wetenschap en bij ontwikkelde leeken; maar de hoogst onvoldoende lokaliteit waarin de verzamelingen geborgen waren, werkte hier remmend.

Nu en dan organiseerde hij bijzondere tentoonstellingen en museumwandelingen.

Dr. Schmeltz was ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw en ridder in de orde van den Rooden Adelaar 4 klasse van Pruisen.

Van den catalogus, die Schmeltz met behulp van Juynboll, Marquart, Fischer e. a. bezig was te maken, heeft hij geen enkel deel voltooid zien verschijnen.

MEER STEENKOLEN IN NEDERLAND.

De opsporing van delfstoffen, die van rijkswege plaats heeft, kan in de laatste weken op succes bogen in haar onderzoek bij Winterswijk. Daar werd na talrijke mislukte pogingen op 623 meter diepte ten slotte het steenkolengebergte bereikt en werd reeds een weinig steenkool afgeboord, zeer gasrijke kool. De boring zal nu nog aanmerkelijk dieper worden voortgezet, zoo mogelijk tot circa 1200 M., de einddiepte die men voorloopig gemakkelijk met mijnbouw bereiken kan; het doel is na te gaan op welke kolenlagen men tot op die diepte kan rekenen. Op het oogenblik ondervindt, naar verluidt, de boring moeielijkheden, daar men in een scheur in het gesteente geraakt is.

Wat te Winterswijk de vondst bijzonder belangrijk maakt, is ten eerste de mogelijkheid om zeer goed zout èn steenkolen tegelijkertijd uit één mijn te delven en verder dat schachtaanleg hier zoo bij uitstek gemakkelijk zal zijn, daar dit wel zoowat de eenige plek van ons land is, waar men direct in vasten steengrond naar beneden kan gaan, zonder eerst eenige honderden meters losse, vaak gevaarlijke gronden, vol water, met bevriesmethodes of andere kostbare procedés te moeten doorgraven.

Het schijnt niet verwacht te worden, dat in dit gedeelte van Nederland een uitgestrekt aaneengesloten kolenveld zal liggen, gelijk b.v. in de Peel, waar nu reeds een even groote oppervlakte als de Haarlemmermeer bekend geworden is. In het Oosten des lands verwacht men slechts geïsoleerde velden, die alleen voor afzonderlijke mijnen geschikt kunnen zijn. Dit is daardoor te verklaren, dat hier over het algemeen de steenkolenvorming en ook het daarover liggend zout, dat in de Peel niet voorkomt, zeer diep liggen, doch er komen hoogere plekken voor, een soort van ondergrondsche bergplateau's en slechts op deze is mijnbouw mogelijk, terwijl daarnaast alles veel te diep ligt. Het onderzoek door proefboringen heeft juist ten doel deze hoogere punten op te sporen. Dit onderzoek wordt ijverig voortgezet. Men boort thans in Zuid-Barge in Drenthe; of er nog verdere dergelijke plekken zullen gevonden worden, blijft af te wachten. Naar verluidt zijn reeds bij Haaksbergen vrij gunstige resultaten verkregen.

LIEVER PRUIS DAN OLDENBURGER!

Dat is tegenwoordig de leus van een menigte inwoners van het vorstendommetje Birkenfeld, dat, tusschen Trier en Coblentz gelegen, geregeerd wordt door den hertog van Oldenburg naar de niet al te wel doordachte bepaling, door het Weener Congres in 1815 gemaakt. Die enclave op Pruisisch grondgebied telt 43000 inwoners, over een oppervlakte van 502 kilometers verspreid.

In den loop van de jaren heeft men al dikwijls geklaagd over de zonderlinge gril, die dit stukje gebied in het hart van Pruisen onder het ver verwijderde oldenburgsche gezag bracht. Om aan de verlangens van de bevolking tegemoet te komen, heeft men ten minste de drie kantongerechten onder het Pruisische Landgericht te Saarbrücken, en het Oberlandesgericht te Keulen geplaatst 27 Mei 1909.