Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 2
De manier, waarop men daarbij te werk gaat, is hoogst eenvoudig; met een houweel wordt de grond losgemaakt, in een groote zeef wordt die van het fijne zand en stof bevrijd, dan doorgespoeld met water, dat per muildier uit Lüderitzbucht moet worden aangevoerd, en het grove kiezel wordt dan op een houten tafel doorzocht. De buit is nog niet bijzonder groot, ongeveer acht tot twaalf kleine diamanten per dag, dingetjes van de grootte eener erwt en van zeer verschillenden vorm en kleur. Enkele zoo regelmatig, alsof ze reeds geslepen waren, andere kantig en onregelmatig en nog weer andere schijnbaar van een grooteren diamant afgesprongen.
Op de vraag van den dokter kwam als antwoord, dat vóór hen alles al bezet was, en dat alleen aan den overkant van de klippenreeks nog kans bestond op niet bezette velden. Dus weer vooruit! Na drie kwartier van moeilijk klimmen was men aan de overzij, en daar was na zorgvuldig zoeken geen teeken van inbezitneming door anderen te zien. Vlug dus den eersten paal in den grond geslagen. Die staat er gelukkig. Een blik op het horloge, half elf, wat op het bord moet worden aangeteekend, zegt hun echter dadelijk, dat er maar een kwartiertje overschiet voor het ontbijt, als ze den trein nog willen halen.
Waar ze stonden, gingen ze languit op den grond liggen, rustten uit en versterkten zich met broodjes, een koude côtelet, hardgekookte eieren en een flesch Harzer Sauerbrunnen. Daarna werd de plek met de omgeving gephotografeerd, opdat geen ongeroepene den paal zou kunnen verzetten, en verder gaat het met veel lichter bagage langs de reeks klippen in een wijden boog weer naar het station.
Op den terugweg werden nog vier andere palen opgesteld. Toen de dokter bij den laatsten op mechanische wijze het zand tusschen de vingers liet doorvloeien, terwijl de anderen aan het photografeeren waren, blonk er plotseling hem iets in de oogen. Hij nam het blinkende voorwerp voorzichtig eruit en, hoera! het was een diamant. Als een flinke groote erwt, bijzonder regelmatig, deed de vondst zich voor en riep bij de begeleiders van den dokter kreten van bewondering op om de mooie heldere kleur. Dus hadden ze toch nog een vondst op dien dag! En daarna ging het met versnelden pas terug, want als ze den trein misten, moest er zeventien kilometer door het zand worden gebaggerd, en wat dat wil zeggen, weet alleen hij, die in Zuidwest-Afrika of aan het strand groote tochten te voet heeft gedaan.
De zon brandde, en de voeten zonken diep in het losse zand, dat kurkdroog was geworden. Eindelijk, eindelijk kwamen ze over een kleinen kam en zagen aan het eind der vóór hen liggende vlakte het kleine stationsgebouw, schijnbaar slechts tien minuten ver. Maar de lucht is in Zuid-Afrika zoo zuiver, dat men voortdurend de afstanden onderschat. Nog drie kwartier van moeilijk marcheeren door het zand was er noodig, eer de heeren het vurig verlangde doel bereikten. In de schaduw van het gebouwtje lagen reeds de anderen van het reisgezelschap. Onder de tien menschen werd de conversatie in niet minder dan drie verschillende talen gevoerd, Duitsch, Engelsch en Kaap-hollandsch. Er was dien dag niet veel gevonden in tegenstelling met den vorigen dag, toen bijna ieder deelnemer de een of andere mooie vondst had gedaan, eenige robijnen en een topaas, zoo groot als een hazelnoot. Den eenigen diamant had de dokter gevonden. Maar er waren in de voorafgegane weken in het geheel ongeveer 1200 diamanten buitgemaakt, en alles doet vermoeden, dat voor het Zuiden van de kolonie Duitsch Zuidwest-Afrika een nieuwe bron van inkomsten is gevonden. Mocht de wensch van dokter Meltzer vervuld worden, dat men met behulp der regeering tot een rationeele exploitatie overging!
SCHILDERACHTIG HOEKJE IN MOSTAR.
Mostar is de hoofdstad van Herzegowina en ligt aan de samenvloeiing van de Hadobolje met de Narenta. Sedert 13 Juli 1878 na het congres van Berlijn werd de Herzegowina aan Oostenrijk toegewezen onder beperkende bepalingen, die de Donaumonarchie thans uit den weg heeft geschoven, nu ze de annexatie heeft afgekondigd.
Het landje is voor een groot deel woest en onherbergzaam als een echt Karstlandschap, maar in het Zuiden en met name in de buurt van Mostar is het vruchtbaar. Daar groeien tabak, wijn, olijven en maïs. De Herzegowina, die onder turksche heerschappij stond, en het zuidwestelijkste sandsjak was van het vilajet Bosnië, behoort tot het stroomgebied van de Narenta of Neretva. De Turken veroverden het land, waar Wojwoden als onafhankelijke vorsten regeerden, in 1465 en al vrij spoedig werd Mostar zetel der Sandsjak-beys.
Ze bouwden er in 1500 reeds de nu nog gebruikte hooge brug over de Narenta, van waar men een prachtig gezicht op de stad heeft. De rivier zelf is in haar bovenloop een woeste bergstroom, bruisend door diepe kloven. Bij de stad gekomen, heeft ze na haar loop door de vlakte al haar onstuimigheid verloren. Mostar is naar het Noorden verbonden aan den spoorweg naar de hoofdstad van Bosnië, Serajewo, en naar het Zuiden aan de lijn naar Metkovic, beide bosnisch-herzegowina'sche staatssporen.
HYDERABAD VERWOEST.
Een van die reuzenrampen, als waarvan sommige Oostersche landen het monopolie schijnen te bezitten, heeft in Britsch-Indië in 't laatst van September een mooie, groote stad totaal verwoest. Hyderabad even ten oosten van den Indus aan den spoorweg naar Karatsji gelegen en hoofdstad van het rijk van den Nizam van Hyderabad, is zoo goed als geheel van den aardbodem verdwenen door een overstrooming, gevolg van hevige regens, waardoor een reusachtig waterréservoir zijn inhoud over de stad uitgoot.
Het had dertig uren aaneen geregend en het regende nog, toen op Zondagmorgen, den 27sten September, een meer van zeven mijlen in omtrek, de Hussein Sangor Tank, zich met donderend geweld stortte in het dal van het riviertje, de Moesi, waaraan Hyderabad is gelegen. Het waterbekken bevond zich op een hoogte van dertig voeten boven de stad, en de enorme massa water breidde zich uit over een oppervlakte van tien vierkante mijlen.
Het hospitaal van Afzul Gunj, waar meer dan honderd patiënten waren opgenomen, stortte in; het oude paleis en de tuinen van den engelschen Resident leden groote schade. De resident was toevallig afwezig. De regen hield nog voortdurend aan en bij de overstrooming was de stad weldra geheel geïsoleerd. Met booten en olifanten werd het reddingswerk ondernomen te midden der bruisende wateren, opdat men onder en tusschen het puin der ingestorte wijken nog zooveel mogelijk levenden zou kunnen te voorschijn brengen. Maar duizenden en duizenden hebben er den dood gevonden. Vijftien duizend wordt als cijfer van de slachtoffers genoemd.
Europeanen en inlandsche ambtenaren ondersteunden de troepen en de politie van den Nizam bij de reddingstaak. In de buurt van het Afzul Gunj Hospitaal en den Begum-Bazar was alles als weggevaagd, huizen, boomen en wegen; er was niets dan puin en water, met lijken en gewonden ertusschen. Vier groote bruggen waren weggeslagen; de westelijke voorsteden en de kleine dorpjes in de buurt waren alle verwoest.
Bij hun bezoek in 1906 hadden de prins en de prinses van Wales den eersten steen gelegd van het Victoria Zenana-hospitaal, waar bij de ramp nu personeel en patiënten nauwelijks aan den dood ontkwamen, door op het hoogste deel van het dak van het hevig beschadigde gebouw een toevlucht te zoeken. Van daar werden ze met booten gered.
De naaste toekomst ziet er voor de geteisterde streek donker uit, omdat pest en hongersnood, twee niet onbekende gruwelen in Voor-Indië, haast niet kunnen uitblijven na een ramp als deze. Met groote sommen zijn de britsch-indische regeering en die van den Nizam de noodlijdenden te hulp gekomen.
DE "NEDERLANDSCHE TOERIST."
Het tweede nommer, dat in dit jaar 1908 van het blad "De Nederlandsche Toerist" het licht ziet, is laat komen opdagen, maar zijn uitblijven heeft een voor het reisbureau niet onaangename reden gehad, namelijk de groote drukte van reizenden, waardoor op den tijd van het personeel steeds beslag was gelegd.
Nu het reisboek dan eens weer ter tafel ligt, vinden we er het programma in afgedrukt van de reis naar Java, welk plan vroeger ook reeds afzonderlijk is verspreid. Het is trouwens ook nu geen mosterd na den maaltijd, want nadat op 27 October een gezelschap dames en heeren naar ons mooie eiland Java is vertrokken onder geleide van de heeren Lissone, zijn de plannen al vastgesteld voor de tweede Javareis, die op 13 April a.s. wordt ondernomen. Voor de som van 2000 gulden is men uit en thuis; in het midden van den europeeschen zomer van 1909 arriveert men met het stoomschip Koning Willem I, dat op 19 Juni Singapore heeft verlaten.
En hoeveel indrukken is men dan niet rijker geworden, als men met eigen oogen Java's bergen heeft aanschouwd. De heer prof. J. F. Niermeyer heeft in het blad van het Reisbureau een inleidend woord voor de reis geschreven, een vluggen krabbel, om Java als in vogelvlucht te schetsen, dat eiland, waarvan werkelijk de toeristen van Lissone het interessantste en mooiste te zien zullen krijgen.
Verder staat er een aanlokkelijk plan voor de Egyptereis in, die op Dinsdag 18 Januari 1909 begint. Het is raadzaam, zich daar bijtijds voor op te geven, want er moeten goede plaatsen op de booten worden veroverd, en het is vol in treinen en booten in het drukst van het winterseizoen, dat zoo enorm druk is in Egypte tegenwoordig. Ook daar is het beste uitgezocht voor de snuggere Nederlanders, die de zon van het Zuiden gaan zoeken in een tijd van nevel, sneeuw, regen, mist, ijzel, vuile wegen, snerpende kou, kale bosschen, kleverige straten, benauwde zalen, slecht trekkende haarden, lastige kachels, en wat voor verdere liefelijkheden onze winters hebben aan te bieden. Stel u dan voor zoo'n dag op den Nijl in de geriefelijke booten onder den zonnigen hemel met de afwisseling van een tochtje per kameel in de echte woestijn, het zien van de oude prachtwerken der egyptische kunst en het logeeren in een uiterst comfortabel hotel met velen, die het nieuwste op de gebieden van mode en sport ten toon spreiden. Deze reis is er een van veertig dagen, maar een deel van Italië wordt tevens bereisd. De reissom is 1175 gulden.
In een aardig geschreven artikel wijst Lissone Jr. erop, hoe men juist op reis moet gaan, om zijn vaderland in allerlei opzichten beter te leeren waardeeren, en ten slotte vertelt een der begeleiders van het gezelschap onder den pseudoniem Gil Blas van een reis naar Spanje op een manier, die naar het vervolg doet verlangen.
LEVENSFILOSOFIE.
Er is een scherpzinnige levensfilosofie, die daarin bestaat, over sommige dingen niet na te denken.
OP DEN UITKIJK.
DE SARASINS OP CEYLON.
Voor diegenen, die belang stellen in onze Oost en meer bepaald in het eiland Celebes, zijn de namen van de beide neven Paul en Fritz Sarasin geen onbekenden. Die beide Zwitsers uit Bazel hebben zes groote reizen door het eiland gedaan op eigen kosten, en aan hen hebben de Nederlanders groote verplichtingen voor de kennis van Celebes, zoowel uit aardrijkskundig als uit zoölogisch en botanisch oogpunt.
Voordat ze de Celebes-tochten ondernamen, die in 1893 begonnen en waarvan de laatste in 1902 plaats had, had hun weg hen reeds naar Ceylon geleid, waar ze veel onderzoekingen deden o.a. over het oude volk der Wedda's, waarvan nog enkele overblijfselen op het mooie engelsche eiland voorkomen. Zooals ze over Ceylon een groot werk in drie deelen in het licht gaven, zoo deden ze dat ook over Celebes; maar weinig dachten ze, toen ze dat laatste voltooiden, dat het nog zou worden gevolgd door een aanvullingsdeel, dat toegevoegd zou worden aan hun Ceylon-arbeid.
Het gevondene op Celebes staat in direct verband met de verschijning dezer dagen van »Ergebnisse naturwissenschaftlicher Forschungen auf Ceylon,« namelijk van een vierde deel, aan het werk toegevoegd onder den titel »Die Steinzeit auf Ceylon,« Wiesbaden, Kreidel's Verlag. Toen ze toch bij het volk der Toala's op Zuid-Celebes bewijzen vonden voor het bestaan van een steentijdperk, dat dit volk moest hebben doorgemaakt, trof het hen, hoezeer het voor de hand lag, dat dan ook de Wedda's van Ceylon zulk een periode in hun ontwikkeling moesten hebben gekend, daar de duidelijke sporen van hun onderlinge verwantschap aanwezig waren.
Nu hadden ze reeds in 1885 bij gelegenheid van hun vele tochten door het laagland van Ceylon hun aandacht aan de daar aanwezige holen geschonken, maar de sporen van een voorhistorische bevolking waren niet als zoodanig door hen herkend. Dat was voor een deel, doordat het onderzoek toen niet stelselmatig genoeg plaats had, en ook doordat het hun aan ervaring ontbrak en ze, verwachtend de steenen bijlen en messen te vinden, als hun uit Europa's steentijd bekend waren, niet genoeg aandacht schonken aan de eigenaardige steenen instrumenten, welke de Wedda's in hun oerperiode moeten hebben gebruikt.
Een hernieuwd onderzoek, verleden jaar ingesteld, heeft hun de bewijzen gegeven voor het bestaan van een steentijdperk der Wedda's, voor hun autochthonie op Ceylon, zoodat nu wel niet weer de bewering zal opduiken in de litteratuur, dat de Wedda's resten zouden zijn van een indisch kultuurvolk, namelijk van de Singhaleezen, een bewering, die de Sarasins ook reeds in hun vroeger verschenen werk over het eiland hadden bestreden met kracht van velerlei argumenten. In het Nilgalagebied in het oostelijke laagland van Ceylon hebben de reizigers vondsten gedaan in holen, waardoor onmiskenbaar gebleken is, dat de oude bewoners van die streek zich bedienden van steenen gereedschap, messen, priemen en schrappers, zelfs kleine steenen hamertjes, waarmee splinters van de groote steenen werden afgeslagen.
Het tevoren gedane onderzoek van de grotten der Toala's in Lamontjong op Celebes had hun oogen voor de beteekenis van die voorwerpen geopend. Ze lagen onder de aarde, waarin de overblijfselen uit den singhaleeschen tijd werden aangetroffen. Door de ontdekking van een vóórsinghalesische steenperiode hebben zij dus uitgemaakt, dat de Wedda's geen Singhaleezen waren, maar een autochthoon volk, want in de holen van het Weddaland werden de bedoelde voorwerpen gevonden.
Zij zijn op tien groote en prachtig uitgevoerde platen opgenomen in het nu verschenen werk, dat het onderzoek en zijn uitkomsten in het algemeen beschrijft, dan de kunstvoorwerpen van been, schelp en hout en de overblijfselen van dieren planten en menschen.
Als men leest, dat de voorwerpen in holen werden ontdekt, dan moet men daarbij niet denken aan diep in de aarde verscholen schuilplaatsen. Daar op Ceylon de kalksteenformatie ontbreekt, vindt men er niet de stevige, in de diepte voerende holen, die eigen zijn aan die steensoort. De juiste benaming voor die vindplaatsen in het ceylonsche gneissgebied zou eigenlijk moeten zijn afdaken, »abris sous roche.« Rotshuizen of galgé is de inlandsche naam, van gala, dat is steen of rots, en gé, dat beteekent hut of huis. Die rotshuizen ontstaan, doordat van de bergen neergekomen gneissplaten en gneissblokken zoo op den grond liggen, dat een naar achteren met een hoek toeloopend afdak ontstaat, of wel doordat twee zulke blokken van boven naar elkander overbuigen, waardoor een tentachtige ruimte in het leven wordt geroepen; door erosie en verweering van het gneiss kunnen natuurlijk ook zulke bewoonbare ruimten zijn ontstaan. Zulke schuilplaatsen zijn er op Ceylon in zeer groot aantal, sommige geworden tot groote, veel meters hooge, breede en diepe koepels. Het lag voor de hand, daar naar resten uit vroegere tijdperken te zoeken, daar ook nog tegenwoordig de Wedda's dikwijls van die natuurlijke rotshuizen gebruik maken.
RIJKER DAN VELEN DACHTEN.
Dat zijn wij in zake musea, waar ethnographica worden aangetroffen, voorwerpen, die uit volkenkundig oogpunt belangrijk zijn en uit verschillende einden der wereld zijn bijeengebracht. Immers weinigen zullen hebben vermoed, dat er alleen in ons land wel een veertiental verzamelingen zijn, waar ethnographisch materiaal van onzen Oost-Indischen Archipel wordt bewaard. Toch is dat het geval, en wij laten hier achtereenvolgens de namen der veertien grootere en kleinere verzamelingen volgen.
Het zijn vooreerst het leidsche Ethnographische Museum; het Museum voor land- en volkenkunde in Rotterdam en de Ethnografische verzameling in de Diergaarde aldaar; de collectie voorwerpen uit Oost-Indië in Artis en de verzameling uit de laatste parijsche tentoonstelling, beide te Amsterdam; de verzameling der voormalige Indische Instelling, te Delft; het Koloniaal Museum, te Haarlem; de collectie van den heer Van der Meulen, te Bergum; de verzameling in het Geschiedkundig Overijselsch Museum; de collecties van den hoofdcursus, te Kampen en die van de Theologische School, aldaar; het museum in het Missiehuis van het H. Hart, te Tilburg; de wapencollectie op Bronbeek; de verzameling van het R. K. Gymnasium en H. B. school te Nijmegen. Dat zijn er goed geteld, veertien.
Iemand, die uit Berlijn aan de N. R. C. schrijft, gaf dit lijstje en maakt de opmerking, dat er op de kleintjes moet gelet, want dat er bij dit alles meer belangrijks is, dan men vermoedt. Tal van wetenschappelijke verrassingen, onbeschreven nieuws, merkwaardigheden op textiel gebied, mooie proeven van sierkunst wachten hem, die zich de moeite geeft, de kleinere verzamelingen in ons land te gaan onderzoeken. En volgens dien schrijver is het goed, het oog gericht te houden op die kleinere collecties, omdat de grootere alle aan gebrek aan ruimte lijden en niet zelden hun schatten bij gebrek aan gelegenheid, om ze te vertoonen, achterbaks houden in kisten en ontoegankelijke laden of geheele zalen als pakkamers gesloten moeten houden. Hij heeft deze ervaring dezer dagen opgedaan in het groote Museum voor Land- en Volkenkunde te Berlijn, dat nu, na 22 jaar, veel te klein is geworden, zooveel, dat het haast niet te gelooven is, zoodat het dan ook door een nieuw gebouw zal worden vervangen.
In de overvolle zalen kan men den weg bijna niet vinden; de geheele derde verdieping is voor het publiek gesloten, en de tweede verdieping staat veel te vol. Dat alles zal beter worden in de toekomst, die aan het nieuwe gebouw zal behooren, maar voor hoe lang zal dat betere gelden? De ruimte is, men zou zeggen, uit den aard der zaak altijd te gering, want er komt steeds bij en er gaat zoo goed als niets af. Op dit oogenblik reizen nog zes personen voor het Museum, om in Oost en West uitsluitend voor die instelling te verzamelen.
In kleinere musea zullen de voorwerpen beter tot hun recht kunnen komen, en men zal het materiaal beter kunnen beheerschen, al blijven er natuurlijk altijd onmiskenbare lichtzijden verbonden aan de groote inrichtingen, waar niet al te veel aan ontbreekt.
DE JONGSTE AFLEVERING TIJDSCHR. AARD. GEN.
De laatste van de zes afleveringen van het Tijdschrift van het Aardrijkskundig Genootschap is in het laatst van November weer als lijvig boekdeel verschenen. Het bevat veel belangwekkends, veel ook van zuiver wetenschappelijken aard, dat voor onze lezers te speciaal is. Misschien stellen ze er belang in, te vernemen, dat het secretariaat van de redactie, dat de heer Rouffaer, na het twee en een half jaar te hebben bekleed, neerlegt, om zijn groote wetenschappelijke reis door Indië te ondernemen, aanvaard is door den heer J. J. Staal, te 's-Gravenhage, oud-kolonel der Genie O. I. L.
In zijn afscheidswoord onthult de heer Rouffaer een feit, waarvan zeer velen met belangstelling kennis zullen nemen, namelijk, dat onder de medewerkers aan het Tijdschrift Dr. Easton, de hoofdredacteur van het Nieuws van den Dag, zulk een voorname plaats bekleedt. De nu afgetreden secretaris zegt, dat hij erkentelijk is aan het Huishoudelijk Bestuur en het Bestuur in het algemeen, »wier vergaderingen bij te wonen mij steeds een opwekking was en een prikkel«, en aan de verschillende medewerkers van het Tijdschrift zeer bepaaldelijk aan die twee, die voortdurend, zonder dat één aflevering voorbij kon gaan, medehielpen aan zijn geregelde goede geboorte, den anoniemen hoofdbewerker van onze rubriek Aardrijkskundig Nieuws, Dr. Easton en onzen voortreffelijken kaartenmaker, den heer Craandijk.« Nu is dus opgehelderd, wie het altijd interessante, actueele en prettig geschreven Aardrijkskundig Nieuws redigeert, een raadsel minder voor ons in de wereld. Moge de schrijver nog jaren lang aan deze taak blijven werken!
Ook verklapt de aftredende secretaris bij het scheiden van de markt, dat in 1913 het veertigjarig bestaan van het Genootschap feestelijk zal worden herdacht. Twee der stichters, Dr. H. F. R. Hubrecht en prof. Dr. C. M. Kan, zijn nog in leven en zonder twijfel zal aan hen rechtmatige hulde worden gebracht. Met de leeraren A. van Otterloo en N. W. Posthumus deden ze den oproep aan belangstellenden, die leidde tot de oprichting van het »Aardrijkskundig Genootschap« in Juni 1873.
VOLKSTYPEN UIT BOSNIË EN HERZEGOWINA.
Aan den kant van den weg zit de oude vioolspeler, de guzlar. De bard met het grijze haar is blind; hij ziet de hem omringende wereld niet, maar des te klaarder schouwt zijn geest in het verleden, in den ouden tijd, toen men anders en vuriger liefhad en toen men ook anders, vrijer en romantischer leefde. Hij laat den strijkstok over de eenige snaar van de viool, zijn guzla, gaan, het eenvoudige, met een dierenhuid bespannen instrument ... en de tonen doen oud en jong toesnellen.
Wat zingt de gebaarde zanger? Hij zingt over het oude Bosnië van vóór de occupatie. Hoe was het toen? Het ging er eigenaardig woest toe! Geen stoomros snoof door de dalen; er waren geen wegen, waar een wagen over kon rijden; alleen rijpaden slingerden zich over de bergen en door de dalen. Tot aan de tanden gewapend moesten de kooplieden wezen, want in bosschen en kloven loerden de heiducken, de roovers, die in de bosnische bergen even goed gedijden als de roofvogels in hun ontoegankelijke nesten. Toen waren er avonturen te beleven; de strijd riep helden op, en over hen zingt de guzlar. Hij laat er ook andere melodieën doorheen klinken, liederen over liefde's lust en leed, over bruidroof en ontvoering, als toenmaals zooveel voorkwamen.
Kleurrijk schildert de bard het alles, de roodwangige meisjes in haar bonte dracht, haar rokken en lijfjes vol kleurige, met goud doorweven versierselen, de overmoedige fez op het hoofd, getooid met zilveren munten en echte gouden dukaten. Hij schildert den trotschen beg, den bosnischen feudalen grondbezitter, die aan honderd kmeten of boeren zijn landerijen heeft verpacht en zorgeloos leeft van de tretina, dat is het derde van den oogst. Op een rijk getuigd paard rijdt hij zelfbewust door het land.
De oude zwijgt, en de guzla klinkt klagend, zacht... en als de herfstbladeren in den wind verstrooien zich de hoorders. Troost u, gij blinde zanger! Er is nog wel wat van de oude heerlijkheid in Bosnië over, nog veel, zoowel daar als in de Herzegowina. De beschaving heeft er een luisterrijken intocht gehouden, dat is waar; er rollen spoortreinen door het land; er zijn goede rijwegen bergop en bergaf; in de steden, in Serajewo en Mostar, is wel veel veranderd, en de christelijke vrouwen en meisjes dragen er westersche kleeren en een wirwar van bosnische drachten en parijsche mode van gisteren; maar op het land, daar kan men nog de oude figuren vinden.
En in het geestesleven der menschen is veel ten goede veranderd. De scholen hebben niet vruchteloos gewerkt. Al grooter wordt het aantal flinke, ontwikkelde menschen, mannen en vrouwen, zelfs de Mohammedanen weten de beschaving te waardeeren. De heiducken zijn uit de bosschen en bergen verdwenen. Daar zorgen de serdars voor, de dappere gendarmen in de schitterende nationale dracht. Ja, kooplieden, nijverheidsmenschen en boeren roemen van harte den nieuwen tijd; maar de oude guzlar leeft in gedachten in de romantische dagen van de roofridders.
REIZEN MET DE HAMBURG-AMERIKALIJN.