Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 19

Chapter 193,813 wordsPublic domain

En toch hebben de Engelschen succes gehad in hun nabijliggende maleische bezittingen op Malakka; daar heeft het engelsche gouvernement bereikt, dat de inboorlingen smaak in werken hebben gekregen. De Maleiers beschouwden eerst allen handenarbeid als alleen voor vrouwen geschikt en voor slaven en zouden het een schande rekenen, als ze een stuk gereedschap hanteerden. Tegenwoordig is er een merkwaardige verandering in hun beschouwingen gekomen, en ze geven bij de werkzaamheden in den landbouw, waartoe men ze heeft weten te brengen, blijk van een handigheid, waartoe men hen niet in staat zou hebben geacht.

Hoe hebben de Engelschen dat vraagstuk op zoo bevredigende wijze opgelost?

Eenvoudig door de invoering van chineesche werkkrachten. Honderden en duizenden koelies, die als mijnwerkers, aardwerkers of als plantage-arbeiders in dienst zijn genomen, verdienen loonen, die, gelet op hun spaarzamen geest, hen in staat stellen, binnen korten tijd voor hun doen rijk te worden. En de Maleiers, die voor hun oogen zien, hoe de Chineezen, arm en ellendig tot hen gekomen, snel bezitters worden, komen onder den indruk van dat verschijnsel en worden door het voorbeeld gewonnen.

Willen de Amerikanen de natuurlijke hulpbronnen van hun grooten Archipel ontginnen en op de rechte waarde leeren schatten, dan moeten ze ook besluiten, Chineezen toe te laten, om daardoor tevens de zeer wezenlijke intellectueele en corporeele gaven van de Philippino's tot hun recht te doen komen. Maar als ze het verbod van vestiging, dat voor de Chineezen geldt, opheffen, en aan de gestaarten vergunnen, in de kolonie bezit te verwerven, zullen de gele broeders dan niet te snel veld winnen en zullen ze er zich wel toe bepalen, aan de Philippino's aanschouwingsonderwijs te geven?

DE SCHEEPVAART TUSSCHEN HET MEER VAN GENÈVE EN LYON.

De aanstaande kanalisatie van de groote rivieren van Zwitserland, waardoor men binnen enkele jaren per boot van Bazel naar Genève zal kunnen varen, maakt de verwezenlijking van een ander plan dringend noodig, namelijk van het plan, om Lyon te verbinden aan het toekomstig waternet van meren en rivieren, die bevaarbaar zijn, door de Rhône te kanaliseeren.

Te dien einde spreekt men van het in 't leven roepen tusschen Seyssel en Fort l'Ecluse van verschillende sluizen, waarvoor men de opeenvolgende vallen in de rivier kan aanwenden; ieder van de sluizen of dammen zou met behulp van een lift of een bijzondere sluis door de schepen moeten worden gepasseerd.

Het verschil in niveau van 80 meter, dat bestaat op de Rhône tusschen de beide genoemde plaatsen, zou overwonnen moeten worden in verschillende instanties, door een reeks of ladder van sluizen, die aan de schepen volkomen veiligheid verzekerde. Fort l'Ecluse ligt, als bekend is, aan de grens, en Seyssel, of liever de beide stadjes Seyssel, want er zijn er twee, één in het departement van de Ain en één in Boven Savoye, liggen 25 of 30 kilometer stroomaf.

Dit gemakkelijk te verwerkelijken plan, dat in het geheel niet lastig zou wezen voor de industrieën, die langs de rivier gevestigd zijn of er zouden ontstaan, wint gaandeweg aanhangers onder de ingenieurs en wordt populair bij de aanwonende bevolking, die natuurlijk groot belang heeft bij de vermeerdering en verbetering der gemeenschapswegen tusschen Genève en Lyon.

IN EN OM AMERSFOORT.

Lezer, kent gij den naam Flehite? Mogelijk wel, als ge namelijk uw vaderlandsche geschiedenis tot in kleine bijzonderheden hebt bestudeerd, want het was de naam van een landstreek waar het oostelijk deel der provincie Utrecht toe behoorde, en die al in het jaar 777 door Karel den Groote aan de Sint-Maartenskerk te Utrecht werd geschonken.

In Amerfoort worden de menschen telkens aan dien naam herinnerd door hun Flehite-museum aan den Westsingel. Het mooie, in oudhollandschen stijl opgetrokken gebouw dateert van 1878, toen de oudheidkundige Vereeniging, die ook reeds den naam Flehite droeg, na een onderzoek van grafheuvels op de heide in de omstreken der stad door het vinden van urnen en andere voorwerpen, op de geschiedenis betrekking hebbende, aanleiding vond tot het stichten van het Museum. Men begon op kleine schaal in een kamer van het stadhuis, maar bracht de verzameling in 1890 over naar een eigen gebouw, dat in 1898 vernieuwd werd, zoodat in Mei 1899, dus juist tien jaren geleden, het tegenwoordige gebouw kon worden geopend.

Het telt tien kamers, in een waarvan urnen, steenen en bronzen voorwerpen, uit grafheuvels opgedolven, worden tentoongesteld; een ander vertrek stelt een tot in kleinigheden trouw gevolgde zeventiende-eeuwsche keuken voor, terwijl in een tweede gekluisd vertrek grafzerken worden bewaard en oude steenen overblijfselen uit Amersfoorts verleden. In de voor twintigste-eeuwsch gebruik bestemde ruimten wordt, zooals bij voorbeeld in de bestuurskamer, het verleden gehuldigd door oude schilderijen, regentenborden, stamboomen of platen, op historische gebeurtenissen betrekking hebbend. Zoo ziet men in de bibliotheekkamer alle prenten, op de inhaling van den Amersfoortschen kei doelend, die in 1661 plaats had, tentoongesteld.

In andere zalen zijn antiquiteiten ondergebracht als glaswerk, munten, penningen, zegels, wapens, sieraden, kinderspeelgoed en wat niet al! Den grooten burger Johan van Oldenbarnevelt, die te Amersfoort geboren werd, is eer bewezen door een vitrine, die geheel gevuld is met souvenirs aan hem en zijn werk. Oude kleederdrachten, oude vrouwelijke handwerken, oud smeedwerk, houtsnijwerk, dat alles krijgt de bezoeker van het, dagelijks voor een dubbeltje geopende, museum te zien en te bewonderen. Bezoekers der stad, ook zomergasten, zullen goed doen, zich dit hoekje voor rustige en belangwekkende beschouwing te herinneren, als de regendagen hen in huis houden of althans het langdurig verblijf in de buitenlucht onmogelijk maken.

Met mooi weer hebben ze natuurlijk reeds dadelijk hun schreden gericht naar Birkhoven, het groote, nieuwe sportterrein, dat de stad in den laatsten tijd is rijker geworden en dat een zoo groote aantrekkelijkheid voor Amersfoort belooft te worden. Het gemeentebestuur heeft, met zijn tijd meegaande en gedachtig aan de groote beteekenis, die het bezit van mooie plekjes natuur voor een stad en haar bewoners heeft, verleden najaar aangekocht het landgoed Birkhoven, dat door den dood van mevrouw de douairière Cock Blomhoff ten verkoop werd aangeboden. De zeer uitgestrekte bezitting ten westen van de stad in de richting van de Baarnsche en Soestdijker bosschen zal later, voor wat het dichtst bij de stad gelegen gedeelte betreft, uitstekend als bouwterrein dienst kunnen doen, maar voorloopig heeft men er een andere bestemming aan gegeven. De gemeente heeft namelijk een plek open grond van tien hectaren, geheel omgeven door dicht en hoog opgaand geboomte, verhuurd aan een te Amersfoort opgerichte Naamlooze Vennootschap, die er een sportterrein, aan alle eischen des tijds voldoende, heeft ingericht.

Men stelt zich voor, er harddraverijen, wedrennen, sportfeesten van allerlei aard, tentoonstellingen en alle openluchtspelen te doen houden, waarvoor de heerlijke boschrijke omgeving wel moet uitlokken. Reeds is er een begin gemaakt en enkele welgeslaagde feesten hebben den roem van Birkhoven reeds heinde en ver verspreid. Het eerste optreden naar buiten van de Naamlooze Vennootschap Maatschappij tot exploitatie van feest-, sport- en tentoonstellingsterreinen »Birkhoven«, gevestigd te Amersfoort, heeft plaats gehad op Woensdag 28 April, waarbij het terrein feestelijk werd geopend.

Het was een concours hippique, waarmee de driedaagsche wedstrijden der Militaire Sportvereeniging besloten werden en dat mede uitgeschreven was door de Vereeniging tot bevordering der Paardenfokkerij in Nederland. De groote tribune, waar men gezellig aan tafeltjes kan zitten, terwijl in het achterste gedeelte banken zijn aangebracht, was dicht bezet, al was het weer niet in alle opzichten, zooals men zich het bij zulk een feest zou wenschen, want daarvoor waaide het te hard, zoo dat men de ervaring kon opdoen, dat het niet kwaad zou wezen, als de tribune gedeeltelijk met glas kon worden afgeschut. Op de breede, 800 meter lange baan werden achtereenvolgens een hinderparcours afgelegd; een wedstrijd gehouden van éénspannen, toebehoorende aan landbouwers, wier uitsluitend bedrijf de landbouw is, welke paarden gespannen moesten zijn vóór een tilbury of sjees; verder een kamp tusschen rijpaarden, om er het bestgaande van te bekronen. Ze moesten toebehooren aan en bereden worden door officieren of particulieren, leden of donateurs der Militaire Sportvereeniging, of het moesten paarden wezen van de troepen der cavalerie of artillerie; dan nog werd er een concours d'adresse gehouden voor paarden, die nog nooit in een spring- of jachtconcours een eersten prijs hadden gewonnen, en ten slotte een springconcours om surprises voor juniores, niet ouder dan 17 jaar. Daarvoor waren er zes deelnemers, die in den sprong de opgehangen prijzen moesten grijpen. Wij herinneren even aan de namen der prijswinners, den tweeden luitenant der huzaren J. Knel, den eersten luitenant der veldartillerie J. J. van Santen en den heer D. van der Grift, landbouwer te Baarn.

Het welgelukte sportfeest, reeds door andere gevolgd, is een goed begin geweest, maar Birkhoven is niet alleen een aanwinst voor de sportvrienden in Amersfoort en omstreken, neen, het is een uitgezocht plekje voor zomergasten, voor toeristen, voor gewone wandelaars en fietsers, voor allen, die het buitenleven liefhebben en in de mooie natuur, vooral, waar ze nog niet al te druk door stedelingen wordt opgezocht, zich graag vermeien.

De bosschen, gedeeltelijk gemengde, gedeeltelijk dennenbosschen, beslaan een groote oppervlakte heuvelachtig terrein, zijn door keurige wandelpaden doorsneden, hebben aardige rustieke banken, door baas Jansen gemaakt, die vroeger bij den heer Otto Stork in Hengelo heeft gewerkt, en zijn er te aantrekkelijker om, nu er een uitstekend hotel en café-restaurant, dat ook den naam Birkhoven draagt, het uitgangspunt kan zijn van wandelingen en fietstoeren, het centrum, waar men rust en verkwikking kan vinden en een prettige gelegenheid om te logeeren. Het modern ingerichte huis heeft negen ruime logeerkamers, intercommunale telefoon, wordt met acetyleengas verlicht volgens een nieuw geheel gevaarloos procédé en wordt door een ervaren hôtelier, den heer S. K. Kielder, een Fries, met ambitie en ijver bestuurd.

Om zijn belangstelling in de zaak te toonen, die het wezenlijk belang van Amersfoort slechts ten goede kan komen, heeft het gemeentebestuur een geheel nieuwen weg naar Birkhoven laten aanleggen. Die weg loopt voor een groot deel door dennenbosch, is 17 meter breed, waarvan 5 meter bestraat met klinkers en aan elken kant een fiets-, een wandel- en een rijpad. Eerst volgt hij tot de halte Vlasakkers de lijn van den Centraalspoorweg en komt dan in de bosschen van Birkhoven. Die korte verbinding met de heerlijke wandelingen maakt het mogelijk den minder mooien weg van Soest links of eigenlijk rechts te laten liggen. De nieuwe weg begint aan het station, sluit aan het andere einde aan op den weg Amersfoort-Baarn en is in het geheel 2400 meter lang.

De stad der keientrekkers gaat onder den tegenwoordigen burgemeester krachtig vooruit. Hare nieuwe geschiedenis belooft niet minder belangwekkend te worden dan haar oude het was. De naam »keientrekkers«, aan de bewoners gegeven, herinnert aan een gebeurtenis uit de zeventiende eeuw. In het jaar 1661 werd een reuzenkeisteen of eigenlijk een brok graniet van ongeveer zes bij negen voet en peervormig van gedaante, op de heide aan den weg naar Utrecht op de hoogte van Soest gevonden. Onder leiding en op initiatief van jonkheer Everhard Meyster, die het landgoed Nimmerdor aan den Arnhemschen Weg bewoonde, werd de steen op 7 Juni 1661 naar Amersfoort gesleept en op de Varkensmarkt opgesteld. De slede, waarop de reusachtige steen stond, werd door een paar honderd menschen getrokken. Vandaar de naam »keientrekkers«, aan de Amersfoorters gegeven.

Met muziek en gejuich werd de kei plechtig ingehaald, en naar de gewoonte dier dagen werden er penningen geslagen, om het heugelijk feit te herdenken, en die penningen onder het volk uitgedeeld. Op een schilderij in het museum Flehite is het feestelijk binnenhalen afgebeeld. Maar de pret over het bezit van den met moeite verkregen steen, duurde niet zoo heel lang; er kwam oppositie van verschillende zijden en al in 1664 sloeg men spotpenningen op het feit van het inhalen. Tien jaren later verdroot de toenmalige stadsregeering de beweging, die om den steen was gemaakt, en ze liet het groote blok graniet ter plaatse in den grond verdwijnen. De niet meer zichtbare steen maakte echter ook later nog de belangstelling gaande; er werden overdreven voorstellingen van gegeven en het was als een openbaring, toen in 1856 bij het leggen van buizen voor de gasleiding men op den steen stootte en dus de ware afmetingen leerde kennen. Er waren toen enkelen, die voor opgraving pleitten; maar hun plan kwam niet tot uitvoering.

Nog 47 jaren zou het blok blijven liggen in den grond, toen, in 1903, heeft men het weer voor den dag gehaald tusschen den Wilhelminaboom en het toenmalige hotel Müller, en ongeveer op dezelfde wijze als in 1661 heeft men den steen naar zijn tegenwoordige standplaats, aan gene zijde van de brug nabij het politiebureau in het Plantsoen, vervoerd. Heel Amersfoort vierde bij die gelegenheid feest, en alle couranten vermeldden de keihistorie, een niet onaardige aanleiding, om de gedachten der twintigste-eeuwers bij een betrekkelijk nietig voorval uit het verleden te bepalen, en het schijnt voor de verlevendiging van den historischen zin bij ons volk niet verkeerd, zulk een aanleiding niet te laten voorbijgaan.

Er was toen een »Keicommissie«, die den 1sten Mei op de Varkensmarkt aan het graven toog, maar eerst er niet in slaagde, den steen te vinden. Men was al tweemaal 24 uur aan het werk, toen men nog het spoor niet had. De oudjes, die zich iets van de ligging herinnerden uit het jaar 1856, waren het niet eens over de plaats. Trouwens dat jaar 1856 schijnt zelfs niet vast te staan, ten minste, hoewel het in de »Wandelgids voor Amersfoort en omstreken« genoemd wordt als het jaar, waarin de steen bij het leggen der gasbuizen werd gezien, vermelden de dagbladen van het jaar 1903 daarvoor het jaartal 1859.

Men zette toen het zoeken voort den heelen nacht door en omstreeks zes uur in den morgen van den 3den Mei werd op aanwijzing van den oud-directeur der vroegere gasfabriek op een andere plaats gepeild dan de vorige dagen, en de kei werd gevonden. De feestcommissie stelde den 28sten Mei vast als den dag, waarop 's middags om twee uur onder opperste leiding van jonkheer Everard Meyster zelf de »Plechtige Keitrekking« zou plaats hebben. Men maakte er zoo een historischen optocht van, die uitstekend is geslaagd. Herauten en trompetters trokken des morgens om acht uur al door de stad, om de blijde tijding te verkonden, dat de Amersfoorters hun kei weer zouden kunnen zien, en welke feestelijkheden er bij de plaatsing in het Plantsoen zouden plaats hebben. Op een eigenaardig driehoekig voetstuk staat daar nu het groote granietblok, omgeven door met kettingen verbonden zandsteenen palen.

Laat mij nog even de historische herinnering aanvullen met te vertellen, dat die merkwaardige jonkheer Everard Meyster om drie duizend guldens met zijn makkers gewed had, dat hij den steen alleen met menschenhanden in de stad zou brengen. Als zonderling schijnt hij bekend te zijn geweest, maar deze grap van bewoner van het buiten Nimmerdor heeft per slot van rekening wel succes gehad. Volgens een oud verhaal »solageerde een kar met bier en kraekelingen de manhafte keytrekkers«. Een door Everard Meyster in 1669 gestichte Doolhof op heuvelachtig terrein bij de stad is thans door den tegenwoordigen eigenaar, den heer Tromp van Holst, als wandeling in den ouden vorm hersteld.

Het later weer begraven van den steen moet vooral in verband hebben gestaan met den spot van buitenlanders en wel met dien van de Franschen, die in Amersfoort verblijf hielden van 8 Juni 1672 tot 13 November 1673. Onder al de oorlogsrampen ook nog uitgelachen te worden door de vroolijke Franschen, dat was te erg, en de steen des aanstoots werd op bevel van den magistraat weggeruimd en, daar vervoer te moeilijk was, liet men hem zinken.

Wie in Amersfoort vertoeft, gaat nu den herplaatsten steen natuurlijk zien, en een paar andere merkwaardigheden, die hem niet zullen ontgaan, zijn de Lieve-Vrouwentoren en de Koppelpoort, echte oude monumenten van het verleden. De toren is 92½ meter hoog en doet denken aan den dom van Utrecht, maar hij is sierlijker en maakt meer den indruk van rankheid. Hij dateert uit de eerste helft der 15de eeuw en heeft behoord bij een kapel, waarmee hij door middel van een gemetselden boog over de straat was verbonden; maar die kerk, die de gewone geschiedenis van zooveel kerkgebouwen in ons land had, van eerst door de Katholieken, later door de Hervormden te zijn gebruikt, werd nu juist een eeuw geleden gesloopt en de prachtige gothische toren overleefde het gebouw, waarbij hij had behoord.

Niet minder oud en interessant is de Koppelpoort, de laatst overgeblevene der eens zoo talrijke poorten, die de stad moesten verdedigen. Langzamerhand was de eene poort na de andere onder de hand van den slooper gevallen, en hetzelfde lot dreigde ook de Koppelpoort, maar de herlevende liefde voor onze oude gebouwen, die zich in de tweede helft van de vorige eeuw deed gelden, strekte haar beschermende hand over die mooie poort en haar omgeving uit; er werd een kapitaal bijeengebracht voor de restauratie, en een van Amersfoorts fraaiste merkwaardigheden is erdoor behouden gebleven.

Mooie oude gevels is de stad rijk in de Muurhuizen en een overblijfsel van den ouden stadsmuur is bewaard gebleven in twee oude torens, door een hooge steenen brug over het water verbonden, het Monnikendam. Van die antieke waterpoort heeft men een mooi, ruim uitzicht, maar voor bekoorlijke vergezichten moet men zijn op den Amersfoortschen berg, waar bij voorbeeld bij het Paviljoen een verrukkelijk panorama te bewonderen valt. Ook van het hotel De Berg heeft men van de veranda bij de ruime bovenzaal een aardig kijkje, zoo ruim, dat men bij gunstig weer de schepen op de Zuiderzee kan onderscheiden. Schilderachtig kronkelt de Eem door de weilanden, en duidelijk onderscheidt men de torens van Soest, Baarn, Hilversum en den watertoren bij Laren.

Is dit reeksje van namen niet genoeg aanwijzing, in welk een schoone omgeving Amersfoort is gelegen? Denkt men, dat de Vuursche en Soestdijk en huis ter Heide alle in de buurt te vinden zijn, dat de Pyramide van Austerlitz, het doel van zoo menig uitstapje, gemakkelijk te bereiken is langs een grintweg door de hei, dat de buurtschap Oud-Leusden maar een stapje is, waar groote landgoederen als de Treek, de Heiligenberg, Lokhorst, Zwanenburg e.a. liggen met de heerlijke wandelingen, dan kan ieder begrijpen, hoe bevoorrecht Amersfoort is uit het oogpunt van het bezit van natuurschoon.

HET BOSCH.

De vele boomen en de weinige menschen, die maken het bosch zoo mooi.

OP DEN UITKIJK.

DE EZEL IN HET ZUIDEN.

Als een ezel verstandig kon nadenken en er zoo iets als een wereldbeschouwing op na hield, moest hij wel troosteloos pessimistisch wezen en zich overtuigd voelen, dat er op aarde geen recht is te krijgen, ten minste niet voor zijns gelijken. Niet genoeg, dat de mensch hem kastijdt en ranselt en alles uit hem haalt wat hij aan kracht kan leveren, zijn naam wordt bovendien zonder piëteit als scheldnaam gebruikt.

Maar is de ezel werkelijk zoo'n ezel, of heeft de miskenning van de natuur van den ezel zijn naam zulk een boozen klank gegeven? Die vraag laat zich niet beantwoorden, zonder dat men eerst eens goed aan het onderscheiden gaat. De europeesche ezel, zooals wij hem kennen, is, als een ontaarde spruit van den wilden afrikaanschen en aziatischen ezel, slechts een zwakke afstraling van het ezeldom. Hij is, al klinkt dat niet vleiend voor de menschen, als menig ander huisdier in den dienst van den mensch dommer geworden en al achterlijker, zwakker en stompzinniger, naarmate hij meer naar het Noorden werd verplaatst.

Als echt dier van het Zuiden heeft hij voor zijn ontwikkeling, voor de ontplooiing van zijn talenten, droogte en gelijkmatige warmte noodig, en hoewel hij overigens nog wel de kunst verstaat, zich naar ongunstige omstandigheden te schikken, heeft hij maar een gering weerstandsvermogen tegen kou en vocht. De wilde ezel, dien men van Syrië over Arabië en Perzië tot in Indië vindt, de middelaziatische halfezel en de groote, schoone steppenezel van Somaliland, ze zouden er vrijwat tegen hebben, ons grauwtje te erkennen als huns gelijke in de familie Asinus, want zij bezitten vuur, snelheid en slimheid, en laten niet op treurige manier den kop hangen als de ezel in ons land.

Nog hooger op de ontwikkelingsladder staan de ezels, die bij de bezoekers van Egypte zoo goed bekend zijn, de rijezel, waarvan de mooiste en statigste exemplaren uit een kruising van den wilden ezel, Onager, met tamme ezelinnen zijn voortgekomen en die vaak hooger in prijs zijn dan een rijpaard van gemiddelde hoedanigheid. Egypte heeft het ideale ezelklimaat en langoor ontwikkelt zich aan den Nijl dan ook tot een elitedier, in welks schalksche oogen veel te lezen staat, en welks temperament menigeen, die ook wel graag een ruiter wou wezen, heel wat te stellen heeft gegeven. Men moet dien egyptischen ezel liefkrijgen, want zijn gewilligheid wordt misschien alleen overtroffen door zijn volharding en zijn bescheidenheid. De ezeljongen geeft hem 's morgens voor het begin van den tocht zijn voer en dan eerst weer des avonds, nadat het dier soms 30 tot 40 kilometer door het diepe woestijnzand met een stevigen Germaan op zijn rug heeft afgelegd. Dan is het toch geen wonder, als de dappere langoor op den terugweg enkele teekenen van vermoeidheid niet kan verbergen, waaraan men dan den naam van koppigheid geeft en die met slagen worden beantwoord.

Veel minder waard dan de egyptische ezels zijn de zuid-europeesche. Reeds in Zuid-Frankrijk is de ezel maar in betrekkelijken zin een goed lastdier. Toch wordt hij er nog al druk gebruikt, maar minder in Italië, waar de huisdieren over het algemeen worden verwaarloosd en met name de ezels bij de krachtiger muildieren achterstaan. Het meest treft men hem nog aan in sommige provincies van Spanje en heel veel in Spanje's hoofdstad. Daar, in Madrid, neemt het dier aan een heele reeks beroepen en bedrijven deel. Maar het grillige klimaat van Madrid met de snijdend koude winden in den winter bekomt langoor niet te best, en mooi zijn de spaansche ezels dan ook volstrekt niet, al zijn ze erg bemind bij de menschen. De melkezelinnen zijn karakteristieke verschijningen in de straten van Madrid in de vroege morgenuren. Ezelinnenmelk wordt er op hoogen prijs gesteld, vooral als geneesmiddel bij de in de stad zooveel verspreide borstziekten. Van huis tot huis worden de ezelinnen gedreven en op de plaats zelve gemolken.

Die ezelinnen hebben het goed evenals de deftige ezels in keurig tuig, wier huid met de grootste zorgvuldigheid wordt behandeld. Daarentegen is menig ezeltje van een arme waschvrouw er droevig aan toe en voor de groentekarren is hun lot ook dikwijls weinig benijdbaar, zoo min als wanneer hun rug onder bloemen schuilgaat, wanneer zij de vrachten Florakinderen naar de bloemenmarkt brengen. »Burro«, dat is de spaansche vertrouwelijke naam van den ezel, heeft in het land der citroenen en amandels een druk en bedrijvig bestaan, maar op een enkelen dag van het jaar wordt hij prachtig versierd en in optocht naar het klooster van den H. Antonius gebracht, waar alle ezels dien dag den zegen ontvangen, een oase, die 17de Januari, in het leven van menig arm, zwoegend ezeltje.

INVOERING VAN BIJEN OP HET EILAND SAIPAN.