Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 17

Chapter 173,708 wordsPublic domain

DE JACHTLUIPAARD ALS HUISDIER IN TUINEN EN PARKEN.

In La Vie à la Campagne schetst een eigenaar van een jachtluipaard of guepard, de heer H. Crépin, zijn ervaringen met dat toch altijd verscheurende dier, dat feitelijk zoo tam kan worden en van aard zoo goedig is als onze gewone huisdieren, gevogelte en schapen niet uitgezonderd. Zooals herten en reeën graag geziene gasten zijn in groote parken, zoo zou men daar ook zeer goed den jachtluipaard, Cynailurus, kunnen houden.

De Cynailurus guttatus van den heer Crépin is uit Afrika afkomstig; hij was bewoner van de woestijn ten zuiden van Algerië. Andere soorten komen in West-Azië voor en zijn als tsjita's bekend, terwijl de Afrikaansche jachtluipaard ook fahhad wordt genoemd. Het zijn dieren, die tusschen de katten en de honden in staan; het latijnsche woord beteekent "hondskat". De oranjegele huid draagt zwarte vlekken, en de ronde kop en lange staart doen aan het hondengeslacht denken, maar de allures, bewegingen en neigingen tot spelen; het spinnen of snorren, dat het dier graag doet, is volkomen katachtig.

Door de hoogte van de pooten staat hij dicht bij den hond, en ook de nagels zijn maar weinig ingetrokken en dus stomp geworden en onschadelijk als bij de honden; maar een enkele gekromde klauw aan den binnenkant van elk der achterpooten is nog zeer scherp en raakt nooit den grond.

Het exemplaar, waarvan de heer Crépin vertelt, is een wijfje van twintig maanden, op den leeftijd van eenige weken gevangen en grootgebracht in den Soedan. Sedert vier maanden had de eigenaar het nu in Frankrijk en hij en de zijnen hebben al veel genoegen van het dier beleefd, al blijft het een huisgenoot, waar eenige voorzichtigheid mee moet worden betracht.

Het maakt volgens den schrijver een paar kenmerkende geluiden, hoewel er gewoonlijk niets van hem is te hooren. Het eerste is een scherp gekrijt, als hij zich verveelt, hoog en kort als van een vogel, en als hij bang is, hoort men een licht gebrom.

In wilden staat leeft de jachtluipaard van kleine herkauwende dieren, die hij met verbazende slimheid besluipt en daarna omverwerpt, om zich aan het bloed tegoed te doen. Den mensch zal hij niet aanvallen, al wordt hij wel gevaarlijk, als hij vervolgd wordt of gewond is. Die besliste jachttalenten hebben deze soort van luipaard al vroeg doen africhten voor de jacht op de manier, waarop valken worden gebezigd als hulp van den mensch bij de vogeljacht. In het heele Oosten en in Britsch-Indië neemt de jager het dier, aan een dunne lijn bevestigd, mee naar het jachtveld op een lichte, tweewielige kar, houdt eerst den kop van het dier bedekt en tracht zoo dicht mogelijk bij het jachtwild te komen, bij voorbeeld een kudde gazellen of antilopen. Dan neemt de jager het dier den kap van het hoofd en maakt hem opmerkzaam op het wild, waarop de oude hartstochtelijke jachtlust ontwaakt, en list en geslepenheid te hulp komen. Met eenige sprongen is het dier bij zijn prooi, die hij bij den hals grijpt en op den grond drukt. De jager snelt toe, maakt de prooi af, geeft het roofdier van het bloed te drinken en schuift 't dan weer den kap over den kop.

Brehm, die door den franschen schrijver ook wordt aangehaald, zegt, dat geen enkel lid der kattenfamilie beter in staat is, zich de genegenheid van den mensch te verwerven dan de jachtluipaard, die goed is van vertrouwen en zacht van aard als hij getemd is, en wiens gemoedelijke, droomerige stemming alleen verstoord kan worden door de nabijheid van andere roofdieren. Ook de huisdieren moeten voorzichtig zijn met hem, en het heet, dat alleen het zien van een hond zijn woede kan gaande maken. Maar de fransche schrijver laat het wijfje van twintig maanden vrij rondloopen in een tuin in gezelschap met twee wijfjeshonden, een grooten Deenschen hond en een kleinen fox-terrier.

In het begin was de verhouding wel een beetje gespannen. Telkens vloog de luipaard op den Deen toe, blijkbaar met het plan, om met hem te spelen; maar de bruuskheid van zijn bewegingen werd verkeerd uitgelegd door den grooten hond, die meende, dat een aanval bedoeld was, en die met een knauw antwoordde, waaraan de luipaard zich met een grooten sprong moest onttrekken. In die omstandigheden was hij zoo onder den indruk gekomen van de tanden van den hond, dat hij den ander langen tijd niet anders durfde naderen dan van achteren en, zachtjes dichterbij komend, zóó, dat hij weg kon komen in minder tijd, dan de tegenstander behoefde om zich om te keeren.

Langzamerhand leeren de dieren elkaar echter verstaan; de luipaard blijft onstuimig, maar de hond is niet meer vijandig en ze zijn in de beste verstandhouding, wandelen samen en slapen naast elkaar. Wordt de luipaard wat al te ondernemend, dan is een gegrom van den hond, onderstreept door een schuinen blik, voldoende om hem tot kalmte te brengen. Mocht die waarschuwing niet door een onmiddellijk resultaat worden gevolgd, dan behoeven de tanden zich maar even te vertoonen, en de luipaard is tot rust gebracht. Ze vechten nooit meer, zelfs niet aan den gemeenschappelijken schotel, waaruit de hond gulzig slobbert, terwijl de luipaard kleine likjes neemt, steunend op de ellebogen op de manier van katten.

Met de fox-terrier is de verhouding niet zoo goed. Die kleine vluggert wijst stelselmatig alle toenadering af van een gezel, die met haar wil spelen als de kat met de muis. Ze bijt van zich af en houdt den grooteren makker op een afstand. Het is een merkwaardig en min of meer verontrustend schouwspel, als het roofdier, dat zooveel grooter is, op den kleinen hond toespringt, hem omverwerpt en als een bal tusschen de pooten omdraait. Het hondje, dat zoowat driemaal zoo groot als een rat is, weet zich dan los te rukken, springt den tegenstander naar den kop en brengt hem totaal in de war, zonder hem echter in het minst te deren of zelf maar een schrammetje op te loopen.

Tegen de menschen is Moustique, zoo noemt men in het gezin den luipaard, alleraardigst; hij zoekt menschelijke aanraking, gaat liggen aan de voeten van zijn meester of meesteres, wrijft zich aan alle beenen en schuift als een poes langs de rokken der dames, met hoogen staart en krommen rug en onder een gezellig snorren of spinnen van voldoening, en likt daarbij graag iemand de hand of het gezicht.

Met kinderen is hij het liefst en hij doet niets liever dan met hen spelen, terwijl zijn onstuimigheid volkomen ongevaarlijk is, zelfs met de allerkleinsten, op voorwaarde echter, dat hij geheel vrij wordt gelaten in zijn bewegingen, zonder ketting of touw of halsband. Als men hem vrijlaat in een park of een tuin, gaat het dier nooit ver van de woning en komt er trouw terug op het uur der maaltijden. Hij maakt de gasten vaak verschrikt door het open venster binnen te springen van de eetzaal, als hij de tafel gedekt ziet; maar ieder wordt spoedig met hem bevriend om zijn gezelligen, aanhankelijken aard.

HOEZEE, HOEZEE! DE TRAM RIJDT OP FLAKKEE.

Wat is er op Prinsesjes geboortedag hartelijk feest gevierd op Goeree en Overflakkee bij de opening van de nieuwe tramlijn, een onderneming der Rotterdamsche Tramwegmaatschappij! Het is ook geen kleinigheid, nu met dat geriefelijke vervoermiddel, de stoomtram, het heele eiland in de lengte te kunnen doorreizen van Ouddorp in het Westen naar Ooltgensplaat in het Oosten! Bij zulke overwinningen van nijverheid en ondernemingsgeest is het heele volk gebaat; de eilandbewoners worden erdoor uit hun isolement gehaald en er heeft als een opleving plaats, die tot in verre verte haar invloed doet gevoelen.

De nieuwe verbinding met den vasten wal, door de Rotterdamsche Tramwegmaatschappij in het leven geroepen, is met den steun van rijk en provincie tot stand gekomen. De aanleg van de op 30 April geopende lijnen is in veertien maanden voltooid; de eene lijn gaat van de haven van Middelharnis naar Ooltgensplaat, de andere gaat naar Ouddorp. Met een veerdienst over de breede wateren van het Haringvliet sluit de nieuwe tram aan bij den dienst Hellevoetsluis-Rotterdam.

Allerlei provinciale, gemeentelijke, polder- en waterschappelijke en industriëele autoriteiten namen deel aan de feestelijke opening, en met de versierde tram ging het na de toespraak van den heer Ulbo J. Mijs, burgemeester van Middelharnis, naar het nieuwgebouwde station in Middelharnis-Dorp. Dat stationsgebouw, waar alle treinen vertrekken en aankomen, maakt een recht vriendelijken indruk en is een werkelijke aanwinst voor de gemeente te noemen. Overal, waar de feesttram passeerde, werd ze met vreugde door de gemeentenaren begroet, niet het minst door de jeugd, die van school vrij af had. Een ieder in Middelharnis, of hij moest door noodzaak daarin verhinderd zijn, wilde getuige zijn van deze gewichtige gebeurtenis en zijn vreugde uiten over de eindelijke verlossing van deze zoo welvarende streek uit haar knellend isolement.

Bij het station Middelharnis-Dorp zongen de schoolkinderen een welkomslied, »Hoezee, hoezee! De tram rijdt op Flakkee« klonk den gasten jubelend tegemoet.

Na deze blijde begroeting door de bevolking van Middelharnis vertrok de feesttram achtereenvolgens naar Nieuwe Tonge, Oude Tonge, den Bommel, en Achthuizen naar het eindpunt Ooltgensplaat. In de kom dezer aardig gebouwde gemeente werd langzaam gereden, zoodat oud en jong daar overvloedig gelegenheid kregen, aan hun feestvreugde uiting te geven. De tram eindigt te Ooltgensplaat aan den in bouw zijnden aanlegsteiger aan het breede Volkerak, waar het gezelschap weer een schoon watergezicht wachtte.

Te 12 uur 55 werd de terugreis ondernomen en begon, na Middelharnis-Dorp weer voorbij gereden te zijn, de tocht naar westelijk Flakkee. Achtereenvolgens passeerde nu de feesttram Sommelsdijk, nagenoeg een copie van Middelharnis, het welvarende havendorp Dirksland, waar de trein rijdt over het nieuw type rolbasculebrug, Melissant, Stellendam, het fraaie Goeree, om dan eindelijk te bereiken het eindpunt Ouddorp, waar de gasten gelegenheid vonden de eigenaardige watervoorziening in oogenschouw te nemen, die door een Herculeswindmolen geschiedt. Ook bij het passeeren van deze dorpen had het gezelschap de gelegenheid te ervaren, hoe de bevolking doordrongen is van het belangrijk feit van de opening dezer tramlijnen voor dit eiland. Overal geestdrift. Ook hier de feesttram de boodschapster eener blijde tijding!

De dag van 30 April is een gedenkwaardige voor Goeree en Overflakkee, de brenger van nieuw leven, dat een schoone toekomst tegengaat!

HENDRICK HUDSON IN HOLLANDS DIENST.

Men verzoekt, ons onder toezending van het eerste vel van het werk, dat bij de firma D. A. Daamen te 's Gravenhage zal verschijnen, een boek van mejuffrouw H. S. S. Kuyper, aan te kondigen over het Hudson gedachtenisfeest, dat in de Vereenigde Staten in de volgende Septembermaand zal worden gevierd. Na wat wij vroeger hier schreven over haar boek »Een half jaar in Amerika«, zal ieder begrijpen, dat wij de beste verwachtingen koesteren omtrent dit nieuwe werk der begaafde schrijfster. Het proefvel doet aan die hoopvolle meening geen afbreuk.

KARAKOELSCHAPEN.

Men gaat het in Duitsch Zuidwest-Afrika probeeren met de teelt van een nieuw soort van schaap. Den 18den Januari j. l. werden per Wöhrmannstoomboot 264 Karakoelschapen, en wel 22 bokken en 242 ooien naar Swakopmund ingescheept.

Veertig van die dieren waren een geschenk van handelsraad Thorer te Leipzig aan de kolonie; de overige werden voor rekening der regeering uit Bokhara naar de kolonie gezonden.

De lammeren van deze schapen leveren de verkeerdelijk perzische vellen genoemde huiden. Die naam zou den hoorder in de war kunnen brengen, want die vellen komen niet uit Perzië, maar zijn afkomstig van Bokhara. Om bruikbare vellen te leveren moeten de lammeren tusschen den vijfden en den tienden dag van hun leven worden geslacht, daar anders de krulligheid van het haar, die aan de huid haar waarde geeft, verloren gaat. Zulk een huid heeft gemiddeld een waarde van twaalf gulden. De vellen worden zorgvuldig gedroogd en verpakt en komen ten slotte te Leipzig op de markt, de eenige stad, waar ze goed geverfd kunnen worden. Er komen jaarlijks ongeveer een millioen vellen uit Bokhara, die later van Leipzig uit naar alle werelddeelen verzonden worden.

Een vel, dat nog kostbaarder is, komt als breedstaart in den handel en is afkomstig van lammeren, die te vroeg worden geboren en weinige uren na de geboorte sterven.

Daar de Karakoelschapen in Centraal-Azië in Maart of April lammeren werpen en het weêr in de steppen dan nog vaak zeer ruw is, worden veel moederschapen ziek en brengen misgeboorten voort. De huid van het jonge dier heeft dan een moiréteekening, die zeer gezocht is en de wol is zacht en glanzig, zoodat zulk een vel voor achttien gulden aan de markt komt. Er zijn van die breedstaartvellen jaarlijks ongeveer 50.000, een zeer klein getal, vergeleken bij dat der andere.

De volwassen schapen hebben grove wol, die voor tapijten en voor de viltbereiding wordt gebruikt. De schapen vormen dus voor de omgeving van Bokhara een waardevol bezit, en er zijn al dikwijls pogingen in het werk gesteld, om de teelt ook naar andere streken over te brengen, maar met niet veel succes, wat, mirabile dictu, wordt toegeschreven aan te goed voeder en te zorgvuldige behandeling. Om goed te gedijen, moet het schaap zijn voedsel met moeite en inspanning zelf zoeken op de steppe en die droge, zouthoudende steppengrassen bekomen het dier het best. Ook moeten de Karakoelschapen het geheele jaar buiten worden gehouden, zoodat het klimaat voor hen noch te warm, noch te koud mag wezen. Die voorwaarden nu worden vervuld in Duitsch Zuidwest-Afrika.

Sedert eenige jaren doet geheimraad Kühn in Halle op zijn goed Lindchen kruisingsproeven met Karakoelschapen, en het blijkt, dat de gewone inlandsche schapen het best voor die proeven kunnen worden gebruikt, vooral de schapen van het Rhöngebergte en de heideschapen. Maar er moet altijd weer met zuivere Karakoelbokken worden gekruist; de bokken, uit de kruising ontstaan, zijn niet te gebruiken. De resultaten zijn tot hier toe uitstekend, maar werkelijk bruikbaar zullen eerst de huiden van de zesde of achtste generatie zijn.

Veel bezitters van riddergoederen hebben proeven genomen met het schaap uit Midden-Azië, wat voor de veeteelt goede gevolgen kan hebben ter veredeling van het gewone schaap, en om van zeer slechten grond nog voordeel te halen en dien grond bovendien door het weiden der schapen te verbeteren.

De over te brengen schapen moesten meestal groote afstanden te voet afleggen, eer ze het spoorwegstation bereikten en waren daarna zes weken in de waggons onder het geleide van bokhara'sche herders, tot ze de duitsche grens bereikten. Hier werd de zending door Dr. Botha, assistent van geheimraad Kühn, die de proeven op het landgoed Lindchen had geleid, met verscheiden schaapsknechten in ontvangst genomen en naar Hamburg begeleid.

De heer Botha vergezelt nu ook het transport naar Zuidwest-Afrika. Met hoeveel zorg de overbrenging is gebeurd, blijkt wel hieruit, dat op de lange en moeilijke reis slechts een enkel dier is gestorven en één werd gestolen.

In het begin zal het acclimatiseeren in Afrika nog wel lastig wezen door de wisseling der jaargetijden, daar ten zuiden van den evenaar; maar die bezwaren kunnen waarschijnlijk spoedig worden overwonnen. Het zou een groot succes zijn, als door de samenwerking van regeering en particulieren op deze wijze een waardevol huisdier in de kolonie werd gebracht, dat een kostbaar en gemakkelijk te vervoeren product levert voor den wereldhandel en dat tevreden is met de schrale gronden, waar runderen niet en edele wolschapen moeilijk te gebruiken zijn.

PRIMITIEVE, MAAR TOCH OMSLACHTIGE VERSIERING.

De ten zuidoosten van Kaboel wonende Afridi's, die als buren van het noordwesten van Britsch-Indië vaak lastig zijn geweest voor Engeland, gebruiken voor hun kleedingstukken een eigenaardige stof, die Afridi wax-cloth wordt genoemd. Zij beteekenen hunne weefsels met figuren van dikke, kleverige saffloer-olie, gekleurd met de kleur van saffloer, het geel van de plant Carthamus tinctorius, en bestrooien die figuren met mika-poeder, dat erop blijft kleven na het drogen van de olie. Ook in onze Oost blijkt dit procédé toegepast te worden. Tot de verzameling ethnografica uit Celebes, dat al meer en meer een merkwaardig eiland wordt, door den luitenant ter zee Fock onlangs aan het Museum voor land- en volkenkunde te Rotterdam geschonken, behoort een jakje van de Toradja in Midden Celebes, waarop figuren van mika (batoe Banggai) met een of ander plakmiddel aangebracht zijn. Het is van geklopte boomschors gemaakt, geheel gevoerd met dezelfde stof, dus dubbel, en alleen de buitenkant, die gezien wordt, is zwart geverfd; het overige is bruin, waarschijnlijk de oorspronkelijke kleur van de boombast; op dezen zwarten ondergrond liggen de dofzilverwitte figuren.

Dit is nu weer heel iets anders dan de mika-plaatjes die (op Sumatra en elders) op het weefsel genaaid worden als tooi; ook weder iets anders dan de versiering met bladgoud, dat door middel van eiwit op staatsie-doeken van Bali en op de batiks van Java gedrukt wordt, en dat de Balische doeken nog bonter maakt dan zij al zijn, maar op de batiks inderdaad een vermooiing kan zijn, zooals voor beide gevallen stukken in het Museum doen zien.

Tot dezelfde verzameling-Fock behooren twee strijdjakken van de Orang Mengkoka, op het zuidoostelijk schiereiland van Celebes, afkomstig van de kampong Batoenon aan de golf van Boni. Het zijn echte maliënkolders, geknoopt van gedraaide vezels, stug als de strijdjakken van de Gilbert eilanden en in uiterlijk aan deze gelijk; 't moet een zware dracht zijn in een warm land, maar deugdelijk beschermt deze met koorden toegeknoopte jas het bovenlijf; de rug is van boven verlengd met een opstaand stuk van gelijk maaksel, dat een nekslag ongevaarlijk maakt.

STROOMOP IN DEN AMAZONENSTROOM.

De Engelsche pantserdekkruiser Pelorus heeft in het begin van dit jaar een merkwaardige reis volbracht. Het schip is zeer ver de Amazonenrivier opgestoomd, ruim 3600 kilometers. Den 19den Januari voer het de Paramonding binnen en op 16 Februari was het eindpunt bereikt, Iquitos, dat nog geen 800 kilometer van Zuid-Amerika's westkust is verwijderd. Niet dikwijls wordt de groote rivier door het oerbosch van Brazilië door stoomschepen bevaren; amerikaansche en italiaansche hebben het een enkele maal gewaagd, maar het waren kleine schepen.

De tamelijk groote Pelorus maakte op de oeverbewoners grooten indruk en vond op vele plaatsen een feestelijk onthaal. Aan den mond is de rivier een anderhalven kilometer breed, bij Iquitos een 300 M. De vaart moest met zorg geschieden, vooral omdat er geen goede kaart van het vaarwater bestaat. Bij het vallen van den nacht werd dan ook het anker uitgeworpen, en telkens werd er een nieuwe loods aan boord genomen. Diep was het water, tot Iquitos toe, genoeg. Den 23sten Februari werd de terugtocht aanvaard, en den 9den Maart was men weer te Para.

Op den 5den April was het schip te Plymouth terug.

DE SALOEËN.

De middenloop van de Saloeën, waar pas de Engelschen Litton en George Forrest hebben gewerkt, is nu het doel van een wetenschappelijke reis, waarvoor Dr. Brunhuber uit Berlijn in het laatst van 't vorige jaar naar het Oosten is vertrokken.

OP DEN UITKIJK.

KERBELA, HET TWEEDE MEKKA.

Den 3den van de maand Moharram, ongeveer gelijk met onze maand Maart, gaat een groot deel van de mohammedaansche wereld uit Perzië en den Kaukasus, uit het verre Indië en uit Midden-Azië op ter bedevaart naar een plaats in Perzië, het oude Kerbela, war ze hun godsdienstige plechtigheden vieren bij het graf van Hussein, den kleinzoon van Mohammed. Het zijn de Sjiïeten, die aan deze feesten deelnemen, zij, die zich als afzonderlijke afdeeling in de muzelmansche wereld altijd hebben staande gehouden tegenover de Sunnieten, de oudere richting.

Men neemt wel eens aan, dat de godsdienst van Mohammed zijn aanhangers volkomen afkeerig maakt van al, wat naar liberalisme zweemt. Toch ziet men zeer geloovige Mohammedanen in de beste verstandhouding met ongeloovigen verkeeren, en de triomfen van het modernisme in Konstantinopel en overal, waar Jong-Turken wonen, bewijzen wel, dat de Islam geen beletsel is voor de nieuwere ideeën. Maar als men die Mohammedanen ontmoet, die zoo liberaal zijn, dan is het honderd tegen één, dat het Sunnieten zijn, wier ruimere opvatting, inschikkelijkheid en beminnelijkheid, als men het zoo mag uitdrukken, een scherpe tegenstelling vormen met het fanatisme der Sjiïeten.

Hoe kon Hussein die secte stichten? Hij deed het door zijn dood bij Kerbela, waaromheen de volksfantasie veel wonderen heeft gegroepeerd. Mohammed, de Profeet, was op 8 Juni 632 gestorven, zonder rechtstreeks een opvolger te hebben aangewezen. Zijn schoonvader en vriend Aboe Bekr werd tot des profeten plaatsvervanger, tot khalief, gekozen, en Ali, neef en schoonzoon van Mohammed, wiens dochter Fatima hij had getrouwd, werd voorbijgegaan. Nog tweemaal moest deze voor anderen wijken; Omar en Othman, beiden vrienden en medestanders van Mohammed, werden tot het khalifaat verheven, vóór Ali tot khalief werd uitgeroepen. Toen hief Moawiah, de stadhouder van Syrië uit het geslacht der Omayaden, de vaan van den opstand omhoog; Ali werd vermoord en Moawiah behield de alleenheerschappij.

Doch Ali had zonen nagelaten, en om hen schaarde zich de partij, die al spoedig als de partij der Sjiïeten bekend en geducht werd. Hassan, Ali's oudste zoon, zag van zijn aanspraken af en vestigde zich te Medina, waar hij aan vergif stierf; maar zijn ridderlijke broeder Hussein weigerde na Moawiah's dood diens zoon Jezid te erkennen en waagde een poging, om met behulp van zijn aanhangers in het Westen van Perzië, in de provincie Irak, den troon voor zijn geslacht te herwinnen. De poging mislukte; de in stilte voorbereide opstand werd verijdeld, en in Irak met zijn getrouwen aangekomen, werd de edele Hussein door een overmacht omsingeld en viel in de vlakte van Kerbela onder de pijlen der Moslims.

Een gansche sagenkring omgeeft de martelaren, die bij Kerbela vielen. In Perzië vonden die Aliden van den beginne af hun sterksten en trouwsten aanhang, en nog verfoeien de perzische Sjiïeten Aboe Bekr en Omar en Othman en de Abassiden als troonroovers en overweldigers; nog wordt jaarlijks het Moharramfeest gevierd, het groote, nationale treurfeest ter herinnering aan den dood van Ali's zoon Hussein. Duizenden trekken ter bedevaart naar zijn graf en laten zich, als hun tijd is gekomen, begraven in dien gewijden grond, waar achttien leden uit de familie van den Profeet waren gevallen en twee-en-zeventig discipelen. De moord dier martelaren heeft van Kerbela het heiligdom van Sjiïsme gemaakt.

De stad ligt in de schaduw van palmen aan een zijtak van de Euphraat; men ziet bij de nadering boven dadels, populieren en wilgen de koepels der moskeeën en de spitse minarets uitsteken in een glans van goud en edelgesteenten. Als de tijd der bedevaarten voorbij is, sluimert Kerbela weer in met de nauwelijks 15000 inwoners.