Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 16

Chapter 163,752 wordsPublic domain

In de stallen, voor honderden stuks vee ingericht, met witte tegels bekleed, voorzien van cementen vloeren en alle mogelijke inrichtingen ter bevordering der reinheid, werpen booglampen op hun omgeving een licht, dat het daglicht, zooals het vaak in ons land zich voordoet, in helderheid verre overtreft, en waarbij men dan ook uitstekend kan photografeeren, zooals onze reproductie van een foto aantoont. De rotterdamsche ingenieursfirma H. Doyer en Co. installeerde op het mooie landgoed, waar praktijk en weelde zoo schitterend samengaan te midden van een wonderheerlijk landschap, de godin met den tooverstaf, Vrouwe Electriciteit.

NAAR DE LUTTE!

Het vorige jaar reeds wijdden we een artikeltje aan het liefelijke gehuchtje bij Oldenzaal, de Lutte, maar we gaven het zonder afbeeldingen en willen thans nog eens op dat mooie plekje terugkomen, nu we op een mooien Septemberdag van 1908 er alleraangenaamste indrukken van de heerlijke natuur hebben opgedaan. Het was bij een imitatie, zwakke navolging wel is waar, van de groote excursie, die de Nederlandsche Heidemaatschappij op 18 en 19 September bij gelegenheid van haar algemeene vergadering te Oldenzaal naar De Lutte had ondernomen.

Ofschoon die rit dank zij der lokale kennis van een koetsier, die ook de excursionisten had gereden, precies in de sporen ging van dien anderen, ontbrak de voorlichting der deskundigen, maar hoezeer maakte toch de aanblik van de ontginningen in het landschap, waar cultuur en woeste natuur elkaar van zoo dichtbij naderen, een aantrekkelijken indruk! De ontginners, die van de technische voorlichting der Heidemaatschappij gebruik hebben gemaakt, doen voor hun landstreek een niet te overschatten nuttig werk. Het is de verdienste van de twentsche grootindustriëelen, dat ze hun kapitaal beleggen op een wijze, waarbij niet de directe voordeelen op den voorgrond staan.

Bosschen, zooals daar in de buurt van Oldenzaal worden aangelegd, kosten op het oogenblik van den aanleg veel geld, ze zullen lange jaren geen rente afwerpen en eerst het nageslacht zal er geldelijk voordeel van trekken. Kenmerkend is het, dat de ontginningen zich in hoofdzaak bepalen tot bebosschingen en het aanleggen van graslanden, terwijl de grond voor het grootste gedeelte zich toch zeer goed zou leenen voor bouwland en vruchtencultuur. Sommige van de nieuwe bosschen zijn gevormd door het omzetten van eikenhakhout in opgaand bosch; maar ook is er voor de grootste afwisseling in de boomsoorten gezorgd; grove dennen wisselen af met lariksen en Douglassparren, beuken, tamme kastanjes, zilversparren en eschdoorns.

Daarbij maakt de streek een echt landelijken indruk met de bouwlanden bij de boerenhoeven, en zij is door de heuvelachtigheid van het terrein, de groote boschcomplexen bij de buitens en landgoederen en den sierlijken tuin- en parkaanleg van die goederen een uitgezocht oord voor stadsmenschen, die met vacantie buiten willen wezen en het er rustig willen hebben, zonder alle comfort van huis en haard te missen. Want er is in de Lutte een vanouds bekend hotel, Het Zwaantje, dat merkwaardig goed met zijn tijd is meegegaan, ja, thans in hotel-opzicht zelfs zijn tijd vooruit is.

Uiterlijk en innerlijk voldoet het aan zeer hooge eischen. De tuin is groot en vol schaduwrijke plekjes; het huis geriefelijk en geheel modern ingericht, heerlijk frisch en ruim met badkamer en andere uit hygiënisch oogpunt uitstekende dingen, met goede bediening en een uitstekende tafel. De pensionsprijzen verschillen naar den tijd van het jaar en den aard der kamers; de hoogste prijs is f 4.50.

Wat de Lutte voor ouders met kinderen vooral aantrekkelijk maakt, is de geheele afwezigheid van gevaar voor water of trams. Want zij weten maar al te goed, dat een kind pas dàn ten volle geniet, als men het bij het zoeken naar genot zijn volle vrijheid kan laten. Aan de streek zelve geeft het gemis van dit gemakkelijke communicatiemiddel met zijn aanhoudend vervoer van drommen menschen, een cachet van behagelijke rust, dat men voortdurend des te meer zal beginnen op prijs te stellen, naarmate men behoefte heeft de steeds toenemende haast en drukte van het stadsleven voor korter of langer tijd te ontvlieden.

Er zijn verrukkelijk mooie punten, die op een wandeling van het Zwaantje gemakkelijk te bereiken zijn.

Dat hoekje van Twenthe is werkelijk zeer ruim bedeeld met afwisselende en boeiende natuurtooneelen; de verschillen in hoogte van het terrein en de boschrijkheid van de streek, daarbij de zorg, die aan paden en wegen wordt besteed, maken er het wandelen tot een groot genot. Een der hoogste punten van Nederland, de Tankenberg, gemakkelijk te bestijgen, want wie geen padvinder wil zijn, kan van een steenen trap gebruik maken, biedt een wondermooi panorama, waarin Ootmarsum, Nordhorn, Denekamp en Almelo o.a. een plaats vinden. Op den berg zelven treft men een koepel aan, waar het goed rusten is.

De aardige punten in het land van velden en bosschen zijn vele en velerlei. Natuurlijk is er een Belvédère, die vanaf Het Zwaantje spoedig te bereiken is en waarheen de wandeling over een der erven loopt, die in deze buurt zulke aanlokkelijke wegjes en lanen bieden. Zoo zijn er het erve Reuver, het erve Harbert, het erve Rikkert, dan Koekoek, Kesselder, Schopman en andere, terwijl er op de buitenplaatsen Koperboer en Kalheupink vrije wandeling is voor het publiek.

Hoe mooi en afwisselend zijn ook de bosschen van Boerskotten, die met zooveel zorg en kennis zijn aangelegd! En het Kruusselter bosch met zijn indrukwekkende beuken, het lommerrijke Middelkamp, dan Hel en Hemel, mooie punten, waarvan de eerste een verkorting schijnt te zijn van »helling« en het tweede als tegenstelling den naam van hemel heeft verkregen, beide mooie brokjes natuur.

Geheel natuur is ook het Lutterzand, een woest plekje in het gebied van de rivier, de Dinkel. Het stroompje loopt daar met veel kronkelingen, dan eens langs groene weilanden en beemden, dan eens tusschen zandheuvels met dennen, waar de primitieve natuur nog is waar te nemen. Vanaf den straatweg van Oldenzaal naar Bentheim op de hoogte der duitsche grens is het gemakkelijk te bereiken. Voor den folklorist en den belangstellenden waarnemer van huizen in ouden bouwtrant levert de streek rondom Oldenzaal allerlei interessants. Zeer veel boerenhuizen zijn nog niet in vertrekken verdeeld en lijken meer op een lange schuur dan op een huis.

CENTRAAL BUREAU VOOR VREEMDELINGENVERKEER.

Sinds 15 Augustus 1908 hebben wij, te 's Gravenhage gevestigd, een Centraal Bureau voor Vreemdelingenverkeer, directeur de heer J. J. A. Knoote. Er wordt gestreefd naar het aanknoopen van betrekkingen met het buitenland, en reeds werd aan ruim 2000 bureau's in Europa reclame materiaal over Nederland verstrekt.

Tot het bureau zijn onze spoorwegmaatschappijen, verscheiden stoomvaartlijnen, de Algemeene Nederlandsche Wielrijdersbond, enkele exploitatie-maatschappijen, de Norddeutsche Lloyd, eenige tramwegmaatschappijen enz. toegetreden. Van de 98 vereenigingen voor vreemdelingenverkeer in Nederland zonden reeds 76 reclamemateriaal in.

Aan het bureau zijn verbonden een jonge schilder, die als artistiek leider vreemdelingen over de hollandsche schilderkunst inlicht en een amerikaansche, in den Haag gevestigde dame, die vreemdelingen rondleidt en door haar talenkennis zeer goed voor die taak is berekend.

Officieel orgaan van het bureau is het tijdschrift »Holland-Express«. Voorzitter is baron F. W. C. H. baron Van Tuyll van Serooskerken, secretaris Mr. J. F. Hijmans.

PRAKBOSCH.

Naar aanleiding van een ons gedane vraag naar de beteekenis van het woord prakbosch kunnen wij mededeelen, dat men in Santpoort en omstreken onder dat woord verstaat de stukken boschgrond, waarvan de boomen zijn gekapt en waar de wortelstompen nog in den grond zijn achtergebleven. Prakken nu is het ondiep omspitten van zulken grond, meestal ten behoeve van den verbouw van aardappelen.

Wanneer een stuk boschgrond, met eiken beplant, bijvoorbeeld een twintig jaar heeft gestaan, dan komen de hakkers en vellen het hout. In het eerstvolgende voorjaar na den haktijd wordt de bodem, zooveel de diepgewortelde eikenstronken het maar toelaten, bewerkt en voor bebouwing geschikt gemaakt. Eén steek diep wordt de grond opgewerkt. En in den losgemaakten grond, welke twintig jaren lang de bladeren ontvangen heeft en alzoo teelaarde bezit, vinden de aardappelen eene uitnemende plaats om te ontwikkelen en vruchten te geven.

In verband met dit prakbosch kan nog de volgende bijzonderheid vermeld worden. Bij enkele landeigenaars bestaat namelijk de vriendelijke gewoonte, stellig afkomstig uit den ouden tijd, om een stukje prakbosch aan behoeftige lieden voor aardappelteelt kosteloos af te staan. Vroeg in het voorjaar, soms al in den winter, komen dezen zich bij den boschwachter aanmelden om zulk een hoekje grond. Zoodra de houtvelling voorbij is en de weersgesteldheid het gedoogt, worden de arbeiders, die aangenomen zijn--en bijna niemand wordt teruggewezen--toegelaten tot den bouw. Zij prakken en poten, om later te oogsten.

Half Augustus begint men met het rooien van de aardappelen.

TUSSCHEN AMERIKA EN EUROPA.

In het haastige rennen van de stoombooten over den Atlantischen Oceaan is de »Mauretania« van de Cunard-stoomvaartmaatschappij op 't oogenblik (eind Februari 1909) de baas. Zij stoomde den zuidelijksten weg, dien de stoomschepen in den winter volgen en die 110 mijlen langer is dan de noordelijke of zomerroute, in vier dagen plus een kwartier.

OP DEN UITKIJK.

EEN VROOLIJK TOONEELTJE AAN DE CROPINAKREEK.

Het aardige kiekje aan de Cropinakreek in de buurt van Paramaribo geeft een beeld te zien van vroolijke negervrouwen, die aan het wasschen zijn, en van blijde kinderen, die zich in het ondiepe water vermaken. Een echt warmgetint tooneeltje met den mooien tropischen plantengroei op den achtergond. De vlugge jongens schijnen een wedstrijd te houden, wie het eerst het afgedreven vat en de andere waschbenoodigdheden, door de vrouwen al babbelend uit het oog verloren, weer zal inhalen. Met lachende gezichten zien de boschnegervrouwen naar de inspanning der kinderen, een enkele van haar opkijkend van het stuk waschgoed, dat ze bezig is te spoelen of in te zeepen.

Een blik op de afbeelding overtuigt den kijker al, dat het een tooneel is in de buurt van de bewoonde wereld niet alleen, maar ook van de wereld, waar men noties heeft van de beschavingseischen. Het toilet van de dames op de foto is westindisch, maar van een echt stadsstandpunt gezien. In zulke gestreepte katoentjes kan men op alle westindische eilanden en in Suriname de negervrouwen en andere inlandschen zien rondloopen, maar alleen daar, waar men met het leven van een stad in eenig verband staat. Dat costuum dragen ze bij marktbezoek en bij feestelijke gelegenheden, en ieder onzer kent deze dames, al was het alleen van de afbeeldingen van de plechtigheid te Paramaribo, als de koningin jarig is en de menigte op het plein van het Gouvernementsgebouw den Granman en zijn gemalin hulde brengt.

Maar die lieflijke kreek kent ook andere tooneelen, is niet overal zoo kalm en gemoedelijk als hier bij de badende kinderen. Onze vele expedities naar de West hebben maar al te vaak te worstelen met de hevige stroomingen van die kreken of zijtakjes van de talrijke surinaamsche rivieren. Dan is het bijna onmogelijk, de booten er door te vervoeren; de boschnegers moeten dan duwen of ook wel de booten uit het water nemen en ze langs de oevers dragen, en als ze dan niet al te gesticht zijn over de blanken, blijkt het, dat het met onwillige honden slecht hazen vangen is.

Die beroemde kreken van Suriname zijn vaak niet anders dan sterk kronkelende berceau's, waarvan de bodem met water is bedekt. De booten moeten dan om de vele bochten telkens korte draaien nemen en zitten ieder oogenblik vast tusschen de boomen aan den oever. Er moeten dan voortdurend takken worden afgehouwen van het geboomte, dat een dak boven de hoofden vormt. De negers kunnen hun ranke korjalen, die smalle bootjes met de lange parels of roeiriemen, wonderlijk handig door den stroom doen schieten en als het moet, glijden ze rustig over een ondergeloopen savannah, zelfs als ze er maar een slingerbocht van de kreek mee kunnen uitwinnen.

Onder water dreigen in die kreken gevaren van boomstammen, die te water zijn geraakt en voor het oog verborgen zijn, zoodat de booten er licht op kunnen stooten en lek worden. Aan de Cropinakreek of de Coropine, ligt hoogerop de Post Republiek, een heerlijk plekje te midden van een uitgezocht mooie natuur. De naam dateert reeds uit den tijd van onze Republiek, en in de dagen, dat er moeilijke oorlogen moesten worden gevoerd met de boschnegers, was er een lange lijn van militaire posten opgericht. Nu is van dat alles niets over dan een paar groote, in den grond geplante kanonnen, die naast de aanlegplaats der bootjes zijn opgesteld ter herinnering aan het oude militair karakter der omgeving. In Para is tegenwoordig alles rustig; een politiepost van een paar man kan er het werk best af.

Uitstapjes worden van Paramaribo uit soms ondernomen naar Post Republiek en men logeert er dan in het primitieve logement, waar men zelf voor alles moet zorgen, maar dan toch in een gouvernementshuis een onderkomen heeft met slaapgelegenheid. Wie onze afbeelding aanziet, zal begrijpen, dat het een heerlijk verblijf kan wezen voor stedelingen, die er zich met visschen en zwemmen en bootjevaren kunnen vermaken en zich verlustigen in de onvolprezen schoonheid van den verrukkelijken tropischen plantengroei.

LABRANG GOMBA, EEN KLOOSTER IN THIBET.

Dr. Albert Tafel, die al eenige reizen door Thibet deed, heeft onlangs een en ander verhaald over een thibetaansch klooster, gelegen op 35 graden N.B. en 102 O.L., daar, waar de hoogvlakte naar het Noordoosten weer zooveel lager wordt, dat er in de dalen een weinig gerst en tarwe kunnen verbouwd worden. Het is een der grootste kloosters van het verboden Thibet. Er zijn nog slechts weinig Europeanen, die Labrang Gomba hebben gezien, want het ligt niet aan een der groote karavaanwegen, terwijl het bovendien berucht is om de weinig vriendelijke gezindheid van de bewoners.

Maar wel behoort het tot de belangrijkste kloosters uit Thibet, want steunend op zijn groote rijkdommen en op de ongeveer 8000 tot 10.000 monniken heeft het kloosterbestuur het zoo ver weten te brengen, dat een zeer groot gebied van het klooster afhankelijk is, dat verscheiden kleine vorsten aan de macht van de kloosterheeren gehoorzamen en hun belasting betalen, en dat enkele groote stammen bestuurd worden door lama's, uitgezonden door het klooster.

»Ik heb«, verhaalt Dr. Tafel, »Labrang Gomba bezocht in October 1907. Het complex van kloostergebouwen ziet er indrukwekkend uit. Het zijn huizen van twee verdiepingen en veel kleinere woningen, alle vroolijk wit, rood en zwart geschilderd en zeer zindelijk onderhouden zijn. De grootste gebouwen worden bewoond door levende Boeddha's en heiligenincarnaties, want men kent in Labrang als overal in Thibet veel levende goden; ook tempels en bidhallen behooren tot de kloostergebouwen en enkele in chineeschen stijl opgetrokken heiligdommen.

Bijna was Labrang Gomba een bijzonder heilig klooster geworden, want sinds 1906 heeft het bestuur zich alle mogelijke moeite gegeven, om den Dalai Lama binnen de muren van het klooster te mogen herbergen. De monniken waren in 1907 zelfs begonnen, voor den Dalai Lama een bijzonder paleis te bouwen, want ze meenden toen den tegenstand van den slimmen en onberekenbaren heer te hebben overwonnen en hoopten ook bij de chineesche regeering de toestemming te krijgen, dat de Dalai Lama voortaan onder hen zou mogen resideeren. Maar de vrees van den Dalai Lama won het pleit. En niet ten onrechte vreesde hij de broeders, want bij de hoogere thibetaansche geestelijkheid heeft de Dalai Lama sinds zijn vlucht naar Mongolië en zijn zonderling handelen tijdens de engelsche expeditie alle populariteit verloren en hij zou er van zijn leven niet zeker zijn geweest«.

De groote Fransche expeditie van kapitein d'Ollone in 1908 is dichtbij het klooster Labrang Gomba door een thibetaanschen stam aangevallen, waarbij twee fransche officieren gewond werden. Toen is het klooster in de europeesche dagbladen genoemd. Men is er niet ver van de chineesche grens, maar dat waarborgt volstrekt de veiligheid niet. De Khamba's, de bewoners van Oost-Thibet, zijn tot bij Lhassa en in het overige West-Thibet gevreesd om hun roof- en moordzucht. Het gaat er onder de stammen toe als in Europa in de Middeleeuwen; het leenstelsel is er in zwang, en niemand bekommert zich om de heeren in naam, de Chineezen. De keizer is al te ver! Het roofridderwezen verheugt er zich in grooten bloei, zooals goederenkaravanen maar al te vaak ondervinden. Ook Dr. Tafel deed daarvan ervaringen op. Hij en luitenant Filchner werden in 1904 aangevallen en de kleine karavaan van 1906 en 1907 verloor driemaal door een rooversaanval expeditiemateriaal en deelen der verzamelingen. Het is daar ook het gebied, waar Dutreuil de Rhins in 1894 werd vermoord, en in 1900 hadden de Russen Kozlow en Kozlakow op hun wetenschappelijke reis formeel slag te leveren, waarin hun 17 Kozakkengeweren 32 Thibetanen deden sneuvelen.

KOLONIAAL MUSEUM BIJ BRUSSEL.

In Tervueren op een paar uur afstands van Brussel is een nieuw Koloniaal Museum gebouwd, een waar paleis, waarvan wij hier een afbeelding geven, die de achterzijde vertoont. Het van grauwen steen opgetrokken gebouw staat aan de grens van het park van Tervueren, dat bijzonder mooie park met zijn oude boomen en schilderachtige vijvers. In het volgend jaar zal het Museum tegelijk met de tentoonstelling in April geopend worden. Het is een museum van de koloniën, maar waar België zich in het houden van koloniën in de beperking meester toont, zou men het ook gevoegelijk een Congo-Museum kunnen noemen.

De verzameling, die naar het nieuwe gebouw zal worden overgebracht, is nu geborgen in het oude Museumgebouw, dat in het park niet ver van het nieuwe staat en sedert de tentoonstelling van 1897 tot Congo Museum ingericht werd. Het voldoet als zoodanig lang niet aan de eischen, die men thans mag stellen; te veel voorwerpen staan onbeschut, omdat de kasten, waarin ze moesten zijn geborgen, ontbreken. Dat alles zal verbeteren, en tegelijk met de verhuizing naar het nieuwe gebouw, waartoe men thans maatregelen treft, wordt een nieuwe indeeling, een andere rangschikking ingevoerd; men zal niet bijeenbrengen hier de voorwerpen der Zappo Zap, verderop die der Majombe, elders weer het huisraad en de wapens van andere stammen, die als geografische groepen bijeenbehooren; maar men wil de voorwerpen van gelijke soort naast elkander zetten, al het pottebakkerswerk van heel het Congo-bekken, al de muziekinstrumenten, en van deze weder trommen bij trommen, harpen bij harpen, en zoo voort. Het denkbeeld is niet nieuw; in meer dan een museum zijn dergelijke groepen van gelijksoortige dingen aanwezig, meestal echter samengesteld uit de dubbelen en naast de geografische groepen.

Naast deze groepen van gelijksoortige voorwerpen zal men in het nieuwe museum van Tervueren ook wel de geografisch bijeenbehoorende voorwerpen kunnen zien, maar voornamelijk door afbeeldingen; hoofdzaak blijft de hierboven beschreven indeeling.

Iets nieuws is, dat men in het museum van Tervueren ook de ontwikkeling van het voorwerp zal laten zien. De heer Coart, de conservator der ethnografische afdeeling, schrijver van uitvoerige en rijk geïllustreerde verhandelingen over de pottebakkerskunst, de muziekinstrumenten en de godsdiensten der Congoleezen, beschrijvingen, die in de Annales du Musée verschenen zijn, de heer Coart, die drie jaar aan den Congo doorgebracht heeft, stelt zich voor den bezoekers eene merkwaardige evolutie onder de oogen te brengen; hun te toonen hoe een voorwerp aan zijn vorm, aan zijn samenstel, aan zijn versiering komt; dat een en ander maar niet toevallig is. Zoo maakt de natuurmensch voor zijn kindje van een kalebas een rammelaar of mogelijk heeft hij er zelf wel plezier in en maakt er muziek mee bij feestelijke gelegenheden, en als men later van biezen zoo'n instrument gaat vlechten, behoudt men den kalebasvorm. Op die wijze laten zich vormen en versieringen van ethnografische voorwerpen dikwijls historisch verklaren en waar op die ontwikkeling wordt gewezen, wint een tentoonstelling in of buiten een museum natuurlijk niet weinig in leerzaamheid en belangwekkendheid.

Wat het inwendige van het nieuwe gebouw betreft, de groote zaal van 130 meter lang en 40 breed, met haar vloer en muren verdwijnend achter veelkleurig marmer van zeldzame schoonheid, is een prachtstuk, welks rijke eenvoud stille bewondering wekt. Een lange rij hooge ramen geeft uitzicht op breede grasperken met vijvers, waarachter het hooge geboomte van het park afsluitend verrijst. Groote ijzeren traliedeuren, met spiegelglas gevoerd, leiden naar den binnenhof, die door zuilengangen omsloten is. Kleinere zalen met parketvloeren en bovenlichten grenzen aan de marmeren zaal, en het is deze laatste die voor ethnografisch museum bestemd werd.

Alles zal daar worden ondergebracht in kasten en vitrines van staal en spiegelglas op mahoniehouten voet, terwijl in standaards met draaibare vleugels kaarten, foto's en andere afbeeldingen de ophelderingen, die de etiketten geven, zullen aanvullen. Brussel is zeker te feliciteeren met het nieuwe museum, dat voor de volksontwikkeling van beteekenis kan worden.

VAN STEINTHORWALL NAAR ROTHENBAUM-CHAUSSEE.

Hamburg is aan 't bouwen van een nieuw Ethnografisch Museum. De collecties van voorhistorische oudheden en de ethnografische verzameling gaan verhuizen van den Steinthorwall naar de Rothenbaum-chaussee aan de westzijde van de Buiten-Alster. Het nieuwe gebouw zal 1-1/2 millioen mark kosten en moet over drie jaar klaar zijn. De zoölogie blijft in het oude gebouw.

Sedert lang was de toestand onvoldoende; het museum aan den Steinthorwall, dicht bij het hoofdstation gelegen, bestaat eigenlijk uit een ledige ruimte met daaromheen liggende galerijen, drie hoog, in den bouwstijl dus van sommige warenhuizen, maar zonder de lift. Op den beganen grond en op de eerste twee galerijen huizen de dierkundige verzamelingen; op de derde galerij zijn de ethnografische collecties en de voorhistorische oudheden tentoongesteld. Daar is dus een onbelemmerde, uit de holle ruimte komende trekking van lucht, met stoffen en geuren; des zomers, als 't warm is, ruikt men boven duidelijk het reusachtige walvischskelet, dat op den grond van den koker, heel beneden, sluimert.

Nu is een deel van de galerijen afgesloten voor het publiek en tot pakhuis ingericht; daar staat alles wat gereed gekomen is tot opneming in het nieuwe gebouw. In het hamburgsche museum is de behandeling der voorwerpen, vóór dat zij tentoongesteld worden, nogal omslachtig; men reinigt daar alles gründlich. Iedere directie heeft daaromtrent haar eigen meening en de meening van de hamburgsche directie is, dat wasschen met zeep en soda aan ethnografica ten goede komt. Het veelvuldig gebruik, het beduimelen, kan aan een voorwerp van gesneden hout het uiterlijk van oud leder geven; de tijd brengt op metalen de bekorende patina. Deze charmes duldt men er niet, en vermoedelijk dáárom is men reeds begin Februari begonnen met den uithaal, die aan de overbrenging naar het nieuwe museum moet voorafgaan.

VERRE REIZEN.

Een te Rositten op de Koerische Nehrung in Oost-Pruisen van de Vogelwarte, het observatorium voor den vogeltrek, losgelaten ooievaar met een ring om den poot is in Wadaï, een in Gross-Möllen in Pommeren weggevlogen en met den ring »geteekenden« langbeen is bij Fort Jameson in Rhodesië opgevangen, en uit Boedapesth, zoowel als uit Zevenburgen in Hongarije zijn dezer dagen berichten ontvangen, dat ooievaars, van daar met ringen om den hals vertrokken, in Natal zijn opgevangen. Of vogels houden van verre reizen!

OP DEN UITKIJK.