Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 15
Toevallig verscheen ook in diezelfde week het tweede en laatste gedeelte van een uitvoerig artikel, dat de heer W. H. R. van Manen in het weekblad Globus deed verschijnen over het onderzoek van Suriname gedurende de laatste tien jaren. Onze talrijke expedities naar de West, die zoo duidelijk getuigen voor onze ontwakende belangstelling voor het onderzoek der koloniën, en waarbij de regeering zich ook niet onbetuigd houdt, passeeren daar de revue en maken dat koloniale werk in de wijde kringen bekend, die in Duitschland in populair wetenschappelijke lectuur op aardrijkskundig gebied belang stellen. Ook wat er op geologisch gebied in Suriname is gewerkt in den laatsten tijd en wat er door de reizen van het land en de bevolking is bekend geworden kan men in het belangwekkende artikel van den heer Van Manen lezen.
Maar nu wat de Franschman, Gaspard Long over de djokjasche bruiloft vertelt. Wij geven hem het woord.
Ofschoon het eiland Java sedert eeuwen aan Holland behoort, hebben de Javanen veel nationale gebruiken behouden. De huwelijksplechtigheid bij voorbeeld heeft in de hoogere klassen der inboorlingen nog al de staatsie van oude gebruiken. Het sultanaat Djokjakarta heeft tot sultan Hamangkoe Boewono, d. i. de sultan, die de wereld in zich draagt. Hij heeft onlangs zijn zoon uitgehuwelijkt, wiens voor ons hoogst ingewikkelde naam beteekent »de jonge vorst, die de stad omvat«, aan Hare Hoogheid, de edele Srikatinah.
De feesten duurden als in oude dagen een heelen tijd achtereen; maar daar ik aan de lezers overlaat, zich te verbeelden het op zijn Europeesch ingerichte bal en het vuurwerk aan het slot, wil ik iets vertellen van den trouwdag zelven.
Op dien dag dan bevond ik mij met een honderdtal andere genoodigden in de salons van den Resident, van waar we ons naar den Sultan zouden begeven. Het voorschrift is, dat elk bezoek aan het paleis alleen plaats hebbe door tusschenkomst van den Resident, zooals ook ieder uitgang van den vorst plaats heeft met de toestemming van dien ambtenaar. De eenige vertegenwoordiger van het corps diplomatique was de consul-generaal van Frankrijk in Nederlandsch-Indië, de hoogste in rang na den Resident. Naast hem stond een inlandsch vorst, twintig jaar oud, die in Batavia en in Nederland heeft gestudeerd en die zoo europeesch is, als het voor een Javaan ooit mogelijk is, het te worden. Hij was voor de plechtigheid gekleed in de uniform van kolonel van het nederlandsche leger.
We gingen op weg naar het paleis, de Resident in een rijtuig, door heeren te paard omringd; prins Pakoe Alam in een coupé, met gele zijde gecapitonneerd; de officieren en ambtenaren in auto's en rijtuigen. De stoet rijdt langzaam naar het hof, behalve over een groot zandig plein, dat zich uitstrekt tusschen den buitenmuur en den hoofdingang van het paleis, en waar een laan wordt gevormd door palen, met hollandsche vlaggen versierd. Op het plein begroet ons een javaansch orkest en de inlandsche troepen presenteeren het geweer.
De sultan, die den Resident ontvangt op de trappen van de audiëntiezaal, draagt de nationale haardracht en een vlecht; hij heeft niet als de hovelingen het bovenlijf ontbloot, maar draagt een zijden buis met het lint van den commandeur van de orde van Oranje Nassau en een prachtigen sarong, met goud doorweven. De vorst geeft den Resident den arm. Ze nemen plaats in de leuningstoelen achter in de zaal. Rondom groepeeren zich de burgerlijke ambtenaren, de godsdienstige autoriteiten, de dominé en de pastoor, en de genoodigden.
We zijn in de audiëntiezaal. Dat is een vierkante ruimte, met marmeren vloer en een pyramidevormig dak, dat door enorme zuilen wordt gedragen van gebeeldhouwd en verguld teakhout. Het plafond is een aaneenschakeling van oploopend schilderwerk en gebeeldhouwde figuren, waar ik eivormige sieraden, slangen en bladeren in onderscheid. Het inlandsch orkest speelt een ouden marsch, terwijl de gongs een welkomstklank aangeven.
De bruidegom komt over het marmer kruipen, maakt vóór zijn vader de eerbiedsbeweging, die daarin bestaat, dat ze de gevouwen handen boven het voorhoofd brengen, en neemt plaats op den voor hem bestemden zetel. Het is een jonge man van vijf-en-twintig jaar van arisch type; hij is in groot toilet, met naakt bovenlijf, het lichaam ingesmeerd met geel blanketsel, het teeken van een hooge kaste op het voorhoofd, de wenkbrauwen met chineeschen inkt geteekend. Hij draagt een borstlap, die in den vorm van een halve maan uit drie afdeelingen bestaat, en een keten van briljanten, van wel een meter lang.
De priester en de vader van de bruid treden naar voren onder het maken van een reeks van buigingen en zetten zich naast den bruidegom. Ze spreken zacht in het Arabisch een gebed. Hun zetels zijn in een driehoek geplaatst, en niemand verstaat, wat ze zeggen. Als de vorst, naar ik vermoed, gezegd heeft, dat hij de eer aanvaardt, de echtgenoot te worden van de edele Srikatinah, roepen zijn volgers achter hem: »Amin«, en het geheele publiek herhaalt: »Amin, Amin«, onder begeleiding van het orkest en de salvo's van het geweervuur, dat de buiten in gelid staande troepen herhalen, om aan de wereld kond te doen, dat de plechtigheid is voltrokken. De priesters trekken zich terug, en de prins gaat de hand van den sultan kussen. Er wordt thee gepresenteerd, en ieder keert naar huis terug.
In den namiddag heeft de ontmoeting der beide verloofden plaats. Gewoonlijk begeeft de bruidegom zich naar zijn bruid en logeert er veertien dagen, voordat ze naar de woning gaan, voor hen samen bestemd. Maar hier, gezien de hooge geboorte van den bruidegom, was het de bruid, die van haar ouders wegging, om naar het paleis te gaan, waar haar de sultan en zijn hof wachtten en ook de Resident en de ambtenaren.
De getrouwde prinsessen, die haar vergezellen, dragen blouses van zwart of blauw satijn, gesloten met diamanten agrafes. De andere prinsessen hebben hals en schouders ontbloot, en om de borst een gestreepte stof, die den lichtbruinen sarong ophoudt. Achter de stoelen der prinsessen van den bloede zijn de eeredames gehurkt, die een beteldoos in de hand houden.
De bruid komt langzaam nader in haar draagstoel van wit met goud, omringd door haar dienstvrouwen, die verschillende attributen dragen en kisten met kleederen. Bij den ingang van het paleis stapt ze uit en treedt binnen onder de muziek van het orkest. Ze heeft bloote armen en schouders, een takje jasmijn hangt in den nek, afvallend van een diadeem, waar vijf briljanten zich op draden wiegen, zoodat ze bij elke schrede heen en weer bewegen. Armbanden bedekken voor een deel haar armen. Ze is groot en slank, liet gelaat min of meer fané. Aan den voet van den troon gekomen, groet zij en hurkt neer. Er wordt tusschen de beide verloofden een bakje met lauw water neergezet. Ze staan op en werpen elkaar betelbladeren toe. De bruidegom knipt een draad door, om de aanhechting aan zijn familie te symbolizeeren, en de prinses wascht hem nederig de voeten ten teeken van onderwerping.
Daarna geven de echtgenooten elkander de hand en nemen plaats op een paradebed, waar de officiëele personen hun hulde zullen komen brengen.
De geschenken, bij gelegenheid van het huwelijk gegeven, roepen door hun pracht de oostersche sprookjes in herinnering. Het rijkste was dat van de planters uit de residentie, die in twee zilveren cassettes van prachtige bewerking 125 duizend francs in goud gaven. Het is waar, dat de gronden van hun concessies eigendom van den vorst zijn en dat ze dus in zekeren zin onder zijn suzereiniteit staan.
EEN BEZWAAR BIJ EXPEDITIES NAAR DE WEST.
Bij de achtereenvolgende expedities, die in de laatste jaren naar het achterland van onze kolonie Suriname werden ondernomen, de Nickerie, de Coppename-, de Saramacca-, de Gonini-, de Tapanahoni-, de Turaak-Humak- en de Boven-Suriname-expedities, werden geregeld de booten over de stroomversnellingen in de rivieren geholpen door de boschnegers. Maar dat het niet altijd zonder protest geschiedde, was daarbij een schaduwzijde. Men kon de bedoelde werkkrachten inderdaad niet missen en zou om hun dikwijls voorkomende onwilligheid ze veel liever niet noodig hebben.
Nu vinden die boschnegers, naar het schijnt, dat wij met onze expedities in de West het wat al te druk maken, want in den laatsten tijd wordt hun oppositie lastiger en brutaler. Zoo zou nu onlangs luitenant W. J. Eilerts de Haan in opdracht van het gouvernement na zijn tocht naar de Boven Suriname eenige astronomische plaatsbepalingen doen aan de Marowijne, de grensrivier in het Westen.
Aan genoemde rivier zou worden bepaald de ligging van de monding der Auca- of Joeka kreek, in welker stroomgebied onlangs gunstige goudprospecties zijn verricht, en de monding der Grankreek.
Aan de laatste opdracht heeft de heer Eilerts kunnen voldoen. Door het optreden der boschnegers heeft hij echter niet de monding der Joekakreek kunnen vastleggen. De boschnegers van de streek, de Aucaners, weigeren personen en goederen te vervoeren naar die kreek, die in een soort reuk van heiligheid schijnt te staan. Door Saramaccaner-boschnegers was de heer Eilerts opgebracht tot op korten afstand van de monding der kreek. Doch zij weigerden--vermoedelijk onder den invloed van bedreigingen der Aucaners--den heer Eilerts over de laatste stroomversnelling te vervoeren, zoodat deze onverrichterzake in de stad Paramaribo is teruggekeerd.
DE DUITSCHERS OP NIEUW-GUINEA AAN HET PIONIEREN.
In Engelsch en Nederlandsch Nieuw-Guinea bleek de onderzoekingsgeest in den laatsten tijd sterk en groot; maar van het Duitsche deel van het groote eiland vernam men in dat opzicht weinig. Na lange pauze is dan nu weer een aanzienlijk deel van het onbekende Duitsch Nieuw-Guinea ontsloten geworden. Een opmetingsambtenaar, de heer Fröhlich, heeft met den heer Dammköhler in December 1907 en Januari 1908 een reis gedaan van de Huongolf naar de Astrolabebaai, dus over den wortel van het schiereiland in het Noordoosten van Nieuw-Guinea.
De weg voerde van de Huongolf eerst door de grasrijke vlakte aan de Markhamrivier, die door het Finisterregebergte en het Krätkegebergte wordt ingesloten. Toen werd de Ramoerivier bereikt en het tot 1400 meter diepe dal tusschen het Finisterregebergte en het Bismarckgebergte gevolgd tot het station Konstantinhaven. Verrassend was in dit gebied de aanwezigheid van een 30 kilometer breede en 300 kilometer lange, goed te bereizen, vruchtbare en dicht bevolkte vlakte met veel kokospalmaanplantingen, terwijl men er tot nu toe een ondoordringbaar gebergte had vermoed. Opvallend was ook, dat die vlakte niet beboscht was, misschien een gevolg daarvan, dat de inboorlingen er al sedert lang al het gras verbranden en den verderen plantengroei, om aan hun zin voor de jacht op wilde zwijnen gemakkelijker te kunnen voldoen.
De inboorlingen van het achterland waren door de menschen, die aan de Huongolf woonden, afgeschilderd als roovers en moordenaars, die zeer te vreezen waren. Eerst kwam de expeditie met die achterlanders niet in aanraking; ze bleven schuw en verlieten hun dorpen; later namen ze een dreigende houding aan, hielden de expeditie in het oog en waren door vriendelijke tegemoetkoming niet tot toenadering te bewegen. (Aangezien nog altijd buurmans leed troost, ligt hier mogelijk iets van dien troost voor de ervaringen van onze landgenooten, waar zij in West- en Zuid-Nieuw-Guinea werken en de afwijzende houding der inboorlingen betreuren).
De bedoelde inboorlingen in Duitsch Nieuw-Guinea waren groote en forsche menschen, de mannen naakt met halflang hoofdhaar, bij sommigen voor de helft rood, voor de andere helft zwart geverfd. De wapens waren een lange speer en een houten zwaard met groote, bijna het gansche lichaam dekkende schilden. De cirkelvormige hutten hadden ongeveer drie meter middellijn; het dak rustte op palen van een meter hoogte en bestond uit een spits toeloopende grasbedekking.
Eénmaal moest de expeditie tweemaal schieten, om er den schrik onder te brengen, toen men den weg wilde versperren; een aanval waagden de inboorlingen niet. Later stiet men op vreedzamer menschen, die volkomen kalm bleven. In een dorp werd een gedoode kip als teeken van vrede gebracht, in een ander een doode witte kakatoe. De dorpsoudsten plaatsten zich aan het hoofd van den troep en de dorpelingen sprongen vroolijk om hen heen. Ook deze inboorlingen, wier taal door niemand van de dragers en koelies werd verstaan, waren sterk en groot, tot zes voet lang. Ook hier waren de mannen naakt, hadden speren, houten zwaarden en schilden, halflang geschoren haar en gladgeschoren gezichten. De vrouwen droegen rokjes van gras, de oudere vrouwen de langste rokken.
De hutten waren wat hooger en ruimer dan bij de andere stammen. Op de pleinen in de dorpen liepen tamme kakatoe's rond; er schenen geen varkens te worden gehouden. De menschen leven er nog volkomen in het steentijdperk en zagen voor de eerste maal blanken. De steenen bijlen waren knap afgewerkt, en kunstvaardig waren ook de tabakspijpen van bamboes van aardige versieringen voorzien.
VAN TOGO.
De duitsche kolonie aan de kust van Opper-Guinea gaat op een kalme en zekere manier tegenwoordig vooruit. Zij beslaat maar een kuststrook van 45 kilometer, maar strekt zich 600 kilometer ver in het binnenland uit. Het midden is bergachtig, maar de bergen zijn niet hooger dan de duitsche middelgebergten. De zandige kust met de er achter gelegen lagune vertoont geen havens, maar een flinke pier reikt tot voorbij de branding en lichters vergemakkelijken het verkeer met de stoombooten buiten.
Lome was voor twintig jaar nog een klein visschersdorp, maar nadat het twaalf jaar geleden tot hoofdplaats is verheven, ging het plaatsje sterk vooruit. Men zorgt er met het oog op de nabijheid der lagune ijverig voor de openbare gezondheid, en duitsche orde en netheid heerscht in de straten. Op de kantoren heeft men veel negers in dienst en de zwarte klerken voldoen zeer goed.
Van ruilhandel hoort men weinig meer, en de omwonenden hebben zich reeds aan den geldhandel gewend. Zelfs de kauri-schelpjes als pasmunt verdwijnen langzamerhand.
Het station van den spoorweg ligt aan de landzijde der stad. Dagelijks loopt er om negen uur 's morgens de trein uit Anecho binnen, de tweede kustplaats der kolonie, en gaat dan spoedig verder naar Palime in het binnenland, waar hij om vier uur aankomt in den namiddag. De trein in tegengestelde richting verlaat Palime om zeven uur 's morgens, bereikt Lome om twee uur en komt tegen vieren in Anecho. Een nieuw lijntje is in aanbouw naar Atakpame van Lome uit en men hoopt dat later naar het dichtbevolkte Noorden der kolonie voort te zetten.
Op de kroesharige negerbollen werd vroeger alles getransporteerd, maar nu maken de wegen wagenvervoer mogelijk. Doch, helaas, moeten de wagens door zwarten worden getrokken of geduwd, want in Togo kan men om de tsetsevlieg geen trekvee houden. Men begrijpt dus, van hoeveel belang de spoorwegen zijn.
Treinen vol maïs en kokosnotenvleesch en palmolie in vaten voeren die waren naar de kust; ook cacao, caoutchouc en ivoor worden uitgevoerd, en de katoenopbrengst stijgt in den laatsten tijd in sterke mate.
De Togoneger is al volkomen aan den spoorweg gewend, zooals hij de telefoon ook heeft leeren waardeeren.
EEN GRIEVENCAHIER.
De oud-gewestelijke secretaris van de residentie Timor, de heer H. D. Wiggers, heeft een boekje uitgegeven, ons ter bespreking gezonden en getiteld »Aardrijkskundige Schets van het eiland Rotti«, dat onder deze vlag van den titel een heel andere lading dekt dan men zou verwachten.
De »schets« beslaat 24 bladzijden en daarvan geven slechts 6¾ bladzijden een beschrijving van het eiland Rotti; al het overige is aanklacht en beschuldiging van regeering en ambtenaren. Vluchtig worden in die eerste regelen behandeld de eerste volkplanting op het eiland, en de tweede, de godsdienst van de Rottineezen, gebruiken en gewoonten bij geboorten, huwelijken, sterfgevallen, begrafenissen enz., het dierenrijk, de natuurlijke voortbrengselen en het plantenrijk, en dan begint de schrijver van leer te trekken.
Het is een wonderlijk grievencahier, dat hij open doet en wij kunnen met den gegriefde zoo moeilijk medelijden krijgen, zoo lastig is het, voor ons met hem mee te voelen, omdat hij nergens in zijn boekje ook maar eenigszins preciseert, geen namen noemt of plaatsen, maar in het wilde redeneert over al het onrecht, dat er in onze koloniën geschiedt, en waar de regeering niet genoeg tegen waakt door afdoende contrôle.
Misschien zou het nog gegaan zijn, om in de gevoelens van den aanklager te komen, als hij zich verstaanbaar had uitgedrukt en niet in een zoo verwarrenden, onduidelijken stijl, in zulke ellenlange zinnen, dat men telkens den draad van zijn betoog verliest.
Zijn hoofdgrief is, naar wij meenen te begrijpen, dat er geen toezicht genoeg wordt uitgeoefend op de lagere ambtenaren, dat hun klachten en bezwaren, als die bij de regeering inkomen, worden ter zijde gelegd en dat er een ongelukkige keuze plaats heeft van indische bestuurshoofdambtenaren.
De schrijver wijst op de Oost-Indische Compagnie, die, als er klachten inkwamen te Batavia, onmiddellijk een commissaris zond, om de klachten te onderzoeken, te rapporteeren en naar bevind van zaken te handelen. Die methode moet weer gevolgd, want, en hier beginnen wij te citeeren en verzoeken de aandacht voor de taal van den auteur, »het is onbetwistbaar een heilaanbrengende handeling en alzoo van zeer veel nut, om in toepassing te brengen op eenige hoofden van gewestelijk en plaatselijk bestuur op en buiten Java en Madoera, ten opzichte hunner afkeurende handelingen in bestuurszaken, hunne nalatigheid en plichtsverzaking in den dienst en hunne willekeurige en berispelijke handelingen en het misbruik maken van hunne bevoegdheid, hetzij als besturend ambtenaar, hetzij als politierechter; maar niet de ter zake gemaakte waardige persbemerkingen, terechtwijzingen en aansporingen met vrijwillig gegeven advies tot handeling ongemoeid ter zijde te laten en zich volstrekt niet aan te trekken, wat er maar over geattendeerd wordt en dit te beschouwen als noodelooze aantijging, zoodat betrokken autoriteiten van de slapheid der regeering worden overtuigd en daarvan misbruik maken, om hunne fouten en gebreken te doen voortduren, zonder de minste stoornis voor een correctie of anderszins«.
Zoo gaat het in dreunende onaangenaamheid door; men duizelt van den woordenrompslomp, en zelfs als een zin klein is en flink op den man af gaat, komt de schrijver er nog niet goed uit. Hij vindt de bestuursambtenaren onbekwaam, en geeft nu dezen raad: »in verband daarmede dient men der regeering en den Directeur aan te prijzen, om geen ambtenaren tot den voornamen werkkring van bestuurshoofd te roepen of daarin te laten blijven, welke men onder de algemeene rubriek van prullen kan brengen«, en »maar de regeering schijnt zich hiermede niet te kunnen vereenigen, om in eene heilzame afdoening te treden, en men moet erin berusten en die bestuurshoofden, politierechters, in hunne dwaling, betweterigheid en bijna totale onbekendheid met wetten en bepalingen en alzoo ongeschikt om als rechter op te treden, ongestoord laten, ten nadeele voornamelijk van de arme inlanders.«
Van preciseeren is nergens sprake, en zoo zullen door dit boekje des schrijvers grieven zeker niet worden uit den weg geruimd, want wat kan een regeering na zoo iets anders doen dan het geschrijf kalm naast zich neer leggen en er zich verder niet om bekommeren?
MOOI VOORBEELD VOOR LANDHEER EN INDUSTRIËEL. HUIZE DE DUNO CUM ANNEXIS.
Als de wereld van de vele nieuwe vindingen en uitvindingen het rechte genot en voordeel zal hebben, dan is het noodig, dat ondernemende landgenooten helpen met raad en daad en voorbeeld. De wetenschap alleen kan ons niet voldoende vooruithelpen; de kracht van ondernemingsgeest en kapitaal is onmisbaar, om datgene, wat in studiecel en laboratorium als wenschelijk en mogelijk is aangewezen, ook werkelijk ingang te doen krijgen te midden van het drukke, maatschappelijke leven.
Onlangs werd er in een artikel van den heer Dommerhold te Gendringen in de »Amsterdammer« nog eens weer voor de zooveelste maal gewezen op de gruwelijk erge kindersterfte en op den grooten invloed, daarop uitgeoefend door melk, die door bacteriën is verontreinigd. Als een roep om hulp voor de armen en misdeelden, wien het niet is gegeven, de zooveel duurdere goede melk te krijgen, klonk de aanmaning, om de huldeblijkgelden van de koningin te bestemmen voor het vormen van instellingen voor het verschaffen van goede melk aan minderbedeelden. Er kan door een aseptische behandeling, door de directe afkoeling der melk na het melken, zeer veel worden gedaan, om hygiënisch goede melk te krijgen en daarmee wordt een belangrijke schrede gezet op den weg, die naar vermindering der kindersterfte leidt.
Groote belangen zijn in het algemeen met de menschelijke voeding gemoeid, maar voor het zeer jonge kind, dat in de lagere volksklasse al door zooveel onhygiënische invloeden wordt bedreigd, is de zorg voor de voeding wel in de eerste plaats van uitnemend belang. De eenige manier voor het verkrijgen van onberispelijke melk is dat zij op de plaats van oorsprong zoo min mogelijk wordt verontreinigd door bacteriën of door vuil. Men kan melk volkomen aseptisch behandelen, dat leeren de modelinrichtingen, die een voorbeeld geven, dat op groote schaal verdient te worden nagevolgd.
Wat de heeren J. W. F. Scheffer van huize »De Duno« en zijn zoon de heer F. Scheffer daar even ten westen van Arnhem in het leven hebben geroepen met hun modelboerderij »Het Huis Ter Aa« is belangwekkend, omdat het voor de eigenaars van landgoederen en voor onze industrie nieuwe uitzichten opent en daarbij tevens van groot gewicht kan worden voor de algemeene hygiëne. Als dezen zomer de duizenden weer zullen stroomen naar het mooie Oosterbeek, naar Wolfheze, naar Westerbouwing en naar al die heerlijke plekjes aan de heuvelachtige Rijnoevers, laten ze dan niet vergeten eens een kijkje te gaan nemen op het landgoed en de modelboerderij, waar men waarlijk belangstellenden zeker gaarne zal inlichten.
Verleden zomer waren de leden der Maatschappij voor Tuinbouw en Plantkunde, te Arnhem vergaderd, in de gelegenheid de mooie inrichting van het buitengoed te bewonderen en van de liefelijke omgeving te genieten, maar toen was de groote toovenares, de electriciteit, die daar haar schitterendste wonderen verricht, nog niet met haar werk gereed. Thans is de installatie klaar en in werking, en men kan nu een denkbeeld ervan krijgen, welke rol de machtige electriciteit er speelt als bron voor verlichting en als drijfkracht.
In het huis zelf drijft de motor een naaimachine en verschillende ventilatoren; er zijn op een zeer groot aantal plaatsen stopcontacten aangebracht voor het aansluiten van een electrischen stofzuiger; er zijn toestellen aanwezig voor strijken en koken; maar het meest wordt men getroffen door de prachtige verlichting. Prismatische ballons met gloeilampen op ijzeren masten met gebogen armen stralen over de wegen, sommige met drie lampen, en kunnen door een eenvoudige beweging in huis, in het wachthuisje voor den nacht, of in de centrale door den machinist worden aangestoken of uitgeschakeld.
De verlichting in het huis, in de verschillende gebouwen en woningen, geschiedt eveneens door gloeilampen. Voor de veiligheid zijn binnenshuis de leidingen overal in stalen buizen gelegd. Bij deuren en op verschillende hoeken van gebouwen en woningen zijn buitenlichten aangebracht, evenals inrichtingen, die het mogelijk maken, het licht in te schakelen, alvorens men binnentreedt. Van een belvédère kan een zoeklicht stralen over de bezittingen van den eigenaar, waartoe ook, zooals onzen lezers bekend is, de vervallen, maar in zijn verval nog interessante Doorwerth behoort.