Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 14

Chapter 143,796 wordsPublic domain

Over Djibouti aan de Roode Zee komen de tijdingen uit Abessynië naar de overige wereld, want naar andere zijden is de gemeenschap met het eigenaardige land nog uiterst gebrekkig. De spoorweg Djibouti-Harrar moet in veel voorzien!

OP DE GRENZEN VAN MONTENEGRO.

De rotsachtige inhammen aan de kusten van Dalmatië, de fjorden van het Zuiden, zijn gewoonlijk stil en verlaten; maar in de laatste maanden heerscht er druk en opgewekt leven. Men kan er alle talen en dialecten uit het groote Donaurijk te hooren krijgen. Allen, die daar zijn, dragen echter het kleed van den soldaat; allen zijn gewapend, gereed tot den krijg.

Dat moet wel, sedert October van het vorig jaar al is de spanning in Montenegro aan het groeien. Toen reeds bleven de buren van Oostenrijk uit de Zwarte Bergen, die anders Cattaro en de overige kuststeden van groente en gevogelte en andere levensmiddelen voorzien, plotseling weg van de markten. Alle Montenegrijnen, zelfs die in het verre Amerika woonden, spoedden zich naar het vaderland, dat al zijn zonen tot de tanden wapende. Oorlog! was de leus, en iederen dag verwachtte Oostenrijk een aanval met bestorming van Cattaro of Spizza, misschien wel met verovering van de Herzegowina.

In die omstandigheden moest de Donau-monarchie wel op haar hoede zijn, en pas was dan ook de eerste sneeuw gevallen, of uit alle deelen van Oostenrijk kwamen de treinen aanrollen met soldaten en kanonnen. Indien ze gedacht hebben, dadelijk aan het vechten te kunnen gaan, dan is dat anders afgeloopen tot nu toe; maar de dienst die de krijgers er wachtte, was daarom nog niet een gemakkelijke. Men kon het meer of minder goed treffen. Sommigen kwamen in Herzegowina of in Krivoscië tusschen de ruwe Karstrotsen; anderen bleven beneden aan de mooie, blauwe zee onder het gebladerte van laurieren en citroenen.

De eersten waren tusschen de eenzame, verlaten rotsen niet te best af. Met een luitenant voorop gaat het klauterend tegen de steile bergpaden op, die in lange serpentines de helling bestijgen naar den een of anderen eenzamen post. Achter hen twee muildieren, die het proviand voor de eerstvolgende dagen meevoeren. De ijzeren deur van het wachthuis knarst in haar hengsels, en de afgelosten gaan heen. De nieuwelingen zitten er nu voor volle twee maanden, kunnen over de grijze rotsen naar Montenegro kijken of, als de zon schijnt, naar het Westen, waar een smal blauw streepje de zee aanwijst.

Loodrecht vallen de wanden neer van de rotskloof bij Milica, vele honderden meters diep naar het smalle rijpad, dat naar Grahova voert, het montenegrijnsche kamp. Prins Mirko heeft er nu en dan een revue gehouden, maar met de geestdrift wil het niet te best. De winter is koud; ijzig blaast de bora over de met sneeuw bedekte hoogten, en een half kilo meel per dag en per man is weinig, zelfs voor den met weinig tevreden Montenegrijn.

»Jullie hebt het beter,« plegen de montenegrijnsche soldaten tot de Oostenrijkers en Hongaren te zeggen, »je hebt een half kilo vleesch per dag en nog bovendien thee en wijn en warme kleeding! We hebben hier wat tabak en eieren meegebracht; koopt ze van ons, want onze vrouwen en kinderen zijn thuis koud en hongerig!« Zoo spreken de brave, eerlijke zonen der Zwarte Bergen, die al zoo lang op de voorposten hebben gestaan en waarvan nu velen naar huis zijn gegaan, moe van het omhangen en verlangend naar het werk in hun dorpen.

»Vrijwilligers op!« had het in October geklonken, en van de toestroomenden waren de besten gekozen voor de corpsen langs de grenzen. Tot hun grijze velduniform behooren ook de lichte sandalen, de opanken, deel der nationale dracht, en de bergstok. Tusschen de grijze rotsen zijn ze haast niet te herkennen. Al maanden staan de oostenrijksch-hongaarsche en de montenegrijnsche soldaten daar nu zoo vaderlandslievend tegenover elkander; ze hebben elkaar leeren kennen en achten. Gelukkig, dat alles erop schijnt te wijzen, dat de vrede bewaard zal blijven. Als Servië naar de vertoogen der mogendheden luistert, blijft het ook in Montenegro rustig.

GELUKKIGE AMBITIE VAN DE KONINKLIJKE PAKETVAARTMAATSCHAPPIJ.

Als men nagaat, welke nieuwe stoomvaartdiensten de Paketvaartmaatschappij weer in het leven heeft geroepen, moet men haar prijzen om haar ijver, waardoor ze tracht, de afgelegen deelen van onzen archipel te betrekken in het verkeer, en dus hen in de mogelijkheid te stellen, den weg van den vooruitgang te betreden. Voor het eerste halfjaar van 1909 vertoont de kaart der stoomvaartdiensten de verbetering, dat er een lijn in het leven is geroepen van Serwaroe ten oosten van Timor naar Port Darwin in het Noorden van Australië of Nieuw-Holland, om dien ouderwetschen naam nog eens te gebruiken. Verder een van Dobo naar Thursday-Island, en langs de oostkust van Australië verder naar Townsville, Brisbane, Sydney en Melbourne. Nieuw zijn voorts de Singapore-Anambaslijn, die tot de Zuid-Natoena-eilanden loopt; de Singapore-Sambaslijn, waardoor nu drie lijnen van Singapore naar het noordwesten van Borneo komen te loopen; en de lijn van Soerabaja naar Balik Papan op de oostkust van Borneo.

Celebes heeft verscheidene nieuwe verbindingen gekregen, o. a. een van Palima naar Kolaka, dwars over de golf van Boni; een van Gorontalo met den Bangaai-archipel en verder oostwaarts naar de Soela-eilanden. In de Banda-Zee is Damar opgenomen in de lijn, die van Dobo komt; op de noordkust van Nieuw-Guinea is een lijn ingelegd van Manokwari naar de Mapia-eilanden, en de lijn Sorong-Manokwari doet thans ook Waigeoe aan. In de Geelvinckbaai is Windessi een der stations geworden aan de Noord-Nieuw-Guinea-lijn.

DE DENEN WEER NAAR HET NOORDEN.

Het was te verwachten, dat Denemarken de groote resultaten van de Denmark-expeditie, die echter ten deele door den dood van den leider Mylius Erichsen verloren gegaan zijn, niet in den steek zou laten, en nu worden er dan ook toebereidselen getroffen, om in den zomer van 1909 een nieuwe expeditie uit te zenden, die een poging zal wagen, om zoowel de lijken van Erichsen en zijn beide metgezellen alsook de wetenschappelijke resultaten, dagboeken, opnemingen, verzamelingen, kaarten, die aan den fjord achtergelaten moesten worden bij de poging, over het inlandsche ijs naar de oostkust van Groenland terug te keeren, te vinden en thuis te brengen. Een klein schip met een bemanning van slechts acht personen zal de oostkust van Groenland, zoo ver mogelijk naar het Noorden volgen, en na het weer verschijnen van de zon boven den horizon zullen dan op sledetochten de noodige nasporingen worden gedaan.

GEEN TERRITORIËN MEER IN DE VEREENIGDE STATEN.

Nu Arizona en Nieuw-Mexico tot staten zijn verheven, is het geheele continentale gebied der Vereenigde Staten ingedeeld in states. Het continentale gebied, want Hawaï heeft nog slechts de rechten van een territorium. En ja, dan is Aljaska ook nog niet onder de staten opgenomen, terwijl het district Columbia in het Oosten met de hoofdstad Washington natuurlijk zijn eigenaardige plaats behoudt.

OP DEN UITKIJK.

DE TELEGRAAF IN ATJEH.

Van Deli naar Atjeh te telegrafeeren gaat tegenwoordig nog door middel van den kabel tusschen Oleh-leh en Belawan-Deli, maar binnen afzienbaren tijd zal men over land van Deli naar Atjeh kunnen seinen, en reeds heeft van ambtswege een overlandtocht naar Koeta-Radja plaats gehad, om de mogelijkheid van den aanleg van zulk een lijn te onderzoeken. Werd dan tevens de bestaande kustkabel verder van de kust verwijderd, omdat de tegenwoordige ligging teveel storingen meebrengt, zoodat er een volledige ceintuurverbinding ontstond tusschen Deli, Sabang, Atjeh en Deli, waarin zeekabel en landlijn elkaar aanvulden, dan zou dat voor Noord-Sumatra een verbetering van beteekenis wezen. Zulke telegrafische ceintuurverbindingen voldoen ook elders goed, als bijvoorbeeld de lijnen Java-Bali-Makasser-Balikpapan-Bandjermasin-Java en Java-Lahat-Palembang-Banka-Biliton-Java. Wat Noord-Sumatra betreft, kan men van die landlijn nu al telegrafeeren tot Pangkalan Brandan, welke lijn dus over Langsar tot Koeta Radja zal moeten worden doorgetrokken, en wel eerst naar Kwala Simpang, de hoofdplaats van Tamiang, vandaar naar Langsar, het beginpunt van de Atjehtram, voorts langs de geheele Atjehtramlijn via Segli en Telok Seumaweh naar Koeta-Radja. Om technische redenen zou er in Langsar een telegraafkantoor moeten komen, terwijl de gouverneur van Atjeh van oordeel is, dat in 't belang der bevolking op de plaatsen Segli en Telok Seumaweh (op laatstgenoemde plaats is op 't oogenblik alleen een postkantoor gevestigd) post- en telegraafkantoren behooren te worden opgericht.

HET RIJSTMESJE DER MALEIERS.

De eigenaardige vorm van het rijstmesje, waarmee de Maleiers de rijsthalmen één voor één afsnijden, moet volgens een mededeeling in het Zeitschrift für Ethnologie zijn verklaring vinden in een oud gebruik, dat primitieve volken van schelpen hebben gemaakt. Zoo'n mesje bestaat uit een segmentvormig plankje, ter lengte van 5 à 6 en ter breedte van ongeveer 4 centimeter, waarin, aan den ronden kant, een ijzeren mesje ingelaten is. Dwars door het plankje loopt een stukje bamboe van 6 tot 8 centimeter lengte. De maaier houdt het mesje in de rechterhand, vat een rijsthalm met duim en wijsvinger aan, en drukt den halm met de middel- en ringvingers tegen het mesje. De aren--men snijdt halm voor halm--worden dus met dezelfde hand aangevat en gesneden, en wat gesneden is neemt de linkerhand in bewaring.

Nu is het opmerkelijk, dat wanneer voorwerpen van schelp, been of bamboe vervangen worden door gelijksoortige van andere, duurzamer grondstof, van metaal bijv., de eigenaardige oorspronkelijke vorm, die verband hield met de oorspronkelijke materie, dikwijls behouden blijft, al zou ook de nieuwe materie een veel eenvoudiger of doelmatiger vorm toelaten. Aan het werktuig, in 't algemeen aan het voorwerp, een nieuwen vorm geven, is weder een stap verder op den ontwikkelingsweg.

De bijzondere vorm van het mesje zou dan te verklaren zijn, doordat de platte schelp van weleer, die tot het snijden der halmen werd gebruikt en waar een dwars erdoor gestoken houvast van hout of bamboe in was bevestigd, vervangen was door het andere steviger materiaal, het hout en het ijzer, maar dat men de oude grondstof nog kan herkennen in den vorm van het tegenwoordige mesje.

Als bevestigende bijzonderheid vermeldt de schrijver, prof. Moszkowski, nog, dat tot de plechtigheden, die op Malakka aan den rijstoogst voorafgaan, ook behoort het bijeenbrengen van bepaalde voorwerpen, bladeren van planten, die tooverkracht heeten te bezitten, en dergelijke en dat tot de bedoelde voorwerpen ook een schelp behoort. Wat die schelp erbij beteekende, zou dan ook zijn opgehelderd als een hulde aan de grondstof, waar de rijstmesjes oorspronkelijk van werden gemaakt.

IN DE BUURT VAN DEN TRIGLAU.

Tusschen de beide armen, waaruit de Save of Sau ontstaat, ligt op de grenzen van Karinthië en Krain het bergland van den Triglau, den hoogsten rug in de Trentagroep van de Julische Alpen. Het is een kalkgebergte vol holen en spleten, waterarm en dor, maar met enkele gletschers. De omgeving is rijk aan interessant natuurschoon en wordt druk bezocht.

De diepe dalketel van de Wochein begrenst het Triglaubergland aan den zuidkant, en waar het dal het nauwst is, ligt het bekken van het Wocheinmeer, bewaakt door den imposanten top van den Triglau. Op den voorgrond naast een houten brug, waaronder het teveel van het meer zich een uitweg baant, staat de hooge, witte klokkentoren van het eenzaam gelegen kerkje van Sankt Johann am See. Daarachter glinstert de langgerekte spiegel van het meer, welks noordelijke oever steil neerdaalt, terwijl de zuidelijke langzaam rijst onder een dichte bedekking van bosch.

Na het verlaten van het Wocheindal doet men goed het Veldesmeer met het heilige eiland Maria im See te gaan zien en als men het kan treffen, er een bedevaart bij te wonen, krijgt men de bewoners van de streek in hun kleurrijke kleeding onder de oogen. Bij het Veldesmeer krijgt men niet den indruk van iets drukkends en ingeslotens, zooals bij het Wocheinmeer. Naar de noordzijde ziet men de kerk en de huizen van Veldes in het groen liggen, en de aangrenzende rij van hotels en villa's met bloemrijke tuinen en frissche grasperken.

Veldes krijgt als gezondheidsoord steeds meer naam, zoodat het nu niet enkel bezocht wordt om de nabijheid van de bedevaartplaats Maria im See.

De Würzener Save, die om den noordvoet van den Triglau stroomt heeft aan zijn noordelijken oever den Mittagskogel en het Faakermeer, een romantisch groepje, dat men met den spoortrein passeert, als men van Villach komt, gelegen aan den voet van den geweldigen Dobratsch met een der beroemdste uitzichtpunten in Karinthië. Ten oosten van de stad ligt het meer van Wörth, het grootste uit Karinthië, wel 17 kilometer lang, omringd door zachte hellingen, waar dichte, donkere boomen staan en waarop de groote uitschulpingen der Karawankenbergen neerzien. De kerk van Maria Wörth is zeer oud en thans een sieraad in het landschap, waarin ze effen wit tusschen het groen van een klein schiereilandje te voorschijn komt.

HONGERSNOOD IN TUNIS.

Het ziet er in Noord-Afrika in den laatsten tijd in dit voorjaar van 1909 dan al ver van gunstig uit met de vooruitzichten van den oogst. In de kolonie Algerië en in het protectoraat Tunis wordt de toestand langzamerhand zorgelijk.

Een der redenen van de reis van den heer Alapetite naar Parijs is de crisis in economisch opzicht, die men in Noord-Afrika doormaakt. Hij is daarvan komen vertellen aan de regeering en vroeg haar goedkeuring van de maatregelen, die moeten dienen, om de ellende van de inlandsche bevolking te lenigen.

De oogst van verleden jaar is slecht geweest, en daarbij voegde zich het gebrek aan regen in het begin van den winter. Er is een groote sterfte ingetreden onder de kudden, die geen weideland konden vinden. Sinds December heeft het in het Noorden veel geregend, maar het weer was koud, het gras groeide niet, en de dieren leden gebrek en kwamen van ontbering om. Daar in de kudden de eigenlijke rijkdom der stammen bestaat, is het verlies enorm, nu in het Noorden de helft en in het midden en Zuiden zelfs in de minst begunstigde streken vijf zesden der dieren zijn bezweken.

De bladen in Tunis verhalen van menschen, die men aan den weg dood of stervend aantreft, van honger omgekomen, en zeker is het, dat door de schaarschte en de duurte der levensmiddelen de algemeene sterfte sterk is toegenomen. Dat heeft men in de stad Tunis goed kunnen vaststellen, want sedert korten tijd is de burgerlijke stand er voor de inboorlingen ingesteld. Opmerkelijk is het, dat de dood veel heviger onder de Mohammedanen woedt dan onder de joden, die flink gesteunde liefdadigheidsgenootschappen hebben.

Er is een debat geweest over de vraag, of men het vleesch van de uitgemergelde dieren nog wel voor consumptie geschikt mocht verklaren. De regeering, die voor de verspreiding van ziekten vreesde, was geneigd, het gebruik te verbieden. Maar het comité voor tropische ziekten in Frankrijk heeft verklaard, dat al was de voedingswaarde niet groot, men het vleesch zonder gevaar kon nuttigen, en zoo is de consumptie geoorloofd verklaard.

Een paar maatregelen zijn genomen, om de bevolking in haar nood te gemoet te komen. Zoo moet erop worden gewezen, dat het verbod van visscherij aan de kust en dat van de inzameling van alfagras in het binnenland zijn ingetrokken. Het bestuur van openbare werken, heeft de opdracht gekregen, op de werven, waar men aan den arbeid is, ook inlanders op gemakkelijke voorwaarden werkzaam te stellen. Om in den onmiddellijken nood te voorzien, worden brooduitdeelingen op groote schaal geregeld gehouden en naarmate men uit het binnenland berichten omtrent den hongersnood van de kaïds ontvangt, wordt daarheen maïs en gerst gezonden. Er zijn reeds honderden duizendtallen van francs aldus uitgegeven, en het laat zich aanzien, dat er nog zeer veel noodig zullen wezen.

MOROTAÏ OF MORO.

Van dit noordelijke eiland der Molukkengroep is nog maar een klein deel bekend. Men weet thans iets af van het zuidelijk deel der westkust en een groot deel der oostkust; minder bekend zijn de noord- en zuidkusten en onbekend is het binnenland. Die binnenlanden moeten volgens den heer J. A. F. Schut, zendeling ter plaatse, rijk zijn aan bosschen, welker boomen gomkopal leveren, en de sagoboomen zijn er in overvloed aanwezig, terwijl de jacht op wilde varkens er groot succes zou kunnen hebben. Een land dus binnen onze grenspalen in Indië, dat, als het ware, roept om onze Nasamonianen, onze jonge, stoutmoedige ontdekkers, die erop uitgaan in de wildernis als de jongelingen, van wie Herodotus reeds verhaalt, die uit Noord-Afrika den Niger opspoorden. Ze zullen dan ook de zekerheid brengen, die ten aanzien van de zeekaart van het eiland tot nu toe ontbreekt.

AAN MENELIK'S HOF

Menelik's vroegere raadsman en vriend, de Duitscher Ilg, schijnt een landgenoot tot opvolger te hebben gekregen, want wij lezen in de bladen, dat de heer Zintgraff, die tolk was en tevens sedert eenigen tijd te Addis Abeba den Duitschen gezant vertegenwoordigde, als raadsman bij den keizer van Abessynië in dienst is genomen. Ook dr. Pinna, een Duitscher, moet op weg zijn naar het Afrikaansche Zwitserland, om er de keizerlijke prinsen in de moderne wetenschap te onderwijzen.

Over Menelik's gezondheid hoort men met zorg gewagen in de pers, en veel regeeringszaken zou hij aan de keizerin Taïtoe, die altijd reeds veel invloed had, overlaten. De vorsten hebben slechts twee dochters, en troonopvolger is de kleinzoon, wiens vader Ras Michael is. Die laatste, een der krachtigste rassen of hoofden, zou dan regent worden voor zijn zoon.

TOT DICHT BIJ DE ZUIDPOOL!

Geen naam heeft sedert de laatste week van Maart luider door de heele wereld geklonken dan die van den engelschen officier E. H. Shackleton. Hij heeft in zake de poolvaart een bijzonder knap stuk werk verricht, door in het Zuidpoolgebied ten zuiden van Nieuw Zeeland veel verder door te dringen dan nog aan iemand vóór hem was gelukt. Nieuwe landen en nieuwe zeeën heeft hij dus aan onze kennis der aarde toegevoegd, en de gansche wereld heeft, na van dat feit telegrafisch in kennis te zijn gesteld, hem hartelijk toegejuicht. Een nieuw gebergte, dat hij ontdekte, wenschte hij naar Engelands koningin het Alexandra-gebergte te noemen, en koning Eduard, die te Biarritz vertoefde, heeft in een telegram, dat in de engelsche bladen is gepubliceerd, den ontdekkingsreiziger de gevraagde machtiging verleend. Echt aartsvaderlijk, zou men zoo zeggen, moet het toegaan bij het echtpaar op den engelschen troon, als zijn machtiging voor zoo iets gevraagd en ontvangen moet worden, en er daarbij van de hare heelemaal geen sprake is.

Shackleton was in 1907 zijn tocht begonnen en is over Victorialand doorgedrongen tot op 178 kilometers van de Zuidpool. Dat hij zulke prachtige resultaten heeft bereikt, is best te begrijpen, nu hij het goede uitgangspunt schijnt te hebben getroffen, om over het zuidpoolvasteland met sleden en honden te vorderen. Een eerste stap in die richting was al in 1902 gedaan door den engelschen kapitein Scott, aan wiens expeditie toen luitenant Shackleton deelnam, zoodat hij nu ten tweeden male den voet zette op de onmetelijke ijsvelden, die vlak en effen zich vóór hem uitbreidden, tot den voet van hooge bergen aan den horizon.

Het had Scott indertijd aan vervoermiddelen ontbroken, om verder te kunnen gaan, aan honden, zoowel als aan sleden. Dezen keer kon Shackleton een aanval wagen met overvloed van beide, maar tevens met automobielsleden. Op zijn schip, de Nimrod, zette hij op 30 Juli 1907 koers naar het Zuiden en in het begin van 1908 was hij op Victorialand, in de haven, waar de Scott-expeditie had overwinterd van 1902 tot 1904.

Op 3 November, midden in den antarctischen zomer dus, ging de leider zuidwaarts met drie metgezellen en levensmiddelen voor negentig dagen op door poney's getrokken sleden. Drie en twintig dagen na het vertrek overschreden ze het punt, door Scott in 1902 bereikt. Verderop was de weg uiterst moeilijk, bergketenen en spletenrijke gletschers versperden den weg bij een kou van soms 40 graden onder nul. De voorraad slonk en de dagporties moesten worden verminderd, maar de onderzoekers hielden moed; eerst op 88 graden, 23 minuten Z.B. en 162 graden O.L. gaven ze het op, nog maar 178 kilometers van de Zuidpool verwijderd. Er is nog nooit een zoo groote triomf in de poolwereld behaald, en het moet een indrukwekkend oogenblik zijn geweest, toen op den 1sten Maart j.l. de mannen zich bij de anderen in het winterkwartier voegden, teruggekeerd van den bezwaarlijken tocht. Vier maanden had hun gletscherreis geduurd.

Nog een succes kan de expeditie boeken, want een afdeeling van het gezelschap heeft naar het Noordwesten een merkwaardigen tocht volbracht door het bereiken van de magnetische zuidpool op 72 graden, 25 minuten Z.B. en 154 graden O. L. Aan mandsjoerijsche poney's moet men op de reis veel hebben gehad, vooral op den gletscher, waar de autosleden het niet zoo goed konden bolwerken.

Toen de Nimrod in Nieuw Zeeland terug was, kon eerst van het heugelijke nieuws iets in de beschaafde wereld bekend worden. De Mac Murdobaai aan den voet van den Erebus is de overwinteringsplaats geweest, waar de Nimrod de ontdekkers verliet, en van waar het schip hen weer heeft afgehaald. De drie, die den luitenant vergezelden op den verren tocht naar het Zuiden, waren de kartograaf Marshall, de geoloog-meteoroloog Adams en Wild. Kritieke oogenblikken zijn door hen allen doorleefd. Eere aan de moedige pioniers!

HULP BIJ NATUURSTUDIE.

Men zendt ons een paar deeltjes van een uitgave, die van den »Keplerbund« uitgaat, de vereeniging, die zich verspreiding van natuurkundige kennis ten doel stelt. Het zijn deeltjes van een serie »Naturstudien für Jedermann«. Het eerste behandelt »Stoff und Kraft«, het tweede draagt tot titel »Die Zelle ein Wunderwerk«. Beide zijn door geleerden van naam geschreven, het eerste door Prof. Dr. P. Gruner, het andere door Prof. Dr. E. Dennert. Bij de lectuur blijkt het, dat de samenstelling van deze populaire boekjes in de rechte handen was, want ze zijn bijzonder helder en duidelijk geschreven, en behandelen de moeilijke onderwerpen op de meest aantrekkelijke manier, zoodat de werkjes werkelijk tot verheldering der denkbeelden in ruime kringen kunnen bijdragen.

MINDER TROPISCHE ZIEKTEN.

Professor Boyce van Liverpool hield onlangs te Manchester een rede, waaruit treffend blijkt, hoe groot de verbetering is, die de nieuwe onderzoekingen en de daaruit voortgevloeide maatregelen in den gezondheidstoestand in de tropen hebben gebracht. Onder de troepen aan de Westkust van Afrika is het sterftecijfer met 75 pct. verminderd; in de vlakte van Marathon, een broeinest van malaria, bestonden de ziektegevallen in 1906 voor 9/10 uit malaria; in 1907 voor 47 pct.; te Ismalia kwamen in 1902 nog 1550 malaria-gevallen voor op 8000 inwoners. In de volgende jaren daalde dit cijfer achtereenvolgens tot 214, 90 en 37. Ook bij de epidemieën van gele koorts is het sterftecijfer letterlijk gedecimeerd.

OP DEN UITKIJK.

EEN VORSTENHUWELIJK OP JAVA.

Het was een aangename ontmoeting in de week van den 6den Maart in het bijblad van de Tour du Monde een beschrijving te lezen van de bruiloft in de vorstenfamilie van Djokjakarta en wel van de hand van een Franschman, die blijkbaar aan het fransche consulaat aldaar verbonden, de plechtigheid in het paleis had bijgewoond. Die belangstelling van een buitenlandsch tijdschrift voor onze koloniën aanvaarden we dankbaar, want de getuigenissen over Nederlandsch-Indië zijn lang niet talrijk genoeg, de interessantheid van het land in aanmerking genomen.