Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 13
Duidelijk is er overal naar gestreefd, om aan de oudheid van het huis recht te doen weervaren; hier is een eerbiedige hand aan het werk geweest. Hoe prachtig zijn die schouwen gerestaureerd, hoe pieus zijn de wapens der oude geslachten, waar ze herstelling behoefden, onder handen genomen en op een eereplaats gehangen, hoe trouw is betimmering en kleur in harmonie gehouden met het oude karakter! In modernen vorm doet alles aan, als volkomen passend bij wat er van het oude over is. Een delftsch tegeltableau achter de schoone schouw der eetzaal stelt de geboortehuizen voor van den eigenaar en zijn vrouw, die beide te Amsterdam het levenslicht zagen. Die schoorsteen is van dezen tijd, nagemaakt antiek, wondermooi werk van de haagsche firma Mutters, terwijl in een ander vertrek het witsel, dat de oude bekleeding van een schouw bedekte, met zorg is verwijderd, zoodat het heerlijke beeldhouwwerk weer in al zijn fijnheid van uitvoering voor den dag komt.
Het blijkt hier, dat het gemakkelijke en comfortabele van onze moderne meubels, als men ze maar met smaak kiest, zich uitstekend aansluiten bij een huis van ouden stijl, en zoo is inderdaad de hoofdindruk van dit bezoek de mooie harmonie van het oude en het nieuwe. Vooral treft die, als men let op de vele nieuwere inrichtingen, die de heer Van den Honert heeft laten aanbrengen. Hij heeft bij den ingang een nieuwe steenen brug laten bouwen over de gracht ter vervanging van het houten brugje, waarvan reeds Craandijk in 1875 zei, dat op die plek »een nietig brugje het geheel ontsierde«. Tot de brug geeft een prachtig hoog ijzeren hek toegang, een van de schatten uit den voorraad van een parijsch antiquaar.
Maar van de moderne instellingen trekt vooral de modelboerderij de aandacht, waaraan die van Oud-Bussum tot voorbeeld heeft gestrekt. Volkomen hygiënisch en dus met de uiterste zindelijkheid, zijn de stallen ingericht; de behandeling van de koeien en die van de herhaaldelijk gefiltreerde en daarna snel afgekoelde en machinaal in flesschen gebrachte melk waarborgt de algeheele zuiverheid, en die op het landgoed gebruikte en verder tot boter verwerkte melk is een waardige pendant van het gezuiverde water.
Er is namelijk een ontijzeringsinrichting, die noodig was, omdat het overigens goede water in den bodem te veel ijzer bevat. De electrische installatie van het goed maakt het mogelijk, het water omhoog te voeren in een kleinen toren, waar het in fijne verdeeling van boven neervalt en door oxydatie van het ijzer wordt ontdaan, om daarna op en door een bedding van cokes vloeiend, een nog verdere zuivering te ondergaan. Zoo rein en helder vangt het weldoend vocht dan in leidingsbuizen zijn wandeling aan door de verschillende gebouwen van het landgoed, door de vele nieuw gebouwde woningen van het personeel, door de stallen, de vertrekken der woning, de kelders, die in bewoonbare ruimten zijn herschapen, de kassen en waar niet al meer.
Het voedt in de nieuwe kelderruimte onder het terras den voorraad, die uit de stooktoestel voor de centrale verwarming het gansche huis van een aangename warmte voorziet; het plast neer in het bekken, waar mevrouw Van den Honert in de donkere kamer haar photografieplaten wascht, het stroomt uit de warm- en koudwaterkranen boven het bad voor het personeel, het vult een bassin in de warme plantenkas, waar men dus voor de flora-kinderen altijd water op temperatuur heeft, en eindelijk voedt het de stoommachine in het machinehuis, die de electriciteit opwekt.
Wagenhuis en paardestal zijn in overeenstemming met de nieuwste eischen, die een kieskeurig eigenaar kan stellen, en de mooie paarden worden er met liefde verzorgd, al bevat de nieuw-bijgebouwde garage twee auto's, die hen overbodig schijnen te maken. Maar als overbodig worden ze daar in het geheel niet beschouwd, dat merkte het mooie zwartje, waarvan de bezitter met trots vertelde, dat het, nog geen drie jaar oud en in zijn tijd geboren was.
Ook in de modern ingerichte vertrekken bemerkt men den ouderdom van het huis aan de diep inspringende vensters en de verbazend dikke muren. Die zijn voor de buitenmuren een meter dik en enkele binnenmuren zijn niet veel minder soliede. Sterk krijgt men daarvan en van de oudheid een indruk in de kelders met hun verwulften en bogen, hun oude blauwgeverfde deuren als middeleeuwsche toegangen en hun breede, lage gangen. Van die ruimten heeft de eigenaar een veelvuldig gebruik gemaakt. Daar zijn de keukens, daar wordt de wasch in een paar vertrekken behandeld, daar is Mevrouw met haar photografie bezig, daar zijn bergruimten en daar is nog een opening in den dikken muur met het vizier voor het kanon, dat van hier uit den vijand bestookte. Aan licht behoeft nooit gebrek te wezen in de onderaardsche gewelven, waar ook overvloedig frissche lucht kan komen, want op ieder plekje, waar het maar even noodig zou kunnen zijn, heeft men maar op een knop te drukken, en het electrisch licht straalt helder in het rond.
A propos van dien vijand, mag wel verteld, dat hier de historische plek is, waar de langdurige strijd is gevoerd tusschen die van Zutfen en die van Deventer over de overbrugging van de Berkel. De Spitholderbrug op vijf minuten afstands van het huis was het punt van het ergste geschil. Het is een ophaalbrug met hooge, witte wip. De Zutfenschen, zich grondend op oude voorrechten, wilden geen bruggen over de Berkel toelaten en herhaaldelijk trokken gewapende mannen onder aanvoering van leden der stadsregeering naar Almen en braken de brug af. Dan herstelde Deventer de brug weer, zooals in 1704 gebeurde, waarna Zutfen ze weer afbrak, een spelletje, dat zich in het volgend jaar herhaalde. Trouwens, dat het vaak meer dan spel was, bleek, toen een der boeren van de Ehze bij zulk een schermutseling werd gedood.
Het twistpunt werd niet eerder dan 1712 uit den weg geruimd; toen werd de brug bij Spitholt herbouwd, de groote Hessenweg van Duitschland naar Amsterdam, die een tijdlang gesloten was geweest, werd weer geopend en alles werd weer pais en vree. De heeren der betrokken steden en gewesten waren indertijd te paard of per chais of koets naar Gorssel komen rijden en hadden daar ten huize van den predikant geconfereerd.
Hoe vreedzaam staat daar onze tijd tegenover, nu de bedrijvigheid zich richt op het winnen van wat bruikbaar is en mooi, nu in den moestuin, die ook gemodernizeerd is met gecementeerde muren en ijzeren latjes achter de leiboomen, de groenten voor de talrijke huishoudingen, op het goed wonend, worden gekweekt, nu de kassen vol zijn met de heerlijkste primula chinensis en cyclamen en begonia's, met calla's en anthuriums, met varens en orchideeën, die ieder haar eigen verzorging eischen! Hoe wonderheerlijk zal het er zijn, als in den vollen zomer het aardig aangelegde Rosarium prijkt met zijn groepen van La France's, Caroline Testout en Frau Karl Druschki!
ONZE ALPENVEREENIGING.
Van de activiteit der Nederlandsche Alpenvereeniging gaf de jaarvergadering, die onlangs te Amsterdam werd gehouden, een gunstig getuigenis. Er is veel belangstelling en het ledental neemt flink toe, ook bij de verhoogde jaarlijksche bijdrage van gewone leden, die nu tien gulden bedraagt.
Als clubgebied voor den aanstaanden zomer werd aangewezen Zermatt en omstreken, waar de leden van de vereeniging kunnen samenkomen om gezamenlijk tochten in het hooggebergte te ondernemen.
Op voorstel van het bestuur werd besloten een gedenkplaat aan te brengen in de rotsen bij den Col de Géant ter nagedachtenis van mr. Sillem, die aldaar in 1907 op noodlottige wijze is verongelukt.
Een warm woordje tot opwekking tot de beoefening der Alpensport heeft de secretaris, de heer P. C. Visser, in de Nieuwe Rotterdamsche Courant tot het publiek gericht. Hij wees er daarin op, hoe de vele afschrikkende verhalen van ongelukken met doodelijken afloop een verkeerd idee geven van de gevaarlijkheid dezer sport. Zij is inderdaad niet gevaarlijker dan andere takken van sport en met sprekende cijfers toont de schrijver dat aan, cijfers, die hij ontleent aan de bekende Mittheilungen des deutschen und oesterreichischen Alpenvereins.
Van de ongelukken in de Hoogalpen, die in 1908 een aantal van 72 bedroegen, komen er 42 op rekening van hen, die de tochten zonder gids ondernamen, 15 die niet alleen zonder gids, maar ook zonder tochtgenooten er op uit trokken, terwijl de overige 14 zich bevonden onder geleide van gidsen.
Wanneer men de oorzaken der ongelukken nagaat, dan komt men tot de volgende conclusie: dat 40 personen den dood vonden in de rotsen, 8 personen op sneeuw of ijs, 15 tengevolge van steenslag, 8 tengevolge van het weer (d. i. door sneeuwstorm, onweer e.d.g.).
Meer dan de helft zijn dus omgekomen bij z.g. klautertoeren in de rotsen, iets dat niet te verwonderen is, daar er veel meer tochten ondernomen worden op z.g. rotsbergen, dan over gletschers. De ongeoefende en lichtzinnige bergbestijger, die er zonder gids op uittrekt, toont een heimelijken angst voor de uitgestrekte ijsvelden met hun vele, vaak onzichtbare kloven en voelt zich meer aangetrokken tot de rotswanden met hun schijnbare degelijke steunpunten voor handen en voeten.
De ongelukken in het middelgebergte (Vogezen, Sächs-Schweiz e.a.) nemen geregeld toe, wat een gevolg is van het feit, dat tegenwoordig als het ware ieder rotspuntje als oefenterrein gebruikt wordt.
1908 is voor den bergbestijger al bijzonder ongunstig geweest, voornamelijk door het zeer slechte weer van dezen zomer. Verscheidene ongevallen zijn b.v. een gevolg van de omstandigheid, dat de rotsen veelal met een ijslaag waren overdekt.
De zoo juist genoemde cijfers hebben evenwel niet de minste waarde, wanneer men ze niet beschouwt in verband met het aantal tochten dat er in de Alpen wordt ondernomen. Dit met juistheid te noemen is vrijwel onmogelijk, maar toch heeft men dit getal bij benadering kunnen vaststellen door middel van de boeken, welke in iedere Alpenhut aanwezig zijn en waarin het grootste gedeelte der toeristen hun naam schrijven, met bijvoeging van de door hen ondernomen bestijging. In het jaar 1901 bedroeg dit cijfer voor de Duitsche en Oostenrijksche Alpen 78.000, voor de Zwitsersche en Fransche Alpen 20.000, te zamen 100.000. Wanneer men nu nagaat welk een uitbreiding het ski-loopen heeft ondergaan en bovendien rekening houdt met het feit, dat het aantal bergbestijgers de laatste jaren schrikbarend is toegenomen, dan is het ongelukkenpercentage buitengewoon klein, zelfs kleiner dan bij het voetbalspel, roeien, zwemmen enz. Ten slotte vergete men niet, dat de meeste ongelukken vermeden hadden kunnen worden, wanneer de regels waren opgevolgd, die ieder bergbestijger moest kennen.
HERBOUW VAN DE ABDIJ VAN EGMOND.
Te Egmond-Binnen is opgericht de Sint-Adelbertstichting, die zich ten doel stelt, de oude abdij van Egmond te doen herrijzen in haar vollen luister. Nederlandsche priesters en monniken van den H. Benedictus zouden erin wonen, om aan de nieuwe nederzetting een echt nederlandsch karakter te geven, en men wil trachten, in en door de abdij kunst en wetenschap te beoefenen en te bevorderen, zooals de kloosterlingen in de Middeleeuwen deden.
Tot de mogelijkheid van den herbouw droegen bij de Fransche Benedictijnen, die in ons land gastvrijheid genieten en in Oosterhout een klooster hebben gesticht, naast vele aanzienlijke nederlandsche Katholieken. Ook Protestanten moeten stellig veel kunnen gevoelen voor het plan, om op dezelfde plek in de onmiddellijke nabijheid van het tegenwoordig kerkje te Egmond-Binnen, waar de beroemde Abdij van Egmond stond, de abdij te herbouwen, waaraan voor onze geschiedenis en beschaving zooveel herinneringen zijn verbonden.
Door de bemiddeling van den vroegeren eigenaar van den grond, waar de abdij verrees, den nu reeds overleden heer B. J. M. de Bont, zijn er reeds opgravingen gedaan, waardoor men tot de juiste kennis van de grondslagen der stichting is gekomen en tevens gebeenten heeft opgedolven van in de abdij vroeger begravenen. Eer tot den bouw op de oude grondslagen wordt overgegaan, zal men stelselmatig het uitgraven van de terreinen voortzetten.
VERSCHILLEND POSTVERVOER.
Een postautomobiel in Frankrijks hoofdstad is een alledaagsche verschijning, zooals ze het ook al is in kleinere steden. Hoe bruikbaar is dat snelle vervoermiddel gebleken voor al, wat aan de post wordt toevertrouwd, brieven en briefkaarten, mooie en leelijke prenten, circulaires, prijscouranten, reclame-aanbevelingen, geboorteberichten, huwelijks- en verlovingsaankondigingen, doodstijdingen, bestellingen en nieuwtjes, voor dat alles een snel, een vliegend vervoermiddel, hoe kan het beter!
Puffend en blazend stormt het glanzige vehikel door het stof en vuil der minder bedeelde parijsche straten, over het glimmend asfalt van boulevards en avenues, beeld van het moderne leven, bewijs, dat ook de staat een uitnemend gebruik maakt van de nieuwere uitvindingen en ontdekkingen. De talrijke bussen, postbussen namelijk, uit de voorsteden, ze worden in de postauto gelost, en haast je, rep je, gaat het naar de stations; van de courantenbureaux komen de bestellingen aangereden juist op tijd, dat de auto's ze nog kunnen meevoeren naar de plek, van waar ze hun nationale en internationale reizen zullen aanvangen, en in de gejaagdheid van zijn snel bedrijf behoudt de chauffeur zijn kalmte, ook al moet hij soms de uiterste kracht van zijn motor vergen.
Hoe anders de bedachtzame langzaamheid van dat andere vervoermiddel der post, waarvan de tweede afbeelding getuigt. Daar zit een marokkaansche postbode op zijn kameel en heeft een langen, langen tocht door de woestijn af te leggen, om naar de afgelegen oase 't nieuws te brengen uit de gansche wereld. Deze berekent zijn tijd niet naar minuten en seconden, maar naar dagen. Hij en zijn trouw rijdier, de geduldige kameel, volbrengen den grooten tocht in rustige kalmte door den zonnebrand en den heeten middag, zoowel als door de koelte van den bedauwden morgen. Mogelijk treft hen beiden een enkele maal de pracht van den zonsondergang in het kleurenrijke bed, dat de woestijnhorizon voor het oog van den dag spreidt, maar veelal heeft de man het dan te druk met het spreiden van zijn nachtleger en het koken van zijn sober avondmaal, en met de zorg voor zijn vermoeid dier. Treft het, dat hij in een doear kan overnachten, zooals op veel routen van de post mogelijk is, dan hebben ruiter en ros het beter dan wanneer ze op den stralenden sterrenhemel van de woestijn zijn aangewezen. Daar in de eenzaamheid van zand en rotsen, is het geladen geweer de volstrekt noodige reisgezel, want in het achterland van Marokko mogen de wilde dieren schaarsch zijn, de menschelijke roovers behooren er nog niet tot de zeldzaamheden.
PAARD EN AUTO.
»Acht jaar geleden«, zoo vertelt Dr. J. Hundhausen in de te Frankfort aan de Main verschijnende »Umschau«, »vertelde mij een chauffeur, die mij door Parijs reed, dat er in de stad al bijna zeshonderd auto's in gebruik waren, en ik was er verbaasd van. Toentertijd was Parijs de eerste en haast de eenige stad voor automobielen. Sedert is de automobielindustrie op verbazende manier toegenomen, en zij moet nog enorm stijgen in het belang van ons allen. Want sedert ik het bestuur van een landgoed heb op mij genomen, zie ik eerst, hoeveel grond aan de opbrengst van menschelijk voedsel wordt onttrokken door de voeding van onze huisdieren.
Men moet zelf de havervelden hebben in orde gemaakt, die noodig zijn voor het onderhoud van de paarden, die het landbouwwerk doen, moet de klavervelden en de weiden hebben laten bewerken, en dan daarmee vergelijken, hoe klein de stukken zijn, die men voor de vruchten ter voeding van den mensch noodig heeft, om zich ervan bewust te worden, dat de afschaffing, de vervanging van de trekdieren door auto's de winst zou meebrengen van zeer groote stukken land voor menschelijke voeding.
De mensch kan niet van benzine leven, maar benzine kan hetzelfde doen als een paard en de mensch kan wel van het voedsel van het paard of van den grond, waar het op verbouwd wordt, leven. De paardemachine moet voortdurend worden gestookt, ook als ze niet werkt; de auto alleen onder den arbeid.
Merkwaardig is het, dat bij de toeneming van het automobielverkeer de paarden niet in prijs dalen, terwijl ze daarentegen in stijgende mate worden geteeld. Paardetrams worden in electrische veranderd; aanzienlijken schaffen paarden af en nemen auto's, maar de paardenteelt schijnt er niet onder te lijden. Amerika koopt jaarlijks in Oldenburg meer dan duizend hengsten. Dat moet volgens de paardenkoopers verklaard worden uit het toenemend gebruik van paarden door groentehandelaars, slagers, fruitverkoopers en andere neringdoenden en door de sterke vermeerdering der cavalerie. Een noodzakelijk huisdier deelt buitendien in de toeneming van het menschelijk geslacht.
Ergo, neemt ook het voeder voor de paarden steeds meer ruimte in. Wij zoeken naar nieuwe terreinen voor den landbouw, trachten de opbrengst van het akkerland te vermeerderen, maar laten tegelijk een derde of een vierde van de beschikbare ruimte aan de dieren over. Dat is niet bij te houden. En daarom moeten de mechanische vervoermiddelen het levende dier in toenemende mate vervangen; dat moet overal en altijd het streven wezen.«
TAALGRENZEN.
De politieke grens tusschen twee landen vormt in den regel geen scherpe grens, wat de taal betreft. Aan beide zijden wordt gewoonlijk het verkeer levendig onderhouden, wanneer ten minste geen pijnlijke politieke verschillen dat belemmeren. De omstandigheden, waaronder de douane werkt zijn meestal zoo geregeld, dat er weinig hinder door ontstaat en dat de grensbewoners kleine hoeveelheden vrij kunnen wisselen. Brusse heeft er ons in zijn smokkelcauserie ook op gewezen voor Twenthe.
Veelal beheerscht de grensbewoner beide talen of ten minste kent hij de noodigste woorden van de taal der buren en kan zich dus verstaanbaar maken, te meer daar de ander hem halfweg tegemoet komt.
Er zijn intusschen enkele plaatsen, waar taalgrens en politieke grens opvallend scherp samenvallen. In Pontebba op de grens tusschen Oostenrijk en Italië, in Karinthië, kan men dit duidelijk waarnemen. Het oostenrijksche gedeelte van de plaats heet Pontafel en wordt door het riviertje, de Pontebbana van het italiaansche gedeelte, dat Pontebba heet, gescheiden.
Een brugje over dat grensriviertje voert van Karinthië naar Boven-Italië. De plaats heeft twee stations, die zoo dicht bij elkander liggen, dat de trein op den weg van het eene naar het andere nauwelijks goed in beweging komt. Maar aan de stations moet men vaak lang wachten, want het zijn belangrijke grensstations op de route van en naar Italië.
Pontafel is geheel Duitsch; de uithangborden voor de herbergen kunnen het u al leeren, en de menschen praten een echt duitsch dialect. En loopt men nu over de brug der Pontebbana en is den douanebeambte voorbij, dan bevindt men zich geheel in Italië; er is niets duitsch meer. Naast de brug staat trouwens al een mooie »albergo«, waar ge, om er welkom te wezen, niet alleen wat geld in uw beurs moet hebben, maar waar ge ook een weinig Italiaansch moet kunnen keuvelen, want de menschen verstaan er geen andere taal.
NOORD-ATLANTISCHE OCEAAN.
Op het negende internationale congres van aardrijkskundigen, dat verleden jaar te Genève is gehouden, hield Dr. Schott uit Hamburg samen met Dr. Petterson uit Stockholm een betoog voor de dringende noodzakelijkheid, spoedig met een onderzoek van den Noord-Atlantischen Oceaan een begin te maken. Alle nieuwere diepzee-expedities hebben zich van Europa uit naar het Zuiden gewend, en zoo komt het, dat wij nog zoo weinig onderzoekingen hebben gedaan aangaande het gedeelte van den Atlantischen Oceaan, dat het dichtst bij is gelegen. Op de breedte van 40 tot 50 graden hebben enkel de kabelleggingen licht verspreid over het bodemreliëf.
Er ontbreken nog geheel nauwkeurige opgaven omtrent de grootte en de regelmatigheid van de wisselingen in kracht en warmte der atlantische stroomingen in het genoemde gebied, die toch voor onze klimaatstoestanden van zoo groot gewicht zijn. Daarmee in verband, moesten de hoogere luchtlagen worden onderzocht, die deelen der atmosfeer, die in de trekwegen van de groote, naar Europa op weg zijnde barometrische minima liggen en allerlei ophelderingen beloven.
Sedert het vinden van de jeugdstadia van den aal ten westen van Ierland in diepten van tot duizend meter heeft getoond, hoe ver nuttige visschen onder bepaalde omstandigheden hun verbreidingsgebied zeewaarts uitstrekken, zou een onderzoek van die omstandigheden en van het als oervoedsel de verspreiding der zeevisschen beheerschende plankton van wezenlijk belang zijn.
Bovendien behoort ook bij het internationale zee-onderzoek, dat sinds 1902 bestaat en zich met de noordeuropeesche zeeën bezighoudt, die toch slechts zijzeeën zijn van den Noord-Atlantischen Oceaan en dus in allerlei opzichten van die zee afhankelijk zijn, de studie, waar beide redenaars voor in de bres sprongen. Zij wezen op het Congres de voor het doel meest geschikte deelen aan van den Oceaan, deden voorstellen omtrent methode en organisatie, noemden coöperatie der mogendheden daarvoor noodig en zagen hun voorstellen door een resolutie van het Congres te Genève aangenomen en dringend aanbevolen in de algemeene belangstelling.
KOLONISATIE VAN EUROPEANEN.
In de Deutsche Kolonialzeitung behandelen Dr. Arning en Ernst Vohsen in tegengestelden zin het belang van europeesche kolonisatie der duitsche koloniën. De eerste brengt de licht-, de tweede de schaduwzijden naar voren. Beide hebben materiaal ter verdediging van hun wederzijdsch standpunt in brieven van kolonisten, die meer of minder optimistisch zijn. Een argument, dat Vohsen bezigt, om de kolonisten thuis te houden, is, dat de Duitschers, die over landverhuizing denken, wel een geschikter plek kunnen kiezen dan de verre koloniën in Afrika.
In de laatste jaren is de landverhuizing in Duitschland sterk verminderd en is op het oogenblik bepaald onbeduidend. Bij het landbouwbedrijf gaan tegenwoordig volgens den schrijver in veel jaren van goede oogsten millioenen en millioenen verloren door gebrek aan arbeidskrachten. Daarbij wordt Duitschland in bedenkelijk stijgende mate toevluchtsland voor slavische en latijnsche landverhuizers. Er zijn in het land dus bevolkingsproblemen op te lossen, die eerder om oplossing roepen dan het koloniseeren in de koloniën.
Bovendien moeten ook de vurigste vrienden van Europeanen-kolonisatie in tropische streken toegeven, dat daar groote bezwaren aan verbonden zijn, dat het voor vestiging in aanmerking komende land niet uitgebreid is, en dat Duitschland daarentegen in de koloniën een inlandsche bevolking heeft, die in staat en bereid is, onder zijne bescherming en leiding te werken en dus de schatten te ontginnen, die daar wachten. Dit alles samengenomen, meent de schrijver, dat het verstandiger zal zijn en uit economisch oogpunt beter, het zwaartepunt in de ontwikkeling der koloniën van Duitschland te leggen bij de inlandsche bevolking en niet teveel hoop te bouwen op de vestiging van duitsche kolonisten.
ONRUST IN ABESSYNIË.
Telkens gewagen de bladen van onrust in Abessynië en de woelingen schijnen verband te houden met een minder gunstigen gezondheidstoestand van den keizer, negus Menelik. Hij moet sterk achteruitgaan en de vraag omtrent de opvolging houdt de stamhoofden, de Rassen, in niet geringe mate bezig. Ze zijn te Debra Libanos reeds samengekomen ter beraadslaging, ieder met een gewapend geleide. De artillerie van den negus moet ook al eenige malen slaags geweest zijn met de troepen van die rijksgrooten, van wie Ras Wolli, een broer van de keizerin, en Ras Michael, de vader van den vermoedelijken troonopvolger, slaags zijn geweest dichtbij Ankober.