Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 12

Chapter 123,905 wordsPublic domain

De bevolking is wendisch, behoort tot de slavische elementen in het Pruisenland en heeft nog veel aparts en eigenaardigs, vooral ook in haar kleederdrachten. De menschen zijn er in ontwikkeling achtergebleven bij de plattelandsbevolking van andere deelen van Pruisen, en zoo is het volstrekt niet onmogelijk, dat wat de postbode aan wereldnieuws brengt, in West-Groenland door beter begrijpende ooren wordt opgevangen dan in het Spreewald.

VOLKEN VAN SUMATRA.

De wetenschappelijke belangstelling in ons Indië is groot in deze dagen en allerlei deelen van den Archipel treden daarbij naar voren. Men weet haast niet, waar en waarvoor de ijver grooter is, voor Nieuw-Guinea of voor Celebes, voor Sumatra of voor Borneo, en de Selenka-expeditie van Trinil op Java is lang niet het eenige voorbeeld van ijver, door vreemdelingen betoond, om open vragen in onze koloniën op te lossen of liever in te vullen met een passend antwoord.

Wat de volkenkunde aangaat, is Sumatra al een zeer bont complex, een Oostenrijk-Hongarije in het Oosten. Van de oorspronkelijke bewoners zijn er daar nog stammen en volken bewaard gebleven, die de wetenschap voor problemen stellen, ongeveer zooals ook het geval is op Malakka en Ceylon, Celebes en Borneo. De bazelsche heeren Sarasin, Dr. Paul en Dr. Fritz, hebben veel studie gemaakt van die oervolken en naast hen moeten in den laatsten tijd genoemd worden Dr. Wilhelm Volz uit Breslau en Dr. B. Hagen, een Duitscher, die in 1905 een reis naar Sumatra deed, om voor het ethnografisch museum in Frankfort a. M. materiaal te verzamelen.

Van Dr. Volz is in Globus van Januari een studie over de bewoners der door hem bereisde landstreken op Sumatra verschenen. Hij beproeft een indeeling der verschillende volksgroepen, behandelt hun vermoedelijke afkomst en geeft van elk der groepen de typische kenmerken op, als daar zijn de afzondering der als overblijfsels eener oerbevolking voortlevende Koeboes; de van Hindoeschen invloed getuigende cultuur der Bataks, hunne sociale inrichtingen, het kannibalisme, melanesisch van oorsprong, hun huisbouw, en zoo voort.

In een interessante monografie van Dr. B. Hagen, »Die Orang Kubu auf Sumatra,« in 't begin van dit jaar verschenen, wordt een overzicht gegeven van de litteratuur over het volk der Koeboes; zij begint in 1827, toen J. E. de Sturler, de ontdekker der Koeboes, over hen schreef in de Bataviasche Courant; na dien tijd zijn zij herhaaldelijk bezocht en beschreven.

Men zoeke de Koeboes in het tot Palembang behoorende deel van de alluviale vlakte, die ten noorden door de Batang Hari, in het zuiden door de Moesi begrensd wordt. Toen Hagen de Koeboes van Moeara Bahar bezocht, waren de »wilde« Koeboes van de Ridan-rivier in het Rawasgebied nog niet ontdekt; het was de controleur G. J. van Dongen, die in het begin van 1906 voor het eerst met deze meest oorspronkelijke en in volkomen afzondering levende Koeboes kennis maakte. Vóór 1830 waren alle Koeboes nomaden; toen is het proces der nederzetting begonnen; de troep die Hagen te Moeara Bahar te zien kreeg, had zich eerst kort geleden daar gevestigd en had nog veel van de primitieve eigenschappen behouden.

Er leeft dus op Sumatra nog geheel in den oer-toestand een deel van de oer-bevolking, die zich, in het oer-woud bijna hermetisch opgesloten, heeft kunnen vrijhouden van vreemden invloed. Tusschen Djambi en Palembang leiden deze zoogenaamde wilde Koeboes een nomadisch leven, ter plaatse blijvend zoolang zij er voedsel vinden en periodieke overstroomingen hen niet tot heengaan nopen. Voor alles wat hun vreemd is zijn zij uitermate schuw en in de wildernis die hun territoor is, onttrekken zij zich gemakkelijk aan den zoekenden onderzoeker; met niemand laten zij zich in; de buitenwereld bestaat voor hen niet. Dit wantrouwen is niet een oorspronkelijke karaktertrek, maar het gevolg van de wandaden, die de Maleiers zich van oudsher ten opzichte der Koeboes veroorloofd hebben. De zuivere Koeboes spreken met verachting over hunne soortgenooten, die van de Maleiers leerden handeldrijven en stelen.

Het uitvoerige werk mag wel een aanwinst heeten voor onze koloniale litteratuur, in zoo ver het onze koloniën behandelt, al wordt er de oorspronkelijke nederlandsche litteratuur over Indië niet mee verrijkt.

EEN INTERNATIONALE GROOTE WERELD.

Onlangs wezen we erop, hoe cosmopolitisch langzamerhand de groote steden worden en hoe bont het aanzien der bevolking zich in de groote centra voordoet, zoodat de zuivere nationale gevoelens daar wel in de klem moeten raken. Thans wijst de Daily Mail op de treffende bontheid van de hooge kringen in Berlijn. Daar, in de eerste gezelschappen van de duitsche hoofdstad, waar men tegenwoordig zooveel meer weelde ten toon spreidt dan vroeger, is het buitenlandsche element meer dan ooit toonaangevend. Vreemdelingen van geboorte nemen er de hoogste plaatsen in.

De eerste politieke gastvrouw van het duitsche Rijk, vorstin v. Bülow, is een geboren Italiaansche, een prinses Camporeale, vrouw van allerinnemendste beminnelijkheid, in wier aderen door haar afstamming van het historische Engelsch-Italiaansche huis der Actons, ook Britsch bloed vloeit. De vorstin Henckel v. Donnersmarck, de gade van den bekenden multi-millionair en Silezischen mijnmagnaat, die vanwege haar juweelen en buitengewoon prachtige hoftoiletten een zeer bijzonderen roep geniet, is een Russin, Katharina Wassilieffna Slepzef. De schoone en lieftallige prinses Pless is een Engelsche, zuster van de hertogin van Westminster en, evenals deze, met den grootsten grondbezitter van zijn land gehuwd. De hertogin van Ratibor, een pikante brunette en lievelinge van de Berlijnsche hooge kringen, is insgelijks Engelsche. De vorstin zu Fürstenberg, 's Keizers gastvrouw te Donaueschingen, is een Boheemsche gravin. Prinses zu Thurn und Taxis, bekend om de verrukkelijke danspartijen die zij weet in te richten, is een Weenerin, elegant en bekoorlijk. Een andere niet-Pruisische toongeefster, in de hooge kringen is de jonge vorstin zu Wied, dochter van den Koning van Wurtemberg, en Amerika heeft een charmante vertegenwoordigster in gravin Johannes Siertorpff, die in New-York miss Knowlton heette.

ONZE KENNIS VAN ARABIË.

Een groot landcomplex, waar nog heel wat te ontdekken is en waarvan de kaarten als om aanvulling roepen, zooals Thibet het deed, voordat de expedities van Prschewalski, Rockhill, Littledale, Bower, Deasy en vooral Sven Hedin er licht over hebben uitgegoten, is Arabië. Daar begint thans echter de onderzoekingsgeest ook krachtig te werken. Een flinke expeditie zal onder den engelschen reiziger Bury ten oosten van Aden aan land gaan en door het Jeshbundal over Nisab en Behan al Jezab naar Harib en Mareb trachten te komen, om daar opnemingen te doen van oude opschriften.

Het vervolg der expeditie wordt afhankelijk gesteld van de berichten, die men omtrent de vermoedelijke karavanenwegen in het binnenland zal krijgen. In de eerste plaats richt de leider zijn opmerkzaamheid op het bereiken van Riadh, indien daarheen nog een karavaanweg uit het Zuidwesten geleidt. Van daar wil hij, zoo er verbindingen te krijgen zijn, over El Hauta oostwaarts naar den vermoedelijken karavanenweg Mekka-Oman naar Maskate trachten te komen. Gelukt dat niet, dan zal hij zich naar gelang van de omstandigheden, naar de Perzische Golf, naar de Roode Zee of dwars door de groote zandwoestijn naar het Zuiden naar het landschap Hadramaut wenden. Als eenig gezel sluit zich bij hem aan de heer P. E. L. Gethin, die zich door het volgen van een cursus van het londensche Aardrijkskundig Genootschap, de Royal Geographical Society, op deze reis heeft voorbereid. Al komt ook slechts een deel van het programma tot uitvoering, dan staat ons toch een wezenlijke verruiming onzer kennis van Arabië te wachten.

VOORJAARSREIZEN.

De firma Lissone heeft al een heele reeks mooie reizen in 1909 gemaakt. Daar waren winterreisjes naar Parijs van een dag of zes voor de somma van 85 gulden; daar waren in Februari twee reizen naar de winterpret van St. Moritz, dertien dagen voor 280 gulden; daar was een reis naar Nice en de Riviera, naar Tunis en Algiers, naar Palestina, Syrië en Egypte, een reis van 22 dagen en 440 gulden naar Italië, waaraan men nog bij herhaling zal kunnen deelnemen op 19 April en 3 Mei, daar waren in één woord tochten naar heinde en ver.

Ook Spanje is niet vergeten, en afzonderlijk is voor 5 April een reis aangekondigd naar de oostkust en het eiland Majorca. Daarbij behooren ook Barcelona met de omstreken, aan de lezers van de Nieuwe Rotterdamsche Courant op zoo aangename wijze bekend geworden door de brieven van den correspondent van het blad. Bij de aankondiging van de reis in Lissone's »Toerist« heet het, dat dit »goddelijk paradijs« zal worden bezocht, »wanneer gure, harde Noordenwinden met regenvlagen en sneeuwjacht ons sidderend en rillend blokken op den haard doen werpen.«

Het is te hopen, dat die voorspelling niet uitkomt. Op den vijfden dag van April nog weer sneeuwjacht en regenvlagen! Nee, dat zou te bar zijn! Daar hebben we tot half Maart in voldoende mate van geprofiteerd. Laat ons Lissone en de zijnen op 5 April bij heerlijk mooi voorjaarsweer mogen zien vertrekken naar 't zoele Zuiden, maar laat het eindelijk hier dan ook eens voorjaar worden!

DE JUNGFRAUSPOORWEG.

»Toen ik vele jaren geleden op den Wengernalp vertoefde,« schrijft Siegfried Hartmann in de Welt auf Reisen, »liet een naar mijn herinnering te oordeelen jong ingenieur mij een blauwe groote teekening zien, het plan voor den Jungfrauspoorweg. Andere reizigers zagen het plan ook, en aan tafel maakte het het onderwerp uit van de gesprekken, en als er weer een nieuwe toerist boven kwam en vol bewondering naar de met sneeuw en gletschers bedekte bergreuzen keek, werd hem lachend gevraagd: »Weet u 't al, men zal daar een spoorweg naar boven laten loopen!« En de meesten keken dan met een blik, die scheen te zeggen, dat ze het een flauwe grap vonden.

Ik geloofde toen al vast aan de mogelijkheid van de grootste triomfen voor de techniek, vond het een wonderheerlijk plan, maar stond onder de toeristen zoo goed als alleen. Enkelen, die wel geloofden aan de mogelijkheid, spraken van de ontheiliging der natuur; anderen spotten met het denkbeeld en maakten zich vroolijk over het dwergje mensch, dat de Jungfrau met rails wou beleggen.

Geen van hen heeft gelijk gekregen. Hoewel thans inderdaad nog geen trein den top van den grooten zwitserschen berg heeft beklommen, men is toch al een heel eind gevorderd. De nette, door electriciteit gedreven treinen van den Jungfrauspoorweg klimmen, door de eigen kracht van den berg, door het water van de wilde Lütschine, gedreven aan de stang met tandraderen omhoog. En van ontwijding der natuur kan geen sprake wezen, want de scherpste kijker kan geen spoordam en geen rails ontdekken, omdat beide in de tunnel liggen, en geen schrille fluit weerklinkt, geen rook en roet ontsieren de verheven eenzaamheid.

Was het plan, een spoorlijn daar te bouwen moedig en grootsch, de uitvoering is inderdaad geniaal geworden. Wat had meer voor de hand gelegen, dan langs den machtigen Eigerwand direct een pad schuin omhoog te maken in de rotsen? Men deed het niet, maar ging terstond den berg in, om zoo van het begin af verhoogde veiligheid en onafhankelijkheid van de weersgesteldheid te krijgen.

De rit is nu zeer indrukwekkend. Als de reiziger van het station Scheidegg van de spoor van den Wengernalp op 2000 meter hoogte afrijdt, gaat de spoorweg eerst door groene weiden langs den Fallbodenhubel. Dan buigen de rijtuigen een tunnel in en komen in het gebied van het onbegroeide steenpuin, terwijl op den achtergrond de groote blauwwitte tong van den Eigergletscher zich vertoont. Daarna wordt het nacht; de electrische lampen werpen hun geel licht op de angstig of verbaasd of nieuwsgierig kijkende reizigers. Zacht en gelijkmatig drijft de electrische draaistoommachine het gevaarte hooger in tegenstelling met veel door stoom gedreven bergspoorwegen. De muren glinsteren van het vocht, af en toe doet zich een nis voor, hier en daar komt ook een klein lichtgat, dat door den tunnelwand in den vrijen bergmuur is opengebroken. Al hooger en hooger gaat het. Het oog raakt aan de duisternis gewend, en het bloed begint sneller te vloeien, de ademhaling neemt ook in snelheid toe in de al dunner wordende lucht, die niets heeft van de bekende tunnellucht, zoo onaangenaam bij de groote bergtunnels en ondergrondsche spoorwegen.

Daar staat de trein stil; de tunnel is verwijd tot een grot. Station Eigerwand, 2876 meter boven de zee. Men is het er niet algemeen over eens, of die verwijding noodig was. Het uitzicht door de in de rotsen uitgehouwen vensters in het Wergisdal, op de van hier uit te overziene velden van den Lauberhorn, en van Tschuggen Männlichen is zeker schoon, maar niet daarvoor kwam men hier heen. Wij willen geen groene weiden en geen beboschte hoogten zien, maar ijs, sneeuw en ijs. Het zou daar ook dwaas wezen, hier den rit af te breken, zooals zoovelen doen. Het oponthoud moet worden beschouwd als een pauze in den tocht, waardoor onze ademhalingsorganen een beetje op hun verhaal komen in de ijle lucht.

Na een vrij langdurig oponthoud gaat de trein verder; er is geen verschil merkbaar met het eerste deel der reis; we gaan weer door den tunnel, maar weldra merken we, dat die niet meer rechtuit gaat; we maken een bocht in den berg. Zonder dat wij iets kunnen zien, hebben we het groene land den rug toe gekeerd, en het gaat naar de gletscherwereld van het Berner Oberland. In de verte ontdekken we een massa licht en we naderen het voorloopig eindpunt van de lijn, het station Eismeer. Weer een wijde, door de boormachines gemaakte grot grooter dan die bij Eigerwand. IJskoude lucht stroomt ons tegen, en de door de spoorwegautoriteiten ter beschikking gestelde dekens worden vaster omgedaan. Dan gaan we door een gang naar een reuzenrotsvenster, dat ons een panorama uit het hooggebergte laat zien van eigenaardige schoonheid. Blauw ijs en witte sneeuw, zoo ver het oog reikt, enkel links op den achtergrond een paar kale, zwartbruine bergwanden. Rechts rijzen de ijsmassa's als torens spits en puntig, of in zachte ronde vormen. Daar leidt een smal, in de sneeuw uitgetreden pad stoutmoedige wandelaars omhoog langs de Concordiahut naar den top van den Jungfrau, tot mogelijk over een jaar of tien dit pad overbodig zal zijn geworden, daar de spoorweg het heeft vervangen.

Wanneer de techniek de taak op zich neemt, die indrukwekkende schoone natuur te openbaren aan duizenden menschen en dat wat vroeger slechts te zien werd gegeven aan een klein aantal menschen, die er kracht en tijd voor hadden, te maken tot gemeengoed van de menschenkinderen, die midden in den harden levensstrijd staan, dan verdient dat zeker onze dankbaarheid. En het was werkelijk een zware taak, die ze te vervullen kreeg.

Op het station Eismeer is met den spoorweg ook de beschaving gekomen. Er is een klein postkantoor vanwege de zwitsersche regeering ingericht, waar de tallooze prentbriefkaarten worden afgestempeld, en ook wordt er voortreffelijk voor het lichamelijk welbehagen der bezoekers gezorgd. Een gedeelte der in de rotsen uitgehouden galerij is afgesloten met reusachtige spiegelruiten, en men zit er dus geheel beschut. Er is een restaurant met electrische verlichting en electrische stookplaatsen voor de bereiding der spijzen. Wie zelf eten meebrengt, moet een franc plaatsgeld betalen, maar niemand is daartoe verplicht, want een kleine tunnel voor voetgangers leidt naar een plek, waar men met een trap op den gletscher kan komen en zonder het restaurant aan te doen, de wonderen der verheven natuurtooneelen kan genieten. Maar buitendien zal bijna ieder dankbaar zijn obool offeren, opdat de doelmatige inrichtingen hier boven ook voor anderen mooi en goed in orde kunnen worden gehouden.«

VAN DE EHZE IN DE OUDE GRAAFSCHAP ZUTPHEN.

Qui se fait attendre, se fait désirer, dat schijnt wel dezen keer het devies van het voorjaar te zijn geweest. Onbescheiden heeft het zich laten wachten, langer dan bestaanbaar was met het goed humeur van natuurvrienden, en langer dan de voorjaarsbloemen zich met goed fatsoen schuil konden houden. Maar wat bleven sneeuwklokje en crocus traag in hun ontwikkeling, wat duurde het eeuwen, eer die zoo welkome, eerste sporen van de lente in uitbottende knoppen aan enkele vroege heesters zich vertoonden! Straten en wegen en voetpaden!... nee maar, ze waren van een grondelooze vuilheid dagen, weken lang, en dus moest wie de menschen lokken wou »Naar Buiten!« wel aan doovemans deur kloppen.

In die dagen hebben wij een bezoek gebracht aan een oud huis in heerlijke omgeving, waar de zin voor schoonheid den toon aangaf, nu in de eerste plaats binnenshuis; in het betere seizoen vooral niet minder rondom de woning, in park en bosch. Er hebben velen in die buurt van het echte buitenleven genoten. Slechts door de Berkel en een paar groote weiden is de Ehze gescheiden van het buiten, waar Allard Pierson een deel van zijn levensavond doorbracht, de Velhorst, en talrijk zijn in dit deel van Gelderland de oude kasteelen, die in onze geschiedenis van zich hebben doen spreken.

Dat heeft ook de Ehze gedaan, al is het nu geen oud slot meer, maar, uitwendig althans, een deftig groot huis, van rooden baksteen opgetrokken. Van binnen zijn er nog heel veel sporen over, die wijzen op het verre verleden, dat het huis reeds achter zich heeft. De tegenwoordige eigenaar, de heer D. J. van den Honert, die zijn zaken te Amsterdam heeft en wiens vrouw de dochter is van den bekenden amsterdamschen philantroop, wijlen den heer P. W. Janssen, gevoelt zeer veel voor het verleden van het huis, waarvan hij in 1905 bezitter is geworden, toen hij het kocht van mevrouw de weduwe barones Van Welderen Rengers.

Een bewijs van die piëteit heeft hij gegeven door de opdracht aan den heer A. A. Vorsterman van Oyen, om de geschiedenis te boek te stellen van de opeenvolgende geslachten, die »het kasteel Ehze« hebben bewoond. Zeshonderd jaren geleden werd het goed gesticht door een tak van het geslacht van Heeckeren, en naar een hof Hese of Hesni in de nabijheid van het stamslot der Heeckerens bij Emmerik moeten de heeren van Eese of Ehze hun burcht bij Almen in de gemeente Gorssel hebben genoemd. In het begin der veertiende eeuw was Frederik van Heeckeren bezitter van het goed de Ehze, waarnaar hij zich ook Frederik van Ese noemt.

Ridders en knapen komen verder voor van dien naam, als bewoners van het kasteel, trouwe volgers van den graaf van Gelre, nu eens getuigen bij overeenkomsten tusschen den graaf en eenige stad, dan getuigen bij huwelijken in het grafelijk geslacht of bij plechtige verzoeningen als in 1355 tusschen Reinout, hertog van Gelre, en zijn broer Eduard. Ridder Frederik van Ese moet een persoon van gewicht zijn geweest, want bij een bezoek aan de stad Arnhem in datzelfde jaar 1355, waarschijnlijk met een grooten hofstoet, moet hem de stadsregeering veel wijn hebben verschonken »negen kwarten«, zooals vermeld staat in de stadsrekening van Arnhem van dat jaar. Zijn kleinzoons noemden zich weer Heeckeren of namen soms, na »deeling volgens magescheid« verschillende namen aan, dikwijls van aangetrouwde familieleden.

In het werk van den heer Vorsterman, dat in het Genealogisch en Heraldisch Archief van Arnhem in 1908 is opgenomen, kan men de reeks der verschillende bezitters van het kasteel de Ehze uitvoerig vinden nagegaan. Men leest er, hoe een der leden van de familie priester was en vriend van Geert Groote, hoe een ander schepen was te Deventer en als man van invloed en kunde stond aangeschreven, en hoe ze zich vermaagschapten met aanzienlijke geslachten. In de zestiende en zeventiende eeuw speelt het geslacht Van Lintelo er een groote rol.

Zoo was Christiaan Karel, baron van Lintelo, heer van de Ehze, die in 1707 scholtis of schout van Lochem was, onderhandelaar in zaken, die de nalatenschap van Willem III betroffen; hij was in groot aanzien bij zijn tijdgenooten en geëerd om zijn schranderheid en ongemeene werkzaamheid. Te Lochem huwde hij in 1705 op Ampsen met Clara Elisabeth van Nagell, was zeer bemind bij zijn onderhoorigen en stierf op de Ehze in 1736. Aan die vermaagschapping met de familie Van Nagell herinnert op dit oogenblik nog het wapen in de windvaan op het huis. Daar is de gesp uit dat wapen duidelijk te herkennen. Toevallig dat de voornamen van de tegenwoordige vrouwe van de Ehze dezelfden zijn als die van de eigenares uit de eerste helft der achttiende eeuw. Of die vroegere Clara Elisabeth bij haar onderhoorigen bemind is geweest evenals haar man, weten we niet, maar dat men het later van de 20ste-eeuwsche Clara Elisabeth zal getuigen, is zonder twijfel. Want zij treedt als een weldoenster onder de menschen op, door de zieken en zwakken te bezoeken en op te beuren en naar geest en lichaam hun goed te doen, niet maar eens nu en dan, maar trouw en geregeld. Aan »goede werken« wordt daar veel gedaan in en om het gemodernizeerde oude huis; er is een schooltje gebouwd, waar de meisjes dagelijks gratis naailes krijgen; de kinderen leenen boeken uit de bibliotheek van het huis, en op honderderlei manieren meer leven de bewoners van het huis met hun omgeving mee.

Door een der vijf dochters van baron van Lintelo komt in de 18de eeuw het geslacht van Pallandt van Keppel in het bezit van de Ehze, maar niet voor langen tijd, want de eerste en eenige bezitter uit die familie verkocht de Ehze en liet papieren, schilderijen en merkwaardigheden naar het kasteel Keppel overbrengen. In de laatste jaren van de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw is de historie van het huis het minst glorierijk, en Jan Derk Langenberg, lid van den raad van Zutfen en houtkooper aldaar, is de schuldige, die aan het sloopen gaat. Hij liet een groot deel afbreken, namelijk het middengebouw en een der vleugels, verkocht het prachtige ijzeren hek, dat voor de streek is bewaard gebleven, want het prijkt nu nog op het kasteel Medler onder Vorden, maakte de sieraden van het huis te gelde en liet veel hout onder de bijl vallen.

Dat gedeelte van het huis, dat bewaard bleef, verkocht hij in 1831 aan baron Van Zuylen van Nijevelt, wiens zoon, Mr. Jacob Pieter Pompejus, tweemaal minister was, later buitengewoon gezant te Parijs, kamerheer des konings i. b. d. en lid der ridderschap van Gelderland was. Deze, gestorven in 1890, vertoefde niet veel op de Ehze en in 1866 verkocht hij het huis en de landerijen aan zijn zwager, Karel Gerrit Willem, baron van Wassenaer, met wien zijn zuster getrouwd was. Dat echtpaar liet het gebouw restaureeren; de baron had den zeedienst verlaten en vertoefde graag op de Ehze. Hij was lid der Provinciale Staten en voorzitter van de Geldersche Maatschappij van landbouw.

Hier voelen we ons op modernen grond, dat zijn de posten, nu ook door de bezitters van de landgoederen in de buurt bekleed. Bovendien iemand, die den zeedienst verliet, is ook de tegenwoordige eigenaar, de heer Van den Honert en aan het restaureeren heeft deze op niet minder grondige manier gedaan dan de Wassenaers. Vooraf heeft de oud-ritmeester baron van Welderen Rengers van 1894 tot 1898 en heeft diens weduwe er nog van 1898 tot 1905 gewoond. Zij hadden het goed gekocht van de jongste dochter van baron Van Wassenaer, aan wie het bij scheiding was toebedeeld.

En hoe ziet nu de Ehze eruit, het oude kasteel in nieuwen vorm?

Een flink terras is vóór het huis gebouwd, met twee breede trappen en antieke sfinxen aan weerszijden, beelden, die een oud kasteel in Verona hebben gesierd. De hal is bijzonder smaakvol ingericht en vormt een waardige entrée voor het deftige huis. Daar bloeiden de mooiste aronskelken en de heerlijkste hyacinthen, zooals er overal in het huis bloemen te bewonderen vielen. Rondom die ruime hal zijn de verschillende vertrekken gelegen, waar de werkelijk mooie dingen en de vele kunstvoorwerpen het rondwandelen als een gang door een met zorg samengesteld museum maken.