Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken

Part 11

Chapter 113,839 wordsPublic domain

Daarom moet persoonlijk initiatief voorgaan, en als dan de regeering de aanvankelijk welgeslaagde pogingen steunt, kan men op grooter schaal het werk voortzetten. Als ambtenaarsvrouw had Mevrouw De Clercq-Zubli zich steeds voor de positie der inlandsche vrouw geïnteresseerd van den beginne af, dat zij met het leven in de binnenlanden kennis maakte. Haar trof de schuwheid van de vrouwen en meisjes evenals het gemis aan vertrouwelijkheid. Te Batoe-Radja in de residentie Palembang trad dat verschijnsel iets minder sterk op en tijdens haar vijfjarig verblijf aldaar was zij met succes werkzaam in het belang der inlandsche vrouw. Ze begon met een zestal dochters van inlandsche hoofden dagelijks ten harent te ontvangen en die meisjes in te wijden in de geheimen van de nuttige handwerken en het lezen en schrijven, ook van de nederlandsche taal. Het zestal groeide weldra tot een vijftiental aan, want de leerlingen brachten uit eigen beweging nieuwe klantjes aan. Het waren meisjes van zes tot negentien jaar. Het idee om een school voor haar op te richten, moest toen wel zich voordoen; de controleur der onderafdeeling hield een conferentie met de hoofden, die het plan goedkeurden en financiëelen steun toezegden. Dat was in 1904.

Een geschikte localiteit werd gevonden, die ook kon dienen voor de huisvesting van die meisjes, die niet op de plaats woonden of haar doesoens of dorpen niet in de buurt hadden, zoodat ze uit verwijderde marga's, districten, moesten komen. De hoofden droegen drie gulden in de maand bij, maar de stichtster van de onderneming hoopte, dat de meisjes door haar werk zelf de zaak zouden kunnen bekostigen en dat ze door het arbeiden op bestelling wat zouden kunnen verdienen. Het maken van kant, de beroemde palembangsche kant, werd een bron van inkomsten; inlandsche vrouwen gaven bij uitbreiding der school er les in, evenals in weven en batiken; er kwam ook een dame uit Batavia, die zich met de leiding van het gewone onderwijs belastte, terwijl Mevrouw De Clercq Zubli het algemeen toezicht behield en het onderwijs regelde.

Er werd subsidie van de regeering verkregen, zoodat er alle kans bestaat, dat de nuttige inrichting zal blijven bestaan, ook nu de oprichtster door familieomstandigheden genoodzaakt was, gebruik te maken van het recht tot verlof wegens langdurigen dienst. Haar laatste arbeid in 1906 was nog een zending naar de jaarmarkt te Soerabaya van eenige der bekwaamste leerlingen der school, wier werk een eerediploma verwierf.

OP DEN UITKIJK.

EEN VERGETEN AMERIKAANSCHE EXPEDITIE TER OPSPORING VAN DE NOORDWESTELIJKE DOORVAART.

Op het internationaal Aardrijkskundig Congres, dat in het vorig jaar te Genève is gehouden, werd door Dr. Henry E. Bryant de aandacht gevraagd voor de expeditie, van Philadelphia uit in 1753 ondernomen ter opsporing van de in de 19de eeuw met zooveel ijver gezochte Noordwestelijke Doorvaart, welke passage aan Franklin en de zijnen het leven kostte, zooveel opsporingsexpedities heeft noodig gemaakt en die nu in onze twintigste eeuw door Amundsen is uitgevoerd.

Kooplieden uit Maryland, Pennsylvanië, New-York en Boston brachten in het midden van de 18de eeuw geld bijeen voor de uitrusting van de schoener »Argo«. De kapitein, Charles Swaine kreeg de opdracht, de kust van Labrador te onderzoeken met het oog op uitbreiding van de vischvangst en de walvischvangst. Hij moest het handelsverkeer zien te openen en met de inboorlingen vriendschap sluiten en dan de Noordwestelijke Doorvaart uitvinden, waarvan men vermoedde dat ze aan de westzijde van de Hudsonsbaai te vinden was.

De »Argo«, een schip van 60 tonnen met 15 man aan boord, verliet den 4den Maart 1753 Philadelphia en den 15den April Portsmouth in Nieuw-Engeland. Op 58 graden N. B. stiet het schip op den westrand van het ijs, dien het volgde tot 63 graden, waar het ijs naar het Oosten omboog. Toen moest de »Argo« terugkeeren, trof twee deensche, naar West-Groenland zeilende schepen, van wie men vernam, dat dit sinds 24 jaren de strengste winter was en dat het ijs vóór de Hudsonsstraat vastlag.

Swaine beproefde nu, dat te forceeren, wat hem niet gelukte. Hij bleef lang vóór den ingang der Hudsonsbaai kruisen, sloot zich bij vier schepen van de Hudsonsbaai-Compagnie aan, raakte weer daarvan af en vond eindelijk den tijd te ver gevorderd voor nasporingen ten westen van de baai. Hij drong toen nog door in verschillende fjorden aan de oostkust van Labrador, deed er waarnemingen, ook aan den wal, ontmoette een engelsch schip, dat eenige Moravische Broeders had geland en kwam den 21sten October weer goed en wel in Boston aan.

De onderneming had dus geen succes gehad, maar voor dien tijd was het een opmerkelijke reis, en de heeren gaven den kapitein een »zeer mooie belooning«, zoo meldt de door Benjamin Franklin uitgegeven »Pennsylvania Gazette«. In het volgend jaar, 1754, werd Swaine opnieuw uitgezonden, om de Noordwestelijke Doorvaart te zoeken, maar toen moet de uitslag nog minder goed zijn geweest, want drie matrozen, die de bevelen van den kapitein niet hadden opgevolgd, werden door Eskimo's gedood; er kwam oneenigheid onder de bemanning en het schip was op 24 October terug, terwijl de kapitein geen lust meer voelde in verdere tochten.

NEDERLANDSCH ONDERZOEKER OP CELEBES.

De mijningenieur, de heer E. C. Abendanon, is in Februari op reis gegaan naar Indië tot het doen van een onderzoekingstocht op Celebes. Het verkenningsterrein ligt in Midden-Celebes en wel aan den zuidkant, grenzend aan het zuidelijk schiereiland. De tocht wordt ondernomen voor het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, zal uitgaan, naar de Java-Bode voor eenigen tijd meldde, van de monding der Tjimpoe aan de Golf van Boni en heeft tot eerste doel de bestijging van de Latimodjongketen, welker hoogste top men hoopt te bereiken, om van daar peilingen te doen.

Daarna wil de heer Abendanon zich wijden aan het onderzoek van de rivier, de Sadang, nadat hij het Lettagebergte heeft beklommen, om vervolgens het meer Oesa te bezoeken, tot waar de heeren Sarasin in 1895 niet konden doordringen. Zij hadden toen na hun bezoek aan het Possomeer dwars door Midden Celebes willen reizen, wat hun door de bevolking onmogelijk werd gemaakt. Blijkt de heer Abendanon in staat, zijn reisplan te volvoeren, dan kan dat voor onze kennis van het eiland van veel belang zijn. Er is daar nog zoo enorm veel te doen. Als men de kaarten ziet in het werk der Sarasins de »Reisen in Celebes«, dan zijn er nog maar al te veel plekken, waar de voor ons beschamende aanwijzing te lezen is »Unerforscht«.

Thans zal dan weer eens een Nederlander zijn krachten beproeven. Voor het verdere exploratiewerk ligt het in het plan van den heer Abendanon, van Paré Paré over te steken naar de noordkust van de golf van Mandar en daar het achterland te bereizen, dan noordwaarts te gaan naar de rivier Karama of over zee de monding te bereiken en haar dan op te varen, zoo mogelijk tot de bronnen, om dan naar de golf van Boni terug te keeren.

Het Aardrijkskundig Genootschap zou bij welslagen door deze reis, die op vijf maanden is gesteld, een hoogst belangrijk werk doen voor de betere kennis van de zuidelijke Toradjalanden. De gegevens in schetsen en rapporten over land en volk neergelegd door de er zich bewegende troepen worden, naar het schijnt, niet zoo vlug als wenschelijk is, verwerkt en tot publiek eigendom gemaakt.

POSTBODEN IN DE TROPEN.

»Boite aux Lettres« staat er op onze afbeelding te lezen, en dat fransche opschrift van de brievenbus toont aan, dat het prentje ons verplaatst naar een fransche kolonie. Het is Tahiti in de Stille Zuidzee, waar de vermoeide bode zich een oogenblikje heeft neergezet in de schaduw, nu hij de aan een boom opgehangen brievenbus gaat ledigen, om de post mee te nemen naar de hoofdplaats. Dat is Papeete met zijn voor het meerendeel christelijke bevolking, waar de Franschen sedert 1880 de heerschende natie zijn, want toen werd de groep der Gezelschapseilanden voor fransch bezit verklaard, en de eilandengroep is nu nog het voornaamste koloniale gebied van Frankrijk in Oceanië.

De bode is geheel op zijn Europeesch gekleed, except de bloote voeten natuurlijk. Maar hoe zou hij op zijn boschpaden het met schoenen klaarspelen? Zijn voorvaderen hebben anders al lang zich bijzonder vatbaar getoond voor het aanvaarden van de europeesche gebruiken en gebruiksvoorwerpen. Ze zijn in dat aanvaarden wel eens al te happig geweest, want de geschiedenis verhaalt bijna van geen enkel land duidelijker, met hoeveel nadeelen de kennismaking met blanken voor een primitieve bevolking in de tropen gepaard gaat.

Akelige ziekten en brandewijn hebben verschrikkelijke verwoestingen aangericht onder de vriendelijke, goede, zachtzinnige menschen van Tahiti en de overige Gezelschapseilanden in den tijd, toen ze op uitgebreide schaal met het werk der Europeanen kennis maakten, dat was in het laatst van de achttiende eeuw. In 1812 trad ten gevolge van den arbeid van engelsche zendelingen koning Pomare II tot het Christendom toe, wat een ding van groote beteekenis was voor de eilanders, want de vorst was bij het natuurvolk tevens de hoogepriester geweest.

Den naam Pomare vinden we ook onder de in de 19de eeuw regeerende dames, die den schepter over Tahiti zwaaien, en het was onder de vijftigjarige regeering van koningin Pomare IV, die van 1827 tot 1877 regeerde, dat de fransche invloed er hand over hand toenam. Thans is Tahiti of Otaheite nog voor een groot deel onbebouwd; er valt daar nog heel wat werk te verrichten voor aanstaande Nasamonianen, jonge energieke Europeanen, die aan het ontdekkings- en ontginningswerk willen meedoen. Want het heerlijke klimaat en de goedwillige bevolking en de onovertroffen vruchtbaarheid van den grond beloven veel op landbouw- en plantagegebied.

Vrijwat meer dan de kolonie, waar onze andere postbode zich gereed heeft gemaakt voor zijn marsch naar de verschillende dorpen en nederzettingen in Duitsch Oost-Afrika. Deze neger, wien men een fatsoenlijk jasje heeft aangetrokken, gaat met zijn brievenzak op weg. Hij is zoo volkomen ongewapend en vervolgt zonder eenig vervoermiddel buiten zijn eigen pedes apostolorum zijn weg, dat we eigenlijk maar moeten aannemen, dat hij enkel de post heeft te bezorgen in de hoofdstad Dar es Salaam en de naaste omgeving, en dat werk kan hij zeker wel op zijn slofjes, figuurlijk gesproken, af. Want al gaat de kolonie in Oost-Afrika wel vooruit, de Duitschers vorderen er toch maar langzaam; de handelshuizen van duitsche firma's nemen toe, ja, maar niet zoo snel, als men had gehoopt.

En dat behoeft ons niet te verwonderen, want voorloopig is het achterland nog niet genoeg geopend door verkeersmiddelen, dan dat men groote verwachtingen mag koesteren van die streken. Spoorwegen moeten daar veel doen, en met den aanleg vordert men op zeer bedachtzame wijze. Engeland zet er in zijn Oost-Afrika meer haast achter, en is al tot het Victoriameer gevorderd. Als eenmaal de gansche verbinding van de Kaap naar Kaïro door het stoomros zonder gapingen wordt afgedraafd, dan zal men met de lijnen, welke zich van de kust bij die groote Noord-Zuidlijn aansluiten, zeker sneller vooruitkomen, omdat dan de goederen uit het binnenland, waaronder caoutchouc en ivoor nog altijd een eerste plaats innemen, snel kunnen worden vervoerd en uit de havens geregeld de ingevoerde waren hun weg naar het binnenland zullen kunnen vinden. De negerpostbode zal dan mee dieper het binnenland ingaan, want het aantal plaatsen, die in het verkeer worden opgenomen, zal dan sterk toenemen.

BRIEVEN UIT DE OOST.

In zijn brieven onder het opschrift »Van ons grooter Nederland« aan de Nieuwe Courant heeft Maurits Wagenvoort het over Ternate, waar hij drie weken heeft moeten doorbrengen, terwijl drie dagen genoeg zouden zijn geweest, om de weergalooze grootschheid van den vulkanenkrans, met Ternate en Tidore tot hoogste pieken, te genieten. Hij heeft er blijkbaar den tijd goed besteed, en vertelt o.a. »deze dagen schonken mij de gelegenheid, heerlijke morgen- of namiddagwandelingen te maken in de verwilderde nootmuscaat-bosschen, die met moeilijk-begaanbare paden tegen de helling van den vulkaan opklimmen; openden mij wel belangwekkende vista's in dat bijzondere verleden, toen Ternate een der belangrijkste gouvernementen was onzer Compagnie, en dominee Valentijn wandelde in de prachtige laan schaduwboomen, welke nog heden het schilderachtige nu half ontmantelde kasteel aan den zeekant aan het oog onttrekt; veroorloofden mij vergelijkingen te maken tusschen de machtige sultans van Ternate, wier rijk zich uitstrekte tot in Nieuw-Guinea en de Philippijnen, en het vriendelijke mollah-tje, dat heden dien titel draagt. Nochtans, wat mij trof als een aangename verrassing was, op dit verre en verlaten eiland een exotische Hollandschheid te vinden, zooals ik nog nergens in onze koloniën had aangetroffen. Het verleden leefde hier voort in een kleurlingenbevolking met goed-Hollandsche namen, goedgesproken Hollandsche taal en wijl het opgeruimde menschen zijn, kon men in de avonduren niet door de straten van het stadje gaan, of bijna uit elk huis klonk het welluidend gezang van een Hollandsch lied, zoodat men zich verbeelden kon te wandelen in een vaderlandsch provinciestadje.«

Ook over Ambon verhaalt de schrijver interessante dingen met een anderen kijk op het werk der Oostindische Compagnie, dan we krijgen, als we enkel aan de hongi-tochten denken; hij maakt de opmerking, dat de nederlandsche natie, zoo min als eenige andere waarschijnlijk, van deze vulkanische rotsen in zee economisch iets weet te maken, dat zich bij den bloei van het verleden aansluit.

De menschen hebben hem een indruk van opgewekte vroolijkheid gegeven, en hij denkt aan het eiland terug als aan een idylle van een volk in moeilijk bereikbare bergdorpen, een bruin volk met trippelende voeten en zingende lippen.

Nederland zou voor dat volk meer kunnen doen, door voor betere aansluiting aan de overige eilanden te zorgen door middel van de telegraaf; ook door op de opvoeding van de telgen van den sultan van Ternate toe te zien, die noch lezen noch schrijven kunnen, en ten slotte wijst hij op de beschaving van de op Ambon geboren Chineezen, »van wie vele familiën sinds eeuwen op dit eiland zijn gevestigd. Zij spreken, ook de jongere vrouwen, Hollandsch met een zuiverheid welke verwondering baart, wijl Nederlandsche ooren er niet aan gewend zijn. Dit trof mij reeds in Menado, in de Minahassa, waar ik Chineezen aantrof, die menig Nederlander les hadden kunnen geven in een goede uitspraak onzer taal. Ik vroeg vanwaar zij geboortig waren; zij antwoordden mij: »Wij zijn Amboneezen«. Welnu, het is pijnlijk dergelijke menschen op de bekrompen wijze behandeld te zien, waartoe geest en letter onzer voor de Chineezen in onze koloniën geldende wetten aanleiding geven«.

NIJLDAM BIJ ESNEH.

Met veel staatsie en plechtigheid is in het begin van Februari de nieuwe Nijldam bij Esneh ingewijd door den khedive, Abbas Hilmi Pacha. Dat reuzenstuwwerk, dat 160 kilometer ten noorden van Assoean ligt, is men begonnen aan te leggen in November 1906. Terwijl de dam bij Assoean bestemd is, de besproeiing in de droge zomertijden te regelen, maakt de Nijldam bij Esneh het mogelijk, de groote vlakten bij zwakke overstroomingen van een voldoende hoeveelheid water te voorzien. De nieuwe dam heeft een lengte van 860 meter en heeft 130 bogen. De heele bouw heeft een millioen ponden sterling gekost.

IN INDIË NAAR DE MIDDELEEUWEN VERPLAATST.

Engeland is nu vijftig jaar lang de rechtmatige bezitter van Voor-Indië; een halve eeuw geleden deed de machtige engelsche oost-indische Compagnie afstand van haar rechten ten behoeve der britsche regeering. Hoewel de officiëele engelsch-indische wereld den gewichtigen datum plechtig heeft gevierd, kan men niet zeggen, dat overal de herdenking naar wensch is afgeloopen, want de bengaalsche oproerlingen hebben den dag op hun manier herdacht, namelijk door ambtenaren te dooden of hun huizen met dynamiet te doen springen en door openbare tegen Engeland gerichte betoogingen.

Met zijn 300 millioen inwoners, onder wie 700 verschillende talen en dialecten worden gesproken en die een twintigtal onderscheiden godsdiensten belijden, blijft Indië steeds voor den volkenkundige en den philosofisch aangelegde het voorwerp van boeiende studie. Het is een wereld op zichzelf, en men kan er de stadia aantreffen van velerlei beschavingen, liggend tusschen de beide uitersten, de wildheid van de Karoemba's uit de Nilgiribergen, die nog in het steentijdperk leven, en het hof van den ghikwar van Baroda, den souverein, die zijn juweelen verpandt, om de scholen voor hooger onderwijs, die hij in het leven heeft geroepen, in stand te houden.

Het vorstendom Gwalior is een der tusschenliggende schakels. Het is een der voornaamste leenstaten, die nog een schijn van onafhankelijkheid genieten. De bevolking is bijna drie millioen zielen sterk en bestaat zoo goed als uitsluitend uit dat oorlogszuchtige ras van de Mahratten, dat zegevierend streed tegen de mohammedaansche overheersching en een machtig rijk stichtte in het midden en het Zuiden van het schiereiland. Het zou inderdaad te zijnen voordeele het rijk van den Grooten Mogol weer hebben doen herleven, als niet Engeland met succes de verovering van geheel Indië had ondernomen.

De regeerende maharadja, de Sindhia van Gwalior, werd in 1877 geboren. Zijn vader maakte met de Engelschen gemeene zaak bij den opstand der Cipayers en werkte mee aan de volledige neerlaag van Nana Sahib, den dapperen Mahrat. De jonge vorst was even Engelschgezind als zijn vader en werd ter belooning voor zijn beproefd royalisme gemachtigd, om een legercorps van 4000 man onder de wapens te houden, die naar europeeschen trant zouden worden gedrild en deel zouden uitmaken van het inlandsche leger, de »Imperial Service Troops«. Het contingent van Gwalior is daarin het sterkste.

Buitendien recruteert de Sindhia onder zijn adel een klein legertje, zooals alle leenvorsten bezitten, dat enkel dient, om het prestige van het hof te vergrooten. Engeland zorgt er wel voor, dat die schimmen van legers niet meer worden dan paradetroepen; ze mogen geen kanonnen hebben, zelfs geen moderne geweren, en nauwelijks jachtwapens.

Maar wat die inlandsche legers in kracht en geoefendheid missen, dat winnen ze aan schoonheid en schilderachtigheid. Toeristen, die zich in Gwalior hebben opgehouden, nemen er een onvergetelijken indruk van mee, vooral als hun bezoek samenvalt met een tijdstip van feesten, als de Sindhia, wiens paleis een paar uur van de stad is verwijderd, zich erheen begeeft met groote staatsie, gezeten op een reusachtigen, prachtig opgetuigden olifant, onder geleide van gewapende krijgers en gevolgd door een rijke koets, waarin de familie en de gasten zijn gezeten.

Als die enorme dikhuiden geen deel hadden in de vertooning, zou men zich in de Middeleeuwen verplaatst kunnen wanen, den tijd der Kruistochten! De weelderig gedrapeerde krijgslieden in hun met juweelen en diamanten versierde mantels, die voetknechten in ijzeren wapenrusting of in maliënkolders, dat zijn de Middeleeuwen, overgebracht in de twintigste eeuw. Een historieschilder zou daar zijn motieven kunnen gaan zoeken.

Maar hij moet zich haasten, als hij nog tijdig in Gwalior wil werken. Dat oude Indië is ook al bezig te verdwijnen. De radja's der jongere generaties worden in Engeland opgevoed en ze stellen er een eer in, up to date te wezen, zich zelfs ultra modern te toonen, en zoo deinzen ze er niet voor terug, hun heerlijke perzische en arabische hengsten te verkoopen, en hun stallen te veranderen in garages voor auto's! En zoowel uit spaarzaamheid, als uit navolgingszucht vervangen ze de prachtige costumes van hun lijfwacht door het banale kaki van de troepen uit Calcutta.

In hun gevolg ziet men dan geen rijk opgetuigde olifanten meer met harnachementen vol goudborduursel en met banden van kostbare steenen om de kolossale pooten! Dat is alles ouderwetsch, vieux jeu! De radja uit de 20ste eeuw geeft de voorkeur aan het nieuwste model van 24 P. K.!

NA DEN ROEWENZORI DE MOUNT EVEREST.

De hertog der Abruzzen is dezer dagen vertrokken voor een groote reis naar Britsch-Indië en Thibet met het doel een bestijging te ondernemen van den Mount Everest in den Himalaya. In de verte en in de hoogte zoekt het dit lid der italiaansche koningsfamilie. Immers op zijn beroemden pooltocht, die hoogere breedten wist te bereiken, dan nog vóór hem waren gehaald, liet hij de expeditie volgen naar den hoogen Roewenzori, den berg in Midden-Afrika bij 't Victoria Nyanza, en nu volgt de Mount-Everesttocht.

Voor de reis heeft de hertog de noodige hulp en toestemming van de britsch-indische regeering gekregen. Photografen en geleerden gaan in zijn gevolg mee. Het heet, dat de reiziger zich in Thibet zal wagen tot Tasja-Loempo, waar hij den Tasji-Lama wil bezoeken. Zoo meldt de Londensche Globe. Intusschen wordt niet gezegd, of de beklimming van den Mount Everest zal geschieden van den noordkant, dus van uit de tibetaansche hoogvlakte. Dat zou wel beter kansen op succes bieden dan een beklimming der veel steiler oprijzende zuidelijke hellingen. Echter heeft de Britsch-Indische regeering deze laatste jaren steeds geweigerd, aan reizigers toe te staan zich uit Britsch-Indië naar Tibet te begeven om daar bergtoeren te ondernemen. Wellicht is voor den prins der Abruzzen een hooge uitzondering gemaakt. De toestemming tot het bezoeken van den Tasji-Lama schijnt de prins der Abruzzen te hebben verkregen van de chineesche regeering.

OP DEN UITKIJK

DE POST OVER HET IJS.

Daar gaat hij, de groenlandsche postbode, in zijn grooten mantel van echt sealskin of zeehondenvel. Hij vervoert zijn kostbaar postmateriaal in eene slede over het ijs en dat de weg ongebaand en moeilijk zal zijn, wordt bewezen door de talrijke honden, die de man heeft aangespannen. Hoe trouwhartig kijken de koppen van de voorste honden van het span, elk aan een zij van den bode, de wereld in. Het is zulk een goedaardig en verstandig ras, die groenlandsche poolhonden, die in vernuft en ijver voor geen mensch onderdoen en menig kind der menschelijke beschaving in die eigenschappen overtreffen.

Met sneeuw en ijs gaat het troepje worstelen, over scheuren en spleten zal men zich een weg moeten banen, zoodat het een zeer bezwaarlijke tocht zal wezen, nu de voorjaarszon, dat is die van het eind van Mei, het ijs hier en daar heeft opgebroken. Maar de bode en zijn honden deinzen voor geen moeilijkheden terug, beloond als ze zich voelen door de dankbaarheid van diegenen, aan wie zij tijdingen brachten van vrienden en bekenden in de overige wereld, die zoover is van het afgelegen oord aan Groenlands westkust. En ook de berichten, welke hen niet van nabij betreffen, het nieuws uit de dagbladen en tijdschriften, het is aan deze menschen aan den uitersten rand der beschaving zoo welkom, en het is zoo goed aan hen besteed.

Vooral niet minder weten zij het op prijs te stellen dan de eenvoudige boeren uit het afgelegen hoekje in Pruisen, het Spreewald, waar de afzondering in den winter haast al niet minder groot is dan op Groenland. Daar, in de Nieder Lausitz in het gebied van de Spree, is het waterrijke land met zijn plassen, kanalen en rivierarmen, zijn moerassen en bosschen een eigenaardig oord, waar het 's zomers mooi moge zijn en geschikt voor pleiziertochten te water, voor visschen en jagen, maar waar de winter bar is en heel wat last en ontbering voor de bewoners meebrengt.

Het verkeer gaat er te water; doop- en trouwplechtigheden, de kerkgang, het marktbezoek en wat niet al geschiedt per boot, maar is eenmaal het ijs de baas geworden, dan komen er honderderlei bezwaren, eer alles goed en wel voor het winterverkeer is geregeld. In den winter komt er de postbode ook op zijn schaatsen aanzetten en brengt er aan de boeren in de hofsteden aan de vaarten en kanalen nieuws, dat vaak al niet heel nieuw meer is, maar dat voor hen de eenige band is met de buitenwereld.