Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 10
De strijd kon opnieuw weer beginnen, en in de toen volgende jaren wonnen de protectionistische denkbeelden van Melbourne meer en meer terrein. In het begin van de thans loopende zitting van het parlement heeft de regeering de definitieve keuze van een federale hoofdstad als een der hoofdpunten op haar programma staan. Na vele en lange beraadslagingen hebben zich 39 stemmen voor Canberra uitgesproken tegen 33 voor Dalgety.
Maar reeds hebben enkele afgevaardigden ontdekt, dat het district Canberra allerlei plaatsen heeft, die voor hoofdstad in aanmerking komen. Dus zou een nadere aanwijzing wenschelijk wezen. Verder is er nog de Senaat, die er wel op kon staan, dat men Dalgety koos, zoodat de Australiërs over niets meer verbaasd zouden wezen, dan over een besliste keus van een hoofdstad. Toch zou zulk een middelpunt zeer gewenscht zijn als tegenwicht tegen de gevaarlijke neiging bij de groote steden in Australië, om alle levende krachten van het land naar zich toe te halen.
DUITSCHE KOLONIALE SCHOOL.
In Witzenhausen, een klein plaatsje dichtbij Kassel aan de spoorlijn Halle-Noordhausen-Kassel, is nu sinds tien jaren de duitsche academie voor koloniaal onderwijs gevestigd, waar koloniale ambtenaren, »wirthschaftliche Kolonialbeamten« zegt het programma, dus geen bestuursambtenaren, en zelfstandige kolonisten practisch en theoretisch voor hun overzeesch beroep worden voorbereid.
Bij de oprichting waren er tien leerlingen, welk aantal thans tot negentig is gestegen. Bij de tegenwoordige inrichting kan men niet meer leerlingen bergen, zoodat daar de aanvragen ver het aantal beschikbare plaatsen overtreffen, men een keus kan doen uit de meest geschikten. Daarbij wordt vooral gelet op practische hoedanigheden, betrouwbaarheid, talent om met menschen om te gaan, ondernemingsgeest, een goede gezondheid, zoo ver men daarover bij de opneming kan oordeelen. In den loop van den tweejarigen cursus wordt steeds de ontwikkeling dier eigenschappen nagestreefd.
Het is een school met internaat en al wordt er van een Hochschule gesproken, wij denken meer aan een kostschool voor volwassenen, waar we lezen, dat het kostgeld met inbegrip van het onderwijs tot nog toe 1300 mark bedroeg en in 1909 tot 1400 mark zal worden verhoogd. De inrichting krijgt subsidie van de duitsche Kolonialgesellschaft en van het rijk, wat ook wel noodig is, want er wordt nog altijd op de kosten per leerling een niet onbelangrijke som toegelegd. In de vergadering van de Koloniale Maatschappij, gehouden op 4 December verleden jaar, zou de chemicus Moritz Schanz uit Chemnitz mededeelingen doen over de school, maar er was zooveel aan de orde en de tijd was zoo ver gevorderd, dat hij van zijn opdracht afzag. Nu heeft hij die vervuld door een artikel in het maandblad der vereeniging, de Deutsche Kolonialzeitung.
OP DEN UITKIJK.
STANDBEELDEN VAN KONINGEN VAN DAHOMEY
In vroeger tijden hield zich de openbare meening in Europa meermalen met het koninkrijk Dahomey in West-Afrika bezig. Het negerrijkje werd bestuurd door een vorst met onbeperkte macht, die te zijner bescherming naast het gewone leger een sterke lijfwacht van strijdbare vrouwen, van amazonen, onderhield.
Dat was een eigenaardigheid, maar meer nog werd de aandacht gevraagd voor de gruwelijke wreedheden in de zeden van het volk, dat alle mogelijke feesten met menschenoffers vierde. Ten slotte was het met koning Behanzins macht gedaan, toen Frankrijk in het gebied zijn invloed liet gelden; koning Behanzin werd gevangen genomen, naar Martinique verbannen, en in zijn plaats werd een schijnkoning gesteld, die zich naar de inzichten van de vreemdelingen moest gedragen.
Aan het oude Dahomey herinneren thans drie standbeelden, die onlangs als belangrijke aanwinsten zijn verkregen door het Trocaderomuseum, het ethnographische namelijk, te Parijs. Het zijn geen beelden, die de trekken van de koningen vereeuwigen, maar symbolieke figuren. Het eene houten beeld stelt koning Geto voor, die in de jaren 1818 tot 1858 regeerde; het is niet onbeschadigd, want het veeren omhulsel ontbreekt. Op de menschelijke gedaante, die in de opgeheven rechterhand een zwaard zwaait, ziet men metalen plaatjes en spijkers, waaraan de veeren bevestigd zijn geweest, waarmee de figuur oorspronkelijk bedekt was, want de vorst had bij zijn leven den bijnaam van den haan.
Het tweede beeld stelt den opvolger van Geto, koning Glele voor, met den bijnaam van den leeuw. Daarmee in overeenstemming heeft de menschengedaante den kop van een leeuw.
Het derde eindelijk stelt den door de Franschen onttroonden koning Behanzin voor, wien de bijnaam de haai was gegeven. Men kan er een vischvorm met menschelijke armen en beenen in herkennen.
Ter verklaring van deze eigenaardige voorstellingen zijn we aangewezen op gissingen. Maar als men in aanmerking neemt, dat in Dahomey verschillende dieren, als slangen, panters en andere dieren als goden werden vereerd, en dat de koning voor het volk als een soort van god was, dan is het duidelijk, dat de figuren godsdienstige beteekenis hadden.
VAN VAREN EN LANDEN IN DE STILLE ZUIDZEE.
De duitsche rijksmailstoomboot »München«, een schip van 4500 ton inhoud, was van Sydney in Australië gekomen, had Nieuw Guinea aangedaan, toen den Bismarckarchipel, vervolgens Ponape, het hoofdeiland van de Carolinen en naderde nu het eiland Saipan van de groep der Marianen met het buureilandje Tinian. Tinian heeft steile oevers, maar is van boven vlak als een tafelland, terwijl Saipan een hoogen vulkanischen top vertoont. Nadat het schip rondom half Saipan was heengevaren, kwam Garapan in het gezicht, de hoofdstad van het eiland en zetel van het duitsche bestuur.
Aan het strand in de schaduw van kokospalmen stond een lange rij kleine, bruine huisjes, daarnaast een groot wit gebouw, dat nog niet geheel voltooid was, het nieuwe gouvernementsgebouw. De haven van Garapan, door koraalriffen omringd, is alleen voor kleine schepen toegankelijk. Daar bij de nog bestaande onbekendheid met het vaarwater de uiterste voorzichtigheid geraden is, ankerde de postboot twee zeemijlen van land verwijderd in volle zee op koraalbodem, en wachtte de aankomst van een boot van het land af. Er ging een sterke branding, die het voor anker liggende schip in onaangename, rollende beweging bracht.
Daar kwam van achter het rif een boot te voorschijn. Nu eens op den rug van een golf geheven, dan in een golfdal verdwenen voor de blikken van de schepelingen van de »München«, naderde de kleine boot langzaam. Eindelijk was ze nabij. Twee door de zon verbrande blanken met groote spaansche strooien hoeden zaten erin. De Jacobsladder, een touwladder met houten sporten, werd neergelaten, en het tweetal klauterde aan boord, in blijde ontroering om de onverwachte aankomst van de postboot. Want dit was de eerste duitsche postboot, die sinds de inbezitneming door Duitschland er binnenliep, het eerste schip, dat na maanden berichten uit het vaderland bracht.
Nu moesten nog verscheiden kisten en de personen, die mee aan land wilden gaan, in de boot worden overgebracht. Ook dat gelukte, maar met moeite. Onder de naar wal gaande personen was ook professor Robert Koch en zijn assistent, de officier van den staf, dokter Ollwig, die van Nieuw-Guinea kwamen. Nadat hun malaria-expeditie was afgeloopen, hadden ze van Herbertshöhe uit, de hoofdplaats van Duitsch Nieuw-Guinea, de terugreis over Hongkong aangevangen. Dan was er Dr. Georg Wegener, de reiziger in China, berichtgever van een berlijnsch blad op weg van Australië naar China, om over de onlusten in China nieuws aan zijn blad te zenden, en de regeeringsdokter van Ponape, Dr. Girschner met zijn jonge vrouw. Op Ponape hadden ze namelijk met een zeilschoener bericht gekregen, dat op Saipan een boosaardige ziekte, waarschijnlijk lepra heerschte. Daar er op dat eiland niets anders dan een hospitaalbediende, maar geen dokter woonde, was Dr. Girschner naar Saipan gezonden, om onderzoek te doen naar de ziekte.
Het ging goed met de inscheping in de kleine boot, en de moeilijke vaart naar den wal begon. Hoog gingen de golven van den Grooten Oceaan, en om de riffen moest een wijde omweg worden gemaakt, zoodat er twee uur verliepen na de afvaart van het schip, eer allen behouden bij de brug in de haven van Garapan landden. Het was intusschen geheel donker geworden, en daar er in den nacht niet aan een terugkeer naar het schip kon worden gedacht, had de kaptein bepaald, dat de boot bij het aanbreken van den dag naar het schip zou teruggaan.
De districtscommandant Fritz, die met den hospitaalbediende en een politiebeambte op het eiland de duitsche regeering vertegenwoordigde, moest nu zien, voor de gasten een onderkomen te vinden, de post door te kijken, die door het schip was meegebracht, en zoo mogelijk te beantwoorden, en zijn correspondentie voor Europa gereed te maken. De hospitaalbediende was erin geslaagd, des avonds nog twintig door de bedoelde ziekte aangetaste personen bijeen te brengen, daar professor Koch zich voor de ziekte interesseerde. Bij het schijnsel van een lamp bekeek en onderzocht de groote geleerde iederen zieke, en het eindresultaat was, dat men hier te doen had met de in tropische landen zeer verspreide Framboesia tropica. Het logeeren van zulk een aantal gasten was moeilijk, want het huis van den commandant was klein, en het regeeringsgebouw was nog niet klaar. (Het was in 1900). Maar in een tropisch land behelpt men zich gemakkelijk in zulke omstandigheden, en zoo werden in de dorpsstraat eenige ruststoelen naast elkaar opgesteld, en wie geen ander onderkomen had gevonden, nam den vrijen hemel als zijn onderdak. En er werd in de zachte lucht van Saipan in de dorpsstraat beter geslapen dan later bleek, dat de aan boord gebleven passagiers hadden gedaan bij het ongehoorde rollen, dat het schip deed.
Bij het aanbreken van den dag ging men terug naar de »München«, en de reis ging naar Hongkong verder, waar de passagiers en de meesten van de blanke bemanning het schip verlieten. De manschappen zouden door kleurlingen worden vervangen, daar het schip de vaart tusschen Australië en China zou blijven waarnemen. Het nieuw aangemonsterde personeel vormde een ware staalkaart van onze natuurgenooten; er waren maleische matrozen, indische stokers of laskaren, chineesche stewards, en twee Zuidzee-eilanders op proef.
Weer lag de München, nu terugkomend van Hongkong, vóór Saipan voor anker bij het rif. De zee was onrustig, de barometer daalde. Er werd een boot uitgezet, om de post aan wal te brengen. Toen vroeg de scheepsdokter, of hij mee mocht varen; maar de kapitein ried het hem sterk af. Daar wees de dokter erop, dat ondanks het slechte weer toch ook de derde officier en de betaalmeester gingen, wat de kapitein deed opmerken, dat de »München« een rijkspostboot was, en dat de post aan land moest worden gebracht, terwijl de dokter niet, zooals de betaalmeester en de derde officier, ambtelijk aan wal behoefde te zijn. Doch de medicus stond erop en ging mee, nadat de kapitein alle verantwoordelijkheid van zich had afgeschoven.
Hij had den vorigen keer niets van Garapan gezien, en was nu verheugd, toen hij behouden er rondliep en getroffen werd door die idylle in de wereldzee. Dorp en omgeving waren wonderlijk schilderachtig en mooi. Maar de terugtocht zou leeren, dat de kapitein niet ten onrechte had gewaarschuwd. De zee was nog woeliger, en de derde officier kon denzelfden weg niet terug gaan tegen wind en zee. Dus moest de directe weg worden gekozen en dwars door het rif worden gekoerst door de smalle bootspassage.
Met den scheepsdokter waren ook Dr. Girschner en zijn vrouw aan boord, die terug wilden naar Ponape. In de tweede boot, door inboorlingen geroeid, zat de hospitaalbediende van Saipan met de post. Na eenigen tijd waren ze bij de bootspassage, een schuimende heksenketel, overal bruisende branding. Kloekmoedig gaf de derde officier zijn bevelen, en kloekmoedig roeiden de maleische matrozen. De boot werd als een stuk speelgoed heen en weer geworpen in het schuim, dat oogverblindend was, maar eindelijk was men er doorheen en kwam door de zeer hooge zee toch eindelijk bij het schip. Maar het aan boord gaan was een groote kunst bij de sprongen van wel twee meter, die de kleine boot maakte.
Men moest de ladder grijpen op een oogenblik, dat de boot zoowat haar hoogsten stand had bereikt en dan haastig aan boord klauteren. Het liep zonder ongelukken af, maar aan boord had men met zorg het forceeren van de bootspassage gezien en het ergste gevreesd. De postmeester van Saipan, die tegelijk de hospitaalbediende was, leverde aan boord de post af, maar het was al te donker, om hem terug te brengen, dus zou de postboot tot den volgenden morgen blijven en hem zoolang aan boord houden. Helaas, dien morgen was het weer nog slechter, en in de dichte regenwolken was een landing op Saipan onmogelijk, zoodat de postmeester met zijn paar helpers goedschiks of kwaadschiks mee moest varen naar Ponape. Dat werd naar den wal geseind, en op de terugreis van de »München« van Australië zou men hem binnen twee maanden weer van Ponape afhalen en naar Saipan terugbrengen. En zoo geschiedde.
Weer was de »München« op weg naar Saipan, na op Ponape den postmeester en de zijnen weer te hebben opgenomen en weer was bij de aankomst de barometer vallende, het weer slecht en de zee hoog en dreigend. Zelfs nam de wind zoo toe, dat men voor een taifoen moest vreezen. Vanaf het bovendek van het schip zag men tegen waterbergen op, zoo hoog, als niemand zich kan voorstellen, die ze niet heeft gezien. Als een gebergte met steeds veranderende toppen en kammen zoo torenden zich de watermassa's. Het schip stuurde niet meer, het dreef. Daarbij was een deel der steenkolen verschoven, zoodat de boot dreigend helde. De scheepsdokter vroeg aan een der officieren, hoe het eigenlijk met Saipan was gesteld en of men er niet haast zijn moest en kreeg het ontmoedigende antwoord, dat men zoo voortgaande er zeker gauw op ongewenschte wijze op vast zou zitten. De situatie was ver van aangenaam; maar, als men goed bedacht, Saipan was met Tinian erbij niet zoo erg groot en de »München« zou best er voorbij kunnen drijven. Dan plegen de taifoens met verschillende snelheid te reizen, en als deze taifoen er vlug bij was, kon hij voorbij wezen, vóór het schip op Saipan was.
Maar heel best waren de vooruitzichten niet en de postmeester kwam met een bedrukt gezicht den kapitein raadplegen. Zou hij nu waarlijk weer niet naar zijn post kunnen terugkeeren? »Ja«, had de kapitein gezegd, »als het weer zoo blijft, kan ik u niet helpen, dan zal u met ons naar Sjanghaï moeten varen, want ik mag het niet wagen, dan Saipan aan te doen en op een koraalrif of op de rots van Saipan te worden geworpen«.
»En zoo vaar ik maar rond, en weet niet, wanneer ik met mijn helpers weer tehuis kom op Saipan«, zei de postmeester in wanhoop. De dokter troostte hem, zoo goed het ging, maar in stilte hoopte hij, dat in dit weer het heele Saipan maar niet in het gezicht zou komen.
Bij beurten gingen de officieren naar de machinekamer, om de menschen aan te zetten, maar er heerschte onder de indische stokers een lichte vorm van beri beri en ze hadden al van hun arbeidskracht erbij ingeboet. Maar ten slotte gelukte het toch, zooveel stoom te maken, dat het schip weer aan het roer gehoorzaamde en nu ging het over waterbergen en door waterdalen, en het passeerde den taifoen dichtbij het centrum van den storm. Een vol half uur lang waren lucht hemel en water niet te onderscheiden, want het was alles één schuim.
Voor het centrum zelf bleef men bewaard; daar is het volkomen windstil, en de zon kan er zelfs schijnen, maar de zee is er wonderlijk onregelmatig en loopt woest en wild dooreen, zoo dat alles erin kapot gaat. Nu ankerde de »München« den volgenden morgen op de reede van Saipan, die nu aan de windstille zij van het eiland lag. Met de landing ging het voorspoedig. De wederverschijning van den postmeester en de zijnen wekte groote vreugde op het eiland.
REIS NAAR VOOR-AZIË.
De amerikaansche physiograaf, de heer E. Huntington, professor aan de Yale universiteit in Newhaven, Connecticut, vertrekt dit voorjaar naar Voor-Azië, om de streken daar, die geen afvloeiing hebben, en vooral de veranderingen, die ze in historischen tijd hebben doorgemaakt, te bestudeeren. Zijn eerste reisdoel is de Doode Zee; daarna gaat hij naar de Syrische woestijn, verder zal hij de meren in het midden van Klein-Azië onderzoeken en ten slotte gaat hij naar het Wan- en het Oermiameer.
KUNSTWERKEN.
Een kunstwerk is daarom nog niet onsterfelijk, omdat het de tijdgenooten verveelt.
MAROKKO EN DE MOGENDHEDEN.
Bij de vermelding van het feit, dat er overeenstemming over Marokko tusschen Frankrijk en Duitschland is verkregen, en de fransche gezant Regnault aan sultan Moelai Hafid den gelukkigen afloop der onderhandelingen heeft meegedeeld, maakt de Nieuwe Rotterdamsche Courant de volgende opmerking:
Wat moeten de bewoners van Fez wel van de europeesche politiek denken. Vier jaar geleden kwam er een fransche gezant te Fez om sultan Abd-el-Azis met raad en daad bij te staan. De duitsche keizer zond hem een duitschen gezant achterna, die den sultan kwam opzetten tegen den vertegenwoordiger der Fransche republiek, zoo dat deze door de aanwezigheid van den duitschen collega niets bij sultan Abd-el-Azis kon uitrichten. De bewoners van Fez moesten dus den indruk krijgen, dat Duitschland zich opwierp als beschermer van de onafhankelijkheid, die door Frankrijk werd bedreigd. Ongeveer een jaar later--in 1906--krijgen de Marokkanen het bericht, dat Duitschland en tal van andere mogendheden, te Algeciras vergaderd, aan Frankrijk en Spanje hebben opgedragen, de politie in de Marokkaansche havens in te richten. Sultan Abd-el-Azis is daardoor in de onmogelijkheid gesteld, zich tegen de Franschen te verzetten. Hij staat voor de keus, òf heel Europa bevechten, òf zich aan de Franschen, lasthebbers van Europa, te onderwerpen. Abd-el-Azis kiest de eenige partij die mogelijk schijnt en wordt weer de vriend der Franschen. Maar zijn onderdanen denken er anders over en op verschillende plaatsen in het rijk gaan de stammen de vreemdelingen en vooral de Franschen te lijf. Als de Fransche republiek Casablanca bezet, schaart zich het zuiden vaster om Moelai Hafid, die als tegensultan de leiding krijgt van de beweging tegen de vreemdelingen, met name tegen de Franschen. Weer gaat Duitschland een rol spelen. Het wordt alras duidelijk, dat de duitsche regeering den tegensultan, die Frankrijk bekampt, steunt tegenover den wettigen sultan, die zich naar Frankrijk's leiding wil schikken. Abd-el-Azis wordt verslagen. Mede door de houding van Duitschland wordt Moelai Hafid door heel Europa als sultan erkend. Wat is het eind van deze geschiedenis? Nauwelijks heeft Moelai Hafid, de leider der vijanden van Frankrijk, den troon bestegen, of er komt een fransche gezant naar Fez, en de nieuwe sultan ontvangt dezen dwarskijker als zijn trouwsten vriend. En meteen komt het bericht, dat Duitschland zich tegen de reis van dezen gezant niet verzet, ja, dat Duitschland en Frankrijk het nu geheel eens zijn over Marokko en de heer Regnault met volle instemming van Duitschland naar Fez is gekomen.
Het kan haast niet anders of vurige Marokkaansche patriotten, die eerst Abd-el-Azis tegen Frankrijk, en dan Moelai Hafid tegen Frankrijk hebben gesteund, moeten den indruk krijgen, dat de groote heeren in Europa, naar het hun in den zin komt, met Marokko sollen en dat het niet mogelijk is, sultan van Marokko te zijn zonder met de vreemdelingen te heulen.
Met groote heeren is het slecht kersen eten.
NOORDPOOLEXPEDITIE VAN DR. FREDERICK A. COOK.
De Amerikaan Dr. Frederick A. Cook, die aan de belgische zuidpoolexpeditie van de Gerlache deelnam als dokter, ondernam den vorigen zomer een tocht, waarbij hij zich door een walvischvaarder bij Etah aan de Smithsont liet afzetten met het doel, langs de kust van Ellesmereland naar het Noorden te gaan, daar te overwinteren en van Groenland uit in Februari 1908 een sledetocht in de richting der Noordpool te doen.
Men mocht aannemen, dat de amerikaansche stoomboot »Eric«, die in Juli 1908 Peary en zijn schip de »Roosevelt« begeleidde tot aan de Smithsont, Cook zelven of althans berichten over hem zou meebrengen. Nu is de »Eric« inderdaad in September j.l. teruggekomen en had aan boord een der metgezellen van Cook, R. Francke, die het volgende kon vertellen.
Cook had den winter 1907/1908 dertig kilometer ten noorden van Etah in Annortok aan den oostelijken oever van de Smithsont doorgebracht en was den 26sten Februari 1908 met Francke en eenige Eskimo's over de Smithsont naar Ellesmereland gegaan. Nadat den 3den Maart de Flaglerbaai, een der fjorden, die tusschen 79 en 80 graden N.B. van het Oosten in Ellesmereland binnendringen, bereikt was, keerde Francke om en ontving later in Etah een bericht van Cook, meldende, dat deze den 17den Maart bij kaap Hubbard was aangekomen en nu noordwaarts op weg ging, en dat hij midden Juni aan de Smithsont terug hoopte te zijn.
Hij is echter tot midden Augustus, toen de »Eric« Etah verliet, daar niet aangekomen, zoodat de vrees wordt uitgesproken, dat hij verongelukt is.
»Globus«, dat de mededeeling opneemt, maakt de opmerking, dat het de vraag is, waar die kaap Hubbard gezocht moet worden. Als er mee bedoeld wordt kaap Thomas Hubbard, zooals Peary de noordpunt van Axel-Heibergland in het Westen van Grantland op 81.20 graden N. B. noemde, dan zou dat beteekenen, dat Cook op Groenland als operatiebasis niet langer het oog gevestigd had en dat hij zich gewend heeft naar een vrij afgelegen deel van de amerikaansche poolwereld. De afstand van de Flaglerbaai en kaap Thomas Hubbard bedraagt 350 kilometer, die Cook dan in 14 dagen zou hebben afgelegd. Voorloopig mag men aannemen, dat Cook bij den terugtocht naar de Smithsont zich heeft verlaat.
Men kan, helaas, geen nadere opheldering verwachten vóór den nazomer van 1909.
Nu er sedert Juni 1907 niets meer van de expeditie is vernomen, rijzen vermoedens van een ramp. Er heeft zich in de laatste helft van Februari nu een commissie gevormd te New-York, om een opsporingsexpeditie mogelijk te maken. Er zal een som van dertig duizend dollars worden bijeengebracht, om in Juli een schip naar het Noorden te kunnen sturen. De leiding zal in handen worden gesteld van Dillon Wallace en de organisatie zal berusten bij de »Arctic Club of America« en de »Explorers' Club«.
ONDERWIJS AAN INLANDSCHE MEISJES.
Mevrouw De Clercq Zubli-Jacobs heeft in Eigen Haard van 27 Februari verteld van een school voor inlandsche meisjes, door haar te Batoe-Radja in de residentie Palembang opgericht. Zij juicht het toe, dat de regeering thans ernstig het onderwijs voor de inlanders gaat behartigen, maar betreurt het, dat bij alle maatregelen tot verbetering en uitbreiding van onderwijsinrichtingen zoo goed als niet is gedacht aan de ontwikkeling der inlandsche vrouw.