Op den Uitkijk, Jaargang 1909 Bijblad bij De Aarde en haar Volken
Part 1
OP DEN UITKIJK.
VAN DEN OOSTERSCHEN SPOORWEG IN TURKIJË.
Het beslag, dat de Bulgaren gelegd hebben op den spoorweg door Oost-Roemelië, brengt allerlei belangen in gevaar; vooral duitsche en oostenrijksche maatschappijen worden erdoor getroffen. Die Oriënt-spoorweg is als een ruggegraat van alle verbindingen op het Balkan-schiereiland en speelt dus in het europeesche verkeerswezen een groote rol.
Het personenvervoer op deze lijn is zóó geregeld, dat éénmaal per dag de zoogenaamde Conventietrein rijdt en driemaal 's weeks de veelgenoemde Oriënt-express. Het voornaamste verschil tusschen beide treinen is, dat de Oriënt-express langzaam, maar de Conventietrein nog langzamer gaat.
Voor den 655 K.M. bedragenden afstand van Konstantinopel tot Sofia heeft de Oriënt-express 17 uren noodig, zoodat de trein per uur nog geen 40 K. M. doet. De Conventietrein heeft echter nog vijf uren meer noodig. Het langzame tempo brengt dit voordeel mee, dat de wagens bijzonder zacht rijden en zoo weinig schokken, als zelden op spoorwegen het geval is. Ook moet erkend, dat de wagens op deze oostersche lijnen goed en sierlijk zijn ingericht. Alleen in zulke rijtuigen is het dan ook mogelijk, zulke groote afstanden als van Konstantinopel naar Parijs in éénen door in drie-en-een-halven dag af te leggen.
In den regel is het gezelschap, dat men er ontmoet, deftig en verbazend internationaal, en de treinen zijn veelal vol. Eigenaardig is het, hoeveel Duitsch men hoort en ziet in den trein op den langen rit; de opschriften in de rijtuigen zijn duitsch voor een groot deel, en het spoorwegpersoneel, zoowel als de bulgaarsche en Servische tolbeambten, spreken die taal.
Het bestuur over den spoorweg, die Europa met Konstantinopel verbindend, langs hun voornaamste steden Sofia en Philippopel gaat, is een zaak van wezenlijk belang voor de Bulgaren. Toen vooral door de werkzaamheid van den oostenrijkschen baron Hirsch de spoorlijn werd aangelegd, waren de Bulgaren nog gebogen onder het turksche juk en eerst nadien hebben ze zich door de welwillende gezindheid der groote mogendheden en door het verstandige bestuur van den Battenberger en vorst Ferdinand opgeheven tot een zelfstandigheid, die hen nu tot het in beslag nemen van den spoorweg heeft geleid.
Voor ons Europeanen is die spoorweg ook uit toeristisch oogpunt van belang, want hij voert door een met landschappelijk schoon rijk gezegend deel van het Balkanschiereiland. Bij Belgrado heeft de reiziger reeds den drempel van het Oosten betreden, want hoe modern Belgrado er ook uitziet, onder het oppervlakkige vernis is duidelijk het Oosten verborgen, en boven de parken en nieuwerwetsche gebouwen verrijst de oude vesting, zooals de halve maan op de moskeeën staat naast het kruis op de nieuwere christelijke kerken.
Doch de spoorweg werkt krachtig tot de beschaving van Servië mee, en zoo is o. a. ook Nisch thans een stad geworden met breede straten, waarin de turksche bevolking in de laatste tientallen van jaren zich heeft teruggetrokken in een klein stadsgedeelte rondom de moskeeën, en de konak van den pacha wordt nu door den servischen koning bij zijn bezoeken aan Nisch als residentie gebruikt.
Het bergland ten zuiden van Nisch is historisch gebied. Daar streden in de veertiende eeuw de Turken en behaalden hun zegepralen, die het schiereiland in hun handen deden overgaan; daar ziet men nu de ruïnen van burchten en kasteelen, kloosters en kapellen. Pirot is het Servische grensstation, een stadje, waar Serviërs en Bulgaren nog in 1885 vijandig tegenover elkander stonden, want hier overwon vorst Alexander van Battenberg het servische leger, dat bij den aftocht het slot in de lucht liet springen.
Tsaribrod is het bulgaarsche grensstation, gelegen midden in een wondermooie streek. Vanaf den hoogen Dragomanpas reeds op bulgaarsch grondgebied, heeft men een verrukkelijk uitzicht op het Balkanbergland, dat rondom de hoofdstad Sofia zich uitbreidt. De trein vliegt haast al te vlug door naar Sofia op de door bergreuzen omgeven hoogvlakte. Langs dezen zelfden weg trok eenmaal keizer Trajanus naar Sofia, en keizer Constantijn de Groote had er zelfs een tijdlang zijn residentie. Niemand, die tegenwoordig in Sofia komt en er al het moderne opmerkt, zou gelooven, dat de geschiedenis van de stad tot in de eerste jaren na Christus' geboorte opklimt.
De stad lijkt meer op Omaha of Denver en die als uit den grond gestampte steden in de Vereenigde Staten, zoo ruim en grootsch is de aanleg, door den Battenberger ontworpen. Maar de bevolking is daarmee niet in overeenstemming. In de mooie straten met electrisch licht, waterleiding en nette trottoirs zou men deftige équipages verwachten, maar er rijden zware boerenkarren met veevoeder of brandhout, getrokken door ossen of zwarte buffels. Onder de boomen vóór de moderne café's zitten geen elegante dames en heeren, maar op de stoelen aan de kleine tafeltjes hebben stoere Walachen plaats genomen met de broekspijpen in hooge laarzen en bonten mutsen op de ruwe baardige hoofden. In de huizen van drie en vier verdiepingen zou men winkels met spiegelruiten verwachten, waar men de dure waren uit West Europa zou kunnen koopen, terwijl er daarentegen niet anders dan goedkoope kermisartikelen te krijgen zijn. Zonder de menschen is Sofia een luxe stad; zonder zijn huizen is het een slovakisch dorp.
Men kan zich haast niet voorstellen, dat het tot voor weinig jaren de hoofdstad was van een groote turksche provincie en dat het 500 jaar lang zulk een plaats heeft ingenomen. Thans is er van het turksche en de Turken niets overgebleven; van de 80.000 inwoners zijn niet meer dan vijfhonderd Turken.
En binnen hoe korten tijd is al dat turksche verdwenen! Toen generaal Goerko den 4den Januari als de bevrijder van Bulgarije aan de spits van de russische overwinnaars er binnen reed, was Sofia nog een turksche stad. Dadelijk ging men aan het opruimen; duizend huizen werden verwoest; de moskeeën gesloopt of voor practische doeleinden ingericht; andere moskeeën, die al vóór den turkschen tijd kerken waren van de Christenen, werden hergeven aan die leer. Bij vele honderden verlieten de Turken de stad, en toen in het volgend jaar de nieuwe vorst, Alexander van Battenberg, zijn intocht hield, was Sofia nog niet veel beter dan een veld van puinhoopen. Met krachtige energie heeft de nieuwe regeering de moderne stad in het leven geroepen, maar het zal nog lang duren, eer de boeren van het groote land in de voor hen gemaakte lijst passen. De spoorweg en de vrijheid hebben hen nog weinig veranderd, en elken Vrijdagmorgen kan men zich overtuigen, hoe weinig ze nog overeenkomen met hun mooie stad. Nog in Juni komen ze in schaapsvachten gehuld de veemarkt bezoeken met hun producten uit de rijke en vruchtbare streek. Op die markt kan men zich verbeelden in een groote roomsche stad in den carnevalstijd te wezen, zoo bont en verscheiden zijn de kleederdrachten. Er komen dan ook Albaneezen, Armeniërs, Serviërs, Roemenen, Grieken, en Turken en in grooten getale Joden en Zigeuners. De Joden, die een tiende deel der bevolking van Sofia vormen, zijn afstammelingen van de uit Spanje verdrevenen en spreken tegenwoordig nog een spaansch dialect naast hun joodsche taal. De Bulgaren zijn traag en missen ondernemingsgeest, en zoo hebben de Joden den handel aan zich getrokken en zijn er rijk bij geworden.
De drie duizend Zigeuners zijn sjouwers, paardenkooplui, zadelmakers en bezembinders, terwijl ze als metselaars wel de helft van de stad hebben gebouwd en als wasschers wel de helft van alle wasschen bezorgen; maar daarbij is het een verrassend feit, dat de vrouwen, niet de mannen, de huizen bouwen, en dat de mannen, niet de vrouwen, de wasch bezorgen.
De vorstelijke residentie is intusschen het vroegere paleis van den turkschen wali. En in die buurt vindt men den schouwburg, het postkantoor, het officierscasino, de gezantschappen en ministeries en de vergaderzaal van het Sobranje, het Huis van afgevaardigden.
Na Sofia volgt nog een heerlijk berglandschap, dat de trein doorsnijdt, om daarna het dal der Maritza te volgen tot voorbij Adrianopel. Bij Sarambey wisselde vroeger de bulgaarsche spoorwegdienst met den turkschen, want daar komt de lijn in Oost-Roemelië. Na de hoofdstad van die provincie, Philippopel, waar de Turken ook geheel door de Bulgaren verdrongen zijn, wordt het landschap eentonig; langs Mustapha Pacha en het oude Adrianopel wordt dan eindelijk Stamboel bereikt door het vlakke land, waar de groote legers werden uitgerust, die in de 15de en 16de eeuw een groot deel van het christelijke Europa veroverden. Nog altijd is het Westen bezig, den toen wassenden stroom van het Turkendom terug te dringen in zijn bedding, die in Azië ligt, en de oostersche spoorweg is een wapen in dien strijd.
DWARS DOOR HET EILAND BOUGAINVILLE.
De gouverneur van Duitsch Nieuw-Guinea heeft in Juli 1908 als eerste blanke te zamen met prof. Dr. Sapper het duitsche eiland Bougainville van den Salomonsarchipel doorreisd. Het gezelschap trok over het 1500 meter hooge Kroonprinsgebergte en legde den geheelen afstand van 51 kilometer dwars over het eiland af in vijf dagen. De zoogdierfauna van het doorreisde gebied is zeer arm, en ook de vogelwereld leverde minder verscheidenheid dan op Kaiser Wilhelmsland en Neu-Pommern. De vlakte aan de oostkust was rijk aan bruikbare houtsoorten. Op de oostkust van het eiland Bougainville vond men ter hoogte van 600 meter geen bewoners meer, terwijl op de westkust nog op 900 meter hoogte een dorp werd aangetroffen. De westelijke helling van het gebergte was slechts spaarzaam bevolkt, en de bewoners maakten een zwakken en ziekelijken indruk bij hun zeer afgezonderde leefwijze. Wat de taal betreft, vonden de onderzoekers, dat er tusschen de bewoners van de westen die van de oost kust slechts verschil was in dialect. Zonder vijandelijke ontmoetingen met de inboorlingen kon de expeditie haar taak ten einde brengen.
ZIN EN ONZIN.
Wees niet bang, dat men u voor onbeschaafd zal houden, als ge het onverstaanbare niet begrijpt. Niet iedere duister uitgedrukte onzin is diepzinnigheid.
GEBOUW VAN HET OFFICIERSCORPS IN BELGRADO.
De hoofdstad van Servië, Belgrado, ligt tegenwoordig al heel ongunstig en gevaarlijk in de onrustige tijden, die men op het Balkanschiereiland doormaakt. De groote vijand, al van tientallen jaren her, is Oostenrijk, en nu ligt Belgrado onmiddellijk aan de grens van Oostenrijk-Hongarije, dus op de meest blootgestelde plaats. Een eilandje in de Donau, dat bij het congres van Berlijn noch aan Oostenrijk, noch aan Servië is toegewezen, is reeds door oostenrijksche troepen bezet, en de spanning tusschen de naburen neemt steeds toe.
Servië kan het niet zetten, dat Bosnië en Herzegowina nu voor goed oostenrijksch zouden worden en verlangt een strook lands op de grenzen van Montenegro als schadeloosstelling, om zich een uitweg naar zee open te houden door het bevriende Montenegro heen. Ze blaken van krijgshaftigheid, die Serviërs, en in het gebouw van het officierscorps, dat wij hier reproduceeren, vindt die geest redenaars bereid, om hem onder woorden te brengen. De vrienden van kroonprins George, spreken luide hun grieven uit tegen den nabuur, die ten eigen bate zich met de zaken van het Balkanschiereiland bemoeit en hun stamverwanten, de mohammedaansche Bosniërs, die voor een groot deel Serviërs van oorsprong zijn, maar mir nichts, dir nichts annexeert.
Het zoo welgeslaagde bezoek van prins George aan het petersburgsche hof heeft natuurlijk als olie in het vuur gewerkt, en steeds luider klinken de grieven van Servië. De bewoners der hoofdstad voelen zich ver van veilig en er is ernstig sprake van, de regeeringsbureaux en het andere, dat Belgrado tot hoofdstad maakt, te verplaatsen naar een plek, meer binnenwaarts gelegen.
TIJDING OMTRENT ANDREE?
Het moet eigenlijk verrassend heeten, dat niet reeds veel eerder hier of daar berichten zijn opgedoken, dat men op het spoor was gekomen van het lijk van Andree, of van zijn metgezellen, Strindberg of Fränkel. Het is immers al elf jaren geleden dat hij met zijn ballon van Spitsbergen opsteeg poolwaarts en nooit is er iets omtrent hem vernomen, buiten een enkel bericht over het begin van den tocht, terwijl zulke verdwijningen gewoonlijk te eeniger tijd op de verbeelding werken en fantastische verhalen in omloop komen. Thans heeft Andree's verdwijning dan ook zulk een gevolg gehad.
Een kapitein, gedeeltelijk van eskimo'schen bloede, heeft even de wereld in opschudding gebracht met een mededeeling, die hij moet hebben gedaan aan een deenschen scheepskapitein. Deze, kapitein Storm van de schoener Juga, heeft door tusschenkomst van Reuter der wereld kond gedaan, dat kapitein Chalker van het amerikaansche schip, de Pelops, op een landtocht in het Noorden van Labrador bij kaap Mugford een eenvoudig kruis heeft gevonden, waarop de naam »Andree« stond. In den grond onder het kruis lag een lijk en er was een doos met papieren.
Een ander telegraafbureau, dat eens nader informeerde bij kapitein Storm, liggend met zijn schip te Valencia, kreeg een bevestiging van de tijding en kon vaststellen, dat het gevondene op 58 graden N.B. en 62 graden W.L. zou moeten zijn aangetroffen. Het klinkt al dadelijk hoogst onwaarschijnlijk, dat de luchtballon een zoo langen weg zou hebben afgelegd, als de afstand bedraagt tusschen Deneneiland bij Spitsbergen en Labrador, niet minder liefst dan 22 breedte- en 72 lengtegraden.
En dan zijn er wonderlijkheden, als bijvoorbeeld, dat de kapitein vinder de papieren niet zou hebben ingekeken, en niet wou vertellen, of hij ze had meegenomen; dat hij, naar kapitein Storm zegt, hem vroeg, hoe de naam Andree werd gespeld en meer dergelijke vreemdheden.
Het zal wel niet voorbarig wezen, met de zweedsche geleerden prof. Nathorst, kapitein Nilsson en Dr. Ekholm, allen specialisten in zake Noordpoolonderzoek, het bericht voor onwaar te houden.
BRITSCH NIEUW GUINEA.
The Territory of Papua, zoo wordt Britsch Nieuw Guinea, dat deel van het groote eiland, dat dus niet als het geheele Westen aan ons en niet als het Noordoosten aan Duitschland behoort, genoemd in de engelsche ambtelijke bescheiden. Een kaart van het groote gebied is verschenen in de Septemberaflevering van het Geographical Journal en geeft een belangwekkend kijkje op den tegenwoordigen stand van onze kennis van dat deel van het eiland. Voor ons Nederlanders is dat bijzonder interessant, nu wij zoo ijverig aan het werk zijn, om over ons deel van Nieuw Guinea het juiste en ware te weten te komen.
In topografisch opzicht zijn de Engelschen ons, naar het schijnt, vooruit, want zeer talrijk zijn de reizen geweest van de engelsche regeeringsambtenaren, zoodat de verdeeling van het centrale gebergte en die van het rivierennet bekend zijn in het britsche gebied. In de jaarlijksche rapporten werd telkens over die reizen gehandeld. Van drie der ambtenaren worden de tochten op de kaart aangegeven, namelijk van de heeren kapitein F. R. Barton, C. A. W. Monckton en Dr. W. M. Strong.
Belangrijk waren vooral Monckton's reis in het begin van 1906 van Joma aan de Tamatakreek, een zijtak van de naar de noordkust vloeiende Mambare, naar het Albert Edwardgebergte in de hoofdketen en door het Tsjirimadal terug. De hoogste top van het gebergte is volgens hem 4035 meter hoog. In 1907 ging Monckton dan dwars door het eiland ten noorden van het Albert Edwardgebergte, stroomop langs de Waria en langs de duitsch-engelsche grens, over het gebergte en stroomaf langs de Lake-kamu.
Strong heeft veel gereisd ten noordwesten van Port Moresby in het kustgebied en landwaarts in tot den Mount Yule. De kust is vrij dicht bevolkt; in de Puraridelta liggen veel groote dorpen met elk 2000 tot 3000 inwoners. Ook is vrij dicht bevolkt het dal der St.-Josephrivier en het gebied om den Mount Yule; maar elders ligt gewoonlijk tusschen de bevolking der kust en die van het gebergte een dun bevolkte of onbewoonde streek.
Een volksstam, die der Kovio aan den Mount-Yule zijn nog menscheneters. Hun huizen bestaan ieder uit een lang en smal gebouw, dat door dwarswanden in verschillende ruimten is verdeeld. Elk der afdeelingen heeft een eigen ingang en herbergt een familie.
Het moet voor onze Nieuw Guinea onderzoekers van den laatsten tijd, Wichmann, Hellwig, Lorentz, Gooszen e. a. interessant wezen, hun ervaringen en resultaten te vergelijken met die der engelsche exploreerders.
PLAGIAAT.
Soms beschuldigen tooneelschrijvers elkaar wederkeerig van plagiaat, zoodat men niet weet, wie van hen de origineele dief van de stof is.
OP DEN UITKIJK.
EEN UITSTAPJE NAAR DE DIAMANTVELDEN BIJ LÜDERITZBUCHT.
Lüderitzbucht in Duitsch Zuidwest-Afrika lag nog in diepen slaap, toen om zes uur in den morgen de duitsche dokter B. Meltzer zich in de eerste grauwe morgenschemering naar buiten begaf. Hij had het plan een bezoek te brengen aan de diamantvelden. Er was volkomen stilte in de lucht, want de wind steekt nooit vóór even voor den middag op, en alleen van de baai af klonk het eentonige ruischen der nimmermoede branding.
De huizen van één verdieping in het plaatsje steken vreemd af tegen het blauw-groen van de lucht, waar een flauw licht in het Oosten de plaats der opgaande zon verraadt. De schreden van den dokter knarsten in het diepe zand, toen hij het station naderde, als men een loodsje met bedekking van gegolfd plaatijzer zoo mag noemen. Daar heerschte al veel levendigheid; men hoorde het fluiten en stoomen van een rangeerende locomotief, het geluid der tegen elkaar stootende buffers en het roepen der remmers. Op het perron zijn reeds de deelnemers aan den tocht bijeen; er worden begroetingen gewisseld, lachend en schertsend wenscht men elkander een goede vondst, waarna de trein komt en men in de compartimenten klautert.
Thans bemerkt men weer recht, in Afrika te zijn, want ofschoon de trein, die de eenige is voor den geheelen dag, voor de reis naar Keetmanshoop twee dagreizen noodig heeft, heeft men geen kussens in de wagens, of rijtuigen, waarin men zich eens vertreden kan en van restauratiewagens is natuurlijk in het geheel geen sprake. Twee kleine goederenwagens moeten voor alles dienen. De helft van zoo'n wagen heeft een rondloopende bank; de andere helft is voor de bagage bestemd. Een balk dwars voor de opengeschoven deuren aan elken kant moet beletten, dat de reizigers uit den wagen vallen, voilà tout.
Menschen, die wat ervaring in zake reizen hebben, nemen een vouwstoel mee of laten zich, als er plaats is, een bed opslaan in een der echte goederenwagens, waardoor ze voor weinig geld een eigen salonwagen hebben. Wat wil men meer! Veel vijven en zessen heeft men daarginds niet, en van eenige voogdijschap, door het treinpersoneel over de passagiers uitgeoefend, zooals in Europa, is daar geen sprake. Ieder richt zich zoo gemakkelijk mogelijk in, en of hij 25 of 100 kilo bagage heeft, dat doet er niets toe.
Terwijl de trein in wijde bochten de aanzienlijke stijgingen overwint, heeft de dokter tijd, om, met den kraag in de hoogte en stevig gehuld in zijn mantel, want het is koud op de hoogte, zijn medereizigers op te nemen. Het zijn meestal jonge, krachtig gebouwde menschen, gekleed zooals het doelmatigst is bij het rijden over klippen en door doornig struikgewas, een breed geranden, slappen hoed, een grijs of bruin pak van een touwachtige stof, rijbroek en rijlaarzen, en in de hand de onvermijdelijke zweep van nijlpaardeleer. Er was ook een dame bij het gezelschap. Tegenover haar zat een jonge Boerenvrouw met haar man, die naar hun farm teruggaan. Daar ze door een lid van het zendinggenootschap aan den trein werden gebracht, is het waarschijnlijk, dat ze den vorigen dag, een Zondag, hebben gebruikt, om den eeredienst bij te wonen.
Intusschen is de zon opgegaan en plotseling wordt het warm. De trein is al aardig hoog geklommen en rijdt nu tusschen woeste klippen, waartusschen door men met springstoffen voor den weg plaats heeft moeten maken. Het zuidwestafrikaansche kustlandschap heeft het eigenaardige, dat de heuvelketens achter elkaar liggen en dat het de reizigers vermoeit, telkens weer nieuwe heuvels te zien verrijzen, die alle op elkander gelijken. Zoo gaat het 150 kilometer ver, tot op het hooge plateau, waar boomen en grassteppen zijn.
Het reisgezelschap naar de diamantvelden moest te Kolmans Kop uitstappen bij een loods van gegolfd plaatijzer. De grond is daar reeds diamanthoudend. Een reusachtige vlakte strekte zich aan weerskanten van den spoorweg uit, heel in de verte door klippen afgesloten. Men liep over een vrij vasten bodem, want in den nacht was er dauw gevallen, waardoor de bovenste laag van het grofkorrelige zand vochtig was. Tusschen het zand flikkert het van miniem kleine stukjes diamant, zoo klein, dat men ze niet kan aanvatten. De bovenste lagen van dit zand bestaan voor het grootste gedeelte uit edele steentjes, niet grooter dan een speldeknop, topazen, granaten en andere, die in den loop der jaren door het erdoor gevoerde fijne stof tot hun tegenwoordige kleinheid zijn afgeslepen. In deze vlakte vindt men diamanten reeds een duim onder de oppervlakte; als men het zand door de hand laat vloeien, herkent men terstond het glinsteren van het kostbare gesteente.
Hoe het er dieper in den grond uitziet, wie weet het! Een rationeele boring wordt thans beproefd op enkele aan de spoorwegmaatschappij behoorende gedeelten; maar men kan niets zekers vernemen over de resultaten.
Het gezelschap verspreidde zich, omdat ieder op een hem of haar goed lijkende plaats ging zoeken, terwijl de dokter met twee metgezellen verder ging, om een paal en bord in den grond te slaan, waar ze wilden prospecteeren. Tegen betaling van 63 mark krijgt men namelijk van de Kolonialgesellschaft het recht, zich een kring van twee kilometer middellijn uit te zoeken, waar men dan, na opstelling van een aanwijzing, de zoogenaamde Schürftafel, mag zoeken naar diamanten voor den duur van een halfjaar. Blijken de gekozen plaatsen voordeelig, dan moet men voor het exploiteeren van een veld van vijftig vierkante meter 216 mark betalen. Als zij wil, kan echter de maatschappij in plaats van die som ook wel 2.25 procent eischen van de bruto opbrengst per jaar.
De onderneming is niet zoo heel eenvoudig. Daar namelijk de plaats van den paal minstens twee kilometer van dien van een buurman verwijderd moet zijn, moet er geducht opgepast, om een reeds geschonken claim niet over het hoofd te zien. De dokter met de twee gezellen verspreidden zich met een afstand van ongeveer 1 tot 1½ kilometer en gingen exploreeren. Van tijd tot tijd werd de omgeving eens met den kijker afgezocht; reeds meende men een geschikte plaats te hebben ontdekt, daar verkondigt een nauwelijks zichtbare witte vlek ter halver hoogte op een klip, dat ze reeds over vreemden grond liepen. Dus maar weer verder.
Het werd warmer en warmer, en de mantels, de proviand-tasschen en de paal met bord begonnen zwaar te drukken op de vermoeide leden. Maar ze wilden niet rusten, eer ten minste de helft van hun taak was afgeloopen. Daar is weer een veelbelovend dal met grof, blinkend kiezel en blauwgrijze grond, maar ook al weer in de verte de paal en het bord! Terwijl het drietal aan het beraadslagen was, of ze deze of wel die richting zouden inslaan, bemerkten ze in een laagte achter een paar rotsblokken een tent. Spoedig was men ter plaatse. Het waren drie Amerikanen, geoefende prospectors, die al in de Kaapkolonie hun knapheid hebben getoond, en die nu in opdracht van een grondbezitter uit Lüderitzbucht diens grond onderzochten.