Op den Tarn De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 3
Ook deze kapel is een bedevaartplaats. Daarheen trekken op den 19en Juni alle boeren uit de omliggende gemeenten; de herders op de beide causses drijven hun kudden tot aan den rand van het plateau tegenover de kapel; en de priester, staande op het hoogste punt van den St. Gervais, leest een plechtige mis, sprenkelt met den wijwaterkwast naar de vier hemelstreken en smeekt de zegeningen des Hemels af over menschen, dieren en gewassen.
Over het algemeen is de bevolking van deze streken nogal vasthoudend aan oude gebruiken en gewoonten; en daarbij tamelijk bijgeloovig. Deze bijgeloovigheid vindt haar oorzaak voornamelijk in het karakter van het land; bovenal boezemen de talrijke mysterieuse "Avens" den Caussenaar vrees in, een vrees, die leidt tot bijgeloof van allerlei aard. Een "Aven" is een geheimzinnig, duister gat in den grond, waaraan de boeren 500 M. en meer diepte toeschrijven. Daar de plateaux voor het grootste gedeelte uit een kalkformatie bestaan, zijn ze inwendig voorzien van grotten, kanalen en meren; 't hemelwater dringt door 't poreuze gesteente heen en holt dit uit, ook al doordat kalk in koolzuurhoudend water, dus in regenwater, oplost. De door het regenwater gevormde onderaardsche stroomen en plassen geven hun teveel aan de door de dalen stroomende rivieren af door middel van openingen (bronnen) in de zijwanden der causses. Nu is in den loop der eeuwen menig grotgewelf, dat zich niet diep onder de oppervlakte van het plateau bevond, ingestort, waardoor een geheimzinnig, duister gat ontstond. Die gaten noemt men "Avens".
Over deze avens hadden wij menigmaal iets gelezen en ook op onze reis verscheidene keeren hooren spreken, zoodat wij besloten bij den molen Sourbette, waar een voetpad naar boven leidt, onzen weg verder over een causse te nemen, om eenige van die donkere gaten van nabij te bekijken. De eerste aven, waar wij aankwamen, was de Aven Armand, in 1897 door den heer E. A. Martel onderzocht. De opening van zulk een zwart gat van 10 tot 15 M. doorsnede maakt iemand werkelijk angstig en men moet verbazend voorzichtig zijn niet op losliggende steenen te stappen; men zou met steenen en al in de diepte storten en te pletter vallen: de schacht gaat 75 M. loodrecht naar beneden. Men is van plan deze aven voor toeristen toegankelijk te maken. Er moet zich een grotzaal in bevinden, die alle beschrijving te boven gaat, een zaal, zooals geen tot nu toe bekende grot bezit. Men vond er een woud van meer dan 400 rechtopstaande fantastisch gevormde stalagmieten van 1 tot 30 M. hoogte, een woud als 't ware van versteende palmen, hetwelk men met recht "het maagdelijk woud" heeft genoemd.
Wij konden alleen nog maar den ingang zien en begrepen best, dat de onontwikkelde Caussenaar zijn vrees voor die geheimzinnige gaten niet kan afschudden. Zij spreken dan ook met eerbied en diepe bewondering over den heer Martel, die in meer dan honderd van deze avens is neergedaald; bijna iedereen kent hem.
Zeer interessant en onderhoudend zijn de beschrijvingen door hem in zijn werken, vooral in die over de Cevennen, van zijn onderzoekingstochten gegeven. Hij vertelt daarin, hoe hij met zijn neef Gaupillat en eenige vertrouwde, moedige helpers van gehucht naar gehucht over de causses heen en weer trok. Zij vormden een complete karavaan met hun wagens met 500 M. kabel, touwladders, hijschblokken, windassen, bokken, telephoon, apparaten voor magnesium- en electrisch licht, hun twee opvouwbare roeibooten, een volledige inrichting voor kampement met veldkeuken, voor topographie en photographie. Men vroeg hem dan ook wel eens, of hij met een circus reisde; in Millau noemde men hem "de Meneer, die voor de gaten reist." Eens smeekte hem een troepje oude boerinnen, die bij de toebereidselen voor een neerdaling stonden toe te kijken, er toch van af te zien. Toen hij desondanks toch order gaf hem neer te laten, maakten zij een kruis en riepen hem toe: "Je komt er wel in, maar nooit zul je er weer uitkomen."
Zeer groote moeite kostte het hem flinke, degelijke mannen te krijgen om een handje te helpen en desnoods mee neer te dalen.
Een stevige wandeling bracht ons naar een andere aven, de Hure. Hier was de opening anders dan bij de Armand. Wij kwamen aan een gewone holopening in een plooi van het terrein. Dit hol voorzichtig een meter of wat binnengaande, stonden wij aan den rand van de eigenlijke aven. Steenen, welke wij daarin gooiden, kaatsten met veel geraas van wand tot wand. Het eind van den val konden wij niet hooren; het geluid stierf zacht weg.
De boeren beweren, dat deze put 500 M. diepte heeft en op water uitkomt; zij verbeelden zich verder, dat dit water uitloopt in het meertje van de grot Cénarète bij St. Chély, waarover ik reeds schreef. Dat zou een heel eind weg zijn. De heer Martel, die ook hier afgedaald is, constateerde slechts 150 M. (toch nog een aardig gaatje) en stuitte werkelijk op water. Of dit in verbinding staat met het meertje Cénarète is moeilijk uit te maken.
Een overoude legende toont aan, dat reeds in vroeger eeuwen de boeren vermoedden, dat deze avens in verbinding staan met de bronnen, die zich aan de zijwanden der causses bevinden.
Eens liet een jonge herder zijn zweep in de aven de Hure vallen en zijn moeder, die aan de andere zijde van de causse aan den oever van een beekje woonde, vond eenige dagen later de zweep in dat beekje terug. De jongen beloofde haar langs den zelfden weg een schaap te sturen. Dit schaap spartelde op den rand van den afgrond tegen, wat ten gevolge had, dat de herder zijn evenwicht verloor en zelf naar beneden stortte. In plaats van het beloofde schaap vond de moeder het lijk van haar zoon!
Ik moet eerlijk bekennen, dat de avens een angstwekkenden indruk op mij gemaakt hebben. Den nacht na de bezichtiging werd ik door een akeligen droom gekweld en zelfs nu nog krijg ik bij de gedachte aan die duistere, diepe gaten weer kippevel.
De Hure is niet ontstaan door instorting; hier heeft in den loop der eeuwen het afstroomende water zich een weg gebaand en daardoor dezen enormen put geboord. Op die wijze zijn vele andere avens ook gevormd, welke dus te vergelijken zijn met de zoo bekende "orgelpijpen" uit den St. Pietersberg bij Maastricht. De andere ontstonden, als ik reeds zeide, door instorting van een daaronderliggend grotgewelf.
Over de causse vervolgden wij onzen weg naar Meyrueis. 't Is de Causse de Méjean, nog woester dan de Causse de Sauveterre, en er groeit nog minder. Hier kan men eerst recht zien, wat het uitroeien van bosschen tot gevolgen kan hebben. Vroeger moet deze streek tamelijk dicht bevolkt geweest zijn; dat bewijzen de gevonden grotwoningen, de dolmens en de vele ruïnes uit den tijd der Romeinen. Nu zijn de causses bijna verlaten; zij konden haar bevolking niet meer voeden, niet het minst doordat het verdwijnen der bosschen het klimaat ruwer deed worden. De onvruchtbaarheid neemt op de causses, die gezamenlijk een oppervlakte bezitten van ongeveer een half millioen hectaren, zelfs van jaar tot jaar toe. En nu nog verkoopen de boeren op de causses uit winstbejag de weinige boomen, die er zijn, voor de luttele som van een of twee franken per stuk, terwijl het ongeveer van honderd tot twee honderd jaar duurt voor hier een nieuwe boom volwassen is. Wel tracht de staat nieuwe bosschen aan te planten, doch de geiten richten telkens groote verwoestingen aan in de jonge aanplantingen. De domheid der inwoners vooral dus heeft deze streek, derhalve hen zelf, tot armoede gedoemd.
Door het beklimmen en overschrijden der causse hadden wij een grooten omweg gemaakt en de wandeling tot een marsch van 30 K. M. doen worden. Vermoeid, invermoeid kwamen wij te Meyrueis aan. Daar zouden we overnachten om den volgenden ochtend op te breken naar de beroemde grot van Dargilan. Hadden wij onzen weg niet over de Causse Méjean genomen, dan zouden wij deze grot voorbijgekomen zijn. Wij wilden evenwel voor het bezoek, èn omdat het zeer vermoeiend is, èn omdat het een uur of vijf vergt, een afzonderlijken dag nemen en hadden daarom besloten eerst naar Meyrueis te gaan.
Den volgenden morgen togen wij vroegtijdig op weg naar de grot, welke op de Causse Noire aan den rand van de vallei der Jonte op 6 K. M. afstand van Meyrueis gelegen is. De ingang bevindt zich 270 M. boven de rivieroppervlakte. Op een eigenaardige wijze werd zij in 1880 ontdekt.
Een herder zag een vos in een gat verdwijnen en wilde trachten het beest te vangen door het hol uit te rooken. Reintje kwam niet weer te voorschijn. De herder doofde toen zijn vuur, maakte de opening van het gat breeder en kroop in het nauwe gangetje; doch verschrikt keerde hij terug; hij was in een reusachtige donkere ruimte terechtgekomen. Zoo werd de prachtig-mooie Dargilan-grot gevonden.
Niemand durfde zich in de donkere spelonk verder te wagen dan tot in de eerste zaal. Tot weer de heer Martel er bij kwam met zijn volledig materiaal en den ontdekkingstocht voortzette. Aan hem dus danken de toeristen een van de mooiste grotten, die bekend zijn.
Bij den ingang kleedden wij ons in een witlinnen pak, hetwelk ons verstrekt werd om het bederven van de kleeren te voorkomen. Als monniken, ieder met een kaars in de hand, traden wij achter onzen leidsman de donkere ruimte binnen.
Bijna onmiddellijk bij den ingang splitst de grot zich in twee deelen; wij bezochten in den voormiddag de eene helft en de rest des namiddags. Het eerste, wat ons trof, was de mooie zachte ivoorkleur der druipsteenen. Hier zijn deze niet door walmende fakkels met een zwarte roetlaag overdekt, zooals in het grootste gedeelte der grot van Han, waar enkel in de nieuw ontdekte zalen alleen electrisch licht geschenen heeft. In de grot van Dargilan lichten de gidsen bij met magnesiumdraad, dat weldra vervangen zal worden door een electrische installatie. Doch Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd; voorloopig moet er nog hard gewerkt worden om den toerist de vermoeiende passages te vergemakkelijken door het plaatsen van ijzeren laddertjes, leuningen, handvatten, enz.
Van de Groote Zaal aan den ingang, die 120 bij 60 en 35 M. hoog is, daalt men langs een natuurlijke trap van stalagmieten, de Kristallen Trap, af in de Schildpadzaal, zoo genoemd naar een op zoo'n dier gelijkende steenmassa; deze zaal vormt nagenoeg een voortzetting van de Groote Zaal. Hier heeft men echter het reuzengewelf 70 M. boven zich. Ze is een van de vijf grootste grotzalen der wereld. Buitengewoon mooie stalagmieten en stalactieten vormen de twintig grootere en kleinere gewelven, waarin ze den grooten koepel verdeeld hebben.
Tot de meest bezienswaardige zalen behooren de 30 M. hooge zaal der Moskee met haar ragfijne minaret, en bovenal de Kerkzaal, waarin een woud van slanke kolommen met kruisbogen, hoogaltaar, orgels, koren en tribunes, alles in ivoor gebeeldhouwd. Door tegen eenige der neerhangende kolommen te kloppen, liet de gids ons een heerlijk klokkenspel hooren. Zware, zuivere tonen dreunden door de ruimte om over te gaan in het hooge geklep van het angelusklokje, dat langzaam als in de verte wegstierf. De illusie is zoo goed als volkomen; men krijgt de neiging het hoofd te ontblooten.
Dan nog de zaal van den Waterval, zoo genoemd naar een schijnbaar boven een afgrond tot ijs gestolde vallende watermassa; een fijn geciseleerde lustre hangt er aan het 40 M. hooge gewelf. Wanneer daar electrische lampjes tusschen hangen, welke schitterende lichteffecten zal hier dan de doorzichtige druipsteen veroorzaken! Enkele kaarsen gaven er ons een flauw idee van.
Maar dit alles wordt nog overtroffen, wanneer plotseling het magnesiumlicht opflitst en de Torenspits uit het donker oprijst. Een 20 M. hooge alleenstaande stalagmiet! De natuur heeft hier een heerlijk kunstwerk geschapen. Hoe fier staat deze kunstig uitgesneden, als kant opengewerkte en doorzichtige toren, scherp afstekend tegen den donkeren achtergrond. Verrukt blijft men dit zeldzame natuurwonder aanstaren, 't Gezicht er van zou alleen reeds opwegen tegen alle vermoeienis. En moe waren wij. Niet alleen van het klimmen en dalen, ook van het vele schoon, dat te genieten viel.
Een uur of vijf steen op, steen af, nu een helling, waar men afdaalt langs ijzeren pennen, dan weer ladders, hier en daar op handen en voeten door gaten en scheuren, langs en over afgronden, die bij klaarlichten dag zouden doen terugdeinzen, en voortdurend een glibberige bodem; 't is geen kleinigheid, maar--men gaat niet voor zijn gemak op reis. Verwonderen zal het wel niet, dat toeristen met een flink embonpoint zich met een bezoek aan de Groote Zaal moeten tevreden stellen; die is breed genoeg, een goede 60 M.; voor de overige zalen is een niet te groote omvang en eenige turnvaardigheid gewenscht. Toen wij deze opmerking maakten, antwoordde onze gids, toch heel graag onhandige bezoekers te vergezellen. Onze vragende gezichten deden hem er aan toevoegen: "Zij geven groote fooien, te grooter, naarmate wij meer hulp moeten verleenen. Zij tellen voor ons meest dubbel." Gelijk had hij!
Dit bezoek aan de grot van Dargilan was een van de prettigste dagen van onze reis. Tusschen de beide tochten in gebruikten wij de lunch in het houten paviljoentje, dat op den alleruitersten rand van de causse staat. Boven onze verwachting was het eten uitstekend. Men diende ons een dejeuner voor, dat menig eerste klasse prijzen rekenend hôtel in Nederland nimmer op tafel ziet. En dat in een klein houten hutje, eenzaam en verlaten, hoog in de lucht.
Hoe gezellig hebben wij daar zitten babbelen met de gidsen, hoog en droog boven de stille vallei der Jonte. Hoe onderhoudend waren hun verhalen over tochten met den heer Martel, over hun wederwaardigheden en doorleefde angstige oogenblikken. Ernstig peinzend dwaalden dan hun blikken over de Causse Méjean, als wilden zij door de steenen heen zien om de daaronder verborgen geheimen te doorvorschen. De heer Martel heeft van deze eenvoudige mijnwerkers--'s winters werken zij in de kolenmijnen bij Alais en Décazeville--hartstochtelijke natuuronderzoekers gemaakt. Zij vermoeden, dat in de grot van Dargilan nog veel meer gangen en zalen te ontdekken zijn, wanneer men op de juiste plaats door den wand breekt. Ik merkte op, dat dan het bezoek nog langer zou duren. O, aan den toerist dachten zij niet, de natuuronderzoeker en -bewonderaar sprak.
Zij wezen ons aan de overzijde der vallei in den wand van de Causse Méjean de opening van de op wetenschappelijk gebied zoo bekende grot Nabrigas. Uit de overblijfselen daar gevonden heeft men kunnen bewijzen, dat de primitieve mensch hier al leefde in den tijd van den holenbeer en zich toen reeds bediende van aarden vaatwerken. Die ontdekking heeft indertijd heel wat opschudding in de geleerde wereld teweeggebracht.
Onze Nederlandsche taal konden de gidsen niet thuisbrengen. Zij vertelden ons er over geredetwist te hebben wat voor landslui wij toch wel zouden zijn; de een wilde ons Engelsch hebben, de ander Duitsch, tot zij het er zoo half en half over eens geworden waren, dat wij Russen moesten zijn.
Hollanders kwamen hier ook nooit. Vóór ons had dit jaar slechts één Hollander de grot bezocht, de eenige, dien zij zich herinneren konden. Nu zullen er, zonder dat zij het wisten, wel meer geweest zijn, maar dan toch zeer weinige. Daarom hoop ik, dat dit schrijven er toe moge bijdragen, dat zich meer Nederlanders in deze streek zullen wagen; want werkelijk, een bezoek is de moeite en de kosten overwaard.
Onze landslui zijn toch niet bang voor het Fransch? Of wel? Gaan zij daarom liever steeds naar Duitschland, waar zij zich kunnen redden met bijv. "halten sie mein reissakkie es vast?" Dat is toch niet zoo. De meeste Nederlanders leeren Fransch van af hun 7de of 8ste jaar; de grammatica komt er wel goed in; daaraan ligt het dus niet; alleen de praktijk ontbreekt. Welnu, waarom dan niet eens ter afwisseling hierheen getrokken? Men leert andere zeden en gewoonten kennen in een mooi land, want Frankrijk is mooi, en men oefent zich tevens in het spreken der taal.
Na nogmaals in Meyrueis overnacht te hebben, vertrokken wij den volgenden dag zeer vroeg in den morgen per wagen, om over den Mont Aigoual Le Vigan te bereiken, een plaatsje, dat aan het spoor ligt. Onderweg wilden wij een blik werpen op het onderaardsche riviertje Bonheur.
De weg slingert zich omhoog door een dichtbegroeide vallei, waar de dauwdroppels op takken en bladeren in de schuin door het groen brekende zonnestralen schitterden als diamanten. De zon verjoeg den nevel uit het dal der Buhézon, een stroompje, dat zich bij Meyrueis met de Jonte vereenigt. Het poëtisch gelegen kasteel Roquedol werd een oogenblik zichtbaar in zijn donkergroene omlijsting.
Welk een verschil met de cañons van den Tarn en der Jonte! Hier is alles groen. Ook is het landschap levendiger. Wij ontmoetten weder stevige koeien, die zich op haar gemak te goed deden aan malsch gras. In de streek, waar wij doorgetrokken waren, hadden wij alleen schapen gezien, zoekende naar tusschen de rotsen opschietende magere sprietjes.
Nu schenen ons de Cevennen zoo verlaten en zoo onherbergzaam toe, dat wij bijna een onbillijk oordeel velden, vergetend voor een oogwenk, hoeveel natuurschoon wij genoten hadden.
De koetsier hield even stil om ons de gelegenheid te schenken een grootsch panorama te aanschouwen, 't Was of alles nog eens aan ons voorbijtrok: St. Enimie in de diepte, onze bootvaart op den Tarn, het Château de la Caze, het Détroit, het Cirque des Baumes, de Pas de Soucy, de cañon der Jonte, de geheimzinnige avens en het heerlijke tooverpaleis van Dargilan. Toen viel de vergelijking gunstiger voor de Cevennen uit, want van dit alles spraken de naakte causses, die wij gingen verlaten. Zullen wij ze ooit terug zien?
Maar we moesten verder. Korten tijd later kwamen we aan Bout de Cote, waar een wegwijzer ons aanwees, waar wij ons bevonden, en ook ons tot spoed aanmaande. We waren op 1100 M. hoogte, 13 K. M. nog van Camprieu, 20 K. M. van den Aigoual en 51 K. M. van Le Vigan, het eindpunt van den rit, verwijderd.
Langzaam stijgt de weg langs de flanken van den berg Parc aux Loups, die de geheele streek als overheerscht. Hier heeft de staat grooter voldoening van haar aanplantingen; de rotsen zijn weer bedekt met bosschen, waar vroeger kale ravijnen waren; volgens het zeggen van onzen koetsier zijn aldus 500 H. A. rots in boschgrond herschapen.
In Camprieu gekomen, gingen wij te voet het riviertje Bonheur, dat van den Mont Aigoual komt, in zijn merkwaardigen loop volgen.
Ik sprak er boven reeds van, hoe het water op de causses geweldige putten, de avens, heeft te voorschijn geroepen, en hoe de heer Martel pogingen in het werk gesteld heeft, aan te toonen, dat deze avens ondergrondsch in verbinding staan met de in de dalen uitloopende bronnen. Slechts in één geval heeft hem dit mogen gelukken en wel bij de Bonheur.
Vroeger stortte dit bergstroompje zich over den rand van het plateau in een ravijn, dáár door zijn onstuimig water uitgeknaagd; in den loop der eeuwen boorde het zich een weg door het gesteente en verdween onder den grond om 700 M. verder, doch 90 M. lager, in het ravijn te voorschijn te komen en tusschen diens nauwe rotswanden in wilde vaart zijn weg te vervolgen naar het dal, onderweg talrijke watervallen vormend, die met zulk een oorverdoovend geloei neerstorten, dat men hier den stroom Bramabiau, d.w.z. loeiende stier, genoemd heeft.
Tusschen de plaats, waar de Bonheur in den grond verdwijnt, en die, waar de Bramabiau er uit te voorschijn komt, vormt de stroom in de onderaardsche gewelven zeven watervallen, waardoor het groote niveauverschil van 90 M. op den geringen afstand van 700 M. verklaard wordt.
De gids leidde ons eerst door een horizontalen tunnel, die bij den ingang begint, een tunnel, zoo regelmatig als ware hij door menschenhanden gemaakt; die heeft echter zijn ontstaan aan het water te danken, dat vroeger hier door moet hebben gestroomd. Na ongeveer 100 M. afgelegd te hebben, zagen wij de Bonheur onder onze voeten verdwijnen in gaten en spleten, waarin geen mensch haar kan volgen. Na een omweg gemaakt te hebben door eenige parallel met het stroompje loopende gangen, die het water in vroeger tijden hier uitgehold heeft, vonden wij haar terug; wij bevonden ons toen boven den eersten (van den ingang af te tellen) waterval, welke 4 à 5 M. hoog is.
Verder doordringen schijnt onmogelijk; het water vervolgt zijn weg door een 1 à 3 M. breede bedding met glad gepolijste wanden. Volgens den gids is de nauwe spleet 50 M. hoog. En daar zijn menschen doorgetrokken! Maar hoe? De eersten waren--dient het nog vermeld?--de heer Martel met drie zijner makkers. Hoe zij daar zonder eenig hulpmiddel doorheen gekomen zijn, is ons een raadsel. De gids verhaalde, dat zij alle werktuigen, zooals ladders, opvouwbare boot, telefoon, enz. moesten achterlaten, en dat zij, zich met de nagels aan den rechten gladden rotswand vastklemmend, het lichaam tegen den anderen muur gedrukt, zijdelings vooruitschoven, gebruik makend van elke oneffenheid, hoe gering ook, der wanden; of wel schrijlings met tegen iederen wand een voet. Dan weer werkten zij zich zwemmend voorwaarts. Dat alles gebeurde in de diepste duisternis, druipnat, met een kaars, die natuurlijk ieder oogenblik uitdoofde, tusschen de tanden, terwijl zij elkander slechts met moeite konden verstaan door het onafgebroken geraas dat de watervallen tusschen deze overwelfde muren veroorzaken.
Na dit groepje stoutmoedige mannen hebben nog eenige anderen, onder welke ook onze gids, hetzelfde waagstuk volbracht. Wij echter moesten rechtsomkeert maken en stonden spoedig weer in den helderen, warmen zonneschijn. Dat deed ons goed. Maar wij hadden slechts het begin van de onderaardsche rivier gezien; dus nu naar het eind en de zon weer voor een poosje vaarwel gezegd. Een kortstondige wandeling bracht ons aan de Bramabiau, waarvan nu behoorlijk is vastgesteld, dat zij eigenlijk Bonheur moest heeten, al werd het reeds lang vermoed, doch die haar eigenaardigen naam behouden heeft.
Van dezen kant konden wij stroomopwaarts komen tot den 5en waterval, van waar wij bij den schijn van het magnesiumlicht in de verte den 4en konden zien. Van de zeven die er zijn, kan de toerist er dus vijf bewonderen; de twee overige blijven verborgen in de duisternis der diepe nauwe spleet.
Men is bezig kapitaal bijeen te brengen om de geheele onderaardsche rivier voor toeristen toegankelijk te maken; dit schijnt echter niet heel vlot te gaan, wat jammer genoeg is.
Ofschoon het frissche neervallende water tot langer oponthoud noodde, konden wij niet te lang aan de Bramabiau vertoeven, daar wij moesten trachten tegen den middag op den Aigoual te zijn. Dus maar weer op weg!
Een uur later hield onze wagen stil voor de houtvesterswoning op den top van de Sérreyrède (1290 M.), gelegen juist op de waterscheiding tusschen de stroomgebieden van den Atlantischen Oceaan en van de Middellandsche Zee. De regendruppels, die broederlijk te zamen op het dak van deze woning neervallen, worden hier onherroepelijk van elkaar gescheiden; door de linkerdakgoot vervolgen zij hun weg naar de Middellandsche Zee, door de rechter naar den Oceaan.
Het uitzicht was hier niet volkomen; alleen naar het Oosten hadden wij een prachtig vergezicht over de diepe vallei van Vallerangue met de daarin stroomende Hérault, welke op den Aigoual ontspringt; naar het Westen over de geheele Causse Noire.