Op den Tarn De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 2
Tijdens de revolutie, in 1793, ging La Malène in de vlammen op en vluchtte de oude 70-jarige blinde weduwe, geholpen door een herder en een vertrouwden bediende, naar de ruïne en verborg zich in de grot, die toen nog van uit de ruïne te bereiken was. De herder bracht haar maandenlang, ondanks den moeilijken, gevaarvollen weg, dagelijks het noodige eten. Door een valsch alarm misleid, vreesde hij dat de schuilplaats ontdekt was en bracht 's nachts de oude vrouw twee kilometers verder in een andere grot, die op het water uitkomt. Elk spoor werd daardoor uitgewischt. Zij liet op het signaal van den herder, wanneer hij het voedsel bracht, een touwladder af in de rivier, welke zij weer optrok na zijn vertrek. Zoo leefde deze energieke vrouw negen lange maanden eenzaam in een vochtig hol. Zij werd ondanks dit alles 90 jaar, zag alle kinderen en kleinkinderen verdwijnen, en moest ver verwijderde verwanten laten komen om de familiegoederen, die haar door de regeering teruggegeven waren bij de Restauratie, aan hen over te dragen.
Iets verder wees de bootsman ons een grot, waarin in 1793 eenige priesters, die zich daar verscholen hadden, vermoord werden.
Na die grot neemt de cañon een majestueus karakter aan; het is onmogelijk de grillige vormen van de door weer en wind uitgevreten en verwrongen opeenstapeling van rotsen weer te geven in woorden. Twee gehuchten, Colonel rechts, Ganjac links, schijnen ongenaakbaar voor menschen, alleen te bereiken door de roofvogels, die met breeden vleugelslag boven den cañon zweven. Toch wonen daar, ver van het gedruisch der groote steden, menschen, gelukkig en tevreden. Met een hoogmoedigen glimlach zien ze, een oogenblikje uitrustend van hun zwaren, vermoeienden veldarbeid, de barkjes na met stadsmenschen, die diep beneden hen voorbijvaren. Deze twee gehuchtjes liggen daar als schildwachten aan den ingang van het Détroit, het nauwste deel van het Tarndal, waar wij zachtjes onder de overhangende muren door glijden.
Machtig en grootsch is nu de cañon, waar wij doorvaren. De onderste, 100 M. hooge, rotsen staan links en rechts loodrecht in de rivier; de hoogerop iets terugwijkende wanden der beide causses stijgen steil 500 M. in de lucht, waar hun door de zonnestralen rood gekleurde, verbrokkelde randen en punten prachtig afsteken tegen den diep blauwen hemel. Boven is de afstand ongeveer 1000 M., beneden iets minder. Hier ziet men duidelijk, hoe de rivier eeuwen door gestreden heeft tegen de geweldige steenen gevaarten, die haar omknellen. Meters diep heeft zij den steen uitgeschuurd, het schuursel medevoerend, zoodat wij, deze uitholling doorvarend, de blauwe luchtstrook boven ons zien verdwijnen en plaats maken voor een rotsdak. Links en rechts bemerkt men telkens weer nieuwe holen en grotten. Naar het midden van den stroom teruggekeerd, ziet men, scherp zich afteekenend tegen de smalle luchtstrook, hoog boven zich, langzaam en statig eenige gieren zweven, die in deze woeste streken nestelen. Hoe klein voelt de mensch zich bij deze overweldigende natuurtafereelen!
Reizigers, die den nieuwen weg volgen, krijgen deze heerlijke passage niet te zien. Men heeft den weg hier over de rotsen gevoerd om het natuurschoon geen afbreuk te doen, zoodat het mooiste gedeelte van de geheele reis hun ontgaat. Wij betreurden het dan ook niet, de rivier tot weg gekozen te hebben.
Als om het oog afwisseling te bieden, schenken de rotsen na het Détroit een menigte kleine verrassingen, welke ons door den bootsman gewezen werden.
Een rotspoort in de rivier gelijkt op de beroemde Presbischthor in de Sächsische Schweiz, is evenwel kleiner. Zoo zijn er meer treffende overeenkomsten tusschen de dalen van Elbe en Tarn, maar hoeveel grootscher en indrukwekkender is de Tarn!
Iets verder een groote, ronde rots; ze schijnt de beeltenis van Lodewijk XIV met pruik en hoed; in de punten er omheen, zou men hofdames met sleepjaponnen en magistraten in toga's kunnen zien; daartoe behoort echter wel wat veel verbeeldingskracht en een zeer goeden wil. Anders is het bij de volgende fantasie, de "cour des moines" genaamd. Hier staan werkelijk eenige monniken in een kring, de kappen over het hoofd. Duidelijk hebben de rotsen menschengezichten met baarden.
De bootslieden wisselen snel eenige woorden in het voor ons schier onverstaanbare dialect, dat wat gelijkt op Spaansch doordat de uitgang -os heel druk gebruikt wordt. Wij naderen een maalstroom; een paar krachtige stooten brengen ons er spoedig doorheen. Deze maalstroom heeft in den zomer bij lagen rivierstand niets te beduiden en verdwijnt bijna, doch in het voorjaar, wanneer de rivier wast door het toevloeiende smeltwater der op de causses gevallen sneeuw, moeten de visschers oppassen; in het Détroit stijgt de waterspiegel soms meer dan 20 M. Dan zit er een andere vaart in het water, waarop wij nu zoo kalm en vreedzaam verder drijven.
Weinige oogenblikken later beginnen de muren terug te wijken. Wij komen in het Cirque des Baumes, een circusdal, zooals men er in de Pyreneeën zoovele vindt.
Deze kolossale arena meet boven aan den rand 5 K.M. in doorsnede, beneden 3 K.M. De rotsen bieden een schakeering van kleuren en tinten, waarin het rood overheerscht, terwijl wit, zwart, blauw, grijs en geel daar doorheen spelen. Op sommige plaatsen plekken zich tusschen de rotsen opgeschoten struiken donkergroen af te midden van het weelderige kleurenspel. Tegen de zijwanden klimmen de rotsen trapsgewijze 500 M. omhoog tot den rand van de causse; de zonderlingste vormen nemen zij aan, verweerd als ze zijn door regen, zon en vorst. Ook het water van den Tarn heeft zijn invloed doen gelden in den tijd, toen het volgens de geologen hier een meer vormde. De rotsen lijken op kasteelen, torens, bogen, bastions, kathedralen, obelisken, pyramides; onder het spel van licht en schaduw, van tint en lijn, veranderen zij voortdurend van voorkomen; dat alles werkt mede om één grootsch geheel te vormen, dat nooit door dichter of schilder zal kunnen weergegeven worden. Hoe geblaseerd men ook moge zijn, hier dwingt de natuur bewondering af!
Hoog op een soort plateau staat een kleine kapel tegen den rotsmuur geleund; hierheen gaan de Caussenaars ter bedevaart om genezing te zoeken voor oogziekten. Dan laten ze zich de oogen wasschen met water uit de bron, die naast de kapel ontspringt.
Iets hoogerop (370 M. boven den Tarn) is de ingang van een groote grot. In 1888 heeft de heer E. A. Martel o. a. ook deze grot, die vooral uit geologisch oogpunt zeer merkwaardig is, geheel bezocht en er 9 verticale putten ontdekt van 8 tot 30 M. diepte, die alle in een onderaardsch meer eindigen. Hij liet zich daartoe, schrijlings op een dikken tak gezeten, door 5 sterke Caussenaars aan een touw afzakken. Men moet wel den moed bewonderen van een man, die, aan een touw hangend, zich in de donkere ruimte laat zakken, in een gat, waarvan hij de diepte niet kent; het minste verzuim van den kant zijner medewerkers kon hem het leven kosten!
Voor gewone toeristen is de grot niet bijzonder merkwaardig, al acht ieder geoloog een bezoek loonend. Toch is het interessant voor den reiziger, wanneer hij den steilen muur bekijkt, te weten, dat daar achter zooveel mysterie schuilt. De tegenwoordigheid van een meertje op die plaats is op zich zelf reeds geschikt de hoogste verwondering op te wekken. 90 M. diep in een grot en 190 M. onder het plateau der Causse de Sauveterre, dat wekt geen verbazing; maar 280 M. boven het niveau van den Tarn, dat schijnt ons in strijd met alle vroeger geleerde wetten van communiceerende vaten.
De bootsman laat ons niet den tijd te peinzen over de mogelijke oorzaak. Hij vraagt ons te raden, hoe wij nu verder zullen varen. 't Is een raadsel.
Ons schijnt het toe, dat de reusachtige arena aan alle zijden door ongeveer even hooge muren is ingesloten. Rechts, meenen wij te zullen moeten gaan. Mis! de rivier maakt een scherpe bocht naar links. Ieder reiziger, hooren wij, raadt hier verkeerd. Zelfs de doorgang, waardoor wij het dal invoeren, is zonder aanduiding van onzen leidsman niet terug te vinden.
Wij glijden zachtjes den hoek om en meteen is het geheele Cirque des Baumes aan ons gezicht onttrokken; langzaam naderen wij de derde zeer merkwaardige passage, de Pas de Soucy.
De rivier wordt geheel versperd door een chaos van reusachtige blokken, in 't honderd op en door elkaar geworpen. Verder varen is hier een onmogelijkheid en wij stappen dus aan wal. Alvorens van ons afscheid te nemen, wijzen de bootslieden ons eenige bijzonder sterk vooroverhellende rotsen: de Sourde, een reusachtige, zich aan zoekende blikken van zelf opdringende steenmassa; en de Aiguille, een 80 M. hooge, geheel alleenstaande spitse punt. Nog een andere rots trekt bijzonder onze aandacht; 't is een bisschop met een mijter op, die zegenend de hand uitstrekt over het dal.
Een verschrikkelijke catastrophe moet hier plaats gehad hebben; geheele rotsmuren zijn in de rivier neergestort, zoodat het water bruisend en schuimend zich een weg moet zoeken door spleetjes en gaatjes. Vooral in het voorjaar, als de sneeuw smelt, moet het hier zeer onstuimig toegaan; in den zomer echter verdwijnt de rivier bijna geheel en kan men haar schier droogvoets oversteken. Borrelend en kokend herneemt zij 400 M. verder haar bovengrondschen loop.
Verschillende legenden zijn in omloop betreffende de oorzaak dezer verwoesting van het stroombed. Een van de aardigste is wel die van de Heilige Enimie, welke ik in het kort zal trachten weer te geven:
De vestiging van de H. Enimie te Burle had den duivel totaal uit zijn humeur gebracht. In deze nogal ongeloovige streek, waar hij in de vele holen en grotten even zoovele gemakkelijke wegen van en naar de hel had, had hij vrijwel kunnen doen en laten, wat hij wilde. Dat was nu uit. Hij trachtte daarom de heilige te verleiden, maar dat gelukte hem niet. Toen probeerde hij het met de nonnetjes, die danig in de war raakten. De heilige Enimie begreep eindelijk, waardoor zulk een wanorde in haar klooster werd teweeggebracht en verkreeg toen na langdurig en vurig bidden de macht den duivel te ketenen, wanneer hij weer in het klooster zou willen binnensluipen. Maar moeilijk was het, dan den slimmerd te pakken te krijgen! Op een goeden dag werd hij ontdekt en vluchtte daarop langs den Tarn. De H. Enimie joeg hem na. De jacht was lang en afmattend, want Satan kende alle hoekjes en gaatjes op een prik. Eindelijk kwamen vervolgde en vervolgster in het Cirque des Baumes. Daar woonde in een grot de heilige Ilère, de biechtvader van St. Enimie. Dezen was reeds vroeger order gegeven zijn biechtelinge behulpzaam te zijn. De duivel, die dit wist, maakte zich heel klein om minder in het oog te vallen, en daar juist de H. Ilère in het gebed verzonken was, zag en hoorde deze niets. Hijgende en uitgeput bleef St. Enimie aan den ingang van het dal staan; de duivel zou haar ontgaan, want hij was reeds vlak bij de plaats, waar de Tarn buitengewoon diep was door een ravijn, dat zich daar onder water uitstrekte en waarin hij zich gemakkelijk kon laten neerzinken om van daar naar de hel te ontsnappen.
St. Enimie viel op de knieën en geheel haar machtig geloof uitte zich in den kreet: "Te hulp, bergen, houdt hem tegen!" Al de rotsen vielen voorover, maar de duivel, sterk en vlug, weerstond of ontweek de kleinere rotsblokken en zijn voet bereikte reeds den bodem der diepte, waardoor hij ontkomen wilde, toen de rots Sourde over hem heen viel. De Aiguille, door haar lengte niet zoo vlug kunnende vooroverkomen, riep haar toe: "Hebt gij mij noodig, zuster?" Waarop de Sourde antwoordde: "Onnoodig; hij kan niet meer weg!" De H. Enimie hoorde dit en zag den duivel gevangen. Zij wenkte de rotsen maar te blijven staan. Deze verstijfden in hun val en staan daar nu nog voorovergebogen. De rotsblokken, die den Tarn versperren, zijn die van de Sourde. De duivel heeft evenwel een taai leven en is zeer sterk. Hij wrong zich los, ondanks het gewicht van de Sourde, en sloeg, alvorens te ontsnappen, in zijn razende woede met zijn bebloede hand tegen de rots, zoodat een roode handafdruk in den steen achterbleef. Dit teeken aan den voet van de Sourde is bij een groote overstrooming in 1875 verdwenen, doch de rotsen hellen nog voorover en de Tarn wordt nog altijd versperd door rotsblokken.
De geologen zijn het er in het algemeen over eens, dat hier twee steenstortingen hebben plaats gehad, de eene in lang vervlogen, de andere in dichterbij gelegen tijd. Vermoed wordt, dat de tweede een gevolg is geweest van de groote aardbeving in het jaar 580, die reusachtige verwoestingen moet hebben aangericht in de Pyreneeën en de omliggende landen. Dat zou, als 't waar is, overeenstemmen met den tijd, waarin St. Enimie en St. Ilère waarschijnlijk geleefd hebben. Men heeft dan de legende van deze heiligen in verband gebracht met een catastrophe, die een geweldigen indruk op de bevolking moet hebben gemaakt.
Een wagentje, dat speciaal voor de toeristen op en neer rijdt, brengt ons langs den chaos eenige kilometers verder naar het plaatsje Les Vignes, waar de Tarn weer bevaarbaar wordt.
Van Les Vignes voeren weder een weg rechts en een weg links naar en over de causses; 't schijnt hier reeds van oudsher een druk gebruikt overgangspunt en dus een middelpunt van verkeer geweest te zijn, hetgeen de vele dolmens aantoonen en de talrijke vroeger bewoonde grotten, waarin zeer vele voorhistorische voorwerpen gevonden werden.
Van Les Vignes naar Le Rozier, het eindpunt onzer bootvaart, behoeft men met de bark slechts twee uren, doch de rivier stroomt zoo snel en heeft zoovele groote versnellingen, dat de arme bootslieden acht uren noodig hebben om hun leege bark naar Les Vignes terug te sleepen.
Bij ons vertrek uit Les Vignes was de lucht reeds een weinig betrokken en vreesden de bootslieden voor onweer. En jawel, wij waren nog geen 10 minuten onderweg, of daar begon het. Wij vonden het geen onaardige afwisseling, want de vaart kreeg nu iets avontuurlijks. De onweders zijn in deze streek meestal kort van duur, maar ongemeen hevig, en gaan vergezeld van zware slagregens. Bij reizen in bergstreken moet men er op gewapend zijn, en zoo hadden wij dus ook onze voor water ondoordringbare capes bij ons. Onze bootslieden waren zoo goed als onmiddellijk drijfnat.
Het dal is nu wat breeder dan meer stroomopwaarts, en ofschoon er eenige merkwaardige rotspartijen zijn, die ons door den neerslaanden regen ontgingen, is dit deel der vallei niet zoo grootsch als het Détroit met het Cirque des Baumes en de Pas de Soucy. Daar staat tegenover, dat hier de rivier vaker versperd is door rotsblokken en meer versnellingen vormt, waaronder er zijn, die zelfs zeer moeilijk gepasseerd kunnen worden, en die dan ook van de bootslieden langjarige ervaring en groote voorzichtigheid eischen. Kantelt de bark, wat enkele keeren door onnoodig angstmisbaar van dames wel gebeurt, dan komt men er af met een flink voetbad, want juist op de plaatsen, die den schrik wekken, is de rivier zeer ondiep. Maar, zooals gezegd, ongelukken komen maar heel enkele keeren voor. De bootslieden, die op dit deel der rivier bijna allen eigenlijk visscher van beroep zijn, zijn verbazend handig, lenig en sterk, en--zij kènnen de rivier. Zij waarschuwen telkenmale, wanneer er een grootere versnelling te passeeren is. Men bemerkt dit bovendien zelf reeds op een aanmerkelijken afstand door het tegen de rotsen wild opschuimen en uit elkaar stuiven der golven.
Ons verging het hooren en het zien. Boven ons zigzagde onophoudelijk de bliksem door de lucht en onafgebroken rolde en ratelde de donder door het dal. Om ons woelde en spatte het opgezweepte water van den Tarn, terwijl kletterend de regen bij stralen neerviel. In de versnellingen spatte het schuimende water ons om de ooren. De bootslieden hijgden en zwoegden en waren een en al aandacht; de regen verblindde hen; toch geen enkele misstoot. Nu links een stoot, dan rechts een ruk, daarop bogen beiden naar één kant over; de bark schoot met den opgewipten kant over een rots heen. Bij elke versnelling kregen wij golfjes water over; de regen deed er het zijne bij en wij zagen weldra onze handtasschen in de boot ronddrijven. Onze voeten stonden een hand breed in het water; wij bemerkten het niet; ondanks onze capes waren wij over ons geheele lichaam kletsnat.
De voorman greep een hoosblok en begon het water over boord te hoozen. Eensklaps moest hij zijn schepper laten varen (letterlijk!) om vlug zijn stok te grijpen; wij naderden weder een versnelling. Hijgende vroeg hij mij, of ik hoozen kon. "Jawel," zei ik en greep de schep. "Blijf zitten," klonk er tot antwoord, "of wij gaan om!" Juist schoten wij zigzag tusschen in de versnelling liggende blokken door. "Nu kunt U even uw gang gaan." Dan hoosde ik; nu en dan kwam kort en krachtig een bevel om te zitten en dan plakte ik weer neer op de natte bank, om even later opnieuw te hoozen.
Het mooiste deel van den cañon genoten wij bij helderen zonneschijn, zoodat wij het in zijn onvergetelijke kleurenpracht konden bewonderen. Hier, waar het water het moeilijkst en wildst is, troffen wij daarentegen juist onstuimig weer, een weer als waren alle elementen tegelijk in opstand gekomen. Feitelijk hadden wij het niet beter kunnen treffen, al was het gevolg ook, dat wij druipnat aankwamen in het Grand Hôtel du Rozier, dat prachtig gelegen is met een terras aan den oever van den Tarn.
Bij het afscheidnemen merkte een van de bootslieden op, dat wij niet voor den eersten keer uit varen waren geweest. "Nu, dat zou ik ook meenen," antwoordde ik, "wij zijn ook uit het waterland." Ik vertelde hem toen een en ander over ons land, waar wij bijna overal water hebben, de huizen op palen bouwen en waar enkele deelen onder den zeespiegel liggen, enz. Daar zette hij groote oogen van op. Maar toch, zij hadden aan het water uitscheppen wel gemerkt, dat het niet voor den eersten keer was, dat ik een hoosblok hanteerde; meestal kregen zij Parijzenaars in hun boot en dan waren vooral de dames altijd zeer lastig door haar mallen angst. Ook hadden zij wel eens Engelschen gehad, maar met die was het ook geen gezellige vaart, omdat zij doorgaans geen Fransch verstonden.
Zoo zijn zij allen, de visschers van den Tarn; op het eerste gezicht lijken zij bromberen, even ontoegankelijk als hun rotsen; weet men echter het gesprek te leiden, dan komen zij los en verstaan het, door het aanwijzen van merkwaardige punten en door het vertellen van boeiende verhaaltjes en legenden, den tijd te korten. Over het algemeen spreken zij een goed en duidelijk Fransch, zoodat vreemdelingen hen gemakkelijk kunnen verstaan. Alleen onder elkaar bedienen zij zich van hun dialect, wat zij nog zooveel mogelijk in tegenwoordigheid van reizigers uit beleefdheid vermijden, omdat, zooals een der bootslieden mij vertelde, er wel eens toeristen zijn, die zich aan 't gebruik van het dialect ergeren, meenende dat er over hen gesproken wordt.
Zooals ik reeds opmerkte, hadden de bootslieden voor het laatste traject, dat men in 2 uur aflegt, 8 uur noodig om weer stroomopwaarts te komen; één van hen moest dan bij iedere versnelling te water gaan om de boot te trekken. Dit hebben zij nu sinds kort veranderd; de voortschrijdende beschaving heeft ook hier reeds haar invloed uitgeoefend. Zij vereenigden zich namelijk en hebben in Le Rozier een soort kraan gebouwd. Nu lichten zij heel eenvoudig hun bark op een gereedstaanden wagen en laten dezen door een flink stel paarden naar Les Vignes trekken. Zij zelf peddelen op de fiets er achteraan en zijn nu in een uurtje thuis. Mogelijk is dit geworden bij de openstelling van den nieuwen weg, die zeker nog wel meer veranderingen in deze streek zal teweegbrengen.
Le Rozier en het daar tegenoverliggende Peyreleau liggen aan de samenvloeiing van Jonte en Tarn. Veel water vloeit er hier niet in den hoofdstroom, want de Jonte is 's zomers bijna droog. Hier komen drie causses bij elkaar: de Causse de Sauveterre, de Causse Méjean en de Causse Noire. De laatste wordt aldus genoemd naar de hooge denne- en pijnboomen, waarmede haar hellingen begroeid zijn en die er een somber aanzien aan geven.
Le Rozier ligt zoo mooi en het Grand Hôtel, een goed ingericht modern hôtel, ligt zoo rustig en kalm aan de rivier, dat wij den lust niet konden weerstaan er een dagje te blijven uitrusten; de uitkijkjes van het hôtelterras zijn zoo verrukkelijk, dat wij ons zelven niet behoefden te beklagen over het door den staat onzer kleeding eenigszins gedwongen oponthoud.
Den volgenden ochtend maakten wij een tochtje naar het plateau van de Causse Noire; het was wel niet precies, wat men uitrusten noemt, die 400 M. naar boven, maar wij kwamen er toch op, al was het voetpad steil en slecht. Het uitzicht van den rand loonde rijkelijk de moeite. Wij overzagen het laatste gedeelte van de rivier, dat wij bevaren hadden, van het Cirque des Baumes tot aan Le Rozier, en rechts den 20 K.M. langen, kronkelenden cañon van de Jonte. Om ons heen en aan de overzijden der valleien weer de platte, akelige verlaten steenvlakten!
Des middags gingen we er weer op uit; met in het hôtel geleende hengels op de forellenvangst. Nu moet ik even eerlijk bekennen, dat wij nog nooit op forellen gevischt hadden, ja, heelemaal niet veel aan visschen deden. In Parijs heeft men daartoe niet zoo de gelegenheid. Maar wij brachten toch een prettigen middag door. Een paar uur lang klauterden wij onder struiken door van steen op steen om ten slotte thuis te komen met acht heel kleine vischjes, niet grooter dan spieringen. Evenwel, wij hadden de groote forellen gezien, en dat telt toch ook mee!
Den volgenden morgen vertrokken wij met den Alpenzak op den rug door de vallei der Jonte naar Meyrueis. Veel loopen of wandelen schijnen de menschen hier niet te doen; of zij zien de stadsmenschen voor zeer zwak aan. Ten minste men verwonderde zich algemeen er over, dat wij 20 K.M. wilden loopen. Geen inwoner zou dat doen, al is hij nog zoo arm; hij neemt de diligence; de toeristen huren een rijtuig. Het beviel onzen hôtelier dan ook in 't geheel niet, dat wij te voet gingen; hôtelier en wagenverhuurder was hier, als op zoovele andere plaatsen, één.
Ook onze Alpenzakken trokken groote belangstelling. Deze voor den toerist zoo gemakkelijke transportmiddelen--voor de hoogstnoodige bagage en eenigen mondvoorraad--schenen hier onbekend te zijn, en wij zagen menigen glimlach, waaraan wij ons natuurlijk niet in 't minste stoorden. Misschien komt het, doordat men hier het klimaat te warm acht voor voettochten; die worden hier niet gemaakt zooals in Zwitserland en in de Fransche Alpen, doch--menigmaal heb ik het daar heel wat warmer gehad.
Onze overige bagage hadden wij met de diligence vooruitgezonden.
Het dal van de Jonte is regelmatiger dan dat van den Tarn, ook minder woest; doch daarentegen komen hier de prachtige kleurschakeeringen beter uit.
Wij passeerden verschillende bijzonder mooie rotsgroepen, waarvan de St. Gervais het sterkst onze aandacht trok. Reeds in de verte zagen wij de rots als een reusachtig rond kasteel in het dal vooruitsteken; dichterbij gekomen bemerkten wij, dat deze 300 M. hooge top door een ravijn bijna geheel van de Causse Méjean gescheiden is en dus als een geweldige toren zich uit het dal verheft. De acht huizen van het gehucht Douze liggen nietig en klein aan den voet. Boven op het platform staat een oude kapel, omgeven door het eenvoudige kerkhof van Douze.
De bewoners van dit plaatsje brengen hun dooden langs het moeilijke voetpad, dat zich langs de rots omhoog windt, in een zak naar boven, om daar gekist en aan de aarde toevertrouwd te worden.