Op de olifantenjacht in Oeganda De Aarde en haar Volken, 1910
Chapter 2
Er was geen oogenblik te verliezen; de zon daalde reeds snel. Vooruit! De jongen opende den stoet met half gesloten oogen. Hij liep met groote passen; met den stok op den schouder, zoo snel, als ik niet zou hebben gedacht, dat zijn kromme beenen konden loopen. Achter hem liep zijn vader, dan Lado, ik, Aboe-Doema en mijn beide trouwe dragers. We kwamen vlug vooruit; het plateau lag weldra achter ons en we kwamen aan de wilgenbosschen, waarin de olifanten zich bevonden. Overal sporen, in alle richtingen liepen ze door het bosch, en al gauw werden onze ooren getroffen door een geluid, dat ons hart deed opspringen. Daarginds, achter een hoogte, kraakten de takken; de boomen werden gebroken; de struiken schenen te beven onder zware schreden, rauwe kreten gingen op, zwaar gesnork, gesnuif en geproest deed zich hooren, terwijl een scherpe reuk van wilde dieren in wolken om ons opging.
We moesten haast maken; de zon daalde; ze was bijna onder en binnen enkele oogenblikken zou het donker wezen. Plotseling bukten mijn gidsen; op vijftig meter afstands aan dezen kant van de hoogte trokken drie olifanten voorbij achter elkander, twee wijfjes en een mannetje met mooie snijtanden. Terstond greep ik mijn karabijn uit de handen van Lado, die ervan schrikte, en draafde voort evenwijdig met de dieren. Toen ik ter hoogte was van waar ze gekomen waren, op vijftien meter afstands, werd ik door een boschje beschut. Snel een knie ter aarde, en voor de tweede maal wekte de donder van mijn geweer de echo's van het bosch. De beide wijfjes vluchtten met opgeheven en ingerolden snuit, de ooren uitgespreid. De mannetjesolifant wierp zijn kop naar voren, hield den snuit horizontaal en stortte neer. Het bloed spoot uit zijn doorboorde zijde; maar met een uiterste poging richtte hij zich op; een tweede schot scheurde de stilte en hij vluchtte, ging over de hoogte en was uit onze oogen verdwenen. Zijn spoor was met bloed bespikkeld, rood, schuimend bloed; de longen waren doorboord, en hij is veroordeeld. Misschien was hij daar ginds, en wij stapten verder tot den top der hoogte.
Daar bood zich een onvergetelijk schouwspel aan onzen blik. Op 200 meter afstands in een dal stond een groep van een menigte olifanten dicht opeen. In de bosschen hoorden we aan alle zijden de boomen kraken en de takken breken. Donderende trompetstooten deden zich nu en dan hooren, waardoorheen men een doffer en aanhoudender geschreeuw vernam. Het was intusschen geen overhaaste vlucht, zooals ik had verwacht, en met mijn kijker zag ik door de takken lange rijen olifanten alle naar het dal gaan, de verzamelplaats van den heelen troep. Hoeveel zouden er wezen? Vierhonderd, zeggen de inboorlingen; laat ons stellen tweehonderd, en inderdaad was het dal in een oogenblik een verwarde massa van groote, grijze lichamen, die zich in alle richtingen bewogen tusschen opgeheven en hangende trompen, enorme ooren, die open en dicht gaan met nu en dan een vluchtig opflikkeren van een grooten, witten tand.
Daarna scheen het wel, of ze op een wachtwoord handelden, en ze vormden verscheiden rijen, die weggingen, langzaam, in groepen; de moeders met de jongen om zich heen, kleine, vlugge, sierlijke olifantjes. Ze verlieten even de rij, deden een paar schreden en stonden stil, verbaasd over wat er gebeurde, over dien stillen, ernstigen marsch, en hernamen toen hun plaats in de gelederen. En die terugtocht in geregelde orde van die reuzendieren voor een gevaar, dat ze zich boven het hoofd voelden hangen, was werkelijk indrukwekkend.
Mijn slachtoffer moest er zich tusschen bevinden, ondersteund en voortgedreven vermoedelijk door de anderen, want onder alle dieren van de wildernis zijn de olifanten de eenige, die hun gewonden niet aan zichzelven overlaten. Zoo werd mijn olifant ook waarschijnlijk meegevoerd, wankelend en steeds meer bloed verliezend. Er was geen denken aan, nog eens te schieten. De zon was ondergegaan en dadelijk viel de nacht, een afrikaansche nacht zonder maan. Wie zulk een donkeren nacht in Afrika kent, zal begrijpen, hoe onze terugkeer was, en hoe blij we waren, toen de lichten van het kamp te zien kwamen en we Natali's fluit hoorden.
Er bestond voor ons geen twijfel of de olifant was doodelijk getroffen, en den volgenden morgen ging ik met mijn troepje vol vertrouwen op weg. Daar was de plek, waar de olifant gezien was, het spoor van zijn vlucht, het dal en het spoor van de kudde. Wij volgden dat lang, en reeds begon de ontmoediging weer te komen, toen we plotseling om een boschje stappend, tegenover een grijzen berg stonden. Hij was het! Hij keerde ons den rug toe, onbewegelijk, zelfs zonder die bijna werktuigelijke beweging van de oorlappen. Wij zagen wel, dat het met hem gauw gedaan zou wezen, en ik gaf hem het genadeschot, dat het hart doorboorde. Lang nog bewoog de snuit en trokken de pooten, tot eindelijk de kop op zij viel, de spieren van den snuit verslapten, de grijze sluier van den dood over de oogen trok. Eerbiedig hadden wij den doodsstrijd bijgewoond van den reus der wildernis.
Toen werd er gelukgewenscht. Mijn mannen waren uitbundig blij, dat na zooveel inspanning en zoo lange marschen het doel was bereikt en dat hun de belooning niet zou ontgaan. Lado, Aboe-Doema, mijn dragers en de inboorlingen kwamen mij de hand drukken en elk in hun taal feliciteeren. Er werd onderzocht, de wonden werden nagezien, de tanden gemeten en geschat, de ooren opgetild, die enorme ooren van den afrikaanschen olifant. Dan volgde het prozawerk van het ontleden. Lado en de inboorlingen gingen met messen, ijzeren lansen, scherpe pijlen den olifant te lijf. Geheel naakt en met bloed bespat, stonden ze om het karkas en stapelden hoopen vleesch op. De olifant lag in een meer van bloed, een weerzinwekkende vuilnis van maaginhoud en ingewanden, waarin de negers met genoegen waadden, terwijl een jonge moeder er, naar een bijgeloovige opvatting, haar jonggeborene in baadde.
Ik liet Aboe-Doema de snijtanden schoonmaken en sloeg den weg naar het kamp in, terwijl mijn dragers als beschaafde Baganda's geen olifantenvleesch eten en dus met mij mee gingen. Mijn terugkomst was een triomf. Pétéro droeg den staart van den olifant vóór mij uit als de romeinsche lictoren van het antieke Rome den strijdbijl vóór den zegewagen van den overwinnaar. Allen in het kamp kwamen mij gelukwenschen en als ze in de volte niet bij mij konden komen, drukten ze die van Kaoeka en Pétéro, die zich met gratie tot het grapje leenden.
Het was een genot, nu aan de voorbijgegane dagen met hun spanning te denken, en ze werden in de herinnering iets heerlijks, die emoties, de gezonde vermoeidheid, de vreugde van half gebroken in te slapen en den anderen morgen weer gesterkt op het afrikaansche pad te gaan! Hoeveel poëzie is er in dit primitieve bestaan! Hoeveel bekoring in het kampleven!