Op de Levensreis

Part 9

Chapter 93,031 wordsPublic domain

De krijgsman, die in het vuur gaat de kogels tegemoet, doet 't toch vooral in een zekere opwinding, in een vergeten van zichzelf en al het zijne, anders ging hij onmiddellijk terug. Zelfmoord, waartoe naar het gewone zeggen, altijd een soort van moed behoort, komt toch, wèl beschouwd, voort uit een niet-aandurven van het leven met zijn moeite en zijn strijd.

Moed behoort er toe, om, niet in ijdele zelfvergetelheid, maar in fiere zelfbewustheid voor zijn overtuiging uit te komen. En om Jezus' naam smaadheid te lijden, uitgelachen en bespot te worden en toch vol te houden in woord en gedrag dien naam te belijden--dat is de hoogste, ja, eigenlijk de eenige moed.

»De langmoedige is beter dan de sterke,« zegt de spreukendichter; »en die heerscht over zijn geest, dan die een stad inneemt.«

DANSEN

En ze had er zich nog al zoo veel van voorgesteld! Toen haar baljapon van de naaister was gekomen, had ze die over de pop gehangen en er met innig welgevallen naar gekeken. Het was juist de kleur, die hij zoo gaarne zag; op 't laatste concert had hij 't haar nog gezegd. En ze wist ook wel, dat die kleur haar goed stond met haar mooi donker haar en bruine oogen en slanke figuur. Maar bovenal had ze zich er op verheugd hem te kunnen toonen, dat zijn oordeel haar niet onverschillig was.

Ze had moeten belooven de eerste twee walsen voor hem vrij te houden en toen nu kort voor 't bal zijn bouquet van lichtrose anjers was gekomen, had ze in verrukking haar gezichtje diep in de bloemen verborgen.

Maar hoe wreed was ze teleurgesteld geworden! Terwijl ze met haar ouders naar huis reed, moest ze zich op de lippen bijten om niet in huilen uit te barsten.

Geen woord had hij van haar nieuwe japon gezegd. De twee haar verschuldigde walsen had hij plichtmatig met haar afgedanst en haar onderwijl een paar vriendelijkheden gezegd, die haar niets hadden kunnen schelen. Want ze had heel goed opgemerkt, dat hij den ganschen avond met een paar anderen had heengefladderd om de engelsche logée van mevrouw v. H. Zoo'n flirt! En wat of ze toch aan zoo'n kind vonden met haar rood haar en zomersproeten!

Haar vader had reeds een paar maal op zijn horloge gekeken en door enkele hartgrondige geeuwen niet onduidelijk te kennen gegeven, dat de heele boel hem geweldig begon te vervelen.

Ze was dan ook maar blijde geweest, dat er eindelijk een eind aan kwam.

Toen ze met haar ouders wegging, had hij 't niet eens gemerkt en 't liefst had zij de bouquet op de bank in de vestiaire laten liggen. Maar zij wilde de eer aan zich zelve houden, dus gingen de bloemen meê in 't rijtuig.

Daar had ze 't telkens bijna te kwaad gekregen. Gelukkig echter had haar vader voor de noodige afleiding gezorgd door maar steeds te zitten brommen over dat ellendige nachtbraken en telkens te verzekeren, dat dit de laatste maal was, dat hij naar zulke danspartijen meêging: voortaan moest zijn vrouw alleen maar meegaan.

Eindelijk was ze op haar kamer. Ze wierp de bloemen op den eersten stoel den beste, trok haar baljapon haastig uit, lei die achteloos op de sofa en wierp haar flanellen nachtkleed om. Het was niet noodig licht op te steken, want de maan scheen vol in haar kamer. Ze ging voor 't raam staan en staarde naar buiten, waar de tuin dik onder den sneeuw lag, terwijl zij haar tranen den vrijen loop liet----------------------------

* * * * *

Is dat een bladzijde uit den een of anderen roman? 't Kan best, want we hebben hier de noodige gegevens bij elkaar: een knap jong meisje, een ontrouwen minnaar, een brommerigen papa, een bal, bloemen, tranen, ja zelfs maneschijn.

Een bladzijde uit een roman? Ach, het is de bladzijde uit menig, menig levensboek, alledaagsch, als gij wilt, maar is het leven van alle dagen niet alledaagsch?

Wanneer ik eens ging schrijven over 't leed, dat achter de schittering van balzalen verborgen ligt! Wanneer ik eens ging uitweiden over al de ellende, die de ouders hun kinderen berokkenen door ze de uitgaande wereld in te sturen!

»Ik moet wel!« zeide mij eens een moeder, die 't zelve heel naar vond, dat haar kind de wereld inging, maar van oordeel was 't aan haar stand verplicht te zijn. Ik ken ouders, die blij waren, dat ze door de een of andere omstandigheid hun dochter dat jaar nog niet behoefden te laten uitgaan. »Want, ziet u, ze is nog zoo jong, en als ze 't volgend jaar een jaartje ouder is, kan ze er beter tegen.«(!)

Nu willen wij geen lange verhandeling over 't dansen gaan schrijven. 't Zou anders zeer belangwekkend zijn na te gaan, hoe er in de verschillende eeuwen en onder de verschillende volken gedanst is en gedanst wordt. Misschien is dat een vak van studie aan de »dansacademies,« die in verscheidene groote steden van ons lieve vaderland worden gevonden.

Wij zouden kunnen gaan schrijven over het dansen als kunstuiting, en psychologische beschouwingen kunnen vastknoopen aan de symboliek van lijnen en vormen, houdingen en standen. Zoo'n dansende juffrouw, een levend kunstwerk! Wij zouden kunnen spreken over de sierlijkheid van beweging, en onderzoek kunnen gaan doen naar de juistheid van expressie, wanneer innerlijke gemoedstoestanden als vreugde, schrik, twijfel, vrees, wanhoop door uiterlijke lichaamsstanden al dansende uit de sfeer van 't innerlijke in de wereld der zichtbare vormen worden »uitgedragen.«

Wij zouden ook kunnen spreken over de onzedelijkheid van het dansen, maar wij zijn bevreesd voor de verontwaardiging van hen, die ons als vunzige zielen verre van zich zouden terugwijzen, omdat wij 't waagden het reine en verhevene met onze onreine gedachten te bezoedelen! Daar zijn er, die 't dansen afkeuren, omdat 't dansen van Herodias' dochtertje Johannes den Dooper den dood heeft gebracht.

Mij dunkt, dat is nog al gezocht, en 't zal wel niet noodig zijn op dergelijke redeneeringen in te gaan. Allerlei bezwaren, tegen het dansen ingebracht, zouden, vrees ik, precies de tegenovergestelde uitwerking hebben op jonge meisjes, die 't dansen eenvoudig »dol« vinden en zich heusch niet door nurksche opmerkingen daarvan zullen laten terughouden.

Is het dan ook niet heerlijk? Is het niet een gansch bijzonder genot op de maat van een goed gespeelde wals de zaal door te zweven, meêgevoerd als in een maalstroom van kleuren en tonen, gedragen op de vleugelen van meesleepende muziek, den grond nauwelijks aanrakende, levende als in een droom, de oogen half gesloten, de mond tot een glimlach flauw geplooid, indrinkende met volle teugen de zalige bedwelming van 't oogenblik, zich gevende aan de onbezorgde blijheid der jeugd?

Maar is dat alles onschuldig? Het lijkt zoo, maar meestal zijn de dingen niet zoo onschuldig, als zij lijken! Gelooft gij niet, dat de bekoring van een meesleepende wals op menig jong hart een zeer slechten invloed kan hebben? Is zinnelijkheid niet altijd 's menschen gevaarlijkste vijand, vooral wanneer zij zich in zoo verfijnden vorm openbaart?

Daar is zeer zeker menig jonge man en menig jong meisje, die terecht zich diep beleedigd zouden gevoelen, wanneer iemand maar eenigszins aan de reinheid van hun gedachten of bedoelingen twijfelde. We willen dan ook niet nader daarop ingaan en er alleen op wijzen, dat er jonge menschen kunnen zijn, op wie deze dingen een slechten invloed hebben. Maar wij spreken niet over het dansen in het algemeen, maar over alles, wat daarmede in verband staat, en meer bepaald over de bals der uitgaande wereld. Dansen op zich zelf is het onschuldigste werk, dat zich denken laat. Kinderen doen het al, wanneer zij blijde zijn. Als 't dansen was een uiting van natuurlijke blijheid, dan zou ik zeggen: »dans maar zooveel je wilt.« Wanneer ik jonge menschen met elkaar een walsje zie doen, en dan jongens met meisjes, want die zoeken elkaar toch, natuurlijk! dan denk ik gedurig: »men moet toch ook al een principieele brombeer zijn om daarin iets kwaads te zien!« En ik vind het ook geen bewijs van hoogstaande moraliteit om altijd iets achter de dingen te zoeken. Kinderen op de bewaarschool leeren al figuurtjes loopen en »patertje langs den kant« kennen de kinderen al, zoodra ze maar even op hun kleine beentjes staan. En zouden de kinderen, ouder wordende, dat alles niet mogen ontwikkelen?

Maar alles wordt anders, wanneer wij spreken over de bals der uitgaande wereld. Daar zien wij het leven in al zijn uitwendigheid en oppervlakkigheid, daar ontbreekt ten eenenmale, wat aan 't leven zijn eigenlijke bekoring geeft: de eenvoud. De mensch heeft van nature den eenvoud lief. Geef een kind een kast vol mooi speelgoed: zijn liefste stuk zal zijn een geschilderd paard met drie poten, of een gebreide pop met kralen oogjes en zemelende beenen. De ellende der wereld is, dat zij ons den eenvoud afhandig maakt.

De ellendigste dingen zijn kinderbals. Daar wordt de eenvoud der kinderen vermoord. Ouders, die kinderbals geven, beseffen niet, hoeveel kwaad zij daarmede doen! Ik weet van jongetjes van acht jaar, die er heen gingen in miniatuur rokje, ja heusch, en frac! en een bouquet gaven aan hun »dame«, met wie ze »soupeerden«! Is het niet meer dan belachelijk? Het is misdadig, en de eenige verontschuldiging voor de ouders is hun kortzichtigheid. Kinderbals, kinderoperettes en dergelijke nonsens zijn de beste middelen om kinderen in den grond te bederven. Een goede opvoeding moet juist alles doen om den eenvoud van het kind te bewaren. De wereld is er op uit om in de harten van kinderen reeds vroeg de begeerte te wekken naar uiterlijken glans en schijn. En mogen nu Christenouders daaraan mededoen?

En wat is een bal in optima forma anders dan de wereld in haar uiterlijken glans? Dáár dansen de mooiste meisjes het meest en verzamelen de grootste flirten de meeste heeren om zich heen. Dáár blijven de minder knappe als muurbloemetjes zitten, of worden een paar maal uit beleefdheid jegens papa en mama afgedanst. Dáár wordt gewerkt op de ijdelheid der meisjes en van de zwakke zijde van het vrouwelijk geslacht op de meest brutale wijze partij getrokken. En nu is er, dunkt mij, niets weerzinwekkenders dan wanneer men anderer zwakheid gebruikt tot eigen vermaak. Heeren, op wier zedelijk leven veel, zeer veel is aan te merken, dansen daar met fatsoenlijke, hoogst-beschaafde meisjes, omdat zij over al de middelen beschikken om »zoo'n onschuldig kind« onder hun bekoring te brengen, en er zijn ouders, die ze een goede partij voor hun dochters vinden bovendien, omdat zij van goede familie zijn en geld hebben. En hoe zijn de gesprekken?

»Maar gij moet niet denken, dat wij op een bal ook niet over ernstige dingen spreken«, zeide mij eens een jong meisje. Ik merkte op, dat deze verzekering de scherpste veroordeeling van de oppervlakkigheid der bal-conversatie was.

Neen, laten wij 't maar eerlijk bekennen, in een balzaal weten wij eigenlijk niet, wat wij met ons Christendom zullen aanvangen. Wanneer wij als lidmaten der gemeente bevestigd worden, belooven wij de wereld te zullen verzaken. Die weet, wat deze gelofte inhoudt, weet ook, dat de balzaal de meest typeerende vorm van de wereld is, en weet dus, dat hij zijn Christendom moet uitschakelen, wanneer hij daar echt wil »genieten«.

»Maar dan is er zooveel »genot«, dat in strijd is met het Christendom!«

Misschien wel, maar wij hebben 't nu alleen over het gaan naar het bal.

»Dus mag ik niet naar een bal gaan?«

Mijn vriend, dat moet gij zelf weten. Het Christendom geeft geen uitwendige geboden. Als Jezus Christus ons bepaalde leefregels gaf, zou 't wel gemakkelijk zijn een Christen te wezen, maar dan had 't Christendom geen waarde, omdat het de kern onzer persoonlijkheid niet raakte, maar alleen den uitwendigen kant van ons leven. Nu moet echter ieder zijn eigen levensproblemen doorworstelen. Gevoelt gij u thuis in de balzaal, ga er dan heen, als gij lust hebt, maar beklaag u dan later niet, wanneer gij daar banden hebt aangeknoopt, die uw geheele verdere leven blijven knellen! Hoevele engagementen worden in de uitgaande wereld gesloten, die tot huwelijken leiden, waarin langzamerhand de uitwendige glans gaat verdwijnen, en de koude en duistere werkelijkheid zich met beangstigende duidelijkheid openbaart.

Zouden er veel engagementen zijn, die in de binnenkamer met gebed zijn begonnen? Als gij werkelijk den Heer wilt dienen, kunt gij dan den voornaamsten stap van uw leven wel anders dan met het oog op God doen? Eén ding is zeker: hoe teerder uw gemeenschapsleven met den Heer wordt, des te minder zult gij u in de wereld op uw plaats gevoelen. Dan wordt het verzaken van de wereld geen moeilijke plicht, maar levensvoorwaarde en levensbehoefte. Hoevelen hebben door lijden en teleurstelling den ernst van het leven geleerd. Eigenlijk moeten wij allen door lijden en teleurstelling den ernst van het leven leeren. Maar er wordt zooveel leed en teleurstelling ondervonden, die niet noodig waren! En wanneer ik aan die walsende wereld denk, ronddraaiende in den wervelwind der dansmuziek, komt onwillekeurig mij het beeld van den lijdenden Christus voor oogen, en is het mij, of ik zijn stem hoor, die zegt: »ach, hoeveel zullen die arme menschen nog moeten leeren, voordat zij in mijn kruis hebben gevonden de redding hunner zielen!«

TOT ZICH ZELVEN GEKOMEN ZIJNDE

(Lukas 15: 17a)

Met dit woord teekent Jezus den ommekeer in het zieleleven van den verloren zoon.

Toen deze, jaren geleden, eigen meester had willen zijn en gevraagd had, »het deel des goeds, dat hem toekwam,« had hij zich gevleid, dat hij zichzelf wilde zijn. Toen hij, in het bezit gesteld van wat zijn deel was, zich bekneld was gaan gevoelen binnen de muren van het ouderlijk huis en belemmerd onder het oog van zijn vader en van zijn werkzamen broeder, had hij gemeend, dat hij, buiten dat huis en zonder dat toezicht, zichzelf zou kunnen zijn. En toen hij, alles bijeen vergaderd hebbende, weg kon reizen, ver weg, naar een vergelegen land, ja, toen kreeg hij de kans om zichzelf te zijn; toen dronk hij de teugen van de vrijheid gretig in, toen sloeg hij de vleugelen van de vrijheid wijd uit, toen was hij, naar hij meende, zichzelf. Zichzelf was hij immers, toen hij »overdadiglijk leefde«; zichzelf, toen hij, tegen den komenden nood, zocht naar werk; zichzelf, toen hij, aangewezen op zichzelven, er zich wel doorheen zou slaan; zichzelf, toen hij, het onreinste werk niet schuwend, »zich verhuurde bij een van de burgers van het verre land, om de zwijnen te hoeden?« En in dien waan van zichzelf te zijn, was hij, de rijke zoon van den rijken vader, ten slotte de jammerlijke caricatuur van zichzelven geworden, vermagerd van lichaam, bedekt met lompen, veracht en beleedigd door die hem omringden.

En toen, eindelijk, uit een woord, uit een blik, het hem bleek, dat hij, naar de schatting van zijn meester, minder waard was dan een zwijn, toen, op-eens, kwam uit verre verte, het huis zijns vaders hem voor den geest. Het huis zijns vaders, dat hem eens van walging had vervuld, omdat het hem belet had zichzelf te zijn. Maar dat nu hem begeerlijk toescheen, bekoorlijk, betooverend.

Toen kwam hij tot zichzelven. Toen ontdekte hij, dat hij zichzelf niet was geweest, al dien tijd, onder al die gedachten, bij al die woorden en al die daden. Zichzelf niet, bij al die onafhankelijkheid, al die gulheid, al die macht om zichzelf te redden, al die verkwisting, al die werkkracht. Zichzelf niet, in die lompen, bij die zwijnen, onder dien kommer, bij dien knagenden honger.

Want, diep in zijn ziel, was hij nog altijd het kind van zijn vader. En niet, dan nadat hij, teruggekeerd in het huis des vaders, weer zou deelen in den overvloed van brood, die daar heerschte, maar dan ook onder toezicht, dat hij noodig had en gebonden aan den wil zijns vaders, die immers een wil was vol wijsheid en na werk, dat trouw moest zijn volbracht, zou hij zichzelven kunnen terugvinden en volkomen zichzelf worden.

* * * * *

Menig jeugdige van jaren verbeeldt zich, dat het geheim om zichzelf te worden, schuilt in het zich uitleven. Zich uitleven, een leelijk woord voor een nog veel leelijker zaak.

Maar wie »zich uitleeft« leeft buiten zichzelven.

En verliest ten slotte zichzelven.

En soms is, als bij den verloren zoon, een stroom van jammer noodig, om ons uit onzen waan te wekken.

Als dan die ellende nog maar uitwerkt, dat ook wij »komen tot onszelf.«

+--------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: brandstof zou vinden, Wie eerst | | C: brandstof zou vinden. Wie eerst | | B: Dit wìst Jezus, | | C: Dit wìst Jezus. | | B: ze het niet kuunen; dat de | | C: ze het niet kunnen; dat de | | B: opleggen. om te kunnen | | C: opleggen, om te kunnen | | B: hoeveel bijge-geloof er heerscht | | C: hoeveel bijgeloof er heerscht | | B: niet wisten dat ze dit deden. | | C: niet wisten dat ze dit deden.« | | B: »de Schepping« bedoel ik« | | C: »de Schepping« bedoel ik.« | | B: ten Kate in Amsterdam. | | C: ten Kate in Amsterdam.« | | B: niemand;?« wou jij zeggen | | C: niemand? wou jij zeggen | | B: zichzelf gemaakt heeft? | | C: zichzelf gemaakt heeft?« | | B: voort. Oordeelt u er zelf | | C: voort. »Oordeelt u er zelf | | B: Wat al kreeten.... | | C: Wat al kreeten....« | | B: laatste regel? »'t Was een halve | | C: laatste regel?« »'t Was een halve | | B: kreeten.... | | C: kreeten....« | | B: Juist, valt de ander in; dan kan | | C: »Juist,« valt de ander in; »dan kan | | B: zijn vonklend stargewemel.... | | C: zijn vonklend stargewemel....« | | B: derde vertellen: luister maar | | C: derde vertellen: »luister maar | | B: naam des Scheppers noemen; | | C: naam des Scheppers noemen;« | | B: bij laag nêerhangende regenwolken, | | C: bij laag neêrhangende regenwolken, | | B: 's morgens in de stad zijn, | | C: 's morgens in de stad zijn. | | B: nog even mêegaan naar de | | C: nog even meêgaan naar de | | B: dat zie doen (Joh. V=19). | | C: dat ziet doen (Joh. V:19). | | B: hem wordt betreden, Gansch Kanaän | | C: hem wordt betreden. Gansch Kanaän | | B: de dokter.« »Hij geeft | | C: de dokter. »Hij geeft | | B: jong n zijn zin geven« | | C: jongen zijn zin geven,« | | B: praktijk. Zijn patienten | | C: praktijk. Zijn patiënten | | B: Christus' moet wassen. | | C: Christus moet wassen. | | B: afgesneden worden, Want de | | C: afgesneden worden. Want de | | | +--------------------------------------------+