Op de Levensreis

Part 8

Chapter 84,007 wordsPublic domain

In dezen tijd wordt Jeanne d'Arc geboren, in 1412 te Domrémy, een dorpje aan de grens van Lotharingen. Zij is in dienst van haar armen vader, en hoedt de schapen. Jeanne is een vroolijk kind, en ook kinderlijk-geloovig. Zij kan lachen, maar zit ook soms lang te peinzen. Met eigen oogen ziet zij de ellende van haar land, zij hoort van den Engelschen vijand en den ongelukkigen koning; maar zij leeft ook nog in eene andere wereld, de wereld van haar geloof.

Oppervlakkige menschen, welke te laag leven om het boven-natuurlijke te kunnen zien, hebben van haar een dweepster gemaakt, maar hare tijdgenooten zijn soms verbaasd over haar nuchterheid. Nog nooit heeft een dweepend mensch zulke verstandige dingen gedaan als zij, die krijgsplannen ontwerpt met heusche generaals aan hare zijde, die in den strijd als een echte veldheer leiding geeft, die voor hare rechters in volle kalmte en groote scherpzinnigheid zich verdedigt.

Als jong meisje heeft zij hare »stemmen«. Die spreken haar van eene taak. Zij moet Frankrijk gaan bevrijden. Zij verzet zich. Evenals alle ware profeten roept zij uit: zend mij niet! Maar zij moet gehoorzamen. En ook deze profeet ontmoet den tegenstand van den eigen kring, van ouders en vrienden. Zij zet door, want zij moet de stem des hemels gehoorzamen. En wanneer zij eindelijk bij haren koning, bij Karel VII is, weet zij ook hem te overtuigen van hare goddelijke roeping; zij trotseert alle tegenwerking van de hofpartij, van het legerbestuur, van de priesters, en zij krijgt een leger, waarmede zij de haar opgedragen taak kan gaan vervullen: haar vaderland bevrijden van den vijand, haar koning op den troon brengen.

Het optreden van deze jonge vrouw is een wonder.

Wanneer de hevigste tegenstand van de leiders is gebroken, groeit de geestdrift van het volk. Zij is als Debora, van wie het boek Richteren ons verhaalt. Zij verzamelt de dapperen, zij geeft het teeken tot den strijd, zij bezielt en voert aan. Haar invloed is natuurlijk ook reinigend: in haar leger verstommen de vloeken en wordt weder gebeden. In het bijzijn van eene hoogstaande vrouw wordt de atmosfeer zuiver. Een wonder is haar moed. Zij neemt zelf deel aan den strijd, en haar paard rent vooruit. Met 3000 man komt zij in Orleans, de door de Engelschen belegerde stad. Na hevige gevechten, dikwijls bijna verslagen, overwint deze troep, omdat Jeanne d'Arc volhoudt en van geen wijken wil weten. De Engelschen worden verjaagd en Orleans is bevrijd.

Dan strijdt zij om haren koning gekroond te krijgen. Ongelooflijk is het te lezen, hoe zij allen tegenstand overwint, en ten slotte met Karel VII te Reims komt. Het is de dag harer glorie, wanneer in de oude Kathedraal Karel VII op plechtige wijze wordt gekroond. Zij staat naast hem, in krijgsdos, met haar vaandel omhoog geheven. Maar de taal van haar zwaard en haar harnas staat geschreven op haar vaandel, in deze beide woorden: Jésus, Maria. Voor haar is de strijd eene hemelsche roeping, zij strijdt niet om buit, om eer, niet voor zichzelf, zij strijdt voor Jezus, die haar land wil maken tot wat het zijn mag: een vaderland. Zij voelt zich een met de vrouwen, die in Maria zien haar ideaal; want Maria heeft geluisterd naar Gods stem, Hem gehoorzaamd, en geleefd voor de zaak van het Koninkrijk Gods.

In zeer korte trekken heb ik de geschiedenis der overwinning van Jeanne d'Arc beschreven; ook haar nederlaag, daarna, beschrijf ik met slechts enkele zinnen.

Na de glorie komt de vernedering. Zij krijgt haar koning niet met zich mee; degenen, die haar trouw schuldig zijn, laten haar in de steek. Zij verliest. Eindelijk weten de Engelschen haar te vangen, zij sluiten haar op in de gevangenis, dan brengen zij haar op den brandstapel.

Maar haar ideaal is ten slotte, zonder haar, toch vervuld: Frankrijk heeft de Engelschen verjaagd. Zooals de geschiedschrijver het uitdrukt: »het zelfstandig volksbestaan van het Fransche volk en de naam van Jeanne d'Arc, deze twee kunnen nooit meer gescheiden worden.«

* * * * *

In Jeanne d'Arc's leven is het bovennatuurlijke, dat wat van ieder leven de echte rijkdom is. In haar leven openbaart het zich op bijzondere wijze. Laten wij nu niet alleen letten op dat, wat Jeanne d'Arc onderscheidt van ons, maar verbaasd zijn over de kracht, die te voorschijn komt uit een leven, dat gelooft, en zich nu gehoorzaam overgeeft aan de leiding van God.

Wij hebben te veel het gevoel, dat voor een bijzonder leven bijzondere dingen noodig zijn, als bijvoorbeeld een stem uit den hemel, of een gansch ongewoon talent, en ondertusschen komen zoovelen om in het alledaagsche van het leven! Vinet zeide: »l'extraordinaire est le caractère de la vie chrétienne«. Jeanne zeide als kind, dat zij in het luiden der kerkklok de eeuwigheid hoorde. Die kerkklok is toch in ieder leven wel, als er nu maar ooren zijn om te luisteren! Wie aldus zijne ooren oefent, krijgt zulk een fijn gehoor, dat hij stemmen hoort, op hetzelfde oogenblik, dat een ander niets verneemt.

Men begrijpe mij goed: ik redeneer het wonder niet weg uit Jeanne d'Arc's leven; ik getuig alleen maar, dat het wonder komt, als eene gave Gods, tot menschen, die in staat zijn op nog iets anders te letten dan op stoffelijke dingen, en naar iets anders te luisteren dan naar de eigen gedachten. De voorwaarde voor het ontvangen van groote dingen ligt voor een aanzienlijk deel in het open zijn van onze oogen en ooren, en in onze houding. Er is in het leven van Jeanne d'Arc een beginsel van groote beteekenis, dat eigenlijk kinderlijk eenvoudig schijnt, maar tot daden brengt, die overwinningen zijn. Het is dit beginsel: wat zijn _moet_, wat gebeuren _moet_, is de zaak van Christus. Dat is de getuigenis van haar vaandel: Jésus! Het is Zijn zaak!

Hoe veel sterker zou ons leven worden, wanneer wij dit konden gelooven! Nu blijft er zooveel onbereikt, zoovele idealen worden prijs gegeven, zooveel jonge energie wordt door machteloosheid verlamd, omdat men niet verstandig genoeg is--gelooven is ten slotte weer verstandig zijn!--om Hem de leiding te geven, die de macht heeft de overwinning te brengen.

De Engelsche schrijver Chesterton zet Jeanne d'Arc naast Tolstoi en Nietzsche. Er behoort durf toe dit te doen; mag een kind wel binnenkomen in het gezelschap van zulke geweldige reuzen?

In onze jonge jaren bewijzen wij, weinigen ontkomen er aan, onze eerbiedige hulde aan Nietzsche; heerlijk die reuzenkracht! heerlijk die voor-niets-terugdeinzende woede! heerlijk dat smalen op alles wat gewoon is!

Later komt bij velen de bewondering van Tolstoi. De ernst breekt door in ons leven; wij willen iets absoluuts; wij zien overal schijn en leugen, wij dweepen met het ongewone.

Zijn wij verder gekomen, dan zien wij de meerdere grootheid van Jeanne d'Arc.

Chesterton zegt het zoo goed: ik dacht aan al wat edel is in Tolstoi, aan zijne vreugde in eenvoudige zaken, vooral in eenvoudig medelijden, in de werkelijkheid der aarde, in den eerbied voor de armen, in de waardigheid van den gebogen rug. Jeanne d'Arc bezat dat alles, maar daarbij ook nog deze zaak, dat zij niet alleen armoede bewonderde, maar ook armoede leed, terwijl Tolstoi slechts een gewoon aristocraat is, die het geheim der armoede tracht na te vorschen. En ik dacht aan alles, dat stoutmoedig en grootsch en pathetisch was in den ongelukkigen Nietzsche, en aan een verzet tegen de ledigheid en vreesachtigheid van onze eeuw. Ik dacht aan zijn kreet om het zielsverrukkend evenwicht van gevaar, aan zijn honger naar het hoefgetrappel van zware strijdrossen, aan zijn oorlogskreet. Maar Jeanne d'Arc bezat dat alles, en wederom met dit verschil, dat zij den krijg niet prees, maar krijg voerde. Wij weten, dat zij niet vervaard was voor een leger, terwijl Nietzsche misschien bang was voor een koe. Tolstoi prees slechts den boer; zij was boer. Nietzsche prees slechts den strijder; zij was strijder. Zij overtrof beide in hun eigen tegenstrijdige idealen; zij was zachtaardiger dan de een, geweldiger dan de ander. Toch was zij een volkomen praktisch persoon, terwijl de anderen ijdele droomers zijn, die niets doen.

Tot zoover Chesterton. In Jeanne d'Arc's leven is niet alleen eene gedachte, maar ook een daad. Die gedachte heeft op 't eerste gezicht iets onvrouwelijks. Maar wie dieper ziet, verstaat het verhevene dezer gedachte. Het is barmhartig om te strijden en tot den strijd aan te vuren, wanneer de heiligste goederen worden bedreigd.

Tot jonge menschen spreek ik, zelf ook nog jong. Laat u toch nooit overhalen het zwaard en het vaandel weg te bergen!

Onze tijd is vol van gedachten. Iedere kring heeft zijn profeet. Maar hij is een valsche profeet, wanneer hij ons niet bezielt tot de daad. En wanneer wij nu verstaan, dat van ons de daad wordt gevraagd, de strijd, het offer, dan is daar slechts Een, die ons overwinnen doet, dat is de Meester van Jeanne d'Arc. Want met Jezus verliezen wij onszelf, en onze strijd wordt strijd Gods, en dus altijd overwinning! Ook de brandstapel, waarop Jeanne d'Arc sterft, is een teeken harer overwinning. Het is beter te sterven in den dienst van eene roeping dan in het leven te blijven, en schade te lijden aan de ziel. De ziel lijdt schade, hopeloos schade, wanneer zij geen idealen bezit, of ze verloren heeft!

MET DE HELDEN

Die menschen hebben het Christendom toch wel zeer slecht begrepen, welke het beschuldigen dit leven saai en doodsch te maken. De eenige verontschuldiging voor hunne onkunde is dat zij vele Christenen hebben gezien, in wier leven gloed en rijkdom ontbreken. Chesterton zegt ergens, op zijne eigenaardige manier: »christelijke leer en christelijke tucht mogen muren zijn, maar zij zijn de muren van een speeltuin. Het Christendom is de eenige omlijsting, waarin het genot van het heidendom bewaard is.«

De Bijbel is het boek, dat ons den toegang tot de wereld opent. Wel is de weg om de wereld te winnen de weg van het kruis; maar het gaat ten slotte toch om het veroveren van de wereld, haar rijkdom, haar weelde, hare heerlijkheid.

Eene der eigenschappen van den geloovige is heldhaftigheid. Telkens wordt het oordeel uitgesproken over een mensch, die vreest. Wanneer op een der laatste bladzijden van den Bijbel geteekend wordt de heerlijkheid der nieuwe wereld, worden buitengesloten buiten het genieten daarvan: de vreesachtigen.

In het lied van Debora lezen wij, Richteren 5: 23: »Vloekt Meroz, zegt de Engel des Heeren, vloekt hare inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des Heeren, tot de hulp des Heeren _met de helden_.« Debora duldt niet, dat haar volk, het volk Gods, wordt onderdrukt door de goddelooze Kanaänieten. In Israël is het ware, het schoone, bij de Kanaänieten de schijn en de leugen. Debora bezielt de helden, zij werpen het smadelijke juk af, en bij Israël wordt weer gezien de schoonheid van het licht, zij zijn »als de zon, die opgaat in hare kracht.«

Maar nu zijn er, die thuisbleven: de inwoners van Meroz. De Engel des Heeren vloekt hen. De helden gingen uit om, met God, te strijden voor wat waar en schoon is, maar zij bleven achter, waren bang, waren lauw, misten idealisme: dat is hunne blijvende schande. Zij zijn niet geweest »met de helden.«

Mij klinkt dit krasse woord tegen Meroz in de ooren als een woord ook tegen velen onzer tijdgenooten.

Er zijn Goddank ook nu nog helden. Dat zijn de menschen, die idealen hebben, en nu voor die idealen willen strijden. Dat zijn de menschen, die strijden voor recht en waarheid, voor een beginsel, voor eene heilige zaak. Maar zij ontmoeten niet alleen vijanden, die zich verzetten tegen hen, uit afkeer van het ware en reine en heilige; zij ontmoeten ook vreesachtigen, en menschen, die met de koude van hun cynisme en met de armoede van hun twijfel den gloed willen dooven en de rijke idealen willen vernielen.

Hoevele jonge menschen zijn door hen gehinderd, misschien wel verlamd door hun kritiek!

Het is niet gemakkelijk in deze wereld zijn idealen te behouden! Natuurlijk is in ieder leven een ideaal een teer bezit, omdat ieder leven gevaar loopt ruw en onheilig te worden. Maar: o die menschen! Zij beginnen reeds met de kinderen te willen verhinderen tot Jezus te komen. Zij kritiseeren alles, zij kunnen zoo weinig geestdriftig worden, zij hebben zoo weinig geloof. Zooals in de lente één koude zucht vele jonge knoppen kan vernielen, is ook hier dat gevaar. »Toen ik jong was, had ik ook dat ideaal« zegt de oudere, »ook ik had roeping, ook ik stelde mij voor, dat het zoo zou zijn, zooals gij het u nu voorstelt... wacht maar... gij zult ook wel anders leeren...« Kan de oudere dit woord niet inhouden, en in de stilte weenen, dat de jeugd voorbij is, en bidden, bidden dat de jongeren winnen?

Er is in deze wereld een zuiging naar beneden, en beneden sterven wij door gebrek aan lucht.

Deze wereld heeft hare helden. Zij zijn er op ieder levensterrein. De rijkdom van het leven openbaart zich in vele gaven; de helden zijn mannen en vrouwen van allerlei stand en gedaante.

Ieder, die het leven ingaat, vindt menschen, die dragers zijn van zijn ideaal. Hij wordt niet gedwongen, maar mag kiezen. Indien hij maar niet thuis blijft en werkeloos! Ik raad u aan: lees den Bijbel. Hij geeft u de zekerheid, dat er voor u in dit leven eene taak ligt. Indien gij deze zekerheid hebt gekregen, wees dan blijde, dat gij uwe taak moogt vervullen op uw eigen wijze; gij behoeft u niet te laten verminken door een harnas, dat u niet past; gij kunt u zelf blijven, mits gij held wilt worden. Want heldhaftigheid wordt van u gevraagd.

En, indien het u ernst is, ontmoet gij Christus. Die bidt voor u, niet dat God u »uit de wereld wegneemt, maar bewaart voor den booze.«

De helden winnen het. Indien gij met de helden voor Gods zaak in deze wereld strijd, blijft gij bewaard voor den vloek, en deelt in de overwinning.

JOZEF

Gen. 39: 9_b_ »hoe zoude ik dit een zoo groot kwaad doen, en zondigen tegen God?«

De meesten onzer hebben wel een tijd lang moeite gehad--misschien hebben wij het nog--om Jozef een aantrekkelijk man te vinden. Hij wordt misschien wel eens te veel voorgesteld aan de kinderen als een model; zijne geschiedenis is het »succes-verhaal« op de Zondagschool. Maar is hij niet een droomer? een pedante jongen? een verklikker van de zonden der broers?

Er is wel eenige reden om moeite te hebben met de bewondering voor Jozef.

Totdat wij zijne grootheid hebben gevonden, zooals zij openbaar wordt in het huis van Potifar. Wanneer wij haar daar hebben gezien, gaan wij ook de andere dingen beter begrijpen: hij is van het begin af een bijzonder kind; een, die evenals het kind Jezus, zou geantwoord hebben, wanneer wij hem vroegen »waarom doet gij zoo?«: »weet gij niet, dat ik moet zijn in de dingen mijns Vaders?« Er is iets naïefs in Jozef, kinderlijk is hij tegenover zijnen God. En, wanneer hij een jonge man is geworden, blijkt hij bestand tegen de verleiding: zijn God is hem alles, hij is een kind des Vaders, die in de hemelen is.

Wij kennen het verhaal van Jozef en Potifar's vrouw. Wanneer dit verhaal wordt gelezen, zijn er onreine gedachten bij menschen, die, als zij aan hunne moeder of zuster denken, zich moeten schamen.

Van dit verhaal wordt een roman gemaakt, of een tooneelstuk. Het vorige jaar was »Jozef en Potifar's vrouw« de clou van de tooneelwereld. De nieuwe opera had succes, straks na den oorlog keert dat succes weer terug; de muziek is verleidelijk-mooi, de strijd tusschen de vrouw en Jozef boeit, de reine jongeling wordt bedreigd door de netten van de sluwe, schoone vrouw. Dat gloeien en laaien van den hartstocht houdt den toeschouwer in voortdurende spanning. Het publiek komt kijken, en bewonderen. En de menschen vergeten, dat vlak bij, in de stad, levens onder gaan door de verleiding, op de straten ligt hier en daar gebroken porcelein; daar loopt een verliederlijkte vrouw, die had moeten blijven vrouw, in den hoogen heiligen zin van het woord; er zwerven stumpers rond, ongelukkige kinderen, die slachtoffers zijn van de zonde; zij komen in gestichten terecht; en die ongelukkigen klagen ons aan, ook ons, want de wereld wordt slecht gemaakt door de slechtheid der menschen!

Het is toch eigenlijk onmogelijk te genieten van het spel der hartstochten, en muziek te maken bij al dat gebeuren van vreeselijke dingen!

Jozef heeft een afschuw van de zonde. Dat is zijn grootheid. Hij geeft een schreeuw van angst, dat is zijne kracht. Wij leven in een tijd, waarin de »afschuw« hoe langer zoo minder wordt. Het »kwaad« wordt weggeredeneerd, het wordt verklaard, het wordt geduld, en heet nu geen »kwaad« meer, maar »onvolmaaktheid«.

Jozef weet van het kwaad, en schrikt er voor terug. Nu heeft hij een zwaren strijd, nu vindt hij overal tegenwerking en tegenspoed; maar de winst is, dat hij idealen kan behouden. Wie met de zonde speelt, haar toelaat, moet den duren prijs betalen van het verloren gaan der idealen! Hoevelen, ook in onzen kring, zijn arm aan geestelijke schatten! Er is gebrek aan idealisme. Is er geen oorzaak? En Jozef! toen hij sterven ging, bezat hij nog idealen! Hij sterft in een vreemd land, maar zijn oog ziet eene schoone toekomst, »begraaf mij in het beloofde land« zegt hij; zijne oogen stralen bij de gedachte aan de heerlijkheid van Gods belofte. Wie onzer zal op dezelfde wijze oud worden en den dood tegemoet gaan?

* * * * *

Wat is het geheim van Jozef's leven?

Hij leeft met God. God is voor hem een levende God, een God, die recht heeft op zijn leven.

Daarom heeft Jozef de macht de zonde te overwinnen. Er zijn allerlei middelen om zich tegen de zonde te verdedigen.

Ik noem de vrees voor straf. Deze vrees is geen ondeugdelijk middel; toch voelen wij goed, dat wij, uit vrees voor straf de zonde afwerend, nooit zullen komen tot wezenlijke grootheid.

Dan is daar: de eer. Jozef noemt haar ook. Zie vs. 8 en 9. Het is de eer van Jozef om dankbaar te blijven voor het vertrouwen, dat Potifar hem heeft geschonken. Onze eer is een kostbaar bezit; in den strijd tegen de zonde is zij een vaandel, dat helpen kan en zal om staande te blijven en vol te houden. Maar dit vaandel kan zinken. En dan?

Er wordt geredeneerd. Jozef zou nu, in de ure der verleiding, ook kunnen redeneeren. »De vrouw is ongelukkig getrouwd; zij vindt in haren man geen bevrediging; er is geen echte liefde«.... Daar zinkt het vaandel, en de strijd wordt opgegeven. Dit gebeurt telkens, nietwaar? ook in onzen tijd.

Er is een andere steun in ons leven. Dat is de steun, die een mensch ons geven kan, een vriend, een man of vrouw, die wij eeren.

Ook Jozef heeft dien steun: hij herinnert er aan, wanneer hij 't uitspreekt, dat hij ontrouw zou zijn aan de vriendschap van Potifar: »al wat hij heeft, heeft hij in mijne hand gegeven.«

Zoo hebben ook wij dien rijkdom. Een vader, eene moeder, een geliefde, de vriendschap van een hoogstaand mensch. Maar: moeder sterft, haar licht schijnt nog na, en gaat dan uit. En vader is toch ook een zondig mensch; wij krijgen oog voor zijne zonde, en van dit oogenblik af steunt hij ons niet meer, zooals vroeger. Vader en moeder verlaten ons. De mensch is, zooals een profeet het uitdrukte, een rietstaf, die afbreekt in de hand van hem, die daarop leunt.

Vader en moeder bidden voor ons. Waarom? Omdat zij ons niet vasthouden kunnen, maar God kan het wel. Door God komt de hoogste ernst in ons leven.

»Ik herinner me nog«--schrijft eene moeder--»hoe mijn kleine jongen, toen hij een jaar of vijf was en ik zooals gewoonlijk op een avond bij zijn bedje zat, terwijl hij zijn gebedje opzei, mij plotseling vroeg: »Moeder, wie van ons beiden is nu het heiligst?« Ik weifelde een oogenblik en zei toen: »ik denk wel van jij, mijn jongen, omdat je nog zoo kort geleden bij God waart.« Toen zei het kind met een peinzende uitdrukking in zijne mooie kinderoogen, terwijl hij ernstig zijn blond kopje schudde: »neen, ik dacht juist van moeder, omdat moeder toch gauw weer naar God teruggaat.«

Dat gesprek geeft geen diepe wijsheid, zeker niet de hoogste wijsheid. Toch getuigt het, van de heiligheid des levens. Want het leven komt van, en gaat tot God. Wie weet, dat God er is, weet, dat elk oogenblik van ons leven de nabijheid Gods heeft. Zoo komt er ontzag, vreeze Gods. Deze vrees is geen bangheid, maar eerbied. Hoe heilig is ons leven! Het zijn niet de minst sterken, die gebogen gaan onder den ernst van hun leven. Zij hebben een gevoel van verantwoordelijkheid: hun is iets kostbaars toevertrouwd, zij vreezen het te verliezen, ja ook de beschadiging van dat kostbare leven zou ontzettend zijn.

Maar er is meer. De heiligheid van ons leven is ten slotte hierin gelegen: dat God ons lief heeft. Jozef is in aanraking gekomen met die wonderbare liefde Gods, zij heeft zijn leven gemaakt tot een heiligdom. Nu wil de duivel daarbinnen. Dat kan niet, dat mag niet, Jozef verdedigt het heiligdom, desnoods zal hij vallen voor deze heilige zaak. »Zou ik zondigen, en Gods liefde bedroeven?«

Wie Gods liefde heeft gezien, is door haar gegrepen, om nu voortaan zijn leven Hem te wijden. Zonde is vreeselijk; want zij tast het allerhoogste aan: de liefde Gods. Jozef's leven is vol tegenspoed. Wanneer hij de zonde ontvlucht, ontvangt hij het kruis. Dit is de wet des levens, ook voor ons.

Maar wie de liefde Gods kent, »verkiest liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben«. Want hij ziet »op de vergelding des loons«. Dat loon ligt niet in de toekomst, maar is reeds nu de zaligheid. Want die Gods liefde geniet, weet, dat nabij God te zijn het allerhoogste goed is, het eenige, dat wezenlijk »goed« is.

Jozef is de man, die volstrekt niet afkeerig is van de schoonheid en macht der wereld, er is in zijn leven plaats voor een troon; maar alleen Gods heerlijkheid kan die wereld voor hem heerlijk maken. Dat geloof is de grootheid van Jozef's leven.

SOMBERHEID

»Wat zijn dat voor redenen, die gij al wandelend met elkander wisselt?« vraagde de Heer aan Kleopas en zijn metgezel.

En zij staarden somber voor zich heen.

Hoe is 't mogelijk, vraagt men zich af, dat menschen somber zien, met wie de Heiland wandelt op den weg? Dat was voor deze beide »Emmaüsgangers« alleen mogelijk, omdat zij Hem niet kenden, omdat hun oogen »werden gehouden«.

Straks, als hun oogen opengaan, verdwijnt alle somberheid als sneeuw voor de zon, en blijft er niets over dan blijdschap. En zij vragen zich met verbazing af, hoe 't toch mogelijk was, dat weinige uren te voren hun hart nog zonder reden zoo vervuld was van droefheid, terwijl toch de Heiland leefde en er alleen oorzaak was om blijde te zijn.

Wordt nu in die Emmaüsgangers, vóór zij den Heer hadden herkend, niet de toestand geteekend van zoo menig Christen?

[Illustratie]

Een Christen behoort blijde te zijn; het is zijn recht en zijn plicht. Want hij heeft den eenigen waren levensgrond gevonden. En die zekerheid mòet hem met blijdschap vervullen. Wanneer dus de blijdschap ontbreekt, is dat een bewijs, dat ook de zekerheid ontbreekt. En een Christendom zonder zekerheid, zonder vasten grond, en dus zonder blijdschap, mag den naam van Christendom niet dragen. Een mensch kan Christus in zijn onmiddellijke nabijheid hebben en Hem toch niet herkennen, en dus toch de blijdschap des geloofs missen. Hoevele Christenen staren somber voor zich heen, gaan moeilijk het leven door; tobben, klagen en murmureeren! En het kòn zoo anders zijn! Het mòest zoo anders zijn!

Jezus is bij hen. Maar zij, zij herkennen Hem niet. Door ongeloof, wereldzin, aardschgezindheid, zondelust, worden hun oogen gehouden.

Och, dat hun oogen mochten opengaan! Hoe anders zou hun leven worden!

MOED

Wat in het dagelijksch leven moed en doodsverachting wordt genoemd, verdient dien naam niet of nauwlijks.