Part 6
Maar wij kunnen ook anders. Doen wat wij in dat oude verhaal een Josua zien doen, _neêrvallen en aanbidden_. Neen, 't is zoo. Wij begrijpen Gods doen en Gods optreden niet. Wij begrijpen niet al dat vele, vele, dat soms zoo donker ons aanstaart. Maar toch, wij wagen 't er op: God eenvoudig te nemen, zooals Hij is; met Hem alles tegen te gaan, ook het op zich zelf meest dreigende en raadselachtige, zooals Hij 't daar vóór ons plaatst. We vragen niet meer: Hoe zal het? Maar wij vragen iets anders: _Wat spreekt mijn Heer tot Zijn knecht?_ Niet: Wàt zal het zijn, dat ook nú weêr mij wacht? Overwinning of neêrlaag? Zegen of kruis? Licht of donker? Gaat het met mij de hoogte in, of de diepte tegen? Neen, niet dáárom is 't ons als 't eerste en 't meeste nu verder te doen. Maar om God zelven. Om Hem te hebben. Om Hem overal dicht bij en om ons te weten.
Daarmede, dit weet ik ook wel, zijn volstrekt niet alle vragen voor ons beantwoord. In geenen deele alle moeilijkheden weg, alle duisternissen verdwenen. Neen, dat niet. Maar wel is het benauwende, het verwarrende, het schrikaanjagende er uit weg. Wij voelen: Er is een hand, die mij leidt; er is een oog, dat mij volgt; er is een zwaard, dat voor mij strijdt. Wij ervaren en doorleven 't telkens op nieuw: Het gaat wat ik nooit gedacht had dat zou gaan, er is een weg ook door het donkerste donker. Wij hooren een stem, die 't ons toeroept: _Vrees niet want Ik heb u verlost. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn. En door de rivieren, zij zullen u niet over stroomen. Wanneer gij zult gaan door het vuur, gij zult niet verbranden, geen vlam zal u deren. Alle dingen zijn mogelijk dien, die gelooft. Dengenen, die God liefhebben, werken alle dingen mede ten goede._
Ja, alle dingen. En al is er dan ook in ons verleden nog zooveel droevigs; het leven, dat achter ons ligt, nog zoo vol graven. En al wierde ook in de toekomst, zooals die daar onbekend vóór ons ligt, het éene graf na het gedolven. Graven in letterlijken, graven in figuurlijken zin ook, waar wij o zoo veel, wat wij hebben liefgehad en nagestreefd, in zien wegzinken. Plan op plan. En wensch op wensch. Bij ieder graf staat een Heiland, die het ons toefluistert: _Heb maar geen angst, heb Ik u niet gezegd dat, zoo gij gelooft, gij Gods heerlijkheid zien zult?_
En dan zien wij haar ook. Heerlijkheid. Groote heerlijkheid. Gods heerlijkheid, ook door de donkerste wolken en nevelen blinken. Wonder op wonder. Redding op redding. Uitkomst op uitkomst.
Alles wordt anders. 't Gansche leven »heilig land.« Overal heilig de bodem, waar wij op staan en op gaan. Heel het leven met al zijn samengestelde verhoudingen en toestanden; ook de toekomst daar vóór ons;--'t wordt alles iets heiligs; iets, waarin God tot ons nadert; iets, waardoor God ons opzoekt. En waarin wederkeerig wij Hem hebben te zoeken, Zijn stem hebben te beluisteren, Zijn werk hebben te verrichten. 't Gansche leven wordt vol aanrakingspunten met Hem. Overal God, die ons tegenkomt; God, die Zijne hand ons toesteekt, die ook door en over 't allermoeilijkste heenhelpt.
_Alles is het uwe._ Zoo roept een Apostel van Christus ons toe. Alles, 't leven in zijn ruimsten omvang en zijn verschillendst gebied. Alles, de menschen, hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas. Alles, de dingen, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood. Alles, wat er is en wat er komt, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen. Ze zijn alle de uwe. De uwe dáárin, dat zij ten slotte alle u ten zegen hebben te worden, alle u moeten dienen. Doch gij zelf zijt van een ander. _Doch gij_, zoo vervolgt de Apostel, _zijt van Christus, en Christus is van God_. Uw leven behoort niet u zelven meer toe. En mag ook u zelven niet meer toebehooren. Gij dient.
Met ontbonden voetzool hebben wij dan ook verder door 't leven te wandelen. Dat is: in het besef van een heilige roeping, een heilige taak, die wij in dat leven hebben te vervullen. In het besef tegelijk van een heilige kracht, die daarbij ons draagt.
Hoe verder alles zal loopen? Wij weten het niet. Wat het leven daar vóór ons ons nog zal brengen, wat ook ons ontnemen? Niemand, die het ons zegt. Maar van één ding zijn wij gewis. Zij moeilijk en donker, zij licht en effen de weg, wij hebben er niet ons zelf op geplaatst, maar wij zijn er op gezet door onzen God. Wáár wij staan, en wáárheen wij gaan, onze Heer en onze Heiland is met ons.
Dát maakt onverwinlijk, en doet overwinnen.
IETS OVER HET LEZEN DER EVANGELIËN
Bij het lezen der Evangeliën wordt, geheel onwillekeurig dikwijls een groote fout gemaakt, die aan den rechten zegen van het lezen der Evangeliën in den weg staat. In de Evangeliën spreekt Jezus tot de menschen. Hij richt tot hen zijn woord, zijn eisch: zij moeten gelooven, niet meer zondigen, niet vreezen, goeden moed hebben enz. Vergeet men nu, dat in de werkelijkheid, waarover de Evangeliën spreken, Christus tegenwoordig was, toen hij tot de menschen sprak, dan gaat men meenen, dat Christus allerlei van de menschen eischt, dat zij moeten volbrengen, voordat zij door hem kunnen worden gezegend. Doch dat is onjuist. Op het oogenblik, dat Christus tot deze menschen sprak, was Hij met zijn genade tegenwoordig, en konden deze menschen dus door Hem wat zij zonder Hem niet zouden hebben gekund. Christus zelf maakt mogelijk, wat zonder Hem onmogelijk is. Lezen wij dus de Evangeliën, dan moeten wij niet meenen, dat Christus van ons bijv. vraagt, dat wij zullen gelooven en dat Hij ons dan helpen zal. Ware dit het geval, niemand zou ooit door Christus geholpen kunnen worden. Want uit ons zelven gelooven wij niet en kunnen wij niet gelooven. Alleen door Christus gelooven wij. Lezen wij dus dat Christus zegt: geloof en gij zult behouden worden, dan moeten wij dezen eisch omzetten in een gebed, in dit gebed: Heer help mij, doe mij gelooven. En ditzelfde moeten wij doen met alle eischen, die Christus stelt. Hij moet het alles in ons werken. Door Zijn genade wordt ons alleen mogelijk te doen wat Hij eischt. Hoe menigeen is de dupe geworden van dit onwillekeurig misverstand, gewekt door het lezen der Evangeliën. Men spant zich in, men pijnigt zich af, men wil iets volbrengen, om aldus den zegen, die aan den eisch of de voorwaarde is verbonden, te ontvangen. Alles te vergeefs! Totdat men met den eisch en de voorwaarde tot Christus gaat, om door Hem in staat gesteld te worden, te doen, wat Hij ons gebiedt.
ROEPING.
Toen Henk van Kempen nog pas negen of tien jaar oud was, stond 't hem al heel duidelijk voor wat hij worden zou. Hij wilde dokter worden. Hij wilde dat niet, zooals andere jongens iets willen worden, die misschien, als men er lang met hen over sprak, ook wel tot wat anders over te halen zouden zijn. Hij wilde 't, omdat hij wist, dat 't mòest, dat 't niet anders kòn. Als de familie-leden hem wel eens vraagden, of hij al gekozen had, wat hij worden wou, zei hij: »ik moet dokter worden!« De toon, waarop hij dat zei, was niet een toon van trotschheid, maar een toon van groote kalmte en zekerheid. Hij zeide 't zóó, alsof niemand er ooit aan zou kunnen twijfelen, of hij misschien ook later nog eens van plan zou veranderen; met de zekerheid van een, die zijn weg daar heel duidelijk voor zich ziet liggen.
Langzamerhand was dat in het kind iets heel teers en innigs geworden, dat besef van zijn roeping. Hij voelde 't als een heilige taak. Toen hij eens in een gezelschap een vader en moeder had hooren zeggen, dat zij er maar in toegestemd hadden, dat hun jongen in de medicijnen zou gaan studeeren, omdat hij daar 't meeste lust in had, had hem dat 'n beetje pijn gedaan. Dokter worden, dat was toch maar niet iets, dat je koos uit 'n vijf-en-twintig ambten en beroepen, die daar voor je lagen. Dat werd iemand alleen, omdat hij moèst, omdat hij niet anders kòn. 't Was te mooi, om er zoo luchtigjes over te spreken.
Zijn moeder was eigenlijk de eenige, met wie Henk daar ooit over gesproken had. En hij sprak er dikwijls met haar over. Henk hield heel veel van zijn moeder. Hij zag met een stillen eerbied tot haar op.
Van haar had hij den tengeren lichaamsbouw; en de fijne lijnen van haar gelaat vond men in het zijne terug. Ook had hij dezelfde bleekheid als zij. Henk had zich het leven zonder zijn moeder niet kunnen denken.
Als hij 's avonds met zijn moeder in de schemering zat, sprak hij met haar over zijn heerlijke toekomst. Zij had hem al vroeg van den Heiland verteld en de verhalen van het N. Testament, vooral de wondergeschiedenissen, waren de wereld, waarin hij leefde, de meest reëele wereld, die zich denken laat.
Hij had den Heiland lief zoo naïef en eenvoudig als alleen een kind lief hebben kan. Hij kon er dikwijls lang over denken, hoe heerlijk 't was, dat de Heiland zoo zegenend door het midden van de menschen ging en hen genas van hun ziekten en kwalen. Dat wilde hij ook doen. Hij twijfelde er niet aan of hij 't wel zou kunnen. En hij twijfelde er ook niet aan, dat 't eenmaal gebeuren zou. Hij werd nooit ongeduldig en trappelde niet van verlangen, dat 't maar alvast zoo zijn mocht. Hij ging naar school en leerde braaf en wist, dat 't eenmaal komen zou zooals hij 't nu al klaar zag.
Met zijn moeder sprak hij daar dikwijls over, maar met zijn vader nooit. Hij wist zelf niet waarom, maar met zijn vader sprak hij er nooit over. En soms had hij wel opgemerkt, dat zijn moeder, als hij er met haar over sprak, stil en 'n beetje droevig glimlachte. Hij had nooit begrepen, waarom ze dat deed. Maar hij had er ook niet veel meer over nagedacht. Ook had hij bij zich zelf aangenomen, dat zijn vader dat van zelf wel wist, dat hij later dokter zou worden. 't Kwam niet in hem op, dat zijn vader ooit iets anders voor hem zou kunnen willen. Dat was een vanzelfsheid.
Zijn vader was een groote, grove, vierkante man. Henk leek niets op hem. Henk leek alleen op zijn moeder. Van Kempen was iemand van heel eenvoudige afkomst. Van timmermansknecht had hij zich opgewerkt tot baas. Nu was hij aannemer, huizenbouwer, zooals de menschen zeiden. En 't was juist in den tijd, die voor de aannemers gunstig was. Hij had »'n neus« voor zaken. Heele blokken huizen, licht en dicht gebouwd,--echte revolutiebouw!--had hij gezet in een buurt, waar nog niemand het oog op had. Zijn vakgenooten hadden hem uitgelachen, maar hij had ze stilletjes làten lachen. En al heel gauw was 't uitgekomen, dat hij goed gezien had. De huizen vlogen weg. Wel drie vier huurders kon hij aan elken vinger krijgen. Na een paar jaar kon hij de huren al opslaan, of de huizen voor het dubbel van den prijs, dien ze hem gekost hadden, van de hand doen.
Daar ging zijn heele leven in op. Altijd was hij aan 't cijferen of teekenen. Als hij de krant las, was er bijna niets in, dat hem interesseerde, dan wat op het »vak« betrekking had. Vooral de advertenties bestudeerde hij, om te zien hoeveel de huizen »deden«, die in den omtrek van zijn pandblokken stonden, en hij wist precies welke lang leeg stonden, welke eigenaars er mee »zaten«, en dan lachte hij genoeglijk in zijn baard om hun domheid en hun pech, en om zijn eigen flinkheid en boffen.
Langzaam aan was er echter den laatsten tijd nog een andere gedachte bij hem opgekomen, die hem ook gedurig bezig hield. Hij moest een helper hebben in zijn zaken, die ze behartigde alsof 't zijn eigen zaken waren. Maar dat deed een vreemde toch nooit. Daar moest je een »eigen« voor hebben, die er zelf bij betrokken was, wiens belang van den goeden gang der zaken afhing. Dat moest dus zijn zoon worden. Meestal lette Van Kempen al heel weinig op zijn zoon. Hij leefde altijd alleen voor zich zelf. Zijn vrouw zorgde voor het huishouden en voor Henk, en hij voor de zaken. Zoo ging alles, zooals 't gaan moest. Menschen, die hen kenden, hadden dikwijls hoofdschuddend tot elkaar gezegd: Hoe die man en die vrouw toch ooit bij elkaar gekomen zijn? Maar 't had Van kempen ook al heel weinig kunnen schelen, hoe die vraag beantwoord moest worden. Hoofdzaak was nu maar, dat Henk zijn helper, en later zijn opvolger werd.
* * * * *
»Hoe lang zal je nu nog op school moeten gaan?« vroeg hij op een avond aan Henk, die over zijn huiswerk gebogen zat.
Verbaasd zag Henk op. Hij was niet gewoon, dat zijn vader over zulke dingen met hem sprak. Hij antwoordde niet dadelijk.
»Het toelatings-examen is begin Juli,« zei hij vervolgens.
»Welk toelatings-examen?«
»Voor het gymnasium.«
»Wat moet jij op het gymnasium?«
Van Kempen deed alsof hij Henk niet begreep. Natuurlijk had hij in zijn dagelijksche omgeving dikwijls genoeg over Henk's plannen hooren spreken, maar hij had altijd de schouders opgehaald en gezegd: jongensgrillen! Henk zou immers, als 't zijn tijd was, doen wat zijn vader verkoos. Daar werd niet eens over gepraat.
»Wat moet jij op dat gymnasium uitvoeren?« vroeg Van Kempen nog eens aan Henk, die hem niet-begrijpend aanzag.
»U wilt me toch niet naar de H. B. School sturen, vader? Dat is zoo'n omweg. Dan duurt de studie zooveel langer, heb ik altijd gehoord.«
»Wat klets jij toch van studie, jongen?« barstte Van Kempen uit. »Ik begrijp wel wat je bedoelt. Je heb je in je kop gezet om dokter te worden. Maar, mannetje, je moet maar weten, dat daar niets van komt. Daar heb ik niet al die jaren voor geploeterd om jou te laten studeeren. Jij komt in 't vak, versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me niet op!«
Heel bleek zat Henk daar aan de tafel. Met zijn pen teekende hij figuurtjes op zijn schrift, vierkantjes met diagonalen er in, en daar al weer streepjes dwars doorheen, en toen een cirkel er om heen en nog een cirkel, en nòg een. En toen voelde hij--of hij voelde 't eigenlijk niet--dat er een paar dikke tranen in zijn oogen kwamen, die eindelijk op zijn schrift vielen en om het natte plekje, dat er van kwam, teekende hij ook een cirkel, totdat de inkt vervloeide in het vocht en 't een heele vies-vochtige vlakte werd.
Hij zei niets meer.
Van Kempen had zijn krant weer opgenomen en las de advertenties. Van dat diepe kinderleed daar vlak naast hem voelde hij niets, besefte niet, dat hij een zware misdaad begaan had door een teere kinderziel zóó aan te grijpen.
Wel een half uur bleef Henk zoo zitten. Toen deed hij zijn schrift en zijn boeken dicht, legde alles in het gewone hoekje en liep naar de zijkamer, waar zijn moeder met haar naaiwerk zat.
Zij wist alles, had alles gehoord. Zij zag haar kind in de oógen, drukte hem tegen zich aan en gaf hem een zoen op zijn voorhoofd.
Zacht snikkend ging Henk naar boven, naar zijn slaapkamertje. Langzaam kleedde hij zich uit, knielde bij zijn bed neer, maar bad niet, snikte alleen, en stapte toen in bed.
Een bed is zoo'n heerlijk ding. Je bent er zoo alleen met je zelf, de dekens geven zoo'n gezellige warmte. En in het kussen kan je al je leed uitsnikken. 't Is alsof je kussen dan 'n beetje levend wordt en je woorden wel verstaat, alsof 't je troost in je leed. Henk snikte in zijn kussen totdat hij in slaap viel; en in zijn slaap snikte hij nog gedurig.
Toen hij den volgenden morgen wakker werd, brandden zijn oogen nog, maar hij wist eerst niet wat er gebeurd was. Hij ging overeind zitten. Daar was 't weer, dat nare van gisteravond: »Je komt in 't vak, in 't vak, versta-je, net als je vader. Met studie houd 'k me niet op!« Die woorden waren voortdurend in zijn ooren blijven naklinken. En ze kwamen nu ook weer dadelijk bij hem op.
Er was als een nevel in zijn geest. Hij deed zijn oogen even dicht en toen weer open om te zien of 't weg was, maar 't was daar nog. Hij vond 't naarste van al, dat zijn vader zóó gesproken had over zijn dokter-worden, dat zijn eigen vader daar niet in geloofde. Hoe was dat nu mogelijk, zijn eigen vader?
Of was 't eigenlijk wel zoo wonderlijk? Hij had er nooit met zijn vader over gesproken. Nu pas viel hem dat op, en hij begon tevens vaag te beseffen hoe ver hij van zijn vader af stond. Vreemd, iemand, die altijd zoo dicht bij je was, en toch zoo ver van je af!
En hoe zou 't nu gaan, hoe zou hij nu dokter worden? Want 't aardige was, dat er bij Henk geen oogenblik twijfel was opgekomen, of 't nu wel gebeuren zou. Hij zou, dacht hij zoo onder het wasschen, en aankleeden, dat heel langzaam ging, hij zou maar flink zijn best doen en zorgen, dat hij een goed toelatings-examen deed, misschien zou dan zijn vaders boosheid wel overgaan. En als moeder dan nog een goed woordje deed, dan.... hij werd langzamerhand zóó opgewekt bij de gedachte, dat 't misschien alles nog wel goed zou afloopen, dat hij met een glimlach op zijn gezicht naar beneden ging en heel gewoon zijn vader goêmorgen zei, die hem ietwat bevreemd aankeek en bij zich zelf dacht: Hij heeft eieren voor zijn geld gekozen.
* * * * *
Half-Mei zei de onderwijzer, bij wien Henk school ging, dat de jongens, die van plan waren toelatings-examens voor de H. B. School of het Gymnasium te doen, zich daar zoo spoedig mogelijk voor moesten opgeven. Ze moesten 't maar eens vragen aan hun ouders.
Dat was een moeilijke middag voor Henk. 't Was den laatsten tijd net voor hem geweest, alsof 't vanzelf wel zou terecht komen. Hij had over zijn plannen, ook met zijn moeder niet meer gesproken, omdat hij bang was haar verdriet ermee te doen, maar hij had gewoon doorgewerkt en zijn vader had er geen woord meer over gerept.
Nu 't er op aan kwam er zelf over te beginnen bij zijn vader, wist hij niet hoe hij 't zou aanleggen.
Om twaalf uur ging hij alleen naar huis, al maar denkende, denkende en naar woorden zoekende om met de vraag voor den dag te komen. Toen hij zijn vader hoorde thuis komen, ging er een schok door hem heen en begreep hij, dat hij nu althans niet zou durven.
's Middags op school was hij er zonder ophouden mee bezig. Hoe zou hij 't zeggen, wanneer zou hij 't zeggen? die vragen woelden hem den heelen tijd door 't hoofd, totdat hij er suf van werd. Tot driemalen toe werd hij dien middag betrapt op onoplettendheid, wat iets ongewoons voor hem was. Toen hij om vier uur naar huis ging, was hij nog al maar aan 't denken, en 't werd steeds moeilijker voor hem. Hij ging dadelijk naar zijn kamertje om daar zijn huiswerk te maken, zooals hij altijd deed als 't nog licht was, maar 't wou niet, hij schoot geen zier op, en toen hij tegen zeven uur geroepen werd om koffie te drinken, durfde hij haast niet binnengaan. Toch begreep hij, dat 't er nu van komen moest.
Toen Van Kempen na het eten de krant opnam, en op zijn gemak wou gaan zitten, kwam Henk met een hooge kleur naar hem toe.
Stotterend kwam 't er uit: »Vader hebt u er al eens over gedacht?«
»Waarover?«
»Over dat examen.«
»Daar komt niets van.«
»Meneer heeft vanmorgen gezegd, dat de jongens, die 't wilden doen, zich nu moesten aangeven.«
»En wat wou je dan?«
»U vragen of u me nu wil aangeven.«
»'k Heb 't je immers gezegd, dat 'r niets van komt. Je komt mij helpen in 't timmeren en in de bouwerij, en later doen we samen. Dat's ook veel beter voor je. Begrijp je dat niet, jongen,« vroeg Van Kempen met een zweem van plots ontwakend vaderlijk gevoel, »heb-je wel 'ns gekeken hoeveel dokters 'r hier in de stad wonen? We stikken in de dokters. Ze halen mekaar 't brood uit den mond. Op 't Prinsenplein wonen er tien bij mekaar, en ze zijn blij als er 'n patiënt komt. Kom, jongen, wees wijzer. Kijk naar je vader. Als je pienter in ons vak bent, is 't 'r wat te verdienen. En daar is 't een mensch toch maar om te doen. Als je vader niet zoo had gewerkt, hadt jij ook niet op zoo'n school kunnen gaan. En 't is jammer genoeg, want daar heb je die gekheid vandaan. Als je gewoon zooals ik, 'n beetje lezen, schrijven en rekenen had geleerd, was je er nooit op gekomen. Maar dat Fransch en al die fratserij heeft je kop op hol gebracht. Je wil zeker later ook zoo'n deftige meneer worden en in een koetsje rond rijen? En straks geen geld om den koetsier te betalen, hè? Ja, sta nou maar niet te grienen, want gebeuren doet 't toch zooals ik 't wil, begrijp je? Als 't vacantie is, ga-je van school af, en kom je in de werkplaats.«
* * * * *
Als een verslagene stond Henk daar. Daar was iets heel moois in hem beleedigd. Zijn ideaal was hem altijd iets heiligs geweest, onbezoedeld, hoog boven de besmeurende vingers der menschen uit. Niemand, die 't naar omlaag kon halen. Ook nu was het niet naar omlaag gehaald. Nog even hoog en rein zweefde het daar boven hem. Maar--evenals die keer, maar nu veel erger--dat zijn vader, zijn eigen vader er zóó over oordeelen kon, zóó grof, zóó plomp, dat deed hem zoo'n pijn. Geld verdienen, geld bij elkaar schrapen, alsof hij daar ooit aan gedacht had, als hij daar in zijn gedachte zegen-aanbrengend tusschen de menschen doorging! 't Leek hem zoo iets ontzettend, 'n heiligschennis! En een heel erge heiligschennis ook! 't Was weer net als die vorige keer: Henk zei niets meer, maar ging zonder verder een woord te spreken naar zijn moeder. Zij zag de doodelijke bleekheid van zijn gezicht en in haar medelijden met haar kind zei ze: »Bid tot den Heer, Henk, wie weet wat er nog gebeurt!« En toen ging hij naar boven, viel op zijn bed neder en barstte uit in tranen.
Twee dagen later kwam de hoofdonderwijzer om Van Kempen even te spreken. Hij werd in de voorkamer gelaten en zoodra Van Kempen binnenkwam, begon hij over Henk. De jongen had er op school zoo ongelukkig bij gezeten, dat hij begreep dat er iets aan schortte. Na veel vragens was hij er achtergekomen, dat Henk voor zijn vader niet naar 't gymnasium mocht. Dat was heel jammer, beweerde de heer Jansen, de jongen had een goed hoofd om te leeren. »U zult eens zien, meneer Van Kempen,« eindigde hij zijn pleidooi, »er steekt een heel goed verstand in uw zoon, hij zal misschien van al mijn leerlingen het beste toelatings-examen doen, u zult eer met hem inleggen.«
Van Kempen, die al dadelijk met een gemelijk gezicht was binnengekomen en voortdurend onwillig had zitten kijken, schudde het hoofd. »Neen, meneer,« zei hij, »daar kan niets van komen, heb 'k al tegen Henk gezegd. De jongen moet me helpen in de bouwerij«--en toen de heer Jansen er iets tegen inbracht over aanleg en roeping--»ach, met uw verlof, dat vind 'k malligheid. Die jongen z'n roeping ligt vlak voor hem. Dat kan ieder zien, die oogen heeft. Waar kan-ie 't beter hebben als bij z'n vader? Neen, ik vind 't heel vriendelijk van U, dat U zooveel belang in hem stelt, maar die studie, daar komt niets van, hij komt bij mij in de werkplaats.«
De heer Jansen kon heengaan en nam tamelijk koel afscheid.
Een paar weken later had het toelatings-examen plaats en Henk's makkers slaagden allen. Maar hij stond dienzelfden dag voor 't eerst in de timmermanswerkplaats.
* * * * *
Van dien tijd af was er een groote droefheid in Henk. Hij was als iemand, die een zwaren schok heeft gekregen en daarvan altijd onder den indruk blijft. Dat was de schok van zijn eerste smartelijke kennismaking met het menschen-wee. Hij had dien schok al vroeg gekregen, en kwam 't niet spoedig te boven.
Hij voelde zich niet vernederd, hij wrokte niet over zijn teleurstelling. Maar hij was bedroefd. Hoe kon dat zoo? vraagde hij zich al maar af. Waarom was hij niet naar het gymnasium gegaan? En hoe moest hij nu dokter worden? 't Werd langzamerhand een stil kwijnen in hem over dat ideaal, dat hij wel niet verloren had,--o neen!--maar dat nu op eens zooveel verder van hem af lag. Als hij 's avonds geknield voor zijn ledikant lag, was zijn bidden iets heel anders dan het vroeger geweest was. Toen was 't een echt kinderlijk, blijmoedig gebed geweest, een vertrouwelijk spreken met zijn hemelschen Vader, dien hij eenvoudig-weg liefhad. Nu was 't dikwijls als een tasten in den blinde, als een gedurig vragen, zonder dat er antwoord volgde.