Part 5
Anderzijds werd door het verbleeken van de paroesie-verwachting de monnikenmoraal geboren. Een monnik is een christen op de vlucht. Hij ziet geen kans de wereld te overwinnen. De wereld is hem te machtig geworden. Daarom trekt hij zich terug achter de dikke muren van zijn klooster. Wereldontvluchting niet wereldoverwinning is het ideaal van den kloosterling. En dit kan wel niet anders. Monnikenmoraal is de eenige vorm van ernstig Christelijk leven, die er overblijft, waar men den komenden Christus niet meer ziet. Want wie kan meenen, dat hij dat geweldige complex van toestanden, dat wij wereld noemen, zal kunnen overwinnen, indien de almacht van den Christus, die de wereld overwonnen heeft, en die deze overwinning in deze wereld indraagt niet achter hem staat? Zonder den komenden Christus is het dwaasheid te meenen, dat deze wereld ooit zal worden overwonnen.
Hier schuilt een groot gevaar, dat ons protestantisme bedreigt. Wij, protestanten, willen van geen monniken en kloosters weten. Wij ontvluchten de wereld niet, maar willen midden in de wereld verkeeren. Maar wat zal er van dit verkeeren-in-deze-wereld terecht komen, wanneer men geen paroesie-verwachting heeft? Immers niets. Men zal den strijd met een wereld, die ons te machtig is, weldra opgeven. Ten slotte schiet er voor dit paroesielooze Protestantisme niet anders over dan het streven zalig te worden, d.i. naar den hemel te gaan. Men schikt zich. Men gaat een compromis aan met de wereld. Men aanvaardt de wereld. Het verkeerd begrepen leerstuk van de vergeving van zonden helpt dit compromis mogelijk maken. Men behoeft immers niet bevreesd te zijn voor de zonde, die men noodzakelijker wijze in zijn verkeer in de wereld doet, want de zonden zijn immers vergeven? Zoo goed en kwaad het kan slaat men zich door de wereld heen, om straks uit deze wereld verlost in den hemel te worden opgenomen. Zalig worden wordt het hoogste en eenige ideaal. Maar met dit streven om zalig-te-worden is men weer geheel op de Roomsche lijn komen loopen. Wat toch is de wensch om naar den hemel te gaan anders dan de wereldontvluchting van den Roomsche, die zich in een klooster uit de wereld terugtrekt?
Zonder de paroesie worden wij Roomsch, Protestantsch-Roomsch. Eerst met de paroesie-verwachting in het hart kunnen wij wezenlijk protestantsch zijn.
Neen de paroesie-verwachting verslapt niet. Zij is bron van kracht en moed. Zien wij dit niet aan den apostel Paulus? Is er één mensch geweest, die zoo sterk uit de paroesie heeft geleefd als hij? Hij was geheel toekomstman. En is er één mensch op de wereld geweest, die meer kracht heeft ontwikkeld dan hij? Zijn leven was een leven van enkel arbeid.
Zoo wordt het leven van iederen Christen een leven van arbeid door de paroesie-verwachting. Deze verwachting geeft kracht. Wie met den komenden Christus in aanraking komt is als een schip, dat met alle zeilen wind vangt en met onwederstaanbare kracht over de golven wordt voortgedreven. Kent ge een vroolijker gezicht dan het glijden van een schip met den vollen wind in de volle zeilen over de zee? Zulk een vroolijk beeld vertoont het leven van den waarachtigen paroesie-Christen.
Laat ik deze zelfde gedachte nog weer anders mogen uitdrukken, ook opdat men in zal zien hoe practisch deze toekomstverwachting is.
Wij zien uit naar den komenden Koning. Met den Koning komt het Koninkrijk. Nu is voor degenen, die deze hoop in het hart dragen, het eenig streven van deze wereld een Koninkrijk Gods te maken. Zij zoeken het Koninkrijk. Maar dit zoeken van het Koninkrijk gaat niet om buiten de werkelijkheid van het leven, integendeel, het geschiedt in onmiddellijke aansluiting aan de praktijk van het leven. Zijt gij, die dit leest, misschien man van zaken? Welnu maak van uw zaak een stukje Koninkrijk.
Ban uit alle oneerlijkheid. Doe weg alle baatzucht. Werk niet om het loon, maar om Gods wil, en laat al het andere over. Zijt gij onderwijzer? Laat uw school, uw klas worden een stukje Koninkrijk, d.i. laat er orde en tucht zijn onder uwe leerlingen. Want, waar geen orde is, is geen Koninkrijk. Staat gij midden in de drukte van het huishoudelijke leven? Dat dan uw huishouden worde een stukje Koninkrijk. Alles moet Koninkrijk worden. Dat is onze arbeid. Dat is ons doel. Een doel dat zal worden verwezenlijkt, omdat achter alles staat de komende Koning.
Zoo geeft de gedachte aan de toekomst van Christus, doel en inhoud aan onzen levensstrijd. Er is geen praktischer leerstuk dan dat van de parousie des Heeren.
Dit boek wil een boek zijn voor nieuwe leden van de Gemeente, wat men in Duitschland noemt: een confirmandenbuch.
Ik wil daarom deze overdenking eindigen door mij met een enkel woord regelrecht richten tot de nieuwe leden. Gij zijt aangenomen en bevestigd. Weet gij wat dit zeggen wil? Dit, dat gij beloofd hebt voor uw deel mede te strijden aan den grooten levensstrijd, welke de christelijke Gemeente voert voor de verwezenlijking van de komst van Christus op aarde. Om dit te doen moet ge staan op de plaats, waar God u in het leven heeft gesteld en daar uw strijd uit-strijden. Gij hebt het misschien moeilijk. Uw levenswerk is niet interessant. Gij zoudt wel wat anders willen. Misschien zoekt ge wel een werk z.g. in het Koninkrijk Gods. Maar wees niet dwaas, en meen niet, dat werken in het Koninkrijk Gods een werken is buiten het gewone alledaagsche leven om. Onthoud dat werken voor het Koninkrijk Gods is werken midden in het leven, werken, lijden en strijden, daar waar God een mensch heeft geplaatst.
Wat zijn wij protestanten toch dikwijls echte Roomschen. Neen wij zijn niet Roomsch. Wij gelooven niet aan de onfeilbaarheid van den paus. Wij gaan niet naar de mis. Wij zijn van harte het leerstuk van de rechtvaardigmaking toegedaan. Maar met dat alles zijn wij nog geen protestanten in de praktijk van het leven. Het Roomsch-Katholicisme heeft zijn eigenaardigheid juist in de scheiding van Koninkrijk Gods en wereld. Het religieuse is in het Roomsch-Katholicisme iets aparts. Volgens het protestantisme daarentegen staat het Koninkrijk Gods midden in de wereld. Wie zijn dagelijksch werk goed doet, die doet geestelijk werk. Volgens het protestantisme zit het geestelijke niet in wat men doet maar wel in de manier waarop men het doet. Preeken kan een heel wereldsch een heel ongeestelijk werk zijn, als men het doet om eer bij de menschen in te oogsten. En ik verzeker u dat men met deze bedoeling preeken kan. Preeken kan een ongeestelijk werk zijn en timmeren een heel geestelijk werk. Wie timmert, omdat hij in dit dagelijksche werk de taak ziet, hem door God op de schouderen gelegd en die deze taak om Gods wil, uit gehoorzaamheid en liefde tot God aanvaardt, die doet een echt geestelijk werk. Dat is de echt protestantsche beschouwing van wat geestelijk is. Hoevelen zijn er niet, die protestanten heeten en wezenlijk Roomschen zijn?
Alzoo het leven is een strijd. Als in een leger heeft ook in de wereld ieder zijn eigen plaats en post, hem door den Koning zelven toegewezen. Wee dengene, die zijn post verlaat! Daarom, sta op de plaats, waar God u stelde in de wereld en verlaat uw plaats niet. Sta en strijd. Strijd voor het Koninkrijk. Gij moet voor uw deel medearbeiden aan de omzetting van wereld in Koninkrijk.
Dat is moeilijk, zegt gij. Inderdaad dat is het. Maar het is niet te moeilijk. Het kan niet te moeilijk zijn, indien gij slechts strijdt in aansluiting aan Christus die komt; niet te moeilijk, indien gij strijdt en bidt, dat de kracht van den komenden Christus zich ook in u zal openbaren. Zoo staan wij en strijden wij. En boven ons wappert de banier der Christelijke Gemeente met haar oude devies:
_Maran-atha_ _De Heer komt._
BEGEEREN EN WILLEN
De heele bekeering der menschen bestaat in een gaan van de begeerte naar den wil. Van nature worden wij door allerlei wat ons aantrekt in beweging gebracht. Er komt dan een activiteit in ons leven, die in den grond toch geen activiteit maar passiviteit is. Dit is de begeerte. De wil is van geheel anderen aard dan de begeerte. Als ik wil word ik niet bewogen door iets buiten mij maar beweeg ik mij zelven. Dit is de rechte activiteit.
Uitwendig beoordeeld zijn begeeren en willen hetzelfde. Beide malen, als ik begeer en als ik wil, beweeg ik mij. Maar innerlijk zijn beide bewegingen geheel van elkander onderscheiden.
Het groote levensprobleem is te komen van de begeerte tot den wil. Alleen wie wil, leeft. Willen, bewogen worden door zich zelven, dat is eeuwig leven. Wie begeert heeft een schijnleven. Hij is in den tijd. Zalig, die wil, hij is in de eeuwigheid.
GEESTDRIFT EN OPWINDING
Geestdrift kan alleen bestaan bij den Christen. Geestdrift d.i. in God te zijn! En het kenmerk der ware geestdrift is, dat zij _blijft_.
Er bestaat ook geestelijke opwinding, die zich naar buiten openbaart in een soort van vrome drukte. En wie nog weinig of geen ervaring bezit, laat er zich licht door in de war brengen en ziet die opwinding voor de ware geestdrift aan, die van boven is.
Die opwinding is gelijk aan het vuurwerk, dat voor een oogenblik door zijn schittering het oog boeit, maar daarna in grooter duisternis de toeschouwers achterlaat; de geestdrift is het rustig schijnend hemellicht, dat door zijn glans den mensch verblijdt. De opwinding doet denken aan het zaad, dat op eenmaal hoog opging en wonderveel deed hopen, maar toen de zon ter middaghoogte steeg, en de zonnestralen brandden en schroeiden, bleek het geen diepte van aarde te hebben en het verdorde. De geestdrift is gelijk aan het zaad, dat in de goede aarde viel, en lang verborgen bleef, maar straks te voorschijn kwam, gestadig aan opwies en rijke vrucht droeg.
Velen waren er in Jezus' dagen, die vol schijnbare geestdrift tot Hem kwamen, en zeiden: »Meester, ik zal U volgen, waar gij ook heengaat,« maar wier geestdrift straks bleek slechts opwinding te zijn, want ze ging voorbij, ze was niet blijvende, ze was niet tegen de beproeving bestand. De echte geestdrift vinden wij in de eerste plaats in onzen Heiland zelf, als Hij tot Maria spreekt: »Wist gij niet, dat ik moest zijn in de dingen mijns Vaders!«
Dat is het heilige »moeten«, dat Hem gedragen en voortgedreven heeft al de dagen zijns levens; waardoor Hij in staat is geweest weerstand te bieden aan al de levensstormen, die boven zijn heilig hoofd zouden losbarsten. En ieder waarachtig Christen bezit door Jezus' genade iets van de heilige geestdrift, die in den loop der jaren niet dezelfde blijft en nog minder afneemt, maar veeleer groeit en krachtiger wordt; die misschien, naarmate de mensch toeneemt in ervaring, in andere vormen zich openbaart, en andere wegen kiest dan de vroeger bewandelde, maar dat alleen, omdat zij waarlijk levend is en daarom de oude vormen niet de hoofdzaak acht.
Ieder, die zich aan Christus heeft verbonden, en dat misschien ook openlijk voor de gemeente heeft uitgesproken, beproeve zich zelven, of die heilige geestdrift zijn leven ook bestuurt.
En wie het besluit Jezus te volgen misschien al vele jaren geleden genomen en uitgesproken heeft, vrage zich af, of zijn geestdrift blijvende en toenemende was, en zijn leven daardoor gedragen en bezield wordt.
JOSUA'S GEZICHT
EENE OVERDENKING
Josua 5: 13-15
Wij willen met het verhaal zelf beginnen, 't milieu, waarin wij er door worden verplaatst. Met ons den toestand eenigermate in te denken, waarin de man, dien wij er in zien optreden, Josua, op dat oogenblik verkeerde; de gedachten, die hem vervulden, om daarin het aanknoopingspunt voor de hem ten deel gevallene verschijning te zoeken, en zóó er de blijvende kern, het Woord Gods, niet enkel voor hem, maar nog altijd voor ons ook, in op te sporen.
Mozes was gestorven. En Josua, nog bij diens leven er toe aangewezen, had de leiding van het Israëlietische volk op zich genomen. Gewis niet zonder schroom was dit geschied, niet zonder groot tegenopzien. Wel had het hem reeds tot dusverre niet aan teekenen, aan bizondere ervaringen van Gods gunst ontbroken. De Heer zelf had tot hem gesproken. Droogvoets en ongedeerd was hij met Israël den Jordaan overgetrokken. Thans evenwel is 't nog wat anders, en staat hij voor 't eerst in Kanaän zelf, bij 't eigenlijk begin van zijn taak. Nu zal het dus zijn.
O, 't is zulk een onderscheid of wij iets nog slechts op een afstand, in een meer of minder ver van ons verwijderd verschiet tot ons zien naderen, dan wel of wij 't op eens vlak vóór ons zien staan. 't Is hier zoo echt gelijk de hemelsche verschijning tot Josua zegt: _Nu ben ik gekomen._ Nú! Het groote »nú« van zijn leven is dáár.
In zijne onmiddellijke nabijheid ligt Jericho met zijn hooge wallen, zijn vaste muren en poorten. En achter dat Jericho, daar ziet hij ze éen voor éen oprijzen, die vele, vele steden en vesten, die moeten worden genomen. En nog verder heel dat land, al die volken met hunne vorsten, die moeten worden ten onder gebracht. En iets heel onbeschrijflijks valt op hem, een groote angst, een bange vrees. 't Wordt alles donker en verward daar vóór hem. Alles loopt in elkander. Nergens een vast punt. Duizend vragen, die hem bestormen. Zal 't gaan? Zal Israël het uithouden? Zal hij zelf, zal zijn geloof het uithouden? Of is alles wat hij tot dusverre van overwinnen gedroomd heeft een waan slechts? En 't einde straks toch een neêrlaag? En dan op eens, wanneer hij de oogen opheft, staat hetgeen hij inwendig heeft doorgemaakt, ook uitwendig hem tegenover. Al zijn vreezen, al het jagen en vragen zijner ziel, hij ziet het als tot vleesch en bloed geworden hier vóór zich. Het subjectieve geobjectiveerd. Het inwendige veruitwendigd. Een man met een uitgetogen zwaard in de hand.
Wat wil die man? Wat wil dat zwaard? En Josua overmant zich, en hij treedt toe op die gestalte. Duizendmaal beter zekerheid te hebben, laat het de vreeslijkste wezen, dan die onzekerheid van daareven. Vandaar zijne vraag: Wie zijt gij? En _wat_ zijt gij? _Zijt gij van ons of van onze vijanden?_ Komt gij aan onze zijde u scharen, of u tegen ons keeren?
En nu het antwoord, dat hij ontvangt. Eigenlijk geen antwoord. Althans niet een rechtstreeksch. Maar een vooralsnog de zaak in het midden laten. Neen, zoo luidt het. Neen, noch het één noch het ander. Noch vóór noch tegen. Dat zal eerst later blijken, en hangt er van af, of en in hoeverre Josua de gestalte daar vóór hem, in welke hij voor 't oogenblik nog niet anders ziet en kan zien dan een man, een mensch van gelijke beweging als hij zelf, zal erkennen en aannemen als te zijn wat deze hem zegt: _Neen, maar ik ben de Vorst van het heir des Heeren; ik ben nu gekomen!_ 't Zal hiervan afhangen: of Josua het op 't geen hier hem gezegd wordt wil en durft wagen, alles wagen. 't Wagen alleen en onvoorwaardelijk met wat en zooals het van God tot hem komt, onverschillig hoe het zal zijn: Overwinning of neêrlaag, leven of dood.
En Josua zegt: ja. Ja, dat wil ik. Hij vraagt niet nog verder: _Zijt gij van ons of van onze vijanden?_ Niet: wat zal de toekomst mij brengen? Niet: langs welken weg zal het gaan? Wat mag ik hopen? Wat moet ik vreezen? Niets er van. Maar hetgeen wij van hem zien en hooren is iets geheel anders. _Toen_, zoo wordt ons verhaald, _viel Jozua op zijn aangezicht en aanbad, en zeide tot hem: wat spreekt mijn Heer tot Zijn knecht?_
Josua gelooft. Dit is alles. Hij vraagt niet meer als zoo even: Wat _zal_ ik? Maar: Wat _moet_ ik? Niet meer: _Hoe_ zal dit en _hoe_ dat? Hoe kom ik hier door, en hoe dáár over? Maar: _Wat wil mijn_ God? En zooals _Hij_ wil, wil _ik_; ik ben Zijn knecht. Hij wil slechts dienen, gehoorzamen, volgen.
Josua gelooft. En nog eens: Dit is alles. Maar ook, dit brengt hem tot alles. Hij is onoverwinbaar.
Maar ook dit laatste zal hij eerst later ervaren. Dit is de beteekenis van hetgeen hier thans nog verder tot hem gezegd wordt. _Toen zeide de Vorst van het heir des Heeren tot hem: Trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want de plaats, waar gij staat, is heilig._
Heilig. Dit is hier bedoeld in den schoonen en diepen zin, dien dit woord oorspronkelijk in het Oude Testament heeft. Den zin van afgezonderd, door God Zich vóórbehouden, Gode toegewijd en toebehoorend, Zijn bizonder eigendom.
En dit geldt niet enkel van die éene bepaalde plek, waarop wij hier Josua zien staan, maar 't geldt van heel het land, dat hier voor 't eerst door hem wordt betreden. Gansch Kanaän is heilig land. In dit geloof, in dit bewustzijn heeft Josua het ook verder te betreden en het straks in bezit te nemen. In het geloof dus dat de volken, die het voor 't oogenblik bewonen, er niet de eigenlijke, de rechtmatige bezitters van zijn. Maar dat het toebehoort aan den Heer, en aan hen, voor wie Deze 't bestemd heeft. En dat is hier dus het Israëlietische volk. Dat heeft het geloof te zijn, de kracht, waarmede Josua den strijd aanbindt.
Maar hij heeft het te doen, zooals hem verder gezegd wordt, met ontbonden schoenzool. Dat is: bij het heilig land behoort het besef van heilige roeping, de zekerheid: tot hetgeen ik ga doen ben ik door God geroepen, door God uitverkoren.
_En.... Josua deed alzoo._ Daarmede besluit het verhaal, even sober als schoon. En daarmede _kan_ het besluiten. Daarmede toch is alles gezegd, is heel het verdere van den weg en het leven van dezen mensch geteekend. Het kan niet meer anders: 't zal, 't moet hem gelukken. Tot dusverre 't verhaal zelf. En nu het blijvende in deze dingen, de eeuwige kern. Het Woord Gods nog altijd voor ons.
* * * * *
_Nú ben ik gekomen._ Zóó klonk het eenmaal van de lippen dier hemelsche verschijning een Josua tegen.
_Nú._ Zoo zijn er nog altijd in het leven van iederen mensch, ook in het onze, van die »nú's«. Oogenblikken van groote beslissing. Oogenblikken, die meer dan andere spreken. Die beslag op ons leggen, en die het met zoo grooten nadruk en klem ons toeroepen: _Nú ben ik gekomen._ Nú komt het er op aan. Nú moet er worden gehandeld, nú worden gekozen.
We staan voor een nieuw begin in ons leven. Voor een nieuwe taak, die ons wacht. Een nieuwen werkkring, die de inspanning van al onze krachten komt opeischen. Nieuwe toestanden, nieuwe verhoudingen, waar wij ons moeten inleven. Daar is zulk een »nú«. _Nu ben ik gekomen._
Of ook, iets wat sedert overlang dreigde is gebeurd. We zagen een paar oogen, die tot hiertoe de vreugde en de zonneschijn van ons leven geweest zijn, voor altijd zich sluiten. Een hand, waarop wij ons leven lang gewoon waren te steunen, en buiten welker vasten en vriendelijken druk wij niet konden, ontgleed voor goed aan de onze. En nu moeten wij het verder zonder haar doen. Alleen moeten wij verder. Ons zelven een weg banen. Zelf optreden, zelf handelen. O, wat kan het dan onbeschrijflijk leeg in een menschenziel wezen! Wat kan het dan jagen en stormen daarbinnen! Wij durven de oogen nauwelijks opslaan en vóór ons uit zien. En toch, wij moeten. Alweêr zulk een »nú«. _Nú ben ik gekomen._
En wanneer wij 't dan doen, als wij vooruitzien,--neen, dan wordt het er nog niet gemakkelijker op. Dán daar vóór ons een toekomst, die zich onbekend en onbegrensd uitbreidt. En in die toekomst alles zwijgend en zwart, een onpeilbaar donker, waar wij in staren. Echt, zooals bij Josua, een dreigende gestalte, een gewapend man, die op ons toetreedt. Een zwaard flikkert ons tegen. Maar wàt het ons brengt, wáár het op wijst,--wij weten het niet.
Duizend gebeurlijkheden, die vóór ons oprijzen. Menschen, die op ons toetreden. Dingen, die op ons aandringen. Omstandigheden, die ons bestormen. Beslissingen, waar wij ons voor geplaatst zien. O, zoo verward en verwarrend dit alles. En wij weten geen raad. Wij zien er geen weg en geen licht in. Hoe _dit_ moet, en hoe _dat_ zal. Wat _hier_ te doen, en hoe daar te handelen. Wij kunnen slechts vragen: _Zijt gij van ons of van onze vijanden?_ Dat vele, vele, daar vóor ons, wat zal het, wat wil het? Komt het aan onze zijde zich scharen, of komt het zich tegen ons keeren? Wat komt het ons brengen? Zegen of kruis, overwinning of neêrlaag, leven of dood? Mogen wij hopen? Moeten wij vreezen?
Ja, vraag maar, vraag maar,--'t baat u toch niet. Gij krijgt op àl uw vragen geen antwoord.
Of beter gezegd, gij krijgt wèl een antwoord. Maar een geheel ander dan gij verwacht hadt. Een antwoord, dat u aanvankelijk toeschijnt geen antwoord te zijn. Eén, dat begint met »neen« tot u te zeggen. Neen, uw vragen zelf deugt niet. De wijze, waarop gij vraagt, deugt niet.
Gij ziet louter »menschelijke« gebeurtenissen, louter »menschelijke« machten, »menschelijke« verhoudingen, waarmeê gij te doen hebt. Maar zoo is het niet. Gij hebt met een ander, met een meerdere dan met die menschen te doen. Met God.
In die toekomst, in al dat menschelijke, naar gij meent, is God, en treedt God u tegen. Maar zóó, dat gij Hem daar maar niet altijd zoo aanstonds in herkent en terugvindt. God, een geheel ander als gij Hem u gedacht hadt. Een gansch andere ook als gij Hem tot hiertoe gekend hebt, en als Hij tot dusverre tot u is gekomen. God. Niet zooals wij allen Hem 't eerst hebben gezien, en wij voor 't eerst van Hem hebben gehoord, in de verhalen van vader en moeder, van leermeester en vrienden. Niet de Liefdevolle en de Ontfermende, de armen wijd uitgestrekt om ons in op te vangen en vast te omklemmen. Niet de zegenende Heiland, die 't ons zoo vriendelijk toeroept: _Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven._ Neen, maar God als een gewapend man. God met een zwaard in de hand. Een zwaard, dat veeleer ons bedreigt dan bemoedigt; dat veeleer met angst en vrees dan met hoop en troost ons vervult. En toch is het God.
En nu is de vraag maar, de groote vraag, waarvoor hetzij vroeger hetzij later een ieder onzer in het leven zich ziet geplaatst, of wij God, zooals Hij tot ons komt, ook wanneer Hij zoo echt als de Onbegrepene en de Onbegrijpelijke tot ons komt, als »God« willen aanvaarden. 't Ook dán, 't altijd, met Hem durven te wagen. Alles te wagen.
Wij kunnen »neen« zeggen. 't Met duizenden en nog eens duizenden zeggen: Neen, in al dat donkere en dikwijls dreigende daar vóór mij, in al dat onverklaarbare en onbeantwoorde, in al die moeilijke wegen, waarlangs ik geleid word, kan ik God niet zien en ontdekken, en ik wil het ook niet. O, ik kan en wil er alles in zien, noem het toeval, noem het noodlot, noem het natuurwet, noem het hoe en wat ge wilt, 't kan mij niet schelen. Maar noem het niet God. Dring er mij niet een liefdevolle hand in op, niet een wijze bestiering, niet het hart van een vader. Zeker, dit alles kunnen wij, en wie weet hoe veel meer nog. Maar dan moeten wij wèl weten wat wij daarmede doen. Dan is ook werkelijk God ons tegen. En dan wordt alles ons tegen. Paulus zegt ergens: _Zoo God vóór ons is, wie zal tégen ons zijn?_ Maar 't omgekeerde is even waar: Zoo God tégen ons is, wie zal vóór ons zijn? Dan wijkt gaandeweg alle kleur en glans uit ons leven; alle blijdschap en hoop, alle moed en geloof uit ons hart. En dan wordt alles om ons en in ons zoo koud en zoo kil. Dan moeten wij ook werkelijk alleen, geheel alleen verder. Enkel op ons zelven, op onze eigene zwakke kracht aangewezen, den strijd in en tegen. Een strijd, die, hoe wij ook worstelen, wij weten 't bij voorbaat, met een nederlaag eindigt. 't Bang vertwijflen aan alles. 't Wegzinken in 't bodemloos donker. 't Sterven zonder hoop.
[Illustratie]