Part 4
Daar had Jaap al weer niks tegen in te brengen. Hij keek den dominee vol aan, gaf hem de hand en zeide nog eens: »ik dank u.« Toen keerde hij zich om, en ging met Jenneke de zaal af------------------------
* * * * *
En nu zitten ze weer in hun huiske aan den zoom van de hei.
Jaap heeft den geheelen dag hard gewerkt en is nu bezig op de deel zijn spullen aan kant te brengen en alles gereed te maken voor den volgenden dag. Want hij moet weer vroeg aan 't werk. Hij is met een vracht dennestronken de achterdeur ingereden. Den ganschen dag is hij met Hannes, den knecht, bezig geweest om dat taaie goedje met 't houweel uit den grond te krijgen. Maar in stukken gehakt is 't best brandhout en bovendien, met 't land is niks niemendal te beginnen, zoolang 't er nog in zit. Ze zullen de kar maar opgeladen laten staan. Terwijl Hannes den bruine naar stal bracht, kon Jaap opruimen om den volgenden morgen dadelijk met afladen en 't kleinhakken van 't hout te beginnen.
Je kan wel zien, dat 't sterven van Geertje hem ouder heeft gemaakt. Daar gaat geen uur voorbij, of hij moet aan haar denken, en hij is maar blij, dat hij uit de drukke stad op 't land terug is, en dat hij weer rustig kan prakkizeeren. Maar 't is wel erg leeg in zijn leven geworden.
Wat hem bovenal drukt, is de gedachte, dat hij Geertje niet meer vóór haar dood heeft kunnen zeggen, dat hij er leed over droeg haar zoo hard te hebben behandeld. Hij zag steeds duidelijker in, hoe verkeerd hij had gedaan. En nu had hij 't niet meer kunnen goedmaken. Ze was ook zoo schielijk gestorven! Hij wist wel, Geertje had hem vergeven, maar hij had 't haar zoo gaarne willen zeggeen, dat hij er hartzeer over had.
Vooral dien avond drukte die gedachte hem. Hij wist niet, hoe 't kwam. Hij had haar maar steeds voor oogen. Hij moest al maar aan haar denken.
Hij kon 't binnen niet langer uithouden. 't Gouden licht van de ondergaande zon viel door de openstaande deur naar binnen en 't was, of hij Geertje's stem hoorde: »Vader, niet met je rug naar 't licht gaan staan!«
Hij ging naar buiten, en bleef op den drempel van de deeldeur staan. Wat een prachtige zonsondergang! De horizon was één en al goud en purper en de blauwgrijze wolken, waarlangs de zon haar stralenbundels naar alle kanten deed uitschieten, hadden randen van vuur. Het was, of de hemelpoort open stond en duizenden lichtgestalten zichtbaar werden.
En nu gebeurde er iets heel wonderlijks! Hij zag een groote schare van lichtgestalten naar zich toe komen en Geertje vooraan, ja, hij bedroog zich niet, 't was Geertje met haar kind op den arm. Vriendelijk lachend zag ze hem aan met haar blauwe oogen. Ze kwam aangezweefd op den adem van den wind, heur lange haren, die over rug en schouders golfden, blonken in 't gouden zonnelicht en boven haar voorhoofd straalde een ster met zilverwitten glans. Ze kwam al nader en nader en legde haar jonske in zijn armen.
»Mag ik dat kind hebben?« wilde hij haar vragen, maar op eenmaal was ze weg.
Jaap begreep er niets van. Hij weet nu nog niet beter, dan dat hij met 't kind naar binnen is gegaan. Hij kon later nooit hebben, dat je er om lachte en zeide, dat alles verbeelding was geweest. Hij had wel in de kranten gelezen, dat 't dien avond zoo'n buitengewoon mooie zonsondergang was geweest, maar wat hij gezien had, had niemand gezien, dan hij alléén. Hij weet zich niet goed meer alles te herinneren, maar één ding weet hij heel best, dat Jenneke, de vrouw, een oogenblik daarna met Geertje's kindje op schoot zat en heelemaal niet verbaasd was 't kind bij zich te zien. Daar zat toen een vreemde vrouw uit de stad naast haar. Die had 't kind gebracht, zei zij. Maar hij begreep wel, dat Jenneke dat maar zei, om hem niet aan 't malen te brengen, als hij soms te veel over dat gezicht mocht gaan prakkizeeren. Hij was maar blij, dat zij 't ook goed vond, dat 't kind bij hen bleef. Want nu kon hij tegenover dat kind goed maken, wat hij ten opzichte van Geertje niet goed had gedaan.
Hij en Jenneke spraken nooit meer over dien wonderlijken avond. Toen de vreemde vrouw uit de stad 's avonds wegging, bleven zij met hun drieën in de woonkamer achter en sinds dat oogenblik zijn ze met hun drieën gebleven.
De menschen in 't dorp vonden, dat Jaap heelemaal weer opfleurde. Als je'm tegenkwam en je vroeg: »Jaap, hoe gaat 't met den kleinen Gerrit?« dan kwam er een groote blijdschap over zijn gelaat en dan was 't antwoord steeds: »best, jong, best!«
En nou moet je nog even meêgaan naar de hei, je weet wel, naar dat bekende plekje van de drie berken. De winter is voorbij en de lente is gekomen. De hei heeft dit jaar lang onder den sneeuw gelegen, maar eindelijk kwam 't zachtere weer en toen was de sneeuw in een ommezien weg.
De drie berken staan er nog. Twee ervan leven en de derde, ja, die is natuurlijk dood gebleven. Dat kan je nu duidelijk zien, nu onder den invloed van regen en zon de knoppen beginnen te zwellen.
Jaap komt aangewandeld met een jong boompje in de ééne en een spa in de andere hand. Je behoeft niet te vragen, wat hij gaat doen. Hij had gewacht op het geschikte oogenblik om het doode berkje door een nieuw te vervangen. Daar had hij nou zoo z'n aardigheid in en daar behoefde niemand iets van te weten. Zulke dingen doe je 't beste alleen, zonder drukte. Tegen Jenneke had hij ook niets gezegd. Die wist amper, dat één van de drie berken het laatste jaar was dood gegaan. Misschien had zij hem ook niet heelemaal begrepen. In elk geval, hij wilde dat Geertje's lievelingsplekje er weer uitzag, zooals 't behoorde: zonder dood hout. Dan kon je er weer met pleizier naar kijken.
De hei keek zwijgend naar wat hij deed en begreep hem. Als je hem daar zoo zag werken, zou je niet zeggen, dat er den laatsten winter zooveel door zijn hart was heengegaan, waardoor nieuw leven was gewekt. Maar als je de hei daar zoo stil zag liggen, zou je ook niet zeggen, dat 't overal binnen in haar woelde en werkte van nieuw leven en dat zij alles in gereedheid bracht om bij den eersten warmen dag den beste in feestgewaad te verschijnen.
Maar evenals daar buiten in de natuur 't nieuwe leven begon te ontwaken, zoo was ook in 't hart van dezen man, toen Gods warme liefde er over was opgegaan, nieuw leven ontwaakt, dat niet meer zou sterven, heerlijk, krachtig Lenteleven.
ALS EEN NEVEL
De nevel; een grauwe vochtige wade, die het landschap omfloerst. Alles dof, alles donker, alles kil. Gebogen de sprieten en halmen van gras en korenveld. Weggedoken diep in de veeren, wat er placht te fladderen en te vliegen, te tjilpen en te kwinkeleeren. Ontglansd het loover en ontkleurd de bloemen. Alles, als wachtte het den ijzigen greep van den dood.
Maar opeens, daar breekt hij, de nevel. Er straalt blauw door de grauwte, er sprankelt klaarte door de donkerte heen. Wat gebogen was, heft zich op; wat weggedoken was, schudt zich de wieken vrij; wat verstomd scheen praeludieert op een lied; wat geen verf meer had, schiet zich kleuren aan. Alles is als wachtende op de herboorte. En deze komt, binnen weinig tellen. Zij komt met den wind, die den nevel verdreef; met de zon, die zich haast, om te stralen; met den gloed, die het vlietende leven terug roept.
En nu het licht weer heerscht, het lied weer klinkt, de kleuren weer pralen, trilt aan riet en blad en bloem een fonkelende dauwdruppel, die herinnert aan 't geleden leed en vastgehouden wordt als tolk van dankbaarheid voor genoten verlossing.
Zoo ligt eerst de schuld als een lijkwade over ons zieleleven. Het lied is tot zwijgen gebracht; de hope gevloden; de blijdschap verstikt. Wij sidderen als bij de nadering van den dood.
Maar breekt het licht van Gods genade door, dan richt zich de gebogene op, dan wierookt er een gebed uit de ziel naar boven, dan klinkt er weer een psalm, dan gevoelen wij de komst van de wedergeboorte.
En straks stamelen wij van schuldvergeving en van verlossing en koesteren wij ons in het licht van Gods aangezicht.
Het eenige, dat er bleef van 't leed over de zonde, en dat vastgehouden wordt als uiting van dankbaarheid, is een traan, die er trilt in het oog en die het genoten licht weerkaatst.
Dit alles ligt opgesloten in het woord van den profeet: »Ik delg uwe overtredingen uit als eenen nevel en uwe zonden als een wolk.« Jes. 44: 22.
DE TOEKOMST DES HEEREN
Oud en Nieuw Testament beide beschouwen het leven des menschen als een strijd. In het Oude Testament wordt dit woord in den gewonen zin van oorlogvoeren genomen. Israël moest strijdende oorlogen van Jehova. Job vraagt: (VII: 1) heeft niet de mensch een strijd op aarde, een strijd eig. een krijgsdienst. In het Nieuwe Testament wordt het woord strijd meestal genomen in den zin van kampstrijd. In de Grieksche wereld waren kampstrijden aan de orde van den dag. De lezers van de apostolische brieven konden ze dagelijks rondom zich aanschouwen. Aan dien strijd herinneren de apostelen de Gemeenten, wanneer zij haar vermanen den goeden strijd te strijden.
Wordt dus in Oud en Nieuw Testament het woord strijd in verschillenden zin genomen, de bedoeling is beide malen dezelfde. En Oud en Nieuw Testament waardeeren het leven als strijd.
En dit is de eenig juiste waardeering van het leven. Wie het leven zoo ziet en aanvaardt, heeft de praktische oplossing van het benauwende levensraadsel ontvangen. Theoretisch blijven er dan nog wel allerlei vragen over en het zal ons misschien nimmer gelukken een volledig antwoord op die vragen te geven, het doet er minder toe, practisch bezitten wij den sleutel van het levensraadsel. Strijdende, iederen dag op nieuw strijdende, ondervinden wij, dat deze levensbeschouwing de juiste is, want al strijdende verdwijnt het raadselachtige-angstige uit ons leven. Het leven gaat ons voldoen. Wij worden dankbaar, dat wij leven mogen. Strijdende oogsten wij het loon der overwinning en in het vreugdevolle bezit der overwinning verdwijnt het angstaanjagende uit ons leven dat ons kwelt. Wij ondervinden door den vrede, die in ons hart geboren wordt, dat wij de rechte wijze, om het leven te aanschouwen, hebben gevonden.
Alzoo, het leven is een strijd.
Doch eerste voorwaarde om een strijd te kunnen voeren is dat wij weten, waarom wij strijden. Ik acht het mogelijk dat iemand strijdt, zonder te weten, wat het doel is van den levensstrijd. Doch in dezen strijd is iets ontmoedigends, iets afmattends. Het is dan zoo moeilijk den goeden moed te bewaren. Gedurig besluipt ons de verlammende gedachte: waarvoor strijd ik eigenlijk? of: zal mijn strijd wel op iets uitloopen?
Om met blijden moed te kunnen blijven strijden is noodig, dat wij het doel van onzen levensstrijd kennen.
Misschien meent iemand, dat het onmogelijk is ooit wezenlijk het doel van den levensstrijd te vinden en acht hij het verloren moeite daarnaar te zoeken. Wij weten niet van waar wij komen, wij weten niet waar wij henen gaan. Als een vogel die door de hel verlichte feestzaal het eene venster in en het andere uitvliegt, alzoo is het leven des menschen. Wij komen uit het duister en gaan naar het duister. Tusschen deze twee duisternissen ligt het vluchtige menschenleven. Niemand, die het van waar of het waarheen kent.
Zoo zegt men.
Doch zoo spreekt een Christen niet. Hij behoeft althans zoo niet te spreken. Want indien wij ons door de H. S. laten voorlichten, kunnen wij het doel van den levensstrijd vinden. Een Christen weet, welke de bedoeling Gods is met deze wereld. Hij weet, waar het met deze wereld henengaat. Het is hem gezegd. De geschiedenis der menschheid beweegt zich heen naar de toekomst van Christus. Over deze toekomst van Christus wilde ik in de hier volgende bladzijden iets zeggen, opdat wie het leest, met nieuwe lust en moed worde aangegord, om den strijd, waarin hij zich bevindt, voort te zetten.
Laat ik eerst iets zeggen mogen over de uitdrukking »toekomst« van Christus. Door een gelukkige vondst van papyrusrollen in de pyramiden van Egypte, is men in den laatsten tijd in staat zich van veel, wat in het N. Testament wordt gezègd, een helderder voorstelling te vormen, dan tot nu toe mogelijk was. Op die papyrusrollen vindt men nl. het dagelijksche leven van de menschen, uit den tijd van des Heeren omwandeling op aarde, opgeteekend. Men kende totnogtoe het leven der oudheid slechts uit boeken. Maar boeken staan dikwijls ver van het werkelijke leven af. Welk een beeld zou men wel van onzen tijd krijgen, indien men het enkel kende uit de litteratuur onzer dagen? Ongetwijfeld een zeer eenzijdig, scheef getrokken beeld. Zoolang men de oudheid alleen maar kende uit haar litteratuur wist men nog maar weinig van haar af. Doch andere bronnen dan die der litteratuur hebben zich geopend. In Egypte is het dagelijksche leven der menschen der oudheid teruggevonden. Zoo is ook het woord toekomst zooals dit voorkomt in de bekende uitdrukking toekomst des Heeren ons duidelijk geworden. Met het woord toekomst werd bedoeld de feestelijke intocht van een Koning of Keizer binnen een stad. Voor zulk een komst werd alles in gereedheid gebracht. De stad werd versierd. Het volk wachtte in spanning. Zulk een binnenkomst van een vorst noemde men een paroesie. Dit woord paroesie werd ook gebruikt als men in de Christelijke Kerk sprak van de toekomst van Christus. Wij zullen daarom goed doen het woord toekomst te vervangen door paroesie.
Een woord van gelijke beteekenis als het Grieksche parousia heeft het Hollandsch niet. Laten wij daarom dit woord maar overnemen uit het Grieksch. Het is goed en noodig dit te doen. Allerlei misverstand wordt daardoor voorkomen. Het woord »toekomst« zegt bovendien zoo weinig. Het zegt niet meer dan dat de komst des Heeren aanstaande is. Hoe fletsch is dit woord tegenover het levens-volle equivalent in het oorspronkelijk. Wanneer de lezers van de apostolische brieven van de paroesie van Christus hoorden, zagen zij in gedachte eensklaps de blijde inkomst van een Koning of Keizer voor zich, een blijde inkomst, waarvan zij menigmaal hadden gehoord, en die zij misschien zelven wel eens hadden bijgewoond. Zooals deze Koning, zoo zou ook Jezus eenmaal komen op deze wereld.
Paroesie is dus de komst des Heeren in heerlijkheid tot zijn Gemeente. Van deze paroesie-verwachting is geheel het Nieuwe Testament vervuld. Op iedere bladzijde des Nieuwen Testaments bijna lezen wij van haar. En het Nieuwe Testament is in dezen principieel gelijk aan het Oude Testament.
Want gelijk de Nieuw-Testamentische Gemeente met brandend verlangen uitzag naar de paroesie van Christus, zoo had ook het volk Israël uitgezien naar de komst van zijn Messias.
Israël is een merkwaardig volk. Voor bijna alle volken ligt de periode van glorie en heerlijkheid in het verleden. Men ziet om. Helaas, de gouden eeuw is voorbij! Een volk doet in dezen als een mensch. Ook de mensch heeft neiging terug te zien. Achter hem ligt zijn zonnige jeugd. Misschien was die jeugd niet zoo zonnig als hij zich die voorstelt. Maar hij ziet haar zoo. Hij ziet haar zoo, omdat in de herinnering het moeilijke, dat men doormaakte, weg valt, hij ziet haar zoo, ook omdat in de jeugd de zorg, die het leven in later tijd zoo dikwijls verdonkert, er nog niet was. Zoo idealiseert een mensch, zoo idealiseert ook een volk zijn jeugd. De volken leven uit hun verleden. Niet alzoo Israël. Israël leeft uit de toekomst. Eenmaal zal de Messias komen. Dan zal over Israël de gouden eeuw aanlichten. Op dien Messias wachtte men. Met ongeduldig verlangen. »Och, dat gij de hemelen scheurdet«!
Zooals Israël zoo leeft ook de Chr. Gemeente uit de toekomst. Ja het zwaartepunt van haar bestaan lag, veelmeer nog dan bij Israël, in de toekomst. Aan de toekomst richtte zij zich op. Door de gedachte aan de toekomst hield zij zich staande. Het was moeilijk in het heden. Zware tijden maakte men door. Maar wat nood, de Heer was immers nabij. Het devies van de eerste Gemeente, haar strijd- en zegelied, het opschrift op haar banier was: Maran-atha. De Heer komt.
Voor de eerste christelijke Gemeente stond paroesie-verwachting in het middelpunt.
Bij ons is dat niet het geval. De toekomst-verwachting is op den achtergrond geschoven of voorzoover zij is blijven bestaan is zij geheel van karakter veranderd. Voor vele menschen is de wederkomst van Christus niet anders en niet meer dan zijn komst ten gerichte. Veler toekomst-verwachting gaat op in de woorden van de XII artikelen: »van waar Hij komen zal om te oordeelen de levenden en de dooden.« Dat is dan alles, wat er overgeschoten is van de paroesie-verwachting der eerste Gemeente. Men verwacht niet meer den Koning, den Heiland maar den Rechter. Men gaat Hem niet meer met blijdschap te gemoet, maar wacht sidderende op Hem. In de middeleeuwen zong men: »Judex ergo cum sedebit, quidquid latet apparebit nil inultum remanebit«[1], de dag van Christus was een dies irae geworden, een dag des toorns. Nu werden ongetwijfeld deze tonen in het oorspronkelijk Evangelie van de toekomst van Christus niet gemist. Ook Paulus spreekt van den dag van Christus (1 Cor. III) als een dag van vuur, waarop al het onloutere in het werk der menschen zou worden verbrand. Maar in de eerste plaats is de gedachte aan het oordeel niet overheerschend en in de tweede plaats is ook dit komen ten gerichte een deel van het Heilandswerk van Christus. Want juist het wegbranden van het zondige uit het leven des menschen is onmisbare voorwaarde voor zijn zaligheid. Wat toch verhindert ons om zalig te worden dan onze zonde? Er is maar één ding, dat ons rampzalig maakt: de zonde. Daarom, laat Christus in zijn wederkomst het zondige, dat ons aankleeft, maar wegdoen. Juist daarom zullen wij hem met dubbele blijdschap ontvangen. Het is ten slotte alles enkel heil wat Hij brengt voor degenen, die Hem liefhebben en in Hem gelooven.
[1] Wanneer dan de Rechter op zijn troon zal zijn gezeten zal alles wat verborgen was openbaar worden en niets zal ongewroken blijven.
Doch hoe kan deze paroesie-verwachting nu richting en doel aan ons leven geven, zooals ik in den aanvang veronderstelde?
Zal deze paroesie-verwachting niet eerder verslappend werken op den mensch, die ze koestert? Wordt strijden niet overbodig?
De Heer zal immers komen en Hij zal Zijn heerlijkheid onder ons openbaren en wij hebben niet anders te doen dan te wachten op de openbaring van des Heeren heerlijkheid? Zoo kan men spreken. Deze toepassing kan men trekken uit de waarheid van de wederkomst van Christus.
En zoo heeft men gesproken. Menigeen heeft de paroesie-verwachting tot een dekmantel van zijn traagheid gemaakt. In de Gemeente van Thessalonica waren in de dagen van Paulus reeds menschen, die deze gevolgtrekking maakten. Paulus moest sommigen uit die gemeente vermanen »te werken met hunne eigene handen.« Mede door de prediking van den komenden Christus waren deze menschen er toe gekomen hun dagelijkschen arbeid te verwaarloozen. Waarom zou men arbeiden? Was de Heer niet nabij?
Toch is het een dwaling zoo te redeneeren. De paroesie-verwachting geeft ons juist den echten prikkel tot arbeid. Want ja, de Heer komt. Maar Hij komt in ons. Hij wil zich in ons leven een plaats bereiden. Nu is dit het eigenaardige in het geestelijke leven, dat alle arbeid Gods altijd omslaat in arbeid des menschen. Gods arbeid maakt onze arbeid niet overbodig. Wij moeten niet zeggen: o, God arbeidt, dus behoef ik niet te arbeiden. Die zoo spreken kennen den arbeid Gods niet. Zij spreken niet uit ervaring. Zij hebben hoor en spreken van den arbeid Gods en trekken nu een logische conclusie uit het feit, dat God arbeidt. Maar deze conclusie is onjuist. Zij gaat om buiten de werkelijkheid. Alle arbeid Gods wordt arbeid in ons en van ons. Als God arbeidt in een mensch dan gaat die mensch zelf arbeiden. Zoo zeide Jezus: de Zoon kan van zich zelven niets doen tenzij hij den Vader dat ziet doen (Joh. V:19). Wij zouden zeggen: indien de Vader iets doet, dan behoeft de Zoon het niet meer te doen. Maar Christus redeneert anders. Hij zegt: als ik den Vader iets zie doen, dan kan ik het eerst doen. En dan kan Hij het niet alleen doen dan doet Hij het ook, zooals Hij dan ook het zooevengenoemde woord aldus eindigt: »Wat die (nl. de Vader) doet, doet ook de Zoon desgelijks.« De Zoon neemt zelfstandig het werk des Vaders over. Zooals het werk des Vaders zich verhoudt tot het werk des Zoons, zoo verhoudt zich ook het werk Gods tot het werk des menschen. Het werk Gods is voorwaarde voor het werk des menschen. Wij moeten het werk Gods overnemen. Wij moeten doen, wat God doet. En indien God waarlijk in ons werkt, dan werken wij. Een mensch is geen onpersoonlijk doorgangspunt voor de kracht Gods. Een mensch is persoon. Door God wordt hij actief, werkende. Het werk Gods wordt zijn werk. Breng deze gedachte over op het onderwerp dat ons hier bezig houdt en het zal duidelijk zijn, waarom de toekomst van Christus bron wordt van oneindige kracht en voortdurende prikkel tot arbeid. Wij gelooven dat Christus komt. Dit komen van Christus tot ons is een komen Gods tot ons. Want God doet alle dingen door den Zoon. Het werk des Zoons is het werk des Vaders. Met Christus komt de almacht Gods tot ons. En nu gaan wij vanzelf arbeiden. Zijn arbeid wordt onze arbeid. Het is een reuzen-arbeid, waartoe wij worden geroepen. Want Christus komt om de wereld te vernieuwen. Een nieuwe wereld moet uit de oude wereld geboren worden. Deze onze wereld is een abnormale wereld. De zonde heerscht in haar. Van den bodem af moet deze wereld worden hersteld. Dit is het werk van den komenden Christus. Maar daarom is het ook ons werk. En deze arbeid zal niet ijdel zijn. Want Christus die achter dezen arbeid staat, heeft alles volbracht. »Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.« De wereldvernieuwing, waarop wij hopen, is in Christus reeds gegeven. Want Christus is opgestaan. Hij is lichamelijk uit het graf verrezen, en wat is die lichamelijke verrijzenis anders dan de verheerlijking van het natuurlijke leven? De verrezen Christus is een stuk verheerlijkte natuur. De natuur ìs in Christus verheerlijkt. Daarom zàl zij worden verheerlijkt. Het werk van Christus herhaalt zich in de geloovigen. Maar deze herhaling van het werk van Christus gaat niet buiten hen om. Zij geschiedt in hen. Meer dan dit: zij geschiedt door hen.
Wij nemen deel aan het werk van den komenden Christus. En juist omdat wij weten, dat Hij achter ons staat, weten wij ook dat onze arbeid niet te vergeefsch zal zijn. Nu kunnen wij aan de ontzachelijke taak der wereldvernieuwing, die ons op de schouders is gelegd, arbeiden zonder gekweld en verlamd te worden door de gedachte: zal ons werk ons ooit gelukken? Neen, onze arbeid zal niet ijdel zijn. Onze arbeid loopt op iets uit. Zij werpt vrucht af. Ons leven heeft een doel, dat door den komenden Christus is gewaarborgd.
Zoo de toekomst des Heeren beschouwende, kunnen wij begrijpen hoe het achteruitwijken van deze verwachting de grootste invloed gehad heeft op geheel de christelijke moraal. Men zag Christus niet meer komen in heerlijkheid, en nu geschiedde er tweeërlei.
Eenerzijds ging men zich bij de onvolmaakte toestanden in de wereld neerleggen. Men nam de wereld maar zooals zij was. Er was immers toch niets aan te doen. Men paste zich aan de wereld aan. Richtte zich behagelijk in de wereld in. Het christendom werd niet anders dan een vernis, dat over een innerlijk verrotte wereld werd heengestreken. Met het achteruittreden, weldra het verdwijnen van de hoop op de wederkomst van Christus werd het christendom wereldsch.