Op de Levensreis

Part 2

Chapter 24,019 wordsPublic domain

Maakt het ongeloof de menschen beter? Is door het ongeloof wel eens ooit een mensch van zijne zonde verlost? Gij kent het oude verhaal van Jozef; die in een groote verleiding is staande gebleven; en gevraagd heeft; »zou ik zoo groot kwaad doen en zondigen tegen God?« Wanneer hij »een dwaas« geweest was, die in zijn hart gezegd had: »daar is geen God«, dan had hij dezen steun niet gehad, en was misschien niet staande gebleven. Wij hebben allen wel gehoord van den Christushater Voltaire; en ook kent ieder den naam van Graaf von Zinzendorf, den stichter van de Hernhutter gemeente: uit liefde tot Christus heeft Von Zinzendorf in West-Indië het lot der slaven op de plantages gedeeld, enkel om hen met het evangelie bekend te maken. In dienzelfden tijd had Voltaire aandeelen in een schip, voor den slavenhandel bestemd. In het Frankrijk der negentiende eeuw heeft de vrijdenkerij zich ongehinderd uitgebreid; ik wil volstrekt niet beweren dat daar geen nobele oprechte menschen zijn onder de vrijdenkers, maar het systeem is niet wezenlijk verdraagzaam; en waar het de macht had, heeft het geleid tot tirannie. Herinner u den gouverneur van Madagascar, socialist en materialist; die zijne macht als bewindhebber gebruikt heeft om het chistendom uit te roeien op dat groote Afrikaansche eiland. Eerst heeft hij getracht de kerken te sluiten; daarna den bouw van nieuwe verhinderd; hij heeft den zendelingen allerlei belemmeringen in den weg gelegd; de christelijke jonge mannen-vereenigingen tegengewerkt, en als men hem vroeg waarom? Dán kwam eerst recht zijn bekrompen onverdraagzaamheid aan het licht; »die christelijke zending maakt hier zelfstandige mannen en die wil ik niet: die zijn te moeilijk te regeeren!« Toen hij in zijn vaderland terug was, liet hij zich aan een banket van vrijdenkers aldus uit: »de emancipatie begint pas; de christelijke kerk is gevaarlijker dan ooit. Het is nu niet een strijd tusschen kerk en staat, maar een krijg tusschen hen die gelooven en die niet gelooven. Wij moeten de godsdienstige gedachte zelve aanvallen!«

Dit is nu wat erg ruw, wat erg ronduit gezegd; maar het is niets nieuws. Het ongeloof als systeem is onverdraagzaam.

En kan het vertroosten in den dood?

Ik heb aan het sterfbed gestaan van een man die »atheistisch redenaar« van de socialisten geweest was. Op een vroeger ziekbed, aan den rand van het graf gekomen, had hij niet genoeg aan zijn ongeloof gehad; en hij heeft dat later ook openlijk erkend. »Ik heb wel kunnen leven in theoretisch atheïsme,« zoo sprak hij; »maar ik heb er niet mee kunnen sterven.«--Een jong meisje van 15, 16 jaar ligt aan de tering; haar vader was een atheïst, hare moeder een christin. Ouders en dochter beiden wisten dat het met haar niet lang meer zou duren. Op zekeren middag is zij met haren vader alléén. »Vader!« vraagt het meisje, »op welk geloof moet ik nu sterven; op het uwe of op dat van moeder?« De vader staart een oogenblik vóór zich uit. Maar daarna zegt hij met bewogen stem: »sterf liever in het geloof uwer moeder, mijn kind!« Ik denk dat velen in een zelfde geval zouden doen als deze vader.

En kan het ongeloof den mensch kracht geven in zijn leed? Dr. Dubois-Reymond, een geleerde Darwinist, die een oogenblik gemeend heeft, dat zijn wetenschap hem dwong tot atheïsme, maar daar al spoedig van teruggekomen is, Dr. Dubois-Reymond wijst er op hoe alléén het levend godsvertrouwen kan troosten onder het leed des levens: »Troost eens een zaal vol kankerlijders met de verzen van Goethe of Schiller« zegt hij. Het is dan ook wel voorgekomen dat godloochenaars door de diepe wegen van lijden en droefheid bekeerd zijn van hunnen dwaalweg. Maar het levend geloof; het echte, niet de namaak en niet het surrogaat, dat maakt geduldig en moedig. Dat is eene ervaring aan de ziek- en sterfbedden.

Het is soms vermakelijk om op te merken hoeveel bijgeloof er heerscht in ongeloovige kringen. Daar wil men niet met dertien aan tafel zitten; niet op Vrijdag op reis gaan; als men zout gestort heeft, spoedig een paar korreltjes over den schouder op den grond werpen, anders brengt elke zoutkorrel een ongelukkigen dag. Zijt gij gelukkig gezond in een tijd van veel ziekten, vertel het niet zonder drie maal op de tafel te kloppen en daarbij te zeggen »unberufen!« Men kan nooit weten! Bij het nemen van een beslissing zijn er vóórteekenen die niet verwaarloosd behooren te worden; en waarzeggers, kaartenlegsters, mediums worden in stilte opgezocht door menschen die voor ongeloovigen willen doorgaan. Lord Herbert van Shaftesbury had een boek geschreven waarin hij de openbaring Gods bestreed; maar toen het af was, wist hij niet of hij het wel uitgeven mocht; hij knielde neder en bad om een teeken uit den hemel als goedkeuring op zijn boek! En de overtuigde »positivist« Auguste Comte vond in de tweede helft van zijn leven een godsdienst uit met eene godheid »de humaniteit«, wier hoogepriester hij zichzelven maakte, hij Auguste Comte, de positivist.

* * * * *

Wat gelooft toch eigenlijk een »ongeloovige«? Als gij het hem vraagt, dan zegt hij waarschijnlijk, precies als mijn zeeuwsche meneer in den trein: »ik geloof heelemaal niets!« Want hij wil zijn geloof voor wetenschap laten doorgaan. Maar dat gelukt hem niet. Zijn ongeloof is ook een geloof. Hier hebt gij artikel I van zijn geloofsbelijdenis.

»Ik geloof aan de almachtige stof en de almachtige kracht; die van eeuwigheid zijn en tot in alle eeuwigheid duren; die alles uit zich zelven geschapen hebben, ook den menschelijken geest, ofschoon zij zelve geen geest zijn en geen geest hebben; en die de natuur met wonderbare wijsheid ingericht hebben, ofschoon zij niet wisten dat ze dit deden.«

Ziedaar eigenlijk het eerste en éénig artikel van het materialistische geloof. Ik voor mij vind het christelijke geloof veel verstandiger, dat belijdt: »ik geloof aan God, den Vader, den Almachtige, den Schepper des hemels en der aarde«.

Kent gij, lieve lezer, het mooie gedicht »de Schepping«, van ten Kate? Sommigen uwer hebben er wel eens van gehoord; niet velen van de jongeren kennen het. Ik heb mij altijd verstout er mooie passages in aan te treffen, en het deed mij onlangs goed aan mijn eigenwijze hart, in eene studie van een der »jongeren« te lezen dat ten Kate toch maar mooier verzen had geschreven dan de tachtigers wisten. »Ja, ja,« knikte ik mijn wel doorvoeden criticus toe; »véél meer!« Ik zou lust hebben u eens de passage op te zeggen, die juist zoo mooi bij ons onderwerp past; hoe God zich openbaart in de natuur; het is in het zevende tafreel te vinden; aldus begint het:

Met de middlen, met de wegen Van Zijn goedheid, van Zijn macht Komt de Algoede zijn geslacht Op den hangen dwaalweg tegen; En daar straalt een spoor van zegen Door de wanorde en den nacht;

Gij moet het maar eens lezen, in het zevende tafreel; ook die mooie regels:

»God is goed en groot« herhalen Alle heuvlen met hun dalen; Alle bergen die daar staan Als voor de eeuwigheid geschapen, Aan wier borst de wolken slapen; Aan wier voet, gelijk de blaân, Volken komen en vergaan; 's Heeren stem is op de waatren, Die Hij van Zijn vingertop Sprenkelde als een regendrop, En, wanneer de diepten schaatren, 't Bliksemvuur de wolken deelt, En de zee heur psalmen speelt Onder 't loeiend onweerklaatren, Dan ontblooten zelfs Gods haatren Met een huivring 't schennig hoofd; En--de twijfelaar gelooft!

Zooals ik zeg, ik herinner mij nauwelijks den tijd dat ik dit vers niet kende, en ik verstout mij nog het mooi te vinden. Maar laat mij u nu eens vertellen wat mij onlangs gebeurd is. Een mijner jonge vrienden, een literair genie van de bovenste plank, komt bij mij, en vraagt mij:

»Weet u wel dat de Schepping niet van ten Kate is?«

Ja, zeker weet ik dat, die is van God!

»Nu, wees niet flauw; het gedicht »de Schepping« bedoel ik.«

»Zoo«, zeg ik; (ik kreeg al een beetje binnenpret!) »ik heb anders den dichter nog zelf gekend--en hem stukken er uit hooren voordragen; en ik verzeker u, niemand in mijn tijd twijfelde er aan of dit groote dichtwerk was de arbeid van Ds. J. J. L. ten Kate in Amsterdam.«

»Neen«, zegt mijn wijsneus. »U weet er heelemaal niets van«. (De jonge man weet dat ik een dagje ouder word, en me niet kwaad mag maken; daar maakt hij misbruik van!) »Ik zal u vertellen dat stuk, dat u zoo mooi vindt, dat ik u al dikwijls heb hooren opzeggen; dat is heelemaal niet van ten Kate!«

Wel--en van wien is het dan?

»Van niemand!«

»Van niemand?« vraag ik--want daar was ik dan toch nieuwsgierig naar. Ik dacht natuurlijk in de verste verte niet dat iemand mij, in mijn eigen huis, Toussaintkade 35, zou trachten »er in te laten loopen.«--»Van niemand? wou jij zeggen dat dat vers zichzelf gemaakt heeft?«

»Ja, wat zal ik zeggen«--ging mijn historisch-conjecturaal-criticus voort. »Oordeelt u er zelf maar eens over; aan wien die verzen naar uwe meening moeten toegeschreven worden. Weet dan dat het nu al bijna vijftig jaar geleden is, op een mooien Mei-morgen in het jaar 1867--we hadden toen nog mooie Meimorgens--dat een jonge os hier de stad 's-Gravenhage werd binnengeleid; hij kwam van het Bezuidenhout, de Heerengracht langs, naar de Pooten. Of het de aanblik was van den slagerswinkel, het derde huis links, of dat hij de slagersjongens niet vertrouwde die hem geleidden; plotseling rukt het beest zich los; maakt rechtsomkeert, en zet het op een loopen; de Pooten uit; den Fluweelen Burgwal op; de Landsdrukkerij binnen. Daar, in de consternatie gooit hij alle letterkasten omver; een geweldige drukfout! En de toenmalige directeur met zijn duitsch accent, wat haastig, wat schutterig, roept uit: »kau, kau as de weerlich! Vorsicht, vorsicht; feeg me die Buchstaben netjes op, dat me die Buchstaben niet fertrapt werden!« En heel netjes, en heel voorzichtig, nemen daar de gezellen elk een stoffer en blik, en vegen die letters netjes bij elkaar, om ze weer in de letterkast op te bergen. Maar--daar komt er een; u weet die letterzetters lezen spiegelschrift net zoo gemakkelijk als u de Standaard of het Volk!... en hij bekijkt zijn blik en zegt: »wel, heb ik nu ooit; hoe toevallig: kijk eens meneer, wat ik hier op mijn blik bij mekaar geveegd heb, dat lijkt wel een vers!«

Met de middlen, met de wegen Van zijn wijsheid, van zijn macht, Komt de algoede zijn geslacht Op den bangen dwaalweg tegen; En daar straalt een spoor van zegen Door de wanorde en den nacht. Wat al kreeten....«

»He, meneer,« zegt de jongen; »dat zou een mooi vers geworden zijn; jammer dat het hier uitscheidt«....

Maar daar kwam een tweede jongen, en hij zegt: »kijk, meneer, dat is nu toch al heel toevallig; ik geloof dat ik het vervolg heb. Hoe was ook je laatste regel?« »'t Was een halve regel«, zegt de eerste: »Wat al kreeten....«

»Juist,« valt de ander in; »dan kan ik wel het vervolg hebben:

........ Hem bestormen, Door den wanklank ongestoord, Werkt de Vader liefdrijk voort, En in duizendvoude vormen Kleedt Hij Zijn welsprekend woord. Leesbaar staat het aan den hemel Met zijn ongerimpeld blauw Lovend de Onbezweken Trouw; Met zijn vonklend stargewemel....«

En daar was het weer uit.

»Ik heb zoowaar het vervolg,« komt een derde vertellen: »luister maar toe; wat was ook weer je laatste regel? »Met zijn vonklend stargewemel« ja juist:

Prijzend als op d'eersten dag, 't Eenig en Alhoog gezag. Hoorbaar klinkt het uit de stroomen, Uit de velden, uit de boomen, In een eindloos lofchoraal. Want het schepsel al te maal, Houdt niet op zijn God te roemen; Ieder in zijn eigen taal, Wil den naam des Scheppers noemen;«

en zoo ging dat maar door; en wanneer daar één blik was afgelezen, dan kwam er een jongen met een ander blik; en hij had zoowaar het vervolg. 't Was nog nooit ergens anders gezien; en allen die er verstand van hadden, voorspelden dien directeur een groote toekomst.

»En dus«--zoo eindigde mijn verslaggever; »aan wien kan men nu dat vers eigenlijk toeschrijven? Is het een vers van een os? Is het een gedicht van het toeval? Van wien is het nu eigenlijk?«

Ik moet bekennen dat ik zoover nog niet gedacht had. Een vers van een os! En zoo'n vloeiend vers, nog wel; het is zeker wel heel bizonder; maar--ik geloof er natuurlijk geen sikkepit je van!«

»Wat gelooft u niet?« vroeg mij mijn literair genie, min of meer scherp; »wat gelooft u niet? Dat een os een letterkast omverstooten kan? Waarom niet? Een os is sterk, en een letterkast kan niets terug doen!«

Neen; maar dat die letters in die bepaalde volgorde zouden vallen; dat is glad onmogelijk!

»Waarom is dat zoo onmogelijk? Ze moeten toch in de eene of andere orde vallen; waarom dan niet in deze?«

Ja--wel zeker; ik kan natuurlijk niet bewijzen dat dit onmogelijk is; maar ik houd dan maar eenvoudig vol dat ik er geen sikkepitje van geloof. Dat zulk een vers van acht en veertig regels ontstaan zou zijn door de letters van een of meer letterkasten door elkaar te gooien, dat gelooft niemand. Als zoo iets dergelijks nu eens in den bijbel stond, dan zoudt ge eens wat hooren! Wat een bijgeloovige menschen! Wat een onnadenkende menschen! Met zulke menschen valt niet te redeneeren! Maar verlangt de geleerde monist Haeckel van ons niet iets dat duizendmaal absurder is? Een gedicht over de Schepping, bij toeval ontstaan,.... onzin. Maar de wereld zelve, door toeval ontstaan, diepe wijsheid! Professor Reinke uit Kiel, een botanicus van grooten naam, heeft een geleerd boek geschreven, de wereld als daad, »die Welt als That«; hij bespreekt ook daarin de vraag: is het denkbaar dat een cel in het verre verleden _vanzelf_ is ontstaan uit de anorganische bouwstoffen? Hij verzekert ons dat de kunstmatige vorming van organische verbindingen (b.v. eiwit) uit anorganische grondstoffen nog nooit en nergens is gelukt. Gesteld het onwaarschijnlijke geval dat het lukte, dan moet eene nog moeilijker vraag worden opgelost: hoe is nu daaruit een levende cel ontstaan, die bij hare voeding machine-arbeid verricht, en het vermogen van voortplanting bezit? Want de eerste cel moet, van haar ontstaan àf, eene volkomen goed afgewerkte, doelmatig afgewerkte machine geweest zijn, een opgewonden automaat!

Kán nu dit alles, tot in de kleinste en fijnste bizonderheden toeval geweest zijn; of moeten we hier denken aan een besturend verstand?

Het woord »toeval« is een woord voor bijgeloovige menschen; het is een woord dat onze onkunde verbergt of het bankroet van ons denken verbloemt. Maar wat denkt men zich toch wel bij zulk een woord »toeval«?

Neem eens uw horloge. Vijl het, totdat gij een schoteltje hebt met fijn stof. Durft gij denken dat die fijne metaaldeeltjes, onder den invloed van mechanische krachten, door een gelukkig »toeval« zich weer zouden vereenigen tot een uurwerk dat correct gaat?

Even brutaal zou de bewering zijn dat alleen onder den indruk van chemische krachten, zonder verstand, een levende cel zou ontstaan zijn.

De naturalisten, die van ons verlangen dat wij dit gelooven zullen, verlangen te veel. Het blijkt ons dat wij, om »ongeloovigen« te zijn, bijgeloovig moeten wezen. En dat willen we niet.

Als ik al die mooie woorden hoor, die toch welbeschouwd groote woorden zijn, waarmede Bebel en Haeckel en hunne geestverwanten mij bewijzen willen dat deze wereld van zelve ontstaan is, dan denk ik aan de jongens uit de landsdrukkerij en aan hun »blik met letters.« Inderdaad behoeven onze jonge menschen niet voor groote woorden uit den weg te gaan. Met een volkomen vertrouwen mogen zij nog altijd instemmen met het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof:

_Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde._

BIDDEN

Wie het gebed verzuimt, de stille, gestadige gemeenschapsoefening met God, berooft zich zelf daardoor moedwillig van de rijkste bron van kracht.

Wanneer het geestelijk leven niet voortdurend onderhouden wordt, moèt het wel zwakker worden en sterven. Men heeft de gebedsoefening zoo vaak vergeleken--en een betere vergelijking kan men wel niet vinden--bij het naar boven komen van den duiker, die lang op den bodem van het water gewerkt heeft, maar nu een tijd lang weer in de vrije lucht moet ademhalen om nieuwe kracht te verzamelen--anders hield hij het niet vol.

Onze Heiland geeft ons hier, gelijk in alles, het voorbeeld. Altijd weder zocht Hij het aangezicht, de gemeenschap zijns Vaders. En in 't bijzonder, wanneer de verzoeking zeer sterk tot Hem was gekomen, beklom Hij den berg, om in de stilte, ver van het menschengewoel af, met God te verkeeren en zóó in staat te zijn den Satan te wederstaan.

Wie onzer zal dan niet, op oneindigen afstand den Heiland achterna, dagelijks in het gebed God zoeken, opdat de krachten des toekomenden levens telkens opnieuw ons toevloeien; opdat wij in staat zijn den strijd des levens te strijden en weerstand te bieden aan de listige omleidingen des boozen?

DE BIJBEL

Sven Hedin, de beroemde reiziger, schreef eens in een brief uit Stockholm: »Zonder het vaste en levende vertrouwen in den Heer, en in zijne almachtige, bewarende liefde, zou 't mij onmogelijk geweest zijn, 't twaalf jaren lang in die ontoegankelijke streken van Azië uit te houden. Op al mijne reizen is de Bijbel steeds mijn begeleider en mijn beste lektuur geweest.«

LENTELEVEN

Als je meent, dat de hei alleen maar mooi is in den nazomer, wanneer de erica bloeit en haar herfstweelde in alle schakeeringen van paars en rood ten toon spreidt, dan heb je het heelemaal mis.

Want de hei is altijd mooi!

De hei is mooi bij hooge blauwe luchten, die lijnen en kleuren zoo scherp doen uitkomen, en bij laag neêrhangende regenwolken, wanneer de toppen der boomen in nevel zijn gehuld; in den zomer, wanneer 't heete zand de lucht daarboven doet trillen en de horizon in blauwigen nevel wordt weggedoezeld, en in den winter, wanneer 't kale struikgewas zich zwart tegen den besneeuwden bodem afteekent en de dennebosschen zwijgend op de witte vlakten nederzien.

Wat in de hei zoo aantrekt, is de rust, de diepe, plechtige rust. Het is er zoo stil, zoo verheven stil. Men voelt er zich als in een heiligdom. Een heiligdom mag niet druk zijn. Lijnen, verhoudingen, kleuren, 't moet alles in harmonie zijn. Niets mag er wezen, dat te veel de aandacht trekt, want dan wordt de harmonie verbroken en komt er een te harde toon in den lofzang, die er door henen ruischt. Het verhevene is altijd harmonisch. Het majestueuse is altijd stil. De kleine mensch maakt gaarne drukte. God spreekt in de stilte. Die in Gods heiligdommen ingaat, gaat in de stilte in en dan wordt ook zijn hart een heiligdom, waarin vrede woont.

Zulk een heilige tempel is de hei. Is er hooger koepeldak denkbaar dan de hemel, die er zich over heen welft, wijder ruimte dan de eindelooze uitgestrektheid van den golvenden grond? De hoogste heuvel daar is een kansel, waarop je de grootheid Gods zoudt willen verkondigen, die groep statige boomen er om heen een orgel, waar de psalm zijner eer uit oprijst.

Zie je die houthakkers, die daar midden op de hei een vuurtje hebben aangemaakt? Wat zitten ze met hun blauwe kielen en roode dassen daar aardig om heen! Schilderachtiger en vrediger kan het al niet. Maar het intiemste is toch wel het rookzuiltje, dat regelrecht naar boven stijgt, telkens veranderend en toch zich zelf gelijk blijvend, steeds zich bewegende en toch stil: een gebed, ten hemel gezonden. En onwillekeurig kom je in de stemming om meê te bidden.

Ben je blij, ga dan naar de wijde, zwijgende heidevelden en jubel daar je blijdschap uit. Ben je bedroefd, ga dan ook, want de hei verstaat de smart van 't arme menschenhart, zij hoort, wat niet kan worden uitgesproken, zacht klaagt zij mede de klacht, die niet onder woorden kan worden gebracht.

Nu zijn er misschien stadsmenschen, die meenen, dat je tot de beschaafde kringen moet behooren, om de taal der natuur te verstaan! Wanneer ze een paar weken buiten zijn, genieten ze van de stilte, zoo in tegenstelling met het drukke stadsleven, van de eenvoudige schoonheid van bosch en hei, die niets gemeen heeft met de vermoeiende schittering der hel verlichte straten, en keeren verkwikt terug naar hun bezig leven. Maar 't is de vraag, of zij de taal der natuur hebben verstaan!

Het intieme meêleven met de natuur, het door en door begrijpen van haar spraak, moet je toch eigenlijk zoeken bij hen, die er dagelijks meê omgaan, ja, zelven een stuk natuur zijn geworden. Zij zullen het zich misschien niet zoo bewust zijn, het niet met zoovele woorden kunnen uitdrukken, maar zij leven veel inniger met de natuur mede dan menig beschaafd mensch wiens hoofd en hart door allerlei zorgen is ingenomen. Geen enkele verandering van windrichting of wolkenformatie ontgaat hun. Zij hebben overdag geen zakuurwerk noodig om te zien, hoe laat het is en richten zich naar den stand der zon even nauwkeurig als de stationschef naar zijn klok. Zij weten, wat het loeien van hun beesten en het blaten van hun schapen beteekent, het zenuwachtig trappelen van hun paarden, of 't onrustig heen en weer schuren van hun kalveren. Zij geven acht op de richting der vogels, op het gonzen van de bijen, op het ruischen van de beek. Alle geluiden in de natuur hebben beteekenis voor hen, alles spreekt tot hen. Zet eens een buitenman in de stad. Eerst kijkt hij zijn oogen uit en meent, dat alle menschen hun zondagsche spullen aan hebben, maar al heel spoedig zoekt zijn oog den wijden hemel, de zon, de maan, de bosschen, de velden, ach, hij zou het tusschen al die steenen huizen niet lang uithouden!

Zoo was het tenminste Jaap Boesveld gegaan, toen hij een paar dagen bij zijn zuster in de stad was geweest om zijn dochter te bezoeken, die in 't ziekenhuis lag, maar hoeveel mooie dingsigheidjes hij ook in de winkels achter de ramen had zien liggen, en hoeveel vreemds hij ook van de stadslui had gezien, hij had toch telkens tegen zijn zuster moeten zeggen: »mensch, ik weet niet, hoe je het hier uithoudt!« »Gewoonte, Jaap, alles gewoonte,« had zij hem geantwoord, »en een mensch heeft er zijn brood.« Jaap had daar op niets kunnen antwoorden, maar hij was blij geweest, toen hij weer met Jenneke, de vrouw, in zijn hoeve op de stille hei terug was. 's Avonds zag hij voor zijn huis de maan opgaan. 't Trof hem, hoe plechtig stil 't daar buiten was en hoe statig de maan omhoog rees. In de stad moest je 'm zoeken tusschen hooge daken en schoorsteenen, maar hier zag je 'm al, krek als ie boven den horizon kwam. En Jaap had een gevoel gekregen, of hij zijn pet had willen afnemen, net als in de kerk, wanneer de meester zoo mooi op 't orgel speelde.

Jaap hield veel van de hei. En weet je waarom?

Omdat je er zoo goed kon prakkizeeren.

Dat prakkizeeren was zooveel als een familiekwaal. Vader had er ook last van gehad, maar toen hij er meê was opgehouden, was 't ook metéén met hem gedaan geweest. Vader prakkizeerde zóó diep, dat de meester en zelfs de dominee hem om raad kwamen vragen. »Boesveld, wat moeten wij doen?« En dan had vader nooit dadelijk antwoord kunnen geven, maar als 't dan later goed of slecht uitkwam, zei vader altijd: »dat had ik wel gedacht.« Veel spreken deed vader niet, want, zie je, die veel zegt, heeft veel te verantwoorden, maar denken deed hij zooveel te meer!

Op het laatst van zijn leven was hij er over gaan prakkizeeren, waarom hij na een moeizaam leven niet stillekes mocht sterven, en waarom hij anderen tot last moest zijn. En of zij hem al hadden gezegd, dat vader heelemaal niet tot last was en dat ze vader nog graag wat bij zich hielden, het had niet geholpen.

Eindelijk was de dominee er aan te pas gekomen. Die had hem gezegd, dat hij niet langer zoo mocht tobben en geloovig moest afwachten, wat God doen zou.

Dat had geholpen, maar toen was 't ook metéén met vader gedaan geweest.