Op de Levensreis

Part 1

Chapter 13,295 wordsPublic domain

+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | | | | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | | | | In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | Deze dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven | | als »aanhalingstekens«. | | | | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op http://www.gutenberg.org | | | | | +----------------------------------------------------------------+

OP DE LEVENSREIS

[Illustratie]

Op de Levensreis

Bijdragen van Dr. J. A. Cramer, Dr. J. H. Gerretsen, Dr. F. van Gheel Gildemeester, P. J. Molenaar, J. C. Schuller, H. A. C. Snethlage, A. J. A. Vermeer, W. L. Welter

1915

Uitgave van G. J. A. Ruys te Utrecht

GEDRUKT TER BOEK- EN KUNSTDRUKKERIJ G. J. VAN AMERONGEN TE AMERSFOORT

INLEIDING

Voor de stille, en wat men zoo ten onrechte noemt: »verloren« uren in ons leven, is dit boek in de eerste plaats bestemd.

Om dan eens opgenomen te worden, en te midden van 's levens vaak zoo vermoeiende sleur, door een ontdekkende, vermanende, vertroostende gedachte ons een oogenblik de realiteit der eeuwige dingen wat naderbij te brengen.

Om bij wat langer poozen ons in de een of andere levens- en schriftwaarheid 'n weinig dieper in te leiden.

»Op de levensreis«, die voor velen zoo moeilijk, zoo bezwaarlijk is, mag nu en dan een vriendenwoord, somwijlen een wenk van een vriendenhand waarlijk niet overbodig heeten. Zulke woorden biedt dit boek zijnen lezers aan; zulke wenken wil het hun geven.

Het werd uitsluitend geschreven door predikanten der Haagsche gemeente, omdat zij meenden, dat dit sommige hunner gemeenteleden zou aantrekken.

Maar het is daarom volstrekt niet uitsluitend voor die gemeente bestemd. Integendeel: de schrijvers zullen zich gelukkig rekenen, wanneer zij elders, ook bij oude vrienden, lezers mogen vinden.

En zij koesteren de stille hoop menig hart tot zegen te mogen zijn.

INHOUD

Bladz.

J. A. Cramer, _Lenteleven_ 25 J. A. Cramer, _Dansen_ 122 J. H. Gerretsen, _Eenvoudigheid_ 2 J. H. Gerretsen, _De Toekomst des Heeren_ 50 J. H. Gerretsen, _Begeeren en willen_ 64 J. H. Gerretsen, _Iets over het lezen der Evangeliën_ 77 J. H. Gerretsen, _Hoe God arbeidt_ 95 F. v. Gheel Gildemeester, _Over geloof en ongeloof_ 5 P. J. Molenaar, _Niet zonder strijd_ 1 P. J. Molenaar, _Bidden_ 23 P. J. Molenaar, _De Bijbel_ 24 P. J. Molenaar, _Geestdrift en opwinding_ 65 P. J. Molenaar, _Roeping_ 79 P. J. Molenaar, _Somberheid_ 120 P. J. Molenaar, _Moed_ 121 J. C. Schuller, _Uitverkoren_ 96 H. A. C. Snethlage, _Jeanne d'Arc_ 105 H. A. C. Snethlage, _Met de helden_ 112 H. A. C. Snethlage, _Jozef_ 115 A. J. A. Vermeer, _Belijdenis_ 2 A. J. A. Vermeer, _Als een nevel_ 48 A. J. A. Vermeer, _Tot zich zelven gekomen zijnde_ 130 W. L. Welter, _Josua's Gezicht_ 67

NIET ZONDER STRIJD

Om het eeuwige leven te verwerven, heeft de mensch àlles op te offeren.

Dit verstaan vele menschen niet.

Voor het verkrijgen van aardsche goederen willen zij zich wel veel inspanning getroosten. Men bewondert den man, die, rijk willende worden, reeds als knaap begonnen is zich alle genot te ontzeggen en centen en stuivers heeft bijeengeschraapt, om zoo langzamerhand in het bezit van een groot kapitaal te komen. Men vindt 't een vanzelfsheid, dat de Grieksche kampvechter zich jaren aaneen oefende om later den kampprijs te verwerven. Men prijst den jonkman, die na jarenlange ingespannen studie, de vereischte diploma's heeft verworven, die hem in staat stellen straks de lang begeerde betrekking te aanvaarden.

Maar aangaande het allerhoogste, het eeuwig goed schijnen velen te denken, dat het hun als 't ware zoo maar in den schoot zal worden geworpen. O, hoe vergissen zij zich! Want is 't eensdeels waar, dat de zaligheid een genadegift Gods is, men vergete aan de andere zijde niet, dat er geschreven staat: strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven!

_Voor een eeuw'gen levenskrans,_ _Heer, dit arme leven gansch!_

EENVOUDIGHEID

Doe nooit iets, _om_ iets. Vele menschen zeggen, dat een Christen vroolijk moet zijn, om anderen te trekken. Dit is fout. Eigenlijk Jezuïtisme, protestantsch Jezuïtisme. Men moet nooit iets doen, om iets te bereiken; men moet eenvoudig doen wat men doet, zonder eenige bijbedoeling en het overgeven, wat deze handeling uitwerken zal. Wees die ge zijt. Doe, wat ge doet. Anders wordt ge een huichelaar. In de »wereld« beschuldigt men de »Christenen« altijd van onwaarachtigheid. De »geloovigen« zijn niet recht te vertrouwen. Zouden ze niet eenigszins gelijk hebben? Zou onze dubbelzinnigheid haar oorsprong misschien hebben in onze gewoonte iets te doen _om_ iets?

BELIJDENIS

Nadat de Heiland in Galiléa en ook aan gene zijde van de zee van Tiberias Zijn krachten betoond, Zijn teekenen gedaan en Zijn woorden gesproken had--krachten en teekenen en woorden, die Hem tot het middelpunt hadden gemaakt van opgewonden bewondering--heeft Hij zich, met Zijn discipelen, begeven naar de stille landstreken ten noorden van het Galileesche meer en aan Zijn discipelen twee vragen gesteld. Ten eerste: »wie zeggen de menschen, dat ik, de Zoon des menschen, ben?« en ten tweede: »wie zegt gij, dat ik ben?« Op deze beide vragen hebben de discipelen geantwoord.

Volgens de menschen is Jezus Elias, of Johannes de Dooper of een van de Profeten.

En volgens henzelven, Petrus treedt nu op als hun woordvoerder, is Hij de Christus, de Zoon des levenden Gods.

Na deze uitspraak van Petrus, waarop het bekende woord volgt: »Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemelen is« (Matth. 16: 14-19) verbiedt de Heiland Zijn discipelen, aan iemand te zeggen: »dat Hij was Jezus de Christus.«

Dit is een opmerkelijk verbod. Het werd met allen nadruk uitgesproken. Markus toch, deze gebeurtenis met weinig woorden weergevend, deelt mede: »En Hij gebood hun _scherpelijk_, dat zij het niemand zeggen zouden van hem.« (Markus 8: 30).

Wat zou er gebeurd zijn, indien de discipelen hun overtuiging, dat Jezus de Christus, de lang verwachte Godskoning is, eens hadden mogen prediken aan die vele honderden in Galiléa, die Jezus bewonderend hadden omringd?

Als een loopend vuur zou zich de mare, een blijmare van de hoogste beteekenis, hebben verbreid. Zonder ernstig nadenken, zonder eigen overtuiging, zou de schare haar hebben overgenomen. Velen onder hen zouden naar de wapenen hebben gegrepen, om zich bij den Christus te voegen en Hem te steunen in Zijn opstand tegen de Romeinsche overheersching. Allen zouden op Hem de verwachting hebben gebouwd, dat Hij het Messiasrijk nu zou vestigen; dat nu de heerlijke tijd van verlossing en vrede en welvaart zou zijn aangebroken.

En deze allen zouden bitter worden teleurgesteld, wanneer het hun zou blijken, dat al die heerlijkheid een ijdele droom was geweest. Sneller, dan zij opgekomen was, zou de bewondering neerslaan tot verachting. En de liefde, die Jezus als den beloofden Profeet of als den verwachten Elias prees, zou wijken voor een haat, die in deze teleurgestelde liefde zijn brandstof zou vinden. Wie eerst Jezus volgden, zouden dan Hem verlaten; wie eerst Hem bewonderden, zouden dan Hem verfoeien; wie eerst Hem zegenden, zouden dan Hem vloeken.

Dit wìst Jezus.

En vandaar dat scherpe verbod, om aan iemand te zeggen, dat Hij de Christus was.

Zeker! Jezus wil erkend zijn als de Christus. Welt deze belijdenis op uit het tot overtuiging gebrachte gemoed, dan spreekt de Heiland zalig hem, die zóó spreekt.

Zeker! Jezus wil niets liever, dan dat niet alleen Galiléa, maar ook Judéa en Jeruzalem Hem als Davids Zoon belijdt. En Hij beveelt, dat het Evangelie alom worde verkondigd, opdat alle creaturen zouden komen tot Hem als hun Koning.

Maar geen belijdenis, die den naam van belijdenis draagt en het wezen er van mist, omdat de grondslag der eigen ervaring er aan ontbreekt. Geen belijdenis, die alleen maar kan napraten, daar de persoonlijke erkentenis er niet aan voorafging.

Eén woord, maar tintelend van liefde, is, als belijdenis, meer waard, dan de keurigste formule, de meest preciese overtuiging, maar waaraan het persoonlijk ervarene, het in eigen leven ondervondene ontbreekt.

OVER GELOOF EN ONGELOOF

Voor zoover mij bekend, wil niemand gaarne voor een onverstandig mensch gehouden worden. In een periode die nu vrij-wel achter ons ligt, noemden de voorstanders van een bepaalde richting op staatkundig gebied zichzelven, met beminnelijke bescheidenheid, »het denkend deel der natie«; misschien hebben zij hunne zaak nooit grootere schade gedaan dan met deze onbenulligheid. En toch komt een dergelijke argumentatie nog menigmalen voor; ja, waar de bedenking niet onder woorden gebracht is, ligt zij toch wel te sluimeren op den bodem onzer voorstellingen, dat bij iemand die het vlak en vierkant onééns met ons is, het een of ander aan zijn denkvermogen hapert.

Er zijn groote kringen in ons land en daarbuiten waar, men het ééns is met een nederlandsch aphorisma »alle geloof is bijgeloof«. In Fransch Zwitserland, waar ook zooveel wezenlijk godsdienstig leven wordt aangetroffen, zijn vlak daarnaast tal van huisgezinnen waar het geloof aan een God, die hemel en aarde geschapen heeft, belachelijk wordt genoemd; een der duitsche afgevaardigden naar het eeuwfeest van het nederlandsche bijbelgenootschap verzekerde ons dat in Bremen, onder jonge menschen, iemand die den bijbel las, werd aangezien als een voorwereldlijk dier; de schrijvers van het belangrijk werk »facing the facts«, an englishman's religion, komen voor breede kringen uit Engeland, Schotland en Ierland, met bedroevende mededeelingen; en uit ons vaderland kunnen voorbeelden van gelijke strekking worden aangevoerd. Er zijn uitzonderingen, maar de meerderheid onzer intellectueelen schijnt het geloof niet vriendelijk gezind. Mij kwam ter oore hoe een hoogleeraar op zijn college zeide dat, wie een aantal gedegenereerden bij elkaar wilde zien, maar eens het uitgaan van eene afgescheiden kerk moest gadeslaan, en dit was niet met een booze bedoeling gezegd.

Nu is dit niet voor het eerst dat zulke dingen over geloovigen beweerd zijn. Op den pinksterdag werd er over Petrus en de andere apostelen gespot; men hield ze voor dronken; vol zoeten wijn, buiten hunne zinnen. Festus, de Romeinsche stadhouder, heeft iets dergelijks van Paulus verklaard en hem verzekerd dat hij raasde, al werd er dan beleefdheidshalve bij gevoegd dat het zijne groote geleerdheid was, die hem tot razernij gevoerd had; ja onze Heiland zelf is wel voor uitzinnig gehouden; en Paulus weet zelf het best de aanleiding die hem drong om aan de Corinthiërs te schrijven: »wij zijn dwazen, om Christus wil«.--De jonge geloovigen die dus in onze dagen hier of daar een schouderophalen ontmoeten, zijn nog niet bepaald in slecht gezelschap.

Toch wensch ik hier eens met hen de vraag te behandelen: is het nu wezenlijk zoo onverstandig om aan God te gelooven? Is het wezenlijk waar dat het verstand zich verzet tegen het geloof? Ik ben er van overtuigd dat er onder onze beschaafde en gestudeerde jonge mannen en jonge vrouwen, tal van eerlijke oprechte karakters zijn, die wel gaarne zouden willen gelooven, maar meenen dat ze het niet kunnen; dat de bezwaren tegen het gelooven onoverkomelijk zijn; dat zij de waarheid geweld moeten aandoen en hun wetenschappelijk geweten het zwijgen moeten opleggen, om te kunnen gelooven. En aan bedrog meedoen, dat willen ze niet; ook niet aan zelfbedrog.

Nu zou ik die eerlijke twijfelaars wel eens gaarne een dienst bewijzen; juist die eerlijke twijfelaars. En ik zou willen beginnen met een heel eenvoudige vraag. Wij hooren nog wel eens luid verzekeren: »geloof is bijgeloof!« Maar wat is ongeloof? _Bebel_, de bekende overleden leider der sociaal democraten in Duitschland heeft gezegd: »de resultaten der wetenschap rooven aan het christendom den grond onder den voet weg, en brengen het ten val.« _Haeckel_, de hoogepriester van het monisme, verzekert: »de kosmologische grondwet bereikt den hoogsten intellectueelen vooruitgang, nl. den val van God, vrijheid en onsterfelijkheid«;--en een zeker soort van halfbeschaafde napraters verzekeren ons met groote stelligheid: »daar is geen God, natuurlijk niet!« Maar wanneer we nu eens niet voor groote woorden uit den weg gaan, is dit ongeloof niet óók een »geloof«?

Dat geloof van Bebel en Haeckel wordt ons wel als wetenschap aangeprezen; maar het is geloof; en, ik vind, bijgeloof. De wetenschap, óók de natuurwetenschap, bevestigt de filosofie van Bebel en van Haeckel niet, maar verklaart zich daar in den laatsten tijd eer tégen dan vóór. De wetenschap heeft aan het christendom als zoodanig nog heelemaal geen grond onder de voeten weggenomen. Toch leeft dit waandenkbeeld in vele harten. In sommige gemoederen zit het muurvast.

Maar dat is geen reden om er voor uit den weg te gaan; een waanvoorstelling blijft een waanvoorstelling, ook al neemt het getal harer aanhangers toe. Neen, het verstand staat het gelooven niet in den weg; veeleer het onverstand.

Ik moet hier nog eerst eene inleidende opmerking maken; en wel deze: _gelooven is niet hetzelfde als volkomen begrijpen._ Dat denken sommigen; en zij zeggen van iets: »ik geloof het niet«, wanneer zij eigenlijk bedoelen: »ik begrijp niet hoe dat toegaat.« Eene verstandige, nu reeds bejaarde dame, vertelde mij daar een aardig staaltje van. Zij woonde in hare prille jeugd met haar vader in het zuiden van ons land; toen daar de eerste spoorwegen werden aangelegd; ze was toen een meisje van zes of zeven jaar. Haar vader had haar verteld van een rijtuig dat voortbewogen zou worden zonder paarden, even hard, ja harder dan zij ooit een rijtuig had zien rijden. »Dat geloof ik niet!« had ze gezegd. Een paar dagen later ziet ze den eersten spoortrein rijden; was ze nu overtuigd? Wel neen! ze zei: »ik zie het, maar ik geloof het toch niet!« Natuurlijk bedoelde zij: »ik begrijp niet hoe dat in elkaar zit«; »ik begrijp het niet.« Maar ze beweerde: »ik geloof het niet.« Sommige groote meisjes doen nog wel als dit kleine meisje; en nog wel anderen ook.

Zij vertelde mij nog iets anders. Vader, die een kundig dokter was, had haar verzekerd dat het witte licht kon breken in zeven stralen, de zeven kleuren van den regenboog. »Dat geloof ik niet!« had het kind al weer gezegd; en stilletjes had ze haar verfdoos genomen, en de zeven kleuren van den regenboog dooreengemengd. Natuurlijk kwam er toen geen wit. »Zie je wel, dat dit samen geen wit wordt?« had ze gezegd; en triomfantelijk er bij gedacht: »ik heb toch maar schoon gelijk gehad met dit niet te gelooven!«

Deze kleine vertegenwoordigster van de empirische filosofie was even eerlijk overtuigd van haar goed recht en hare goede trouw als menig volwassen ongeloovige; en ondertusschen had haar vader toch gelijk; en ging het witte licht maar voort zich in zeven stralen te breken, telkens als het door een prisma opgevangen werd. Ik heb er dikwijls aan gedacht. Behalve door hare eigenwijsheid, waarmede zij vaders woord in twijfel trok, maakte het kind het zich onnoodig moeilijk dewijl zij »gelooven« verwarde met »begrijpen.«

Doen wij het nooit? Ik vrees van wel; maar dan maken wij het onszelven onnoodig moeilijk. Neen »aan God gelooven« is niet hetzelfde als »God begrijpen.« Er zullen altijd wel raadselen overblijven, en moeilijkheden; maar dat doet er eigenlijk heel weinig toe. De raadselen en de moeilijkheden liggen eigenlijk op een ander terrein, en hebben met het gelooven al heel weinig te maken.

* * * * *

Eene andere opmerking is deze: »gelooven« geeft geene _mindere_ zekerheid dan »weten«; maar zekerheid op een ander gebied. Wanneer ik iets weet, dan heb ik het niet te gelooven; en waar iets een voorwerp is van mijn geloof, daar kan mijn wetenschap thuisblijven. Ik weet wel dat het spraakgebruik daar alle dagen tegen zondigt; maar dat maakt het niet beter. Wij zijn gewoon gelooven een minderen graad van zekerheid te achten; maar dat is een slordige manier van doen. Gelooven geeft geen mindere zekerheid dan weten, maar zekerheid op een ander gebied. Laat een voorbeeld mijn meening verduidelijken.

Het was in 78 of 79. Ik was op mijn eerste standplaats, Wilhelminadorp, »de polder« bij Goes. Daar waren in die dagen de verhoudingen nog al gespannen; de »heeren« die zich liberaal noemden, waren nog al vijandig en onverdraagzaam; sommigen, wanneer het niet al te oneerbiedig klinkt, sommigen waren bekrompen; en kenden geen grooter pleizier dan een geloovige voor den mal te houden. Eens kom ik in den trein tegenover een meneer te zitten, dien ik van aangezicht en van reputatie al wel kende; een »papenvreter«; en bij gebrek aan een paap verorberde hij ook wel eens een dorpsdominé. Hij scheen dien morgen een goeden eetlust te hebben; althans, hij viel dadelijk aan. »Is u niet de nieuwe dominé uit den polder?« Ik was zoo vrij.

»Een naar baantje, dominé!«

Wel? Hoezoo?

»Nu, dat is toch nog al duidelijk; u moet allerlei dingen preeken die u zelf niet gelooft, en ook niet kunt gelooven. Ik, meneer, ik geloof heelemaal niets!«

Komaan, meneer, dat is merkwaardig. Mij dunkt, u moest in uw testament bepalen dat men u later op sterk water zet, en in een museum bewaart, als een mensch die wezenlijk niets geloofd heeft. Maar mag ik weten wie u is?

»Ik ben meneer R.«, en hij noemde een welbekenden naam in Goes.

Zoo, zoo, dus dat gelooft u!

»Wat? gelooven? Welneen, dat weet ik zeker!«

Best, meneer; bewijs u het mij dan maar.

»Nu, dat kunt u in Goes op het stadhuis vernemen, dat ik ben«, en hij liet zijn twee of drie voornamen rollen door de coupé; die en die R., zoon van den ouden R. enz.«

Jawel, meneer; zeker. Dat bewijst nog niet anders dan dat ze dat in Goes op het stadhuis ook gelooven. Ik wil het ook wel gelooven, met veel genoegen; maar weten is iets anders!

Enfin, het eind van de geschiedenis was, dat hij erkennen moest niet te »weten« dat hij een zoon van zijn vader was. »Dan zal ik maar in het vervolg zeggen: ik geloof dat ik meneer R. uit Goes ben!« grinnikte hij, toen hij in Dordt den trein verliet.

Best, meneer; en dan zal u meteen geleerd hebben dat u er niets minder zeker van is, dan toen u dacht het te weten. Want gelooven geeft geen minderen graad van zekerheid dan weten. Het komt er maar op aan, dat men gelooft op goede gronden.

Inderdaad, wij »wandelen door geloof«.--De heer R. en ik beiden hadden geloof in de directie van de S. S. toen we in den trein plaats namen. Wij vertrouwden den weg, den staat der groote spoorwegbruggen, Moerdijk, Dordrecht, Rotterdam; het materieel, den machinist of de machinisten. Hij zou al zeer vreemd opgekeken hebben, mijn sceptische reisgenoot, wanneer men hem in Dordt gevraagd had: »wie was de machinist op uw trein?«--Hij had zich toch aan dien man toevertrouwd!

Wij »wandelen door geloof«, veel meer dan wij weten. Wij hebben geloof in den architect en de werklui die het huis hebben gebouwd dat wij bewonen; in den ingenieur en zijne medewerkers die de spoorlijn hebben gelegd waarlangs we ons bewegen; in den koopman, die ons zijn koopwaar brengt; in de onbekenden uit verre landen, die hem de opbrengst van hun oogst hebben gezonden. Wij zijn, eerlijk gezegd, hier nooit zonder geloof geweest; ook niet de slimme meneer R, die »heelemaal niets« geloofde. Want we zijn hier aangekomen onwetend, absoluut onwetend; maar niet ongeloovig. We hebben met vertrouwen de lucht ingeademd die zich aanbood; de melk gedronken die ons voeden moest, zonder dat wij haar chemische bestanddeelen kenden; ja zonder te weten dat wij een maag hadden en hoe de spijsvertering toeging. Maar wanneer wij het geloof verliezen, dan gaan we dood. Ik denk hier aan een man, een fabrieksarbeider, een arme, sombere man die niemand vertrouwde, en met zijn volle weekgeld naar de omstreken van Haarlem liep, omdat hier de waterleiding vergiftigd was. Hij is van Vrijdag tot Dinsdag uitgebleven en had in dien tijd vijftien centen verteerd. Holoogig en uitgehongerd kwam hij terug; we hebben hem naar een gesticht moeten brengen; waarom? Omdat hij eerlijk, consequent, alle geloof verloren had. Want het geloof is onmisbaar in het leven; zonder geloof wordt het leven onmogelijk.

* * * * *