Op de jacht in Mozambique De Aarde en haar Volken, 1909
Chapter 3
's Avonds kampeerde men aan een riviertje, de Inhampita, zijtakje van de Tjemulilo. In den nacht viel een regenbui, waar men niet op had kunnen rekenen. Daar ze geen tent hadden, en daar de zwarten in vertrouwen op het mooie weer geen schuilhut van stroo hadden gemaakt, borg Vasse philosophisch den voorraad onder zijn deken, die echter weldra doornat was. Even vóór zonsopgang hield de regen op; ze droogden zich zoo goed mogelijk bij een vuur, en vertrokken, toen het licht was. De plassen waren reeds bijna weer opgedroogd, en uit voorzorg liet de jager zijn waterflesch vullen uit het stroompje, waaraan ze hadden gekampeerd. Ongelukkig waren twee buffels er des nachts in komen plassen en hadden er een modderpoel van gemaakt.
Wat nood, bij een volgenden plas zou men de flesch, eigenlijk een waterzak, vullen. In het doornatte bosch ging het toen aan het zoeken naar versche olifantensporen. Om negen uur vonden ze in de droge bedding der Nioronga den voetstap van een mannetje, dat er eenige uren te voren door moest zijn gegaan. Ze volgden het spoor, dat hen bracht aan een plas, waar het dier zich had gevoegd bij een troep van een dozijn zijner soortgenooten. Allen te zamen hebben, naar duidelijk blijkt, zich, na gedronken te hebben in het slijk gewenteld. Daarna werd de achtervolging in zwijgende hardnekkigheid voortgezet. Het was één uur, en ze hadden geen druppel drinkbaar water gevonden, terwijl de zon brandend heet was. De negers bleven intusschen verzekeren, dat men de olifanten wel te zien zou krijgen.
Inderdaad, pas hadden ze een kleinen heuvel beklommen, of ze hoorden de dieren, die ze zochten. Er werden gevechtstoebereidselen gemaakt, die voor den heer Vasse bestonden in het nazien van zijn wapens en voor de zwarten in het zich spiernaakt uitkleeden, om in geval van gevaar beter te kunnen vluchten. De bagage bleef achter onder de bewaking van twee mannen en ze trokken er op af. Toen ze in een niet zeer dicht bosch kwamen, waarlangs een dichtgegroeide diepte lag, zag men drie olifanten; de anderen waren verder vooruit. Een mannetje met mooie slagtanden wreef zich tegen den stam van een reusachtigen boom, die hevig trilde van top tot teen als een riethalm in den storm. Vóór hem uit liep een ander jonger mannetje en daarvoor een groot wijfje zonder tanden. De jager naderde tot op tien meter van den grootste, met het geweer in de hand. Daar het dier onophoudelijk den kop bewoog, en daar hij de gevoelige plekken niet in het oog kon krijgen, besloot de heer Vasse te schieten, als hij beter kijk op het beest had.
Op dat oogenblik draaide de wind; de olifant rook den jager en ging er van door. De heer Vasse deed een sprong in de andere richting en schoot; maar de kogel, die raakte, deed het dier niet stilstaan. De jager stond stil, om weer te schieten, maar hij had er den tijd niet voor, want hij moest front maken voor het wijfje, dat na het schot omgekeerd was en aankwam met omgekrulden snuit, ver uiteenstaande ooren, brullend, en gereed tot den aanval.
Het reuzendier zag er indrukwekkend uit; maar de jager had wel wat anders te doen, dan den olifant te bewonderen. In haast zond hij haar een kogel in de borst, en gelukkig keerde de dame terug. Dat alles had zich in een paar seconden afgespeeld en weldra waren de grijze kolossen in het struikgewas verdwenen. Vasse volgde nog eenigen tijd het bloedige spoor van den mannetjesolifant, maar daar de zon lager daalde, en de dorst hen allen vreeselijk kwelde, werd besloten, dat men eerst aan de Pungwe zou gaan drinken.
Ze waren nauwelijks onderweg, toen Vasse dichtbij olifanten hoorde schreeuwen. Weldra zag hij een troep van elf stuks, drie jonge mannetjes met kleine tanden en wijfjes, waarvan drie ieder met een jong. Twee van die laatste hadden geen tanden; de zwarten wezen er den jager op en schudden het hoofd onder het herhalen van het woord: "Mariri!" (jagers). Dien naam geven ze aan de wijfjes zonder tanden, die bekend zijn om haar boosaardigheid. De heer Vasse besloot, niet te schieten, want er was daar geen enkel dier bij met goede tanden; bovendien was hij zoo goed als zeker, dat hij de beide even te voren geschoten dieren in zijn macht had, en hij had alleen verlof voor het dooden van twee olifanten, een mannetje en een wijfje zonder tanden.
Dus liet hij den troep weggaan en ze gingen rechtsaf, om niet denzelfden weg te volgen als de dikhuiden. Het was donker, en ze kwamen op een heuvel, toen ze plotseling aan hun voet in het dal de olifanten boomen hoorden breken en de bladeren hoorden afscheuren, om die op te eten. De jagers moesten toen beraadslagen. De negers waren bang, want de wind veranderde onophoudelijk, en ze liepen gevaar, als de wijfjes hen roken, een aanval te moeten doorstaan, want de wijfjes zijn 's nachts nog veel stoutmoediger dan overdag. Angstig en onbewegelijk, dorst en honger vergetend, wachtten de jagers de gebeurtenissen af.
Daar klonk een luid trompetgeschal van de dieren, en een razend tumult volgde onmiddellijk. De wind was gedraaid; de menschen waren geroken, en alle dieren namen de vlucht met uitzondering van een enkel wijfje, dat tot den aanval overging. Ze draafde tegen de helling op. Welk een toestand voor Vasse en de zijnen! Vluchten in de duisternis was haast niet mogelijk. Op een boom klimmen hielp niet, want er is geen boom, die stand houdt voor een olifant. Beter was het dan maar den strijd te wagen. Kort gaf Vasse aan de dragers der geweren bevel, zich gereed te houden. Ze zouden allen tegelijk schieten, zoodra het dier zich zou vertoonen tegen de lucht, en daarna zou ieder een goed heenkomen zoeken. Het was een wanhopig besluit, en ze voelden allen, dat er groote kans was op het vallen van dooden onder hen. Plotseling hield het doordringende, krijschende geluid op en ook de beweging werd gestaakt; het beest zocht de jagers, want de wind was weer gedraaid, en daar de olifant hen niet rook, daalde het dier weer de helling af, ging haar medeleden van den troep zoeken, om daarmee in het dal te blijven, en er den nacht door te brengen.
Het waren benauwde uren, die het gezelschap van den heer Vasse daar sleet, zonder vuur, zonder water, met de afleiding van een fijn regentje, dat genoeg was, om hen doornat te maken, maar niet hielp, om den dorst te lesschen. Om acht uur in den morgen dronken ze aan den oever van de Pungwe hun eerste water na 36 uren van onthouding! De doorgestane ontbering en de twee regennachten hadden den heer Vasse koorts bezorgd, en in de onmogelijkheid, om de vervolging voort te zetten, zond hij zijn drie padvinders, om te zien, wat er van de gewonden was geworden, terwijl hij strompelend naar Guengéré terugkeerde.
Den volgenden dag om den middag kwam een neger den heer Vasse waarschuwen, dat ze het wijfje dood hadden gevonden, op vijfhonderd meters afstands van de plek, waar zijn schot haar had getroffen. Ze hadden het mannetje lang gevolgd, maar hadden het toen verloren, daar de regen de sporen had uitgewischt. Terstond ging Vasse er met zijn vrouw op uit; ze brachten den nacht weer door aan de Inhampita en kwamen den volgenden morgen om tien uur in het geleide van een menigte inlanders aan de plaats, waar het dier lag. Toen het ontleden gebeurd was, ging Vasse het mannetje zoeken. Gieren wezen hem den weg naar het in ontbinding verkeerende lijk, op een plaats, meer dan twaalf kilometer van de ontmoeting verwijderd. Helaas, was Vasse niet de eerste ontdekker geweest, want inboorlingen, die een niet al te nauw geweten hadden, ontnamen reeds de slagtanden aan het dier, waarvan Vasse het gewicht wel op 13 kilogram schatte.
Ondanks de belofte, dat ze niet gestraft zouden worden en zelfs ondanks de uitgeloofde belooning, brachten de dieven de tanden nooit terug, zeer tot spijt van den jager.
De olifanten zijn in Mozambique nog vrij talrijk tusschen de Pungwe en de Zambezi. Ze zijn ongelukkig kleiner dan die uit het overige Centraal-Afrika en dragen weinig ivoor mee. Een mannetje met slagtanden van 12 kilo is al een dier van gemiddelde waarde. Maar wat beteekent dat naast tanden van 40, 50 en 60 kilo's, zeer gewoon op de markt te Zanzibar!
Ook is er in verhouding een grooter aantal wijfjes en zelfs mannetjes zonder de kostbare tanden, wier kwaadaardige aard de jacht zeer gevaarlijk maakt.
Maar voor een jager als de heer Vasse is de olifantenjacht boeiend, en zeker zullen de deelnemers nooit vergeten, hoe de drie kolossale olifanten de dikke boomen vertraden, alsof ze tusschen de halmen van een korenveld rondstapten.
In het dorp Chitengo vertelden de zwarten, dat in een groote vlakte op enkele uren afstands zich veel wild ophield en dat er veel leeuwen werden aangetroffen. Twee Engelschen, die er waren komen jagen, hadden 30 in één maand gedood; na dien tijd waren er al veel teruggekomen; tijdens den regenmoesson waren drie mannen uit de omliggende dorpen en drie boodschappers van den commandant door hen opgegeten.
Zeer verlekkerd door dit gesprek, beloofde zich de heer Vasse, spoedig eens een bezoek te gaan brengen aan die "menscheneters". Tegen drie uur kwam hij te Macuire aan, den zetel van de Maatschappij van Gorongoza. De portugeesche ambtenaar, die over de plantages waakte, bood den heer Vasse een mooie kamer aan; maar deze weigerde uit bescheidenheid, daar hij wist, dat veel Portugeezen werden verwacht. Daarom installeerde zich de Franschman in een bescheiden vertrek, dat goed genoeg was, om er een nacht door te brengen.
Den volgenden dag vertrok hij met zijn vrouw uit Guengéré voor een reis van drie maanden naar de tendo, het paradijs der leeuwen. Tendo noemt men een onmetelijke vlakte, die in den regentijd overstroomt, en waar in den winter, als alles geroosterd wordt door de zon, het gras gaat groeien, zoodra het water zich terugtrekt. Het gras op deze vlakte is kort, en er groeien distels tusschen. Rondom die reuzenvlakte zijn bosschen, hoofdzakelijk bestaande uit verschillende mimosasoorten en palmen, waar hoog gras onder opschiet. Die bosschen stellen een grens aan de overstroomingen, die veroorzaakt worden door de afstrooming van tal van beken en rivieren, welker water de laagten zoekt. Natuurlijk komen de dieren, die de groene weiden verkiezen, samen in die steppen, die zich van de Zambezi tot de Pungwe uitstrekken, den loop van de Urema volgend. En de leeuwen, die de kudden volgen in hun omzwervingen, zijn er natuurlijk ook talrijk.
In het dorp Chitengo nam de heer Vasse twee zoons van het hoofd in zijn dienst, jongelingen, die Joaqui en Maquina heetten, van wie de eerstgenoemde reeds gids was geweest bij verscheiden jagers. Na vier uur marcheerens kwam men aan de tendo van Sungwe, die slechts de voortzetting is van veel waterloopen, waarvan de M'sicatzi de voornaamste is. Daar zagen de jagers een massa wild in kudden. Er waren honderden gnoe's, zebra's, antilopen verspreid over de reuzenvlakte. Onderweg schoot de heer Vasse, om een Mauser te probeeren, een wild varken en vervolgens werd het kamp opgeslagen op den rechteroever van de Sungwe. In de schaduw van een grooten boom wees de jager de plaats aan voor de tent, dan die van de hut voor de bedienden, de droogplaatsen voor huiden en de keukens, en liet daarna het geheel omgeven door een omheining van stevige takken met dorens, een soort van haag, die vier meter hoog was en voldoende dikte had. Er was een bres in, waardoor men kon binnengaan, en die men naar wensch kon sluiten, door een heelen acacia in de opening te duwen. Dat is een onmisbare voorzorgsmaatregel in een streek, door menschenetende roofdieren onveilig gemaakt, vooral als men eenigen tijd op dezelfde plaats wil blijven.
Toen die werkzaamheden waren afgeloopen, betaalde de heer Vasse de dragers en zond hen terug evenals den Cipayer, die met het gezelschap was meegegaan. Hij hield slechts tien negers bij zich. In den namiddag doodde de jager een antilope en een gnoe, en liet de helft van het laatste dier als lokaas achter. In den nacht hoorden ze de leeuwen aan alle kanten. Ze luisterden vol aandacht naar het gebrul, om te raden, in welke richting de dieren hun dagrust zouden nemen. In de tendo's jagen de leeuwen in den winter niet als in het woud. Ze gaan des avonds uit hun schuilplaats, waar ze den dag in de schaduw hebben doorgebracht. Na zich met een frisschen dronk te hebben verkwikt, vervolgen ze in troepen de kudden antilopen en deelen den buit, die gemaakt wordt. Ze stoppen zich vol vleesch; en als de morgen aanbreekt, gaan ze met volle magen weer drinken. En eer de zonneschijn dan warm is geworden, zoeken ze hun schuilplaatsen in het bosch weer op. Gegeven die manier van doen, is het beste middel, ze te dooden, de drinkplaatsen op te zoeken, waar de verscheurende dieren graag komen, en als men door de geluiden van het gebrul de richting heeft uitgevonden, waar de leeuwen hun siësta houden, legt men tusschen die beide punten een lokaas neer, uit een dier, met geopenden buik bestaande, dat dus veel geur verspreidt.
Het lijk moet zich op minder dan 100 meter afstands bevinden van een der groote goten, waar het water door afloopt in den regentijd, en die soms twee meter diep zijn. Daarin verschuilt zich de jager en komt dichtbij de wilde dieren, zonder door hen, te worden gezien. Eindelijk moet er worden gezorgd, dat de dieren den jager niet ruiken, en dat is betrekkelijk gemakkelijk, want des morgens waait de wind bijna geregeld uit dezelfde richting.
Zoodra het dag was, begaf Vasse zich naar zijn lokaas en zag er dien keer niet anders dan twee hyena's, die naar de andere wereld werden geholpen. In het kamp teruggekeerd, nam hij een kop chocolade en weerkomend hoorde hij in de buurt van het lokaas jakhalzen roepen.
"Opgelet!" riep Joaqui, "de jakhalzen schreeuwen, dus zijn er leeuwen in de buurt." Voorzichtig trad de heer Vasse vooruit en op 90 meter afstands ontdekte hij twee groote leeuwinnen. De eene lag, de andere zat en likte zich den poot. De jager schoot en trof het laatste dier in den hals, wat volgens den heer Vasse de beste plaats is voor een afstand, die minder dan honderd meter bedraagt. Als men dan misschiet, vlucht de leeuw zeer snel, wat u den lust beneemt, hem te achtervolgen; en raakt ge, dan is er groote kans, dat het een doodelijk schot is geweest. Dezen keer had de jager goed gemikt, want de leeuwin viel bewegingloos neer; de andere sprong bij het schot overeind, zag den vreemde en nam de vlucht. Op 120 meters schoot Vasse, en een kogel trof het dier in den schouder. De leeuwin brulde; maar zette de vlucht voort en verschool zich in een boschje bij de M'sicatzi. Vasse onderzocht het bloed, dat uit de wonde was gekomen, en zag daaruit, dat de long getroffen was. Voorzichtig geworden door wat men hem over leeuwen had verteld en door wat hij zelf reeds had beleefd in zijn jagersleven, liet hij het beest liggen, om er zich den volgenden dag mee bezig te houden, en ging naar het kamp in tevreden stemming, omdat het hem gelukt was, een leeuwin van 2.73 M. te schieten.
In den namiddag werden twee gnoes doodelijk getroffen, waarvan één als lokaas werd achtergelaten niet ver van de plaats, waar de eerste leeuwin was gedood. Inderdaad had Vasse aan den oever van de M'sicatzi de sporen gezien van een grooten troep leeuwen, die geregeld aan die rivier kwamen drinken. Bij het aanbreken van den dag aankomend, vond de jager werkelijk van de plek, waar hij in een diepen kuil toezag, dat er acht leeuwen aanwezig waren op niet meer dan 75 meter afstands van het lokaas. Twee groote leeuwen en een leeuwin lagen, namelijk de twee die het verst verwijderd waren. Drie leeuwinnen zaten of stonden in verschillende houdingen; twee jonge leeuwtjes vochten om een been onder duchtig gebrom. Uit de verte woonden drie jakhalzen het tooneel bij.
Door een kogel in den hals werd een leeuwin door den heer Vasse gedood. Bij het afgaan van het schot stond het heele gezelschap op en keek, van welke zijde de aanval kwam, want de jager was verborgen, om opnieuw te schieten. Een tweede kogel op dezelfde plaats velde een tweede leeuwin naast de eerste. Dezen keer hadden drie leeuwen den onwelkomen bezoeker gezien, namelijk de beide mannetjes en een wijfje, die vluchtten en den gast den rug toe keerden; de leeuwin en de twee leeuwtjes kwamen recht op hem toe. Vasse stond op en de leeuwin zag hem, boog zich, stond weer op en zou tot den aanval overgaan, met recht uitgestoken staart, hangende ooren en onder een vervaarlijk gesnuif. De kleinen volgden haar. Een schot vlak in de borst doodde de woedende moeder. De leeuwtjes bleven naast haar staan, brommend en de tanden toonend. Daar Vasse nog slechts twee patronen had, kwam het er op aan, maar de beide jongen werden geveld. Ze hadden reeds een respectabele grootte, daar ze 2.32 M. en 2.25 M. lang waren.
Alle mannen werden aan het werk der ontleding gezet, en het was bijna middag, toen het was afgeloopen. Bij het verlaten van het bloedige tooneel zagen de jagers gieren vliegen in de richting, waarin den vorigen dag de gewonde leeuwin was verdwenen. Ze snelden erheen en vonden het doode dier; de vogels hadden het nog alleen een oog uitgepikt. De afmetingen van de drie leeuwinnen waren 2.78 M., 2.68 M. en 2.60 M. De teruggevondene was 2.80 M.
Op deze leeuwenjachten had de heer Vasse 25 leeuwen geschoten en daarvan 23 mee kunnen brengen. Men zou zoo denken, dat de kaffers van dorpen in de buurt er verrukt over zouden wezen, dat ze op die wijze verlost werden van zulke lastige en gevaarlijke gasten als de leeuwen van de tendo's. Maar dat was volstrekt niet het geval. Ze waren er niet op gesteld, en in plaats van den jager te helpen, deden ze alle moeite, om te beletten, dat hij de dieren te zien kreeg. Dat leek een raadsel; maar het werd voor den Europeaan op een goeden dag opgelost. Een inboorling, die wat spraakzamer was dan de anderen, zei eens, toen Vasse hem de huiden wees van een paar leeuwen: "Ja, u doodt veel leeuwen, maar er blijven nog veel meer over, en daar u er niet altijd zult wezen, zullen, als u vertrokken is, de leeuwen in massa terugkomen; ze zullen hun broeders zoeken en zullen ze niet vinden; integendeel zullen de beenderen op de vlakte liggen en deze zullen hun toeroepen, dat menschen hen hebben gedood, waarna ze, om zich te wreken, ons in onze dorpen zullen komen aanvallen."
Hoe vreemd dit antwoord ook lijke, het is geheel in overeenstemming met de bijgeloovige vrees van de Kaffers voor een leeuw. "Het is geen dier," zeggen ze, "het is een sterke man." Als een Kaffer een leeuw ontmoet, groet hij en klapt in de handen. Dan veegt hij zijn voeten op den grond af, als sprak hij tot een hoog personnage en zegt: "Heer, ik zou gaarne voorbijgaan!"
Is de leeuw in een goed humeur, dan gaat alles goed, en de Kaffer gaat zijns weegs. Maar als de koning van het woud slecht geluimd is, keert de Kaffer om en draaft langs een anderen weg of klimt in een boom op gevaar af, daar den nacht te moeten doorbrengen.
Voor den heer Vasse was deze jacht aan de Sungwe een der boeiendste van de vele jachten op het groote afrikaansche wild.
End of Project Gutenberg's Op de jacht in Mozambique, by Guillaume Vasse