Op de jacht in Mozambique De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 2

Chapter 23,985 wordsPublic domain

Toen de heer Vasse na het vermeesteren van de antilope in het kamp terugkwam, waren de zwartjes bezig het vleesch in stukken te snijden en van de beenderen te halen. Den geheelen nacht werden vuren onderhouden, om het vleesch te drogen, maar ondanks de geuren, die van die slachterij in het groot opstegen, werd men in het kamp dien nacht niet verontrust.

In de dagen, die volgden, viel er veel regen, die in een der dorpen, waar het kamp werd betrokken, aanleiding scheen te hebben gegeven tot een drinkgelag, want alle bewoners bleken dronken te zijn. Het was in Chitote, waar men zich aan kafferbier, dat uit sorghomeel wordt bereid, was te buiten gegaan. Er zijn wel Europeanen, die het een lekkeren drank vinden, maar de meesten houden er niet van, vooral niet, omdat het eten en drinken tegelijk is, zoo dik is het, en omdat er een zuurachtige en schimmelachtige smaak aan is, die velen tegenstaat. Maar de kaffers zijn er dol op, in die mate zelfs, dat een deel van den oogst voor de bereiding van bier wordt bestemd, terwijl de voorraad daar eigenlijk niet groot genoeg voor is, zoodat er ieder jaar, voordat de nieuwe oogst binnen is, een periode van gebrek moet worden doorgemaakt. De drank heeft bij de inboorlingen verschillende namen; hier heet hij pombé, daar tsjoeala en ginder aroea.

In de buurt van Chitote werd jacht gemaakt op parelhoenders, die er veel voorkomen. De vogel heeft witte en zwarte veeren, en de kop is bij de daar aanwezige soort een weinig kaal en rood, zoodat het dier gemijterd lijkt. Het vleesch is heerlijk en de jacht niet onaardig. Met de honden en verscheiden negers ging de heer Vasse rondzwerven in de nabijheid van de aanplantingen der inboorlingen. Daar houden de troepen vogels zich op, die zoodra ze de honden gewaar worden een luid geschreeuw aanheffen. Ze worden, als het ware, gehypnotiseerd door dat gezicht en blijven op hun plaats. Dan liet de heer Vasse zijn helpers, die hij aan de hoeken had opgesteld, onder veel rumoer naar zich toekomen, en de parelhoenders vliegen op en worden gemakkelijk geschoten. Dikwijls schoot de Europeaan er acht van de honderd opvliegende vogels.

Over M'sissi ging het naar Chaïa, waarbij de rivieren de Masomba en de Rotunda moesten worden overgetrokken. Te Chaïa had de heer Vasse gehoopt den chef van het district Moribane te treffen; maar hij was vertrokken naar het gebergte van Sjimanimani, waarheen hij verplaatst was. Er werd door het gezelschap daar naar ruïnen gezocht, omdat de gidsen daarvan hadden gesproken, maar het scheen dat die overblijfselen alleen in den droom door dezen of genen waren aanschouwd, ten minste men vond er geen spoor van.

Door dorpen en over rivieren werd de tocht voortgezet. Op één dag deed men een marsch van elf uren langs de Mutema tot aan de samenvloeiing van die rivier met de Lusitu. Deze belangrijke zijtak van de Busi is honderd meter breed; maar ligt vol rotsblokken. Daar de dragers hun voorraad antilopenvleesch hadden uitgeput, gebruikte de heer Vasse aan de rivier eenige dynamietpatronen, en had daardoor een wonderbare vischvangst.

De volgende étappe bracht het gezelschap aan de oevers van de Basi, die wel 200 meter breed is in den regentijd, maar die toen nog niet de helft van die breedte had. De plek, waar het kamp werd opgeslagen, was zeer boschrijk, en aan den overkant van de rivier breidde zich een groote vlakte uit, die naar het zeggen der inboorlingen wildrijk moest wezen. Dat moet wel waar zijn, want ze werden er onthaald op een prachtig concert van leeuwen. Er waren er wel tien. Bij de eindelooze eenzaamheid van dat groote Afrika, in een stillen nacht met duizenden sterren aan het uitspansel, is er niets schooners en indrukwekkenders en edelers dan die stem van den koning der dieren, die in wijden omtrek gewaagt van de kracht, de macht en de glorie van den vorst der wildernis.

Wat zou de heer Vasse graag bij het aanbreken van den dag die nachtelijke kunstenaars van dichtbij hebben willen zien; maar hij had geen middel, om over den stroom te komen. Wat zwemmen aanging, dat was uitgesloten door de aanwezigheid van talrijke krokodillen. Ook had de heer Vasse wel naar het Zuiden willen reizen, om de Sabi te bereiken, maar volgens gewonnen inlichtingen was die streek arm en het zou moeilijk gaan, er het levensonderhoud voor de altijd hongerige menigte van het gevolg te vinden.

Daarom wendde het jachtgezelschap zich weer naar het Noorden en had in die water- en boschrijke streek welgelukte jachten. Een aardige tractatie aan het dessert werd eens door een vogel aangewezen. De heer Vasse had een ontmoeting met een soort van koekoek, die steeds in zijn buurt bleef en van den eenen boom op den anderen wipte. Het was de honigaanwijzer, Cuculus indicator, een geelachtig grijze vogel met enkele zuivergele pennen in den staart. De dikke huid dient hem, volgens de kaffers, om gevrijwaard te blijven voor de steken van de bijen. Als hij een mensch bespeurt, gaat hij op een tak zitten en heft zijn lied aan van "Sjerr, sjerr, sjerr!", wat men niet beter kan vertalen dan door "Gauw, gauw, gauw!" Ja, reiziger, ga maar snel achter uw kleinen gids aan, die u den weg zal wijzen naar den geurigen honing, door vlijtige wilde bijtjes voor u verzameld, een heerlijk dessert, dat de milde natuur u voorzet.

Zoodra de roep begrepen is, verlaat de koekoek zijn plaats, vliegt met een gematigd snelle vlucht verder en gaat weer zitten. Dat spelletje zet hij voort tot op de plaats zijner bestemming, het eind van zijn reis. Daar neemt hij plaats op den hollen boom, waarin de lekkernij is te vinden, of als de bijen hun nest onder den grond hebben aangelegd, kiest hij een jong boompje in de nabijheid. Dan verandert zijn geroep. Het wordt een zacht, gescandeerd roepen als een wenk die schijnt te zeggen: "Daar is het, daar is het!" Een seconde van oplettend rondzien wees den reiziger reeds den ingang van het nest; hij maakte een beetje vuur en veel rook vóór den ingang en verjoeg de werksters. Met een bijl werd de nauwe opening weggeslagen, en men kon de honigraten wegnemen, terwijl de kleine gids zich vroolijk mocht maken met de larven, in de cellen aanwezig, die een lekkernij voor hem zijn.

Van Guengéré uit aan de Pungwe deed de heer Vasse veel tochten, die interessante dingen opleverden. Hij verbleef daar op de concessie van een Franschman, den heer Puech, die er reeds vijf jaren woonde, een mooi huis had laten bouwen en twintig hectaren had ontgonnen, beplant met tal van vruchtboomen.

Onder de jachttrofeeën, die buitgemaakt werden, behoorde ook het belangwekkende schubdier, de Manis pentadyctila, ook wel de Pangolin genoemd. Hij behoort tot de tandeloozen; de huid is bedekt met groote, plaatvormige hoornschubben, die elkaar bedekken als de schubben van een dennenkegel. Alleen des avonds in de schemering verlaat het dier zijn schuilplaats, om zijn voedsel te zoeken, dat uit mieren bestaat. De Pangolin begint met den mierenhoop met zijn forsche klauwen te doorwoelen, en als de bewoners, opgeschrikt door de beweging, in menigte komen aanloopen, steekt het dier zijn lange tong tusschen hen; en dat lichaamsdeel, bijna zoo lang als het geheele lichaam, is met een kleverig, vocht bedekt, waardoor de mieren er aan vast kleven.

Een kogel stuit af op het harde pantser van het schubdier, dat zich tegen zijn vijanden verdedigt, door zich tot een bal samen te rollen en zoo den loop der gebeurtenissen af te wachten. Men ontmoet dat schubdier zelden, en de negers, die er den naam hacka aan geven, zeggen, dat het afkomstig is uit den hemel en dat het geluk beteekent, als men een schubdier vangt. Het vleesch, dat door de dragers met graagte werd gegeten, is dicht en wit en vet. De heer Vasse doodde een wijfje van 22 kilogram zwaar. Daarmee beladen en met zijn geweer, had de jager groote moeite, om in een donkeren nacht naar Guengéré terug te keeren. Klimmend tegen de hellingen van den Nyantonga, deed hij een val in de rivierbedding, en toen hij eindelijk tegen negen uur terug was gekomem, had men zich ongerust gemaakt, want zulk een verlating wekt grooten angst in een land, waar zooveel leeuwen zijn.

In het district Gorongoza viel een Wahlbergzebra den reiziger in handen. Ze komen in dat deel van Afrika veelvuldig voor, en elken dag ontmoette men kudden van soms wel verscheiden honderden dieren. Die zebra's houden niet van de eenzaamheid, en als ze door toevallige omstandigheden van de kameraden zijn afgeraakt, sluiten ze zich gauw bij troepen van andere dieren aan. Evenals de antilopen leggen ook de zebra's gevoel van solidariteit aan den dag, blijven lang in de buurt van gedoode broeders, en betreuren den dood van een vriend door een soort van gebalk, dat op het geluid van een ezel gelijkt. Het vleesch is voor Europeanen niet lekker, maar de negers en de leeuwen zijn er verlekkerd op. Als de zebra gewond is, wordt hij gevaarlijk, dan moet men zijn aanvallen en zijn beten vreezen.

Waar de districten Gorongoza en Baroea aan elkaar grenzen, werden belangrijke vondsten gedaan, o.a. van de grijze mamba, een zeer gevreesde en vlugge slang, die met een kogel werd gedood op het oogenblik, toen het dier zich oprichtte, om een aanval te doen, en een variëteit van een zeer kleine antilope, den blue-duiker van de Engelschen. Duikerbok is de hollandsche naam of wel de vierhoornige antilope, een klein en sierlijk beest. Daarbij voegde zich de oribi, Nanotragus scoparia, ook een niet groote antilope, die in de vlakten leeft en altijd in paren voorkomt. Het dier is grooter dan een geit, bijzonder vlug en kan verrassend hoog springen. Het vleesch van de oribi wordt, en terecht, zeer geroemd door de lekkerbekken van Centraal Afrika.

Tijdens de reis van den heer Vasse werd er in de portugeesche kolonie een bepaling uitgevaardigd, krachtens welke de jacht van 31 December tot 1 Mei gesloten was, zoodat onze jager tot werkeloosheid was gedoemd. Hij eerbiedigde het besluit, tot tijd en wijle het hem gelukte, een speciaal verlof te erlangen. Intusschen had hij den dag der sluiting nog gevierd met het neerleggen van een wild varken, een guib-antilope, twee duikerbokken en een blauwen aap.

In den tijd van afwachting, toen ook de regens vielen, zette de heer Vasse vallen voor de wilde dieren, wier sporen hij vond op veel paden in den omtrek. Drie ijzeren vallen had hij te zijner beschikking van duitsch model, hem geleend door den heer Puech; twee er van wogen ieder 20 kilogram en hadden dubbele veeren; de derde was kleiner en lichter.

Bij hun nachtelijke ronden volgen de wilde dieren meestal dezelfde sporen. In de buurt werd dan het een of ander aanlokkingsmiddel geplaatst, en in zulke gevallen maakte de jager een klein hutje, omringd door dikke doorntakken en liet een opening, voor de val, die daar werd gezet. Binnenin werd een stuk van een dood dier neergelegd of een geitje of een jong varkentje. Aan het uiteinde van de val was een ketting bevestigd van een meter, die geslagen was om een boompje van armsdikte of iets meer, waarvan de lage takken werden afgesneden tot op een twintigtal centimeters en scherp werden toegespitst. De ketting wordt nooit aan een vast punt gehecht, want het dier, dat dan een onoverwinlijken weerstand zou voelen, zou al gauw zijn poot afbijten. Maar nu trekt het roofdier, als het gevangen is, de val, het boompje en den ketting achter zich aan. Met ongeloofelijke inspanning kan het dan meestal zich nog een eind verwijderen, maar niet ver. Des morgens gaat de jager het spoor volgen, dat zeer duidelijk is, en als hij nadert, laat het roofdier een gebrul hooren en valt dan met woede aan. Dus moet het worden neergelegd met een kogel.

In zulke omstandigheden is de aanval van een roofdier niet levensgevaarlijk; het gaat met vallen en opstaan, als met rukjes, maar toch heeft het dier nog een zekere snelheid, waardoor men op zijn tellen moet passen. Ook bestaat het gevaar, dat de val niet vast genoeg heeft gegrepen, en in een uiterste poging het dier zich losrukt, waarna woede en pijn de heftigheid van den aanval zouden vergrooten. Het is voor de liefhebbers een boeiende jacht, die veel emotie wekt, als zoo'n luipaard of leeuw op zijn achterpooten naar u toekomt met hangende ooren, gestrekten staart, uitgestoken klauwen en een boozen blik, terwijl hij dreigend gromt.

De heer Vasse vermeesterde in dien tijd in de buurt van de concessie van den heer Puech twintig luipaarden, één leeuwin, vijf hyena's, twee civetkatten, drie groote apen, twee zwarte antilopen, drie stekelvarkens. Tijdens zijn afwezigheid schoot zijn vrouw twee luipaarden, één hyena en een stekelvarken.

Interessant was het geval van den 16_den_ Mei 1905, toen een neger, die op de concessie in dienst was, uit het dorp terugkwam en den heer Vasse in den morgen waarschuwde en hem vertelde, dat een reusachtig dier hem, toen hij langs het pad ging, waar een val stond met lokaas, getracht had, zich op hem te werpen en dat het waarschijnlijk in de val gevangen zat. Hij kon niet zeggen, of het een leeuw of een luipaard was. In haast kleedde zich de jager aan en snelde er heen. Een geweldig gebrul deed zich hooren, en een groote luipaard sprong op hem toe, en deed de achter hem aansleepende voorwerpen, de val, het boompje en den ketting vervaarlijke sprongen doen. Hij was op vijftien meter afstands; maar de jager was niet gelukkig met zijn eerste schot; het deed het roofdier niet vallen, en nogmaals sprong het tot tweemaal toe, eer de jager hem het doodelijke projectiel toezond. Op zeven meter van den heer Vasse viel de luipaard dood neer. Een lange rilling voer het dier door de leden, de klauwen werden uitgestoken, toen langzaam ingetrokken, en het oog, dat wijd geopend was geweest in de heftigheid van den strijd, brak en werd glazig. Het was gedaan. Het was de grootste luipaard, dien de heer Vasse nog had geschoten; een dier van een lengte van 2.32 M.

Door twee negers liet de reiziger den gedooden luipaard naar huis dragen, en de zwartjes waren niet minder verheugd dan de gelukkige jager bij de gedachte aan de tractatie van alcohol, die op iedere gedenkwaardige jacht volgt. Terwijl men nog den triomf genoot van de vangst, herinnerde de heer Vasse zich een andere val, die nog niet was nagezien. Het zou een onverhoopt geluk wezen, als men er iets in vond, en daaraan dacht de heer Vasse zoo weinig, dat hij het kleine kalibergeweer van zijn vrouw meenam, om desnoods een paar patrijzen te kunnen schieten, als hij die toevallig mocht tegenkomen.

Een neger liep vooruit in de richting van de val. Hij was er veel dichterbij dan de jager, die den man tot op een twintigtal meters van de val zag naderen. Er werd geen geluid gehoord, en de heer Vasse schouderde zijn geweer. Maar daar plotseling weerklinkt een rauw en luid gebrul; de zwarte maakte rechtsomkeert en vluchtte, zoo hard hij loopen kon, terwijl een prachtige luipaard hem nazette. De te jonge katoenplant weerhield de val niet, die het dier met wonderlijk gemak achter zich aan sleepte; de neger verloor terrein, nog eenige sprongen, en het verscheurende dier zou hem grijpen. De heer Vasse wist, dat het schot, dat hij zou lossen, den luipaard niet tot staan zou brengen, maar door een onverwacht geluk raakte het boompje verward tusschen een hoop gras, die den luipaard in zijn vaart tegenhield en hem deed neerstorten. Daardoor kreeg de neger een voorsprong, en was gered. De jager bleef vóór het verscheurende dier staan, dat gromde, zich uitrekte en hem afwachtte. Toen riep de heer Vasse den zwarte toe, hem zijn karabijn te brengen, en met dat dadelijk toegereikte Männlichergeweer maakte de jager spoedig een einde aan het avontuur. Deze luipaard, die bijna even mooi was als de andere, was 2.25 M. lang. Geen wonder, dat de negers een dubbel rantsoen drank kregen. De neger, die meegegaan was, profiteerde er echter niet van, want hij moest te bed blijven door den invloed van den schrik, dien hij had gehad, en den volgenden dag had hij een hevige geelzucht, die hem drie weken ongeschikt voor zijn werk maakte.

In den nacht, die volgde, werd het kamp opgeschrikt door afschuwelijke kreten; een zwarte kwam aanloopen met de tijding, dat een luipaard de varkens in de kraal doodbeet. In haast ging ieder kijken; maar toen men bij den stal kwam, die op 1500 meter afstands van het huis van den heer Puech was gelegen, was de dief, verschrikt door het geroep der wakers, verdwenen. Het was duidelijk te zien, dat het roofdier op het dak was gesprongen en nadat hij dat had ingedrukt, zich naar binnen had laten vallen. Bij het binnen treden kon er worden geconstateerd, dat vier varkens gedood waren en verscheiden wonden hadden gekregen; de roover was ontvlucht na twee palen te hebben gebroken. Een weinig van zijn haar, achtergebleven in de bres, wees aan, waar hij langs was gegaan.

De heer Vasse wist niet precies, hoe laat het was, en of de dag spoedig zou aanbreken. Daar den geheelen nacht te waken op een plek, waar het wemelt van muskieten, was onmogelijk. Maar aan den anderen kant, kon het dier nadat men was weggegaan, terugkomen en den moord voltooien. Dus nam de heer Vasse zijn toevlucht tot een list. Hij haalde een lijk van een der varkens naar buiten en legde het tegenover de plaats, waar het roofdier uitgekomen was. Komt het terug, dan zal het dit slachtoffer vinden en ermee in een boschje gaan, om het te verslinden, des morgens kon de jager dan het spoor volgen. Als het niet gelukte, den roover te treffen, zou er een val worden neergezet bij de resten van het doode varken, om zoo de vangst te bewerkstelligen.

Aldus geschiedde. In den morgen zag men, dat het lokaas was verdwenen; de jager volgde het spoor van het over den grond gesleepte dier en kwam zoo in een groot rietbosch. Daar riep plotseling een der bij hem zijnde negers, die vooruitliep: "Bondolo (een leeuw)!" Vasse keek en kon zijn oogen nauwelijks gelooven. Ja, werkelijk, het was een leeuwin, die de kraal had aangevallen; daar was duidelijk de vorm van het dier op den vochtigen grond te onderscheiden.

In het bosch achtte de heer Vasse het gevaarlijk, het dier te volgen, want men kon niet schieten in geval van een aanval, en daarom ging hij naar de kraal terug. Hij liet toen dorentakken aan alle zijden en op het dak aanbrengen, en liet alleen een toegang open, die leidde naar den uitgang, waar de leeuwin doorheen was gegaan, en aan den anderen kant van de val, die bij den ingang stond, werd het lijk van een ander varken gelegd. Vasse was er zeker van, dat de leeuwin zou weerkomen, want varkensvleesch oefent op de verscheurende dieren een zoo groote aantrekkingskracht uit, dat ze er geen weerstand aan kunnen bieden.

In de val werd den volgenden nacht een hyena gevonden, maar de nacht was buitendien onrustig, doordat de negers telkens beweerden, den leeuw te bespeuren. Eerst echter in den nacht van den 20_sten_ op den 21_sten_ kwam om vijf uur in den morgen een der wakere aanloopen met het bericht, dat de leeuwin gevangen was. Dadelijk ging Vasse er heen, goed gewapend en met een lantaarn voorzien. Vanaf den post der bewakers hoorden ze den leeuw dof brullen. Ze drongen in den stal door en trachtten het dier te zien te krijgen; maar het was onmogelijk; het was te donker en er moest gewacht, tot het dag was, om te schieten.

Zoodra het maar even licht was, ging men naar de kraal. Vasse had aan zijn gastheer, den heer Puech, die nog nooit een leeuw had geschoten, de eer van het eerste schot gelaten. Zoodra het dier hen zag komen, deed het een sprong in hun richting, maar terstond daarop viel het neer, in den hals getroffen door een kogel uit een Männlicher.

Even later kwamen de negers aanloopen en zeiden, dat er een leeuw brulde. Het gezelschap begaf zich naar de aangewezen plaats, en, werkelijk, door het hooge gras hoorde men een dier vluchten. Het was de ontroostbare echtgenoot, die drie dagen en drie nachten rondom de concessie zou ronddwalen, de doode, als het ware, opeischend door allerlei kreten, en verstoppertje spelend met de jagers, wien hij geen gelegenheid gaf, hem een kogel toe te zenden. Den vierden dag verdween hij. Enkele maanden later werd hij opnieuw in den omtrek gezien in gezelschap van een andere echtgenoote.

Nog een groot roofdier doodde de heer Vasse in de nabijheid van de bezitting van zijn vriend, namelijk een lynx, die veel hazen en patrijzen eet en wilde ganzen. Ook stekelvarkens werden buitgemaakt, drie in getal. Het zijn groote vernielers van de aanplantingen der inboorlingen, die het dier nongo noemen en het vleesch op hoogen prijs stellen. Als het dier levend in een klem was gevangen, leverden de opstaande stekels en booze oogen een dreigend schouwspel op.

Onder de jacht voor zijn genoegen door zamelde de heer Vasse een massa materiaal in, dat de kennis kon vermeerderen over de flora en de insectenfauna van den omtrek en over de zeden der inboorlingen, wier taal de heer en mevrouw Vasse reeds zeer goed spraken en verstonden. Tot de gewone werkzaamheden der kaffers behoorde het looien der huiden. De huid, die eerst in de zon werd gedroogd, werd daarna zeer zorgvuldig afgeschraapt met een oud mes en ontdaan van elk brokje vleesch, dat er nog aan zou kunnen hangen; vervolgens werd ze met vet ingesmeerd, en met een mooi gladgemaakte steen wreven ze het leer zacht en lieten het vet erin dringen. Al spoedig wordt het leder zeer soepel. Het wordt dan gedompeld in een oplossing, die men krijgt, door tamarindeschors lang in water te laten trekken. De vleeschkant van de huid neemt daardoor een mooie roode tint aan, en de reuk van het middel verwijdert voor altijd de insecten. Huiden, die op deze manier geprepareerd zijn, kunnen jaren lang goed blijven. Maar dat is niet de eenige kleurstof, die de negers gebruiken; Vasse zag ook twee zwarte kleurstoffen aanwenden, een, verkregen door zaad van een mimosa, de andere door de bladeren van een boom, waarmee ze hun mantels en andere kleedingstukken zwart verven. In de beide laatste gevallen wenden ze de kleurstof warm aan.

Tegen het einde van Juni maakten de heer en mevrouw Vasse een tocht naar de Boven Pungwe, om te trachten, een nijlpaard te schieten. Er was een plek bij de monding van de M'satoea, waar de heer Vasse zeven jaar geleden op één dag vier van die hippopotamussen had gedood. Maar toen ze nu ter plaatse aankwamen, was geen enkel nijlpaard in den stroom te zien, en verder gaande naar de Moessingazi, was het resultaat niet anders. Van de inboorlingen vernamen ze, dat een trio van Boeren, dat zich te Mendigos had geïnstalleerd, een razzia onder de nijlpaarden had gehouden, en dat ze nu zoo goed als geheel daar verdwenen waren.

Zij keerden naar Guengéré terug en kregen spoedig daarna de gelegenheid, zich met andere dikhuiden te meten. Van den overkant der Pungwe kwamen inboorlingen waarschuwen, dat olifanten in vrij grooten getale elken nacht de maïsvelden kwamen vernielen. Na een inspectie der verwoestingen, kon de heer Vasse vaststellen, dat er zeer groote dieren bij de bezoekers waren. Vele dagen achtereen volgde hij hun spoor des morgens, maar zonder hen te kunnen inhalen, daar ze te ver vooruit waren. Toen veranderde hij van plan. Hij besloot erop uit te trekken met een aantal negers, onder wie drie goede jagers en padvinders. Alleen het strikt noodige werd meegenomen voor vier dagen, en men kwam overeen, niet terug te komen dan na de dikhuiden te hebben geschoten of de levensmiddelen te hebben uitgeput.