Op de jacht in Mozambique De Aarde en haar Volken, 1909

Chapter 1

Chapter 14,013 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team

OP DE JACHT IN MOZAMBIQUE

Naar het Fransch van Guillaume Vasse.

Als in het aanstaand voorjaar president Roosevelt van zijn ambt zal zijn ontheven en van een welverdiende rust zou kunnen genieten, gaat hij de jacht op groot wild in Afrika ondernemen, om dus veel vermoeienissen en ontberingen tegemoet te gaan, maar die zijn nog altijd sportlievend gemoed een aangename afwisseling zullen bezorgen. Onlangs heeft een Franschman, de heer Guillaume Vasse, in de Tour du Monde het een en ander verteld over zijn ervaringen en waarnemingen in Oost-Afrika aan de kust van Mozambique, waar hij ook als jager een tijdlang verbleef.

Hij was met zijn vrouw van Beira het binnenland ingegaan met den spoorweg, die tweemaal per week van Beira naar de Kaap vertrekt door Rhodesië. Maar ze zouden niet zoo ver gaan, want hun eindstation was Massikessé, centrum van een belangrijk mijndistrict dichtbij de grens van de engelsche bezittingen. Met hen vertrok tegelijkertijd een massa bagage van proviand, patronen, geneesmiddelen, kleederen, instrumenten, enz. De heer Vasse had namelijk een opdracht van den minister van openbaar onderwijs, om in die streek door geografisch werk de opnemingen van eenige fransche reizigers te voltooien en verzamelingen mee te brengen, die op de fauna, de flora en de ethnologie betrekking hadden. De groote reis, die drie jaren duurde, werd in 1904 ondernomen, nadat de heer en mevrouw Vasse reeds in 1900 zich erop hadden voorbereid door een verblijf van zeven maanden in Mozambique.

Na een reis van zeventien uren, die onaangenaam was door de hitte, bracht de trein hen te Massikessé, dat door heuvels en bergen omgeven, te midden van een wijde vlakte is gelegen. Het was geen plek, die een Europeaan zich bij voorkeur tot verblijfplaats zou kiezen, want de zon brandde er, en de nabijheid van de rivier Mineni met haar omgeving van moerassen, was bevolkt door wolken muskieten. Toch had men er al veel gedaan, om de gezondheid te bevorderen, en de kapitein van de genie, d'Andrade, de eigenlijke schepper van Massikessé, heeft er flinke ruime en schaduwrijke straten aangelegd. De plaats heeft een hospitaal en daarbij een op de bergen liggend sanatorium. Men vindt er enkele mooie steenen huizen, maar ook veel van die plaatijzeren, waar de bewoners braden van de hitte.

Den tweeden dag na hun aankomst vertrokken de Franschen naar de Mangotabergen, waar ze hun eerste kamp zouden opslaan. Om de verhuizing gemakkelijk te maken, had de heer Vasse een groote kar gehuurd, getrokken door vier ossen en vier muilezels. Dat was een gerieflijkheid, die hij op dezen tocht nergens elders zou kunnen vinden, want dit was een der weinige streken, waar de huisdieren geen vrees behoeven te koesteren voor de tse-tsevlieg en waar ze in leven kunnen blijven, als de runderpest en de tuberculose het ten minste willen veroorloven. De kar zou alles vervoeren tot aan den voet der bergen, waar dertig zwartjes de goederen zouden dragen langs de steile hellingen van de hoogvlakte, waarop het kamp zou worden opgeslagen.

Er werd een groote hut gebouwd naar den trant van die der Kaffers, bestaande uit palen, onderling verbonden door een heining van gespleten bamboe, waarover aan beide zijden leem wordt uitgestreken. De onderzij van het rieten dak was ook van bamboe. Met wat planken bracht men er met moeite een deur en een venster in aan. Kleine bijgebouwtjes bevatten een kleed- en een leeskamer, dan was er de keuken en de cour voor het gevogelte, terwijl in den tuin uit Frankrijk meegebrachte zaden werden gezaaid. Ook aan den aanleg van paden moest worden gedacht, en zoo liet de Franschman een pad aanleggen rondom den berg, dat na acht kilometer zich aansloot bij den grooten weg van Massikessé naar de dalen van de Rewe en de Chimezi. Het kamp lag 1200 meter hoog, maar was door veel hoogere bergen omgeven. Een enkele bres opende zich aan den noordkant, waar de rivier de Muza door stroomde. Behalve in de nabijheid der waterloopen, waar de plantengroei heerlijk was, zag men overal niets anders dan een schraal struikgewas. De boomen waren over het algemeen niet goed uitgegroeid op den al te armen grond.

Al spoedig begonnen de reizigers zich bezig te houden met het verzamelen van insecten, planten en vogels. Groote dieren waren hier in hun eerste kamp zeldzaam in de buurt. In de laatste jaren was wat er na de runderpest was overgebleven, weggeschoten door de mijnwerkers. Er waren intusschen nog enkele kleinere soorten van antilopen, snelle en wantrouwige beestjes, die zich gemakkelijk in het struikgewas kunnen verbergen. Een soort, de Tragelaphus sylvaticus, is een sierlijk dier, dat zich in het bergland ophoudt in de kloven met een dichten plantengroei; en tegen den avond, zoo omstreeks vier uur, gaat het op plaatsen, waar het geen menschen ontmoet, naar buiten, om te grazen. Als het dier dikwijls is opgeschrikt en dus voorzichtig is geworden, komt het eerst des avonds uit zijn schuilplaats en blijft rondloopen, steeds snuffelend in den wind, of het den luipaard ook bespeurt. In den vroegen morgen graast deze antilope nog gretig en eet de met dauw bedekte jonge spruitjes, terwijl de boven de bergen rijzende zon haar niet van de wijs brengt. Maar zoodra de vurige stralen der zon de vochtigheid van den morgen hebben opgetrokken, gaat de "guib", zooals de Franschen het dier noemen, zich voor zijn spijsvertering in het dichte struikgewas verschuilen.

Als men haar gewoonten kent, is het niet moeilijk, jacht te maken op die antilope. Vroeg in den morgen en 's avonds laat moet men haar voorzichtig zoeken, bij goeden wind, in de buurt der kleine boschjes. Het vleesch van dit wild is malsch en lekker, zoodat reizigers en jagers er een heerlijk gerecht aan hebben. Om die reden voeren de Kaffers een volhardenden strijd er tegen en jagen haar niet alleen met pijl en boog en geweer, maar trachten haar ook te vangen in allerlei soort van strikken en vallen.

Op zijn tochten maakte de heer Vasse verscheiden apen buit. Het waren bavianen, Cynecephalus, die in Oost- en Zuid-Afrika zeer algemeen zijn. Men treft ze in groote troepen aan, zoowel in de vlakten als in de bergstreken. Ze zijn een gruwel in de oogen der Kaffers, wier sorghovelden ze plunderen, wier tomaten ze stelen, wier zoete pataten ze opgraven en wier vruchten ze van de boomen plukken. En de slimme dieren hebben den grootsten eerbied voor de strikken, die ze zorgvuldig vermijden. Als ze op strooptochten uit zijn, staan er altijd schildwachten uit, en alleen de dorst doet hen soms hun gewone voorzichtigheid uit het oog verliezen. Meermalen op een dag begeven ze zich naar de drinkplaats, en daar in de buurt had meestal de reiziger de gelegenheid gevonden, de roovers te schieten. Ze zien er, als ze loopen, allerwonderlijkst uit; oude mannetjes lijken wel wat op een leeuw. Over het geheel kunnen de mannelijke bavianen een respectabele lengte bereiken; een van de door den heer Vasse geschotenen was van het begin van den staart tot den snuit 1.37 M. lang; van de vingertoppen tot den schouder 0.73 M.

Bovendien doen de haren, die zeer dicht zijn, hem nog grooter lijken; ze zijn lang op den rug en op de borst, en grijs, rossig en bruin getint. De staart is lang. De baviaan stoot verschillende kreten uit, die afwisselen tusschen een dof gebrom en een scherp gepiep, met een eigenaardig geblaf er tusschen. Mannetjes, wijfjes en jongen leven allen te zamen; de laatsten worden gemakkelijk tam, als men ze in jeugdigen staat heeft gevangen.

Ook werden eenige kleine hazen gedood, grijs van kleur. Men ontmoet ze vrij vaak in de nabijheid van kaffertuinen, en de inboorlingen, die veel van het vleesch houden, en terecht, zetten veel strikken voor hen uit. "Ik vermeesterde eveneens een soort van wilde kat en wel op de volgende manier", vertelt de reiziger.

"Het was in September; we hadden een regendag gehad, en veelal doen de nachtelijke roofdieren na zulk een dag een aanval. Aan den maaltijd had ik die opmerking tegen mijn vrouw gemaakt, en ik had mijn geweren zorgvuldiger dan anders geladen.

"In den nacht werd ik wakker door geschreeuw van kippen, die geworgd worden. Ik greep mijn geweer en ging naar den hoenderhof. Een van onze kippen had een nest met jongen, en om haar met de kleinen op haar gemak te zetten, had ik een hutje voor haar laten inrichten. Daaruit kwam nu het geschreeuw. Op het oogenblik, dat ik nader kwam, snelde ook een van mijn zwarten toe. Hij maakte de deur open en daar verscheen op het dakje een beest, dat ik met een schot doodde. Het was een wilde kat, de kleinste die ik nog in Zuid-Afrika had gezien.

"Haar pakje was mooi, met bruine vlekken op witten grond; ze was minder hoog, maar langer dan een gewone kat en had zoowat hetzelfde gewicht. Overdag houdt deze wilde kat zich in holle boomen op en ze jaagt des nachts, vangt dan ratten en muizen, haalt nesten uit, loert op jonge vogels, jonge patrijzen en, zoo noodig, plundert ze de kippenhokken en bijt de hoenders dood. De huid wordt door de Kaffers op hoogen prijs gesteld, en ze maken er gordels, zakken en dans-ornamenten van."

De oogst was, wat groot wild betreft, niet zeer overvloedig in die buurt; maar er werden veel vogels ingezameld, en alleen uit die streek zond de heer Vasse 88 verschillende vogelsoorten geprepareerd naar Parijs voor het Museum. Daarbij werden er vrijwat vogels geschoten voor de braadpan, want daar er geen overvloed van ander wild was, moest men zich wel met vogels vergenoegen. Om daarbij wat variatie in het menu te hebben, ging hij soms staan onder een grooten boom met vruchten, waarvan groene duiven en tortelduiven kwamen snoepen. De weitasch was dan spoedig gevuld met wat een goeden maaltijd opleverde, en getrouw aan den regel dien hij zich in Afrika had gesteld, om nooit noodeloos te moorden, keerde hij dan naar het kamp terug.

Tegen het eind van September 1904 deed het gezelschap een uitstapje naar het dal der Mavuzi, rechterzijtak van de Pungwe. Daar is een granietplateau, dat de bekkens van de Pungwe en de Hondé scheidt. Langs de Mavuzi vindt men veel Kafferdorpen, waar aan landbouw wordt gedaan en waar men zelfs goed onderhouden rijstvelden ziet. Er waren wel enkele antilopen; maar het wild was ellendig schuw, want er jaagden daar een heirleger van zwarten in den dienst van Europeanen.

In een kamp aan de Muza maakte het fransche reisgezelschap kennis met een hevige overstrooming, waarbij het water als een stortvloed van de bergen kwam en alles onder water zette. De maanden October, November en December, als het lente is in Zuid-Afrika en de natuur ontwaakt, brengen veel stormen en onweders. Men kan in dien tijd nog wel jagen; maar in den zomer, dat is in de maanden Januari, Februari en Maart, volgt de periode der regens en overstroomingen, met een verbazende ontwikkeling van den plantengroei bij verschrikkelijke hitte. Dan treedt de tijd van gedwongen werkeloosheid in voor den onderzoekingsreiziger, behalve als hij jacht wil maken op groote dikhuidigen en op buffels. De herfst brengt in de maanden April, Mei en Juni koelere nachten; de graansoorten worden rijp, het gebladerte vergeelt, de rivieren treden in haar beddingen terug, en tevens is dit de tijd der koortsen en de periode, waarin de leeuwen het gevaarlijkst zijn. In de drie maanden Juli, Augustus en September volgt de winter met de hevige droogte, die allen plantengroei doet ophouden, de boschbranden begunstigt en de jacht en het reizen vergemakkelijkt.

In dien tijd ontsteken de inboorlingen overal reuzenvuren, om den grond schoon te maken. Gevoed met wat een brandende zon heeft uitgedroogd, ontwikkelt het vuur zich snel, en als er wind is, beweegt het zich met reuzensnelheid. Het schouwspel is vaak tooverachtig mooi. Over een lengte van bijna een kilometer, rolt een geweldige vlammengolf, die bijna vier meter hoog is, brullend voort, voorafgegaan door dikke rookwolken. Onder den vuurkus storten de rechtopstaande halmen ter aarde; de boomen trillen en worden gehuld in een nevel, waarin hun takken kaal worden; de groote palmen met vleezige, breede bladeren schudden in de zee van vlammen, terwijl de groote, holle bamboekokers uit elkaar springen en aan een hevig geweervuur doen denken in de diepe ravijnen.

Alles vlucht voor den brand; de dieren, die hem al op grooten afstand bemerken door den reuk, vluchten naar de zijden; de slangen gaan hun onderaardsche schuilplaatsen opzoeken, en de groote entomologische familie is als waanzinnig geworden en klimt, klautert, springt en vliegt in ontzetting weg. Alleen de vogels van alle dieren der schepping verheugen zich over zulk een ramp. Zij doen heerlijke vangsten en vervolgen de insecten met blijde kreten. In een oogwenk is alles verbrand op den grond en al het struikgewas, dat het gezicht belemmerde en in het loopen en trekken zoo hinderlijk was, is veranderd in wat asch, waar zwarte stronken uit opsteken, terwijl een doordringende roetlucht boven alles hangt. De zuiveraar van den afrikaanschen grond is aan het werk geweest.

Over dag is zulk een brand al een mooi gezicht, maar des nachts is de aanblik eenvoudig overweldigend. Als het donker is, worden alle geluiden die veel minder hoorbaar schenen in den vollen zonneschijn, luider en sterker, en ook de stem van het vuur zwelt dan aan als tot een gehuil. De horizon is geheel in purper gezet en wordt door een vlammenzee omsloten.

De bovengenoemde overstrooming van het kamp was de aanleiding, dat de heer Vasse zich naar een zijner landgenooten begaf, die in de buurt woonde, den heer Pacotte, en deze, een ingenieur, vertegenwoordiger van eenige mijnmaatschappijen, bezorgde aan het reisgezelschap een huisje te Andrada, op acht kilometer afstands van Massikessé. Het was een huis van leem en hout, gewit en gedekt met een zinken dak. Geen paleis, maar, vergeleken bij het inlandsche hutje, was er groote vooruitgang. Helaas was het er zoo heet, als de zon op het dakje scheen, dat men er een rietbedekking overheen moest leggen. Drinkwater moesten ze van verre halen, namelijk op 1500 meter afstands, want de Kewe, die langs de bezitting stroomde, had te troebel water, dat vuil werd gehouden door mijnwerkzaamheden verder stroomop.

Maar er waren veel lichtzijden, want de heer Vasse kon nu naar Massikessé gaan, zonder te moeten vreezen, dat hij door een opkomende regenbui met de daarop volgende verhooging van den waterstand gescheiden zou worden van zijn kamp, zooals te Muza het geval was. Ook bevond men zich dicht bij de engelsche grens en in een nieuwe streek, die tot studie uitlokte. Er waren eenige aardige buren, ook een Franschman, de heer Poulin, een jager van professie, die herhaaldelijk gids was geweest voor sportslui, en die al een massa wild had gedood. Zijn hut lag naast het huisje en vaak kwam de landgenoot des avonds een praatje maken over de jacht, over mijnen en geweren, en soms kwamen ook Engelschen op bezoek aan de thee.

In allerlei weer was de Franschman op weg, en natuurlijk maakte hij ook kennis met het kwaadaardigste reptiel in Zuid-Afrika, met de slangen. In het district Manica, waar men tot dien tijd steeds was geweest, zijn er vele, en de kaffers zijn zoo bang voor die beesten, dat ze iedere slang vergiftig noemen, ook de onschadelijkste. Ze doen altijd de wonderbaarlijkste verhalen over slangen, altijd griezelig en ontzettend en vooral afschuwelijk, als ze vermoeden, dat ge hun zult opdragen er een te vangen. De heer Vasse maakte verscheiden slangen buit voor zijn collectie, en ook kreeg hij een levend exemplaar van de gevaarlijke pofadder, die naar het Museum werd opgezonden.

In den loop der drie jaren van aanhoudend verblijf in Zuid-Afrika heeft hij, naar hij vertelt, nooit, noch bij zijn bedienden, noch in de dorpen, waar ze door kwamen, gehoord van een slangenbeet, waar de dood op volgde. Daar hij steeds een fleschje met het serum van Calmette bij zich had, was hij gewapend; maar het middel kon steeds rustig ongebruikt blijven. Hij schrijft dat aan twee oorzaken toe, vooreerst aan de groote vlugheid van de meeste slangen, die bovendien altijd zooveel mogelijk uit de nabijheid van den mensch blijven en dan aan het scherpe gezicht van de kaffers, waardoor ze onderweg altijd een aanwezige slang zullen ontdekken. Honderdmaal kwam het voor, dat een drager den Europeaan een onbewegelijk liggende slang aanwees, terwijl de minder scherpziende reiziger haar nooit zou hebben ontdekt.

Toen de tweede bezending voorwerpen op 27 Mei 1905 naar het Museum was afgezonden, de zware stukken der bagage naar Guengéré aan de Pungwe waren overgebracht, toen men afscheid had genomen van de autoriteiten en de hand der vrienden had gedrukt, vertrok het gezelschap van Massikessé naar Busi. Er waren dertig zwarten, geleverd door de mijnmaatschappij, van welk aantal 22 de lasten elk van 25 kilogram droegen, terwijl de acht overige de hangmatdragers waren, de "machilleurs", zooals ze werden genoemd naar de "machilla", de aan een langen bamboe hangende draagmat. Twee negers aan elken kant steunen het toestel op hun schouders. Ze loopen in een zacht drafje en voeren zoo den reiziger mee, die lang ligt uitgestrekt, door een afdakje beschut voor de zon. Achteraan sukkelen de vier andere dragers, die de eerste moeten aflossen. Op die wijze legde mevrouw Vasse de groote etappen af.

Men kan op zoo'n manier zes tot zeven kilometer in een uur afleggen. Enkele portugeesche commandanten brengen het met deze draagmanier wel tot 70 kilometer per dag. Maar als men het land wil leeren kennen, is het beter te voet te gaan. Op den tocht ging de hangmat vooruit; daarachter liepen de dragers, en daarna de heer Vasse met het geweer over den schouder en den reisstok in de hand. Als hij een drager zag, die last had met zijn vrachtje, liet hij dien nooit achter zich, maar hielp en moedigde den drager aan, zoodat ze te zamen aan de rustplaats kwamen. Dat beschouwde hij als het eenige middel, om des avonds in het kamp al het benoodigde bij de hand te hebben.

Bij het einde van den dagmarsch in een dorp komend, vroeg de reiziger aan het dorpshoofd hem een hut aan te wijzen voor nachtverblijf, en zoo won men soms de moeite van het opslaan van een kamp uit en had des morgens meer tijd. Gewoonlijk hielpen de dragers na het afleggen van hun vrachten op de halteplaats mee aan het installeeren van het kamp onder de leiding van den kok, en zorgden voor het aansleepen van hout en water. De porties meel werden onder het oog van den heer Vasse verdeeld. Na het avondeten moest het keukengerei nog worden gewasschen en ingepakt. Aan den besten schutter gaf de reiziger een Martini-geweer en twee patronen, om een mogelijken aanval van wilde dieren af te weren. Hij en zijn vrouw sliepen in een kamp altijd geheel gekleed; alleen trokken ze de schoenen uit.

Vóór het dag was, maakte de kok het ontbijt gereed, dat gebruikt werd onder de voorbereiding voor het vertrek, en daarna zorgde elke drager voor het pakken en bevestigen van dezelfde vracht, die hij den vorigen dag had gehad, en waar hij verantwoordelijk voor was.

Van Massikessé brachten drie uur marcheerens het gezelschap naar de rivier Zombe, en na die te zijn overgetrokken, kwam men tegen den middag aan de Lone, waar het ontbijt, het tweede, werd genuttigd. Tot Busi toe bleef de omgeving vrijwel gelijk. Rechts had men, zoover het oog reikte, granietbergen, die Rhodesië scheiden van de portugeesche bezittingen; vóór zich zag men de bergen van Sjimanimani; links ontrolde zich een landschap, dat golvend en boschrijk was, en waar veel kleinere waterloopen en rivieren door stroomden. De grond is vruchtbaar, de aanplantingen der negers zagen er goed uit en er waren mooie bosschen, met veel caoutchouc leverende boomen.

Aan de rivier Pachenche werd het kamp voor den nacht opgeslagen. Men had een dag van 40 kilometer achter den rug, en voor beladen dragers vond de heer Vasse dat genoeg. Nu en dan bleef mevrouw Vasse in het kamp achter, terwijl haar man met enkele negers op de jacht ging. Meestal werd wel de een of andere antilope mee thuis gebracht.

Over de rivier Bondé werd het dorp Cimbezi bereikt, waar men in de hutten der inboorlingen den voorraad meel tegen betaling kon aanvullen. Er moest veel wild in den omtrek zijn, en daarom werd aan de rivier Imamay-gwena het kamp opgericht. In een prachtig bosch met kort gras op den grond werd gejaagd, maar het was een teleurstelling, dat de wind telkens draaide. Herhaaldelijk ontdekte men dieren, die konden vluchten, en de heer Vasse begon al aan het succes te wanhopen, toen hij op tweehonderd meter afstands een kudde antilopen gewaar werd, bestaande uit een tiental wijfjes en drie groote mannetjes. Een enkele was duidelijk te zien; de andere lagen op den grond. De kogel, dien de heer Vasse afzond, liet een dof geluid hooren, en het dier stortte met gebroken schouderbladen ter aarde. Bij het schot was de kudde opgestaan en vluchtte in de diepten van het woud, maar met langzame schreden.

Daar ging een der dragers op het liggende dier toe, juist toen de heer Vasse weer wilde schieten. De troep werd door de beweging van den man verschrikt en sloeg nu ijlings op de vlucht. Driemaal werd er nog op geschoten, en een groot wijfje, dat geraakt was, scheidde zich van de anderen af. Het is altijd een goed teeken, want een licht gewond dier verlaat bijna nooit de kameraden. Door een messteek maakte de jager het gewonde mannetje af en ging toen het getroffen wijfje vervolgen. Er kon een bloedspoor worden gevolgd, maar een onderzoek van de bloedige sporen leerde, dat de kogel den schouder had geraakt, maar niet de longen.

De vervolging duurde een uur, waarna de jager de antilope ontdekte achter een groep boomen, waar haar een kogel trof in de lever. Toen vluchtte het dier in dicht stuikgewas en ging even later liggen tusschen het zeer hooge gras; toen de jager dichterbij kwam, stond het op en vluchtte verder. De heer Vasse hield vol, want hij zag, dat de antilope het niet lang meer zou volhouden; ze stond vaker stil, liep kleiner eindjes, en aan alles was te merken dat de ontknooping naderde. De gewonde was uit het kreupelhout getreden, want de takken moesten haar gruwelijk pijn doen aan haar wonden.

Het arme dier, dat toen geen uitweg meer zag, stak den kop tusschen haar voorpooten en hield den jager haar horens toe, om daarna met een sprong van haar drie nog gezonde pooten op hem toe te springen. Het dappere beest, dat niet wilde sterven, zonder zich te hebben gewroken, was niet meer dan vijf-en-dertig schreden van den jager verwijderd, toen een kogel haar in de borst trof, en ze dood ter aarde stortte. Ieder nam toen zooveel van het vleesch, als hij kon dragen; het overige werd voor de hyena's achtergelaten, en het sein tot den aftocht werd gegeven.

Deze zwarte antilope werd het eerst beschreven in een werk, van 1840, door kapitein Harris, getiteld Wild Sport in Southern Africa. De geleerden noemen het dier, dat algemeen als de harrisbuck bekend is, Hippotragus niger. Het wordt meestal grooter dan een groot hert. Het haar is bij de volwassen dieren zwart; alleen de buik is wit en de ooren zijn rood. Deze soort leeft in kleine kudden, waarbij zich nooit meer dan drie of vier mannetjes bevinden. Het is een zeer slim en wantrouwig dier. Alleen in de schemering verlaat het de boschjes of wel in den vroegen morgen, om zich naar een weideplaats te begeven. In de vlakte ziet men het dier zelden, wel in een gebied, waar kloven zijn met plantengroei en vooral, waar water is te vinden. Het voedsel bestaat uit gras en jonge spruitjes; ook eet het bladeren van harshoudende boomen.

De inboorlingen zeggen, dat de harrisbuck, als ze door een leeuw wordt aangevallen, zich kloek verdedigt en dat hij wel eens het groote roofdier met de horens heeft gedood. De kaffers houden veel van het vleesch, maar de blanken proeven er een sterken smaak aan, waarschijnlijk doordat het dier harsachtige knoppen eet.