Op de Faröer De Aarde en haar Volken, 1907

Chapter 2

Chapter 21,858 wordsPublic domain

De dolfijnen gaan sterven. Hun huid, die zeer olieachtig is, kleurt zich purper van het bloed, dat uit hun afschuwelijke wonden vloeit. Hun stuiptrekkingen brengen het water van den fjord in beweging, en er gaan hooge golven. Hun vinnen bewegen met een kracht, die vertienvoudigd is door woede en pijn, zoodat meer dan één boot wordt omvergeworpen. Maar de eilanders, anders zoo gewillig en dienstvaardig, merken nauwelijks het gevaar waarin hun kameraden verkeeren. De kreten van hen, die zullen verdrinken, en die door een slag met een dolfijnvin doodgeslagen kunnen worden, worden overstemd door het vreeselijke "Stick! Stick!" in het oneindige herhaald. Die uitroepen, die weerklinken tusschen de doodskreten der groote, stervende monsters, zullen een drukkende herinnering nalaten aan deze tragische en emotievolle dagen.

Dan eindelijk worden de lijken naar het strand geduwd, elk dier ongeveer zes meter lang. Onder toezicht van den gouverneur en de burgemeesters of sysselmands worden ze genummerd, door cijfers uit te snijden op hun gladde ruggen. Daarna snijdt men de lijken in stukken en gaat over tot de verdeeling van het vleesch; er wordt van weggeschonken aan de geestelijken, de oude menschen, de weduwen en weezen. Nadat ieder van de eilanders zijn aandeel heeft gekregen, wordt de rest verkocht tegen vier öre het pond. De opbrengst van de huiden, de traan en het spek komt toe aan hen, die aan den strijd hebben deelgenomen.

De menschen nemen mandenvol van het slappe en pappige vleesch mee; ieder draagt er wat van, zelfs de kleine kinderen, die met een emmer of mandje komen aansleepen, terwijl ook de booten worden gevuld met het roode vleesch, dat de mannen in grooter en kleiner stukken snijden. Een wolk van raven en zeevogels vliegt boven dit tooneel in de lucht en daalt steeds lager, waarbij iedere vogel al krijschend een deel van den buit in het oog houdt. De booten gaan dan naar hun respectieve fjorden. Nu is het geen dolle jacht meer; integendeel ze gaan langzaam, zwaar beladen met den buit. Ook komt nu de reactie na de uren van opgewondenheid; de mannen roeien traag en voelen den last der vermoeidheid. Om elkander moed in te spreken, gaan ze weer zingen, maar het eentonige rhythme brengt geen opwekking.

Rust en stilte heerschen in den fjord, waar de strijd heeft plaats gehad. Het water is echter nog vele kilometers in het rond roodgekleurd, en het strand ziet zwart door al het vergoten bloed. De lucht is verduisterd door troepen schreeuwende vogels, die op den afval azen.

Soms worden, vooral te Sörvog, de dolfijnen naar het strand opgejaagd, en de moordpartij heeft plaats aan den wal en niet op zee. Het is eigenlijk een slachting, geen strijd, en voor de mannen is het minder gevaarlijk, want aan land is de dolfijn geheel onschadelijk en blijft zoo goed als weerloos onder de slagen en steken, die men hem toebrengt.

Minder luidruchtig en hartstochtelijk en ook minder schilderachtig is de jacht op walvisschen, die hier wordt uitgeoefend door de zeven kleine noorsche stoombooten, met een gezamenlijke bemanning van honderd-veertig man. Zij komen in het voorjaar, brengen den zomer op de Faröer door, en keeren naar Scandinavië terug tegen den herfst, als de dagen te kort worden.

De uitkijkende matroos kondigt den walvisch aan, dien hij aan den horizon bespeurt. Dan zijn alle mannen dadelijk op hun post, en als het juiste oogenblik is gekomen, schiet een klein kanon den langen ijzeren haak af, die als de harpoen van zaagtanden is voorzien, en die bij voorkeur wordt afgeschoten op de massa's zacht vleesch rondom de kieuwen.

Driehonderd-negen walvisschen werden op die manier vermeesterd in 1902, die samen niet minder dan 16200 hectoliters traan opbrachten.

De stations voor de walvischvangst liggen in de diepe inhammen van de kust, door de fjorden gevormd. Daar worden de reuzengroote dieren gesneden, nadat het vleesch van de beenderen is verwijderd. De snijders, die ijzeren pinnen onder de laarzen hebben, om niet al te zeer uit te glijden op het gladde dier, houwen trappen in het vleesch en het spek, halen er dan de huid af in strooken, bij de oogen beginnend.

De walvisschen brengen vrijwat op. Buiten de huid, het spek, de traan en de baarden, die naar Christiania en Stavanger worden gezonden, wordt van het vleesch nog gebruikt gemaakt als veevoeder, want in den winter vinden de schapen niets te eten onder de dikke sneeuwlaag. De beenderen en de afval worden voor bemesting gebezigd.

Die walvischstations brengen zeer schadelijke dampen in de atmosfeer en verpesten den ganschen omtrek. De verrottende deelen besmetten de lucht, vervuilen het water van den fjord en vloed en ebbe brengen de schadelijke kiemen overal heen. Dieren worden erdoor vergiftigd; geen visschen blijven in leven in de fjorden, waar de walvischstations gevestigd zijn, en zelfs het aantal zeevogels vermindert er. De vogels, die op krengen azen, raven en kraaien, aangelokt door den stank van rottend vleesch, vermeerderen er zich sterk en verjagen de andere vogels.

De autoriteiten op de eilanden bekommeren er zich niet om; men beschermt zorgvuldig de vogels tegen de jagers; men beproeft de visch te beschermen tegen de sleepnetten; maar men laat het toe, dat de Noren zich aan hun ongezonde industrie wijden en dat ze hun walvischstations onderhouden, die afbreuk doen aan de beide groote industrieën van de Faröer, de visch- en de vogelvangst, bronnen van den nationalen rijkdom. De belasting van 50 kronen, die er per walvisch van 36 voet lengte op zijn minst moet worden betaald, is maar een schrale vergoeding voor dat nadeel.

Ik heb meer dan één interessant uitstapje gemaakt door den archipel in een boot, waarvan het maaksel weinig is veranderd sedert den tijd der Vikingers. Een twaalftal mannen in bruin vadmel trekken aan de dunne riemen. Men vaart tusschen de wonderlijk gevormde eilanden door, die er uitzien als bultige walvisschen met kaaimanbekken, of als rhinocerossen op nijlpaarden geklommen.

Vooruitspringende schiereilanden doen denken aan dieren, die u zouden kunnen aanvallen en van uit de diepte der zee op u loeren, terwijl hun zware ruggen uit het water opsteken en de donkere kleuren van die dikhuiden vertoonen.

In de spleten der rotsen groeien vetplanten en mossen, en groote steenachtige richels loopen door de weiden, terwijl overal kloven en bressen gapen. Gehuchten, volkomen gelijk aan Trangisvaag en Thorshavn, zag ik op de bergen liggen in de diepte van de fjorden; ze bestonden soms slechts uit een paar geverfde huizen met daken van graszoden, een klein wit kerkje erbij en loodsen, om de visch te drogen en te zouten.

Uit de boot zagen we hier en daar ook ruwharige paarden met een rossige vacht en schapen met gemsachtige vlugheid, die allen even ophielden met grazen, om ons te zien voorbijgaan. De schapen verliezen juist hun wol; de hals wordt eerst kaal, en uit de verte vraagt men zich af, wat dat voor dieren zijn met dat harige lichaam en een kalen hals als een gier of een kemphaantje.

In de buurt van Sörvog zijn de rotsen gekleurd en als besmeerd met zwavel en bloed. Er storten zich watervallen langs de verbrokkelde hellingen.

Achterin de baai is een walvischstation, waar men de in de buurt gedoode dieren heen sleept.

Op den dag dat ik te Sörvog kwam, had men er juist de geraamten van verscheiden groote walvisschen ontvleesd. Langs het voetpad, dat aan de weide grenst en dat van het station naar het dorp voert, kwamen mannen aanloopen, allen achter elkander. Zij waren in het nationale vadmel gekleed en droegen de blauw en rood gestreepte muts, die men toch nog het meeste ziet. In hun gordel stak het dolfijnmes in een scheede van schapeleêr. Aan een touw, dat over hun voorhoofd liep, hing op hun rug een houten bak bij wijze van mand. De vischvrouwen in den omtrek van Edinburgh dragen op die manier haar vischmanden.

Zij gaan verder en brengen hun walvischpak naar huis; ze loopen met gebogen rug, de armen als hengsels gekromd aan elken kant van het hoofd, de handen gevouwen op het hoofd, sterk en langzaam voortstappend als zwaar beladen dieren, die machinaal, half slapend hun werk doen.

Op een avond, toen ik van Arge kwam, een vroeger melaatschendorp, heb ik een bezoek gebracht aan het kerkhof, dat vol kamillen, korenbloemen en sleutelbloemen stond. Men treft er enkele van die monumenten, als waar de kleine burgerij van groote steden prijs op stelt. Maar de meeste graven zijn eenvoudige grafheuvels met gras begroeid, waar soms bij wijze van steen een door de familie geplaatste bak met bloemen op staat.

Op een anderen dag ben ik, om naar Kirkeboe te gaan, drie of vier uur onderweg geweest door magere weiden, zonder dat ik andere wezens had ontmoet dan een zeer oude vrouw, een armoedige stumper, die de boodschaploopster is tusschen Thorshavn en Kirkeboe. Toen ik in de verte menschen bezig zag in het veen, trad ik op hen toe.

Bij wijze van spade gebruiken ze een zeer ongemakkelijk instrument, dat niet stevig genoeg is, een soort van roeiriem of bat voor cricket met een ijzeren snede. Er kwam rook uit de hoopen, die stonden te drogen. De groote kinderen hielpen hun ouders, en de kleine keken toe. Er was een baby, Inge geheeten, die een ketel op het hoofd droeg voor de aardigheid en die bovenmenschelijke pogingen deed, om een brok turf naar een kist te sleepen, die onbeklimbaar hoog leek.

Voorbij het veenland en de sombere grasvlakten betrad ik tapijten van hoog mos en uitgebloeide heide. Geen geritsel van insecten, geen wegvluchten van hagedissen of salamanders, geen andere dieren dan eksters verstoorden de rust der eenzame woestenijen.

Eindelijk kwam ik te Kirkeboe, dat uit niets anders bestaat dan uit de ruïne van een gothische kerk, een kapelletje, dat van buiten wit was, en een boerenhoeve.

Die hoeve, die, naar het schijnt, in de dertiende eeuw bewoond werd door bisschop Hilarius, welke prelaat voornemens was hier de basiliek voor de eilandengroep te bouwen, is zeer eigenaardig. Het hek en de omheining zijn vervaardigd van dolfijnenkoppen en van kinnebakken en wervels van walvisschen.

Het huis bestaat uit op elkâar gestapelde boomstammen. De deuren zijn grof gebeeldhouwd; de meubels zijn ruw en naïef beschilderd, maar toch niet zonder eenige pretensie, als voor kerken. De keuken is zeer zwart en donker, met bijna vergane en verkoolde balken. Banken loopen langs de muren. En in de duisternis maken de verouderde dingen van het huisraad den indruk van het hol van een toovenaar.

De bewoners van de oude hoeve ontvingen mij zeer vriendelijk, en na mij hun domein te hebben laten zien, moesten ze mij ook hun kinderen toonen. De boer was niet blond als al zijn landgenooten, maar donker, terwijl de boerin, een IJslandsche, een lief, blond vrouwtje was met lichte, vroolijke oogen en een onschuldig gezichtje. Zij woonden met genoegen in het oudste huis van het land te midden van wat hun voorouders hebben nagelaten.

Kirkeboe is het eenige punt op de Faröer, waar men het verleden kan oproepen. Trouwens wat de menschen er bouwen, kan de eeuwen niet trotseeren. Alleen het langzame werk der golven geeft blijk van den ouderdom dier eilanden, waar Columbus het eerst moet zijn aangekomen, toen hij op de zeeën zwalkte, zoekend naar Indië.