Chapter 9
Duizenden en duizenden waren reeds door het stille dorp voorbijgetrokken...
Met zwaar-dreunenden tred, log-gekadanseerd, echoënd tusschen de gesloten huizen, van verre als een aanbruisende, grijze zeegolf...
Een logge, grijze zeegolf, waarover de punten der helmen als een krioeling van vluchtende ratten heen en weer wriemelden...
Al de menschen uit het dorp waren gevlucht... Gevlucht, terwijl de Belgen en de Engelschen nog even standhielden en de barstende granaten in de straat begonnen neer te slaan.
Zij waren gevlucht in de bosschen, ginds verre. Van daaruit, veilig verscholen, hadden zij 't loeiend aanrazen gehoord en van verre hun dorp zien branden...
Nu was de storm voorbij en keerden zij terug.
't Viel mee. Zij hadden gedacht niets meer te vinden dan rookende puinhoopen en daar zagen zij hun dorpje, met zijn huizen, althans uiterlijk, haast ongedeerd. Een zwart-gapend gat hier en daar, veel door elkaar geschudde pannen op de daken, gruis en glasscherven overal, een half-gespleten deur, die uit haar hengsels hing, doch nergens totale vernieling. Wel was de kanaalbrug opgeblazen en de kerktoren half ingestort, maar dat ging de gemeente aan, dat voelden zij niet rechtstreeks als een groot verlies.
Een innerlijke vreugd, een echte, bijna kinderlijke vreugd straalde uit op de gezichten. Niemand, in zooverre men kon nagaan, was gesneuveld, of zelfs maar gewond; niemand werd vermist en de vijand was reeds ver weg: het leek wel of de gruwelijke oorlog, met al zijn narigheden en ellende, voor de bewoners van het rustig dorpje niets meer was dan een akelige herinnering, iets als de dreiging van een overweldigend onweer, dat toch eigenlijk meer schrik, dan schade heeft veroorzaakt. Zij hadden wel iets verloren, edoch, door wat ze kwijt waren geraakt waardeerden zij eerst recht wat hun nog overbleef; en dat vertelden zij elkander onder druk gebabbel en hier en daar zelfs met vroolijke kwinkslagen, terwijl zij in de gouden schemering langsheen de huizen liepen of in opgewonden groepjes vóór de drempels stonden.
Toen kwam ginds verre, heel aan het uiteinde der straat, nog iets eigenaardigs aan:
Een jongetje, dat met een vlaggetje zwaaide, en, achter het jongetje, een hooge kar, getrokken door een paard, en waaruit wild gezang scheen op te stijgen.
Terstond werden de menschen in het dorpje weer schuw en stil. Elkeen haastte zich naar huis terug en bleef daar angstig-roerloos van op zijn drempel kijken.
Ja, ja, dat waren er nog: een bende achterblijvers of vermoeiden, in een vrachtkar op elkaar gedrongen. Men herkende reeds duidelijk de grijze uniformen en de grijsomkapte punthelmen. Kwaadaardig schenen zij echter niet, want hun gezang klonk vroolijk en met hun armen zwaaiden zij geestdriftig heen en weer, zooals het knaapje, dat voorafging, onophoudend zwaaide met zijn vlaggetje.
Maar dat knaapje... o, eensklaps herkenden ze 't!--'t Was Pierken, het jongste zoontje van den varkensslager, ginds, een eind buiten het dorp; en 't oud, gebogen ventje, dat naast het sukkelig paardje liep, was Pierken's eigen vader; en 't klein, bruin hondje met zijn krulstaartje, dat nu en dan eens tegen Pierken opsprong, het was hun hondje; en de groote kar, waarin al die zingende kerels waggelend overeind stonden, het was hun kar, waarmee zij driemaal in de week de geslachte varkens naar de stad vervoerden...
Het voertuig naderde. Toen het tusschen de eerste huizen over het puin en de krakende glasscherven reed, hieven de kerels een dreunend gejuich aan en zongen zij oorverdoovend iets van 't "Vaderland", dat mocht "ruhig" zijn, terwijl ze wild zwaaiden met wijnflesschen en glazen, die ze, als trofeeën, in de hoogte staken. Sommigen schonken de glazen rood vol en reikten die lachend in de richting van de menschen langs de huizen toe. Dan dronken zij zelven, met gulzig-smakkende lippen. Anderen wenkten naar de meisjes en zonden dikke klapzoenen.
Stil en strak en bleek en bang, bleven de menschen roerloos staan. Zij keken wel even naar de lawaaiende en drinkende kerels in de varkenskar, maar eigenlijk hadden zij slechts oogen voor Pierken en zijn hondje en zijn vader. Zij begrepen niet waarom het knaapje maar aldoor en aldoor met zijn vlaggetje--een zwart en wit en rood gestreepte--zwaaide; en zij begrepen ook niet waarom en waarheen Pierke's vader al die kerels in zijn kar vervoerde. Eindelijk was er een, die 't waagde dit aan het knaapje te vragen.
--Z' hên 't mij g'heeten; 'k moete," antwoordde Pierken neerslachtig.
Toen vroegen ze ook aan Pierke's vader waar hij heen moest.
--'K 'n weet het niet; z' hên mijn peird en mijn kerre gepakt," zei 't mannetje met schuwe oogen.
Benauwd en zwijgend staarden de menschen het aftrekkend gespan achterna. Aldoor wapperde 't vlaggetje, naar rechts, naar links, in 't schelle flitsen van zijn harde driekleur; aldoor stapte Pierke's vader gebogen naast het sukkelend paardje; en aldoor galmde en loeide, in 't hossebossen van de wielen, het dreunend brulgezang van het "Vaterland", dat mocht "ruhig" zijn. Kwispelstaartend liep het klein, bruin hondje mee, af en toe eens tegen Pierke's knieën opspringend.
Niemand sprak een woord meer. Gedrukt gingen de menschen in de roode avondschemering naar binnen. Al hun zoo scherp gevoelde bevrijdingsvreugd was eensklaps over, enkel door 't zicht van die twee welbekenden--het kleine Pierken en zijn vader--die zoo maar door de vreemde kerels waren opgecommandeerd en meegenomen, zonder er iets van af te weten wat of waar hun naaste toekomst wezen zou.
* * * * *
V.
IN DE VUURLINIE.
Eén uur. Kobeken en zijn vrouw hebben gedaan met eten, en gaan, evenals elken dag, bij mooi weer, buiten, naast hun deur, op een stoel, wat zitten "noenstonden".
Het is een prachtige Septemberdag, zacht, stil, sereen, een atmosfeer vol rust en vrede. Kobeke en zijn vrouw, gezellig tegen hun wit geveltje achterovergeleund, met rechts en links van zich de mooie, rijke najaarsbloemen, die geurend tegen het muurtje opranken, genieten van die zoete heerlijkheid, terwijl daarbinnen, in het achterhuis, Seelevie, hun dochter, plicht-getrouw en ijverig, reeds aan 't karnen is. Men hoort de houten karnstang in gelijkmatige kadans dof heen en weer slaan, terwijl de melk klotst en zuigt, als waterkolken, die door spuigaten wegborrelen. Kobeken is 'n klein, schraal ventje, met half-dichtgeknepen loeroogjes; zijn vrouw is groot en vet en dik en hijgt amechtig, zelfs wanneer ze, zooals nu, niets anders doet dan zich vadsig in de zon koesteren.
--Heurt ge 't weer? vraagt Kobeken, de lucht inkijkend, nadat ze daar een poosje roerloos hebben gezeten.
De vrouw kijkt eveneens in 't blauwe van de lucht en knikt dan met het hoofd toestemmend, dat ze 't heel goed hoort.
--Ze zijn weere bezig, zille! roept Kobeken, door 't opengebleven deurgat, zijn dochter toe.
De karn houdt even op met klotsen,
--Wat zegt-e? vraagt Seelevie's stem daarbinnen.
--Da ze weere firm bezig zijn! herhaalt Kobeken. 'k Geleuve zelfs, dat 't noader komt as gisteren.
Blijkbaar boezemt de mededeeling Seelevie geen buitengewone belangstelling in. Zij reageert althans niet verder en in doffe kadans begint de karn weer gelijkmatig te klotsen.
Het is en blijft ook elken dag hetzelfde. Hoe lang zou het nu reeds duren: twee weken, drie weken, vier weken, dat zij dag aan dag, in de verte, het kanongebulder hooren? Sinds lang zijn al hun buren. Van Heule, Bosschaert, Van Lancker, Van Keirsbilke gevlucht, sommigen met hun vee, anderen hun heele boeltje in den steek latend; maar daar moet Kobeken om lachen: hij vlucht niet en zàl niet vluchten, wat er ook gebeure; hij blijft doodkalm waar hij is en bij mooi weer zit hij met zijn vrouw naar het verre gebulder te luisteren, niet meer bewogen dan hij door een ververwijderd onweer zou bewogen worden.
Maar, 't is niet te loochenen: vandaag, voor 't eerst, klinkt het gedonder dichterbij. Vroeger was 't slechts een aanhoudend, dof geroffel. Vandaag zijn 't slagen, echte slagen, wel heel verre nog, maar duidelijk hoorbaar: Boemmm!... en dan een korte stilte, en dan een Rrrannn!... waarbij de ruiten trillen en de aarde dreunt.
--Heurt ge 't, Seelevie? roept Kobeken nog eens naar binnen.
Doch Seelevie hoort blijkbaar niets; zij geeft niet eens antwoord en de karn blijft maar ongestoord stampen en klotsen.
Eensklaps is 't alsof een licht, grijsachtig-geel, doorschijnend floers het helder hemelsblauw komt oversluieren. Het lijkt wel vreemd en eigenaardig, want de zon glinstert en geen enkel wolkje vertoont zich aan den horizont. Zou het soms ergens branden? Of wat is het ook? Harder en talrijker vallen intusschen de slagen, met dreunenden bons, en plots komt in de lucht een dichte vogelzwerm musschen, duiven, meerlen, allerlei vogels door elkaar, die in één grooten, wilden trek naar 't Westen schijnen weg te vluchten. En pas zijn ze verdwenen, of daar verschijnt, hoog in 't azuur, een andere, groote vogel, een die machtig snort en zoemt, en, langs den onderkant goud-glinsterend beschenen door de zon, op strak-breed-uitgespreide vleugels drijft en zwenkt en cirkelt, vlak boven een onzichtbare plek in het veld, waar het nu dadelijk loeit en rookt en kraakt van uit elkaar barstende bommen.
--Seelevie, kom ne keer hier, de vliegmachine es doar, heurt-e gij da niet! roept voor de derde maal Kobeken naar binnen.
Maar Seelevie geeft absoluut geen antwoord en de karn houdt geen oogenblik op met klotsen.
Kobeken is in 't geheel niet bang; en ook zijn vrouw schijnt niet den minsten angst te voelen. Misschien zijn ze te oud en te zeer afgestompt om schrik te hebben: althans, ze blijven rustig zitten en kijken vol belangstelling naar wat nu om hen heen gebeurt.
In Bosschaert's weiland loopen koeien en twee paarden rond, die de eigenaar daar, vóór zijn vlucht, heeft losgelaten. De koeien grazen rustig, alsof er niets gebeurde, maar de paarden zijn wel zenuwachtig onder het loeien en het donderend geknal en rennen op en neer in wilde vaart, met hoog-uitslaande, blinkende hoeven. En plotseling, zonder dat er iets bijzonders schijnt gebeurd te zijn, stort er een neer en blijft het roerloos op het groene weiland liggen.
--Kijk ne keer! kijk ne keer! roept Kobeken verbaasd.
Vóór zijn vrouw den tijd heeft om te antwoorden, liggen ook twee koeien neer en staat Bosschaert's schuur in lichte laaie.
--Seelevie, Seelevie, Bosschaert's schure brandt! roept Kobeken.
Maar eensklaps dreunt de grond als onder een aardbeving en, over den grintweg, langs Kobeke's huisje heen, stormt als 't ware een orkaan voorbij. 't Zijn paarden en ruiters, en automobielen en kanonnen, één zwoegend geraas in verblindende stofwolk, dat bliksemsnel om een scherpe bocht van den landweg verdwijnt.
De glinsterende vlieger inde hooge lucht schijnt hun vluchtende beweging mee te maken. Hij snort en zweeft, als door hen meegetrokken, maar weldra blijft hij nog eens cirkelen en hangen en meteen kraakt en bonst alweer het boemm... boemm... boemm... en schijnt de lucht vol onzichtbare, schril loeiende en gierende monsters, die met razend en fluitend en stoomend en sissend geweld op de aarde neerbarsten.
Kobeken en zijn vrouw zijn opgestaan. Bang zijn ze nog steeds niet, maar wel sterk opgezweept en zelven als het ware in de vlucht meegetrokken. Wat is dat alles gauw gegaan! Waar zijn ze nu, die daar straks als een orkaan voorbijstormden? En wat komt er nog meer? Is 't niet alsof zij droomden? Alsof ze 'n nachtmerrie beleefden? De stem van Seelevie in 't achterhuis roept hen eensklaps tot de werkelijkheid terug:
--Moeder! Moeder!...
De stem klinkt boos, kwaadaardig. En, daar Kobeken noch zijn vrouw dadelijk antwoorden, verschijnt de meid, hijgend en bezweet, met verhit gelaat en slordige haren, op den drempel en herhaalt:
--Ala, toe, moeder, help mij ne keer: de kirn es af!
--Heurt-e da niet! Zie-je da niet! gilt Kobeken, naar het aftrekkend gedonder en geloei in 't Westen wijzend.
Maar reeds is de bezorgde meid weer binnen en moeder volgt haar haastig en amechtig, bang voor standjes.
Alleen blijft Kobeken daar nog even staan. Hij ziet den glinsterenden vlieger cirkelend in de hooge lucht; hij hoort de steeds verdere donderslagen der kanonnen en het suizen en het barsten der granaten, in den grijsachtig-gelen sluier, die zich nu naar het ander einde van den horizont uitspreidt.
Dan loost hij een zucht en zijn blik valt weer op Bosschaert's afbrandende hoeve.
't Is ook al bijna over. Het dak der schuur is geheel ingestort en alleen dichte rookzuilen, met spattende vonken doorflitst, als van een geweldig vuurwerk, stijgen nog ten blauwen hemel op. In 't groene weiland liggen de lijken van het paard en de twee koeien onbewegelijk. Het tweede paard en de overige koeien zijn reeds rustig, op het verste hoekje, weer aan 't grazen...
--Kom, voader, 'n potse káffee drijnken, verzoekt Kobeken's vrouw van op den drempel.
Kobeken kijkt nog eens even in het verre, bruisend Westen en gaat binnen. En, terwijl ze met hun drieën om het tafeltje zitten te slurpen, hooren zij weer, evenals al die andere dagen, niets meer dan een aanhoudend ver en dof geroffel, maar nu aan 't ander einde van den horizont...
--Wel, sakkerdeeke, 'k 'n wist toch niet, dat da zeu gauwe ging! merkte Kobeken nog even op.
Doch de oude moeder zuchtte maar eens even en de nurksche, plompe dochter zeide niets; en al spoedig was Kobeken weer buiten om naar Bosschaert's afgebrande schuur en naar de doode beesten te gaan kijken.
* * * * *
VI.
BURGERWACHT-IDYLLE.
Marchons sans bruit, Voici voici la nuit. Halte-là, on ne passe pas! La garde-civique est là!
Acht uur. 't Is stil en donker...
De loopgraven strekken zich uit langs het kanaal, in een diepte, achter den berm van het begrinte jaagpad.
Daarin liggen de burgerwachten...
Sinds den vroegen middag liggen zij er verscholen, wachtend op den vijand.
Den ganschen dag heeft in de verte het kanon gebulderd. Met den avond zweeg het, maar het leger trekt terug en even vóór duister is, met een gedreun als van een aardbeving, de kanaalbrug door de aftrekkende troepen opgeblazen.
't Is nog de eerste maal, dat de burgerwacht niet vóór het leger wijkt. Totnogtoe, in alle plaatsen, zoodra eenig gevaar dreigde, werd de burgerwacht veilig verder opgezonden. Er werd zelfs den spot mee gedreven en de menschen zeiden:
"Daar, waar zich de burgerwacht bevindt, hoeft men voor den vijand niet bevreesd te zijn."
Maar nu is 't anders. Nu is het leger geweken en de burgerwacht gebleven. Voor 't eerst werd haar een eerepost toevertrouwd. Nu zullen zij eindelijk den vijand zien: den beduchten, wreeden vijand, voor wien alles vlucht!
De commandant der burgerwacht sluipt met zijn adjudant in stilte langs de loopgraven en deelt nog eens met nadruk zijn bevelen uit: "Niet zingen, niet lachen, niet praten, want ieder oogenblik kan de vijand aan de overzijde van 't kanaal verschijnen. Kleine patroeljes uhlanen werden reeds, vóór duisternis, in den omtrek gesignaleerd. En ook niet rooken, streng verbod te rooken, want de vijand zou van verre het licht der aangestreken lucifers of den rooden gloed der brandende sigaren kunnen zien."
Als stille, donkere schimmen en gestalten zitten de burgerwachten in de lange loopgraven. De geweren, op den anderen oever gemikt, liggen onzichtbaar tusschen graszoden, klaar om afgevuurd te worden. De mitrailleuses en ook twee electrische zoeklichten staan achteraan op zij, onder en achter takkenbos verdekt.
De burgerwachten zijn niet bang. Zij zullen moedig hun plicht doen. Wel kloppen hamerend de harten, want het is toch de eerste maal, en het is nacht, en 't is een zenuwspannend wachten op een vijand, die maar niet verschijnt, maar die toch ieder oogenblik, gansch onverwacht en bliksemsnel, kan opduiken. De oogen van de burgerwachten peilen strak de duisternis en hun gespitste ooren luisteren naar elk verwijderd rumoer, naar ieder vaag geluid. Doch zij zien alleen het vage, vale blikkeren van 't donker water in 't kanaal en zij hooren slechts het zuchten van den wind, die zachtjes door het oeverriet suist.
Dat duurt zoo, langen, langen tijd. De moeheid van het vruchteloos wachten verslapt weldra de stramheid der overspannen zenuwen en de oogleden vallen van verveling en afmatting dicht. Het zal alweer een loos alarm zijn. Enkelen rekken hun verkleumde ledematen uit en geeuwen, en anderen wagen zich reeds aan een gefluisterd praatje, als eensklaps een gesmoord bevel door de loopgraven ruischt:
"Opgepast! Ze zijn daar!"
Bliksemsnel omknellen alle handen loop en kolf der geweren. De adem wordt opgehouden, de oogen schitteren in den nacht, de ooren vernemen het zwakste geluid.
Jawel, daar zijn ze, aan den overkant van 't donker water! Men ziet ze nog niet, maar men hoort ze, heel duidelijk. Het zijn uhlanen; zonder twijfel de vlak vóór duisternis daar in de buurt gesignaleerde uhlanen! Men hoort het hoevengetrappel der paarden en het gekletter der sabels tegen de zadels. Zijn er veel? Zijn er weinig? 't Is moeilijk te onderscheiden. Te oordeelen naar het geluid zou men, hoe eigenaardig!, zeggen: weinig paarden en toch heel veel sabels. Hoe kan dat?
De commandant, ineengebukt, loopt als een gejaagde schaduw heen en weer. Alle man klaar? Opgepast! Straks zullen, bliksemsnel, de lichten der electrische projecteurs even opflikkeren, om den vijand te ontdekken, en dan maar vuur! De volle laag!
Een... twee... drie!...
Twee schelle,verblindende lichtbundels doorboren den donkeren nacht! Hun felle gloed valt volop op den vijand en... even is er een stilte, door een plotselingen, langen schaterlach gevolgd!
Wat daar aan den overkant van 't water langs het jaagpad rijdt, is een gewone bierkar!
Een bierkar, bespannen met twee paarden; een bierkar, groengeverfd, met groote, gele advertentie-letters, en volgeladen met tegen elkaar aanrammelende en kletterende, volle en leege flesschen!
De burgerwachten schateren en proesten, terwijl het helle zoeklicht, plots uitgedoofd en weer ontvlamd, met zijn fellen, witten stralenbundel, het aftrekkend gerammel en gekletter achtervolgt. En bij dat zicht voelen de burgerwachten, die daar nu al zoo veel uren liggen, eensklaps folterenden dorst en een bevel weerklinkt, van den eenen oever naar den anderen:
"Halt!"
Het karretje houdt stil. De lichten wemelen en spelen op de flikkerende flesschen en het verschrikte gezicht van den voerman kijkt eventjes uit van onder de kap.
"Hoeveel flasschen bier het-e nog!" roept een stem.
Niet dadelijk komt het antwoord.
"Hoeveel flasschen bier het-e nog?" klinkt het voor de tweede maal, en nu op een toon van dreigenden toorn.
"Misschien nog 'n honderd, meniere!" antwoordt schuw en aarzelend de man van over 't water.
"Goed. Afleveren!" galmt het kort bevel.
Twee schuitjes, waarmee de burgerwachten kunnen overzetten, liggen daar bij den oever vastgemeerd. Een wordt er losgemaakt en drie mannen varen er mee naar de overzijde.
't Gaat gauw genoeg. De flesschen zitten in bakjes van twaalf en acht van die bakjes worden in het schuitje neergelaten. Bij 't licht der schijnwerpers wordt even een bonnetje afgeteekend, het schuitje vaart weer over en de benauwde voerman mag verder.
De burgerwachten voelen zich heerlijk opgemonterd. Jammer, dat er nog niet een stuk of dertig meer van die fleschjes waren!
Dan had ieder het zijne gehad. Zou die kerel hen niet bedot hebben? Zou men nog niet eens het zoeklicht laten spelen?
Voor de grap laten zij het nog eens spelen. Onmiddellijk houdt de man zijn paarden aan den overkant weer in en het angstig gezicht komt spookachtig-wit van onder de kap te voorschijn.
"Es 't zeker da g' ons álles gegeven hèt?" roept een autoritaire stem.
"Joa 't meniere, joa 't meniere! Op mijn woord van iere!" antwoordt de man.
"Prosit! Prosit!" lachen de burgerwachten van verre, enkele flesschen in de hoogte houdend.
Het licht gaat uit en het karretje verdwijnt met het geklikklak zijner leege lading in de duisternis.
Andere vijanden hebben de burgerwachten dien nacht niet gezien...
* * * * *
VII.
DE VRIJWILLIGER.
Voor mijn heldhaftige jonge vrienden Henri Rolin en Pierre Waelbroeck.
Het oogenblik is gekomen...
Uren lang hebben de kanonnen over 't veld gedonderd, door het verre geschut van den vijand beantwoord. En uren lang heeft de vrijwilliger met de reserves daar gestaan achter de bulderende vuurmonden. Voor 't eerst, in dien geweldigen strijd, heeft hij, van dichtbij, 't kanon zien en hooren léven. Hij heeft het zien laden en richten en op het degen-bevel van den officier zien afvuren!
Het kanon, dat wordt afgevuurd, is geen strakke, holle, bronzen pijp op wielen meer: het is een beest, een monster, dat plotseling, met overweldigend geweld, kortstondig en afschuwelijk leeft.
Een dreunende slag, die de aarde doet beven, een wreede vuurtong, een terugsprong, alsof het beest schrikte van zijn eigen woestheid, en in de lucht een snerpend noodgegil, als het gebriesch van een wegstormend paard! Het is, alsof het kanon schreeuwde: ik ben de Dood en mijn vraatzuchtige woede is afgrijselijk: ik hol, ik vlieg, ik grijns, ik scheur en ik vernietig en niets kan mij weerhouden!
Dat geeft den mannen moed. Het is niet denkelijk, dat iets aan zulk geweld kan weerstand bieden. Het kanon is de geweldige stem der victorie en zoolang het spreekt moet alles zwijgen.
Maar nu zwijgt het zelf. Het heeft zijn taak volbracht. Het heeft het geschut van den vijand verstomd en zijn loopgraven stukgeschoten. Wat nu nog moet gebeuren is het werk der manschappen.
* * * * *
Met de andere reserves is de vrijwilliger vooruitgerukt. Wie zijn ze, die anderen? Hij weet het niet, hij kent ze niet. Een maand geleden allen onbekenden, onverschilligen; nu allen broeders... Broeders in 't doodsgevaar en in de vaderlandsche liefde; strijders voor eenzelfde doel, voor iets, dat zich niet duidelijk tot een beeld van concretie vormt, maar dat schoon en hoog en nobel is: strijders voor een ideaal!
Wat hij zelf was vóór den oorlog, is de vrijwilliger bijna vergeten. Zijn jong studentenleven, zijn vroolijkheid, zijn frisch gemoed, zijn werk-en-toekomstplannen, 't ligt alles nu zoo ver en vreemd reeds achter hem! Er kwam ineens als 'n schok in zijn leven: fier en razend stond hij op tegen schandelijk onrecht en verdrukking en kende alleen nog zijn plicht, één enkelen plicht: vechten tot den dood tegen dat onrecht!
* * * * *
Daar kruipt hij nu over den grond naast al die anderen...
De avond daalt. Een bleeke, rose streep ligt laag en lang over den grijzen einder, als een teere, zachte blos van stillen weemoed. 't Is of de avond zei: ga rusten, ik rust ook; 't is nu geen uur van strijden meer. Maar ginds, op eenigen afstand, knettert aanhoudend een krakend geluid en vlak over zijn hoofd heen hoort de vrijwilliger een voortdurend gezoem, als van ontelbare, vliegende en zwermende bijen. Soms is het of er duizenden en duizenden zwermden en zoemden; soms is het of er slechts enkele meer waren en dan rukt de vrijwilliger naast zijn kameraden met een korten sprong voorwaarts, om dadelijk weer neer te ploffen, en de bijen, bij honderden en honderden, boven zijn hoofd te hooren zoemen.
Hij weet maar al te goed wat dat gezoem beteekent! Het is 't luguber doodsdeuntje der vliegende geweerkogels! Soms gaat een korten kreet op en een der makkers blijft roerloos op het akkerveld liggen. Dat maakt de anderen niet bang. Dat maakt ze woedend, razend, en zij klemmen de tanden op elkaar, terwijl ze, op hun beurt en onverpoosd, naar den onzichtbaren vijand vuren. De stemmen van hun officieren klinken kort en krachtig achter hen: "En avant! Vooruit! En avant! Vooruit!" En onder dien aandrang gaat het, in stuggen nijd steeds verder en verder, ondanks de verliezen, tot zij eindelijk, in de schemering, de schansen van den vijand vóór zich zien, en, niet meer te weerhouden, wild er op losstormen.