Chapter 8
Het werd, voor den generaal en de twee dames, hoe langer hoe gecompliceerder en ellendiger. Wie moesten ze nu eigentlijk gelooven: de dikkerd en de blonde magere, of de donkere, ernstige man? Klaar hoe dan ook, ellendig was 't in elk geval, aangezien de arme Rikiki, op zijn best genomen, althans gedurende zes weken zou in quarantaine gehouden worden. Zes weken quarantaine! Dat kon de arme Rikiki immers niet uithouden! Lang vóór dat termijn was afgeloopen zou hij dood zijn! De beide dames konden haar emotie niet bedwingen en begonnen te schreien. De generaal liep even, als een vertoornde dondergod heen en weer over 't dek en bleef dan starend, met gespannen trekken, kijken op het omgewoeld rivierwater, alsof hij zelfmoordplannen brouwde. De goedmoedige familie had blijkbaar medelijden met de zwaarbeproefde eigenaars van Rikiki, en 't aardig kleine meisje streelde en aaide voortdurend het hondje op haar knieën, als om het zacht-moederlijk in zijn vreeselijk lot te beschermen en te troosten.
--En moet je dáárvoor bondgenoot van Engeland zijn! barstte de generaal plotseling uit, met sidderende snor en in verontwaardiging gekruiste armen vóór zijn steeds rampzalig-schreiende dames staande.
De gruwelijke oorlog, de afgrijselijke verwoestingen, de ruïne van het land, de vernieling van hun stad en van hun huis, al het lijden, al het onrecht, al de wraakroepende wreedheden, alles wazigde weg en verbleekte tegenover de geraffineerde marteling, die zij om Rikiki doorstonden. O! hadden ze dát geweten, wat waren ze gaarne gebleven, al moest het dierbaar huis ook op hen neerstorten! En de generaal herhaalde nog eens vinnig zijn bitterste verwijten, dat de twee vrouwen hem tot de vlucht gedwongen hadden, dat hij zonder haar gezanik zou gebleven zijn, en dat zij laf waren en niet alleen getracht hadden Rikiki, maar eerst en vooral zichzelven te redden.
De beide vrouwen schreiden, schreiden; hoe scherper de generaal uitvaarde, hoe akeliger en wanhopiger zij schreiden, zóó dat de andere vluchtelingen zich vol meewarigheid steeds talrijker om haar heen troepten en niet twijfelden of die rampzalige familie had in den wreeden oorlog alles verloren wat een mensch ook maar verliezen kon. Het werd aanstekelijk; sommige menschen verwijderden zich, met hun zakdoek aan hun oogen wrijvend en ook het kleine meisje, dat Rikiki steeds op haar knieën hield, barstte plotseling in snikken uit, alsof zij door een onbekende ramp werd overweldigd.
Toen stond de goedige dikkerd op en kwam naar zijn ellendige reisgenooten toe.
--Ach, dames, en meneer, sprak hij troostend, dat is allemaal zoo erg niet en wij kunnen u misschien wel helpen. Wij gaan niet verder dan Holland, wij blijven daar bij familieleden het einde van den oorlog afwachten. Laat het hondje bij ons, wij zullen er goed voor zorgen. Gij ziet het; Elsatje is er dol op, het beestje zal niets tekort hebben. Wij zullen u ons adres laten en als gij weer komt u het hondje teruggeven. Zou dit geen geschikte oplossing zijn?
De dames staakten haar schreien en keken in verbouwereerdheid naar den goedigen dikkerd op. Hij zag er werkelijk als goed en eerlijk mensch uit: een hemel van hoop straalde eensklaps voor haar open. Ook de generaal was geschokt, als van een pak op zijn hart verlost, innig-bewegen. Hij keek het aardig meisje aan en zijn witte snorren beefden en zijn oogen werden vochtig. Zijn hoofd knikte, onwillekeurig, alsof hij reeds toestemde. Hij stak zijn hand uit naar den man en drukte die met warmte. Hij drukte ook de hand der dikke vrouw en 't kleine meisje tilde hij in zijn armen op en zoende het en vroeg haar of zij werkelijk goed op Rikiki zou passen. Het waren eensklaps vrienden, of zij elkander reeds jaren kenden. Kaartjes werden gewisseld, adressen er op gekrabbeld, beloften gedaan en herdaan, als gold het betuigingen van eeuwigdurende gehechtheid en trouw. Toen de boot eindelijk in de Hollandsche haven landde, hielden zij zich als één familie bijeen om in de akelige drukte elkaar niet te verliezen en het klein Elsatje droeg met moederlijke teederheid en met stralende oogjes van geluk het mandje van Rikiki, die haar reeds kende, zeide zij, en die zij voortdurend streelende woordjes tusschen de reetjes der teenen toefluisterde en af en toe, wanneer de anderen het niet zagen, dwars door het zorgvuldig gesloten dekseltje, zoentjes toezond...
* * * * *
Zij hadden anderhalf uur tijd te verliezen vóór de groote mailboot, die hen naar Engeland zou vervoeren, afreisde en de generaal wilde die gelegenheid te baat nemen om zijn nieuwe vrienden, uit dankbaarheid, in de restauratie-zaal van het vlakbij gelegen spoorwegstation, op een maaltijd te trakteeren.
De dikkerd en zijn vrouw namen dat gretig aan. Zij vonden met moeite plaats in de geweldige drukte van in-en uitkomende reizigers aan een tamelijk bemorst tafeltje, waarop de kellner een schoon servet uitspreidde en de generaal zette zijn bril op en raadpleegde met gespannen aandacht de etenslijst. Bizonder veel variatie was er niet en zij vestigden maar na onderlinge goedkeuring, hun keus op gebakken tong met sla en beafsteak met aardappelen. Terwijl dat werd klaar gemaakt herhaalden de generaal en de dames nog eens met nadruk hun nauwkeurige instructies nopens het voedingsregiem van Rikiki. 's Ochtends een schaaltje met brood geweekt in zoete melk. Daar was hij dol op. Om twaalf uur een gemengd schoteltje van aardappels en stukjes vleesch, overgoten met een beetje jus. Daar was hij zóó aan gewend dat hij geregeld om de tafel heen kwam dansen om zijn bordje te krijgen. 's Avonds, eindelijk, nog eens een schaaltje geweekt brood in melk, en last not least, een been, een bot met nog een ietsje vleesch er aan, waaraan hij dan kon zitten kluiven dat 't een lust was. Daar was hij zóó op gesteld dat hij als een bezetene kon blaffen als het hem niet bijtijds gegeven werd en meestal nam hij het mee in zijn mandje en lag er daar aan te trekken en te knagen tot hij er bij in slaap viel. Zouden ze dat alles wel goed onthouden? Wilde generaal het soms op een stukje papier schrijven, opdat ze 't niet zouden vergeten? De gezondheid van het dierbaar hondje hing er beslist van af.
--Neen, neen, niet noodig, verzekerden de goedmoedige dikkerd en zijn vrouw, en ook het kleine meisje zei dat het niet noodig was en dat zij er voor zorgen zou, dat alles net precies gebeuren zou zooals meneer en de dames het wenschten. Zij had naar de instructies geluisterd met intelligente oogjes, die schitterden van aandachtige gretigheid en goed-begrijpen, en de oude generaal was zóó verteederd dat hij even van tafel opstond en voor het kind aan het buffet een mooie doos met bonbons ging koopen. De moeder sloeg van emotie haar handen in elkaar en Elsa moest meneer den generaal zoenen, met haar twee armpjes om zijn hals op beide wangen.
De kellner kwam met het eten op. Hij kwakte schotel en borden vrij ruw op het tafeltje neer. De generaal boog voorover en fronste zijn wenkbrauwen. Tong! Was dat gebakken tong, zoo hard, zoo zwart! De dieren lagen opgekrompen in een donker, vettig nat te zwemmen, alsof zij zich in laatste stuiptrekkingen tegen het barbaarsch proces gerevolteerd hadden. De generaal meende excuses te moeten maken, hoopte maar dat zijn gasten, gezien de buitengewone omstandigheden, het wel voor lief zouden willen nemen. Dat zouden zij zeker. De dikkerd stopte alvast zijn servet in zijn halsboord en bekeek de zwarte verkrimpelingen met oogen die blonken, terwijl de vrouw van haar kant ernstig hoofdknikte, dat het toch wel heel goed zou zijn. De generaal bestelde een flesch rooden wijn en bediende de dames.
--Smaakt het, liefje? glimlachte hij naar het meisje, toen zij een paar hapjes genomen had.
--O, fijn, meneer, antwoordde zij stralend. En zij vroeg of Rikiki ook eventjes mocht proeven.
--Ja, maar zeer voorzichtig met de graatjes, niet waar?
Rikiki die reeds ongeduldig aan 't janken en 't rommelen was in zijn korfje, werd even te voorschijn gehaald.
De anderen aten. De generaal en zijn dames schenen het gerecht nauwelijks te kunnen verorberen, maar de dikkerd en zijn vrouw dachten er klaarblijkelijk gansch anders over. De vrouw at vlug en stil en veel, zonder spreken noch opkijken en de dikkerd verslond zijn zwartgebakken verkrimpeling als een vraat. 't Was of het beest geen graten had. Met heele stukken tegelijk ging hij te keer en daar tusschen door slikte hij breede lappen sla op, als een os. Het leek wel of hij tevens roofdier en herkauwer was en toen de visch met kop en staart was opgekraakt, schepte hij met het platte van zijn mes het vet op dat nog op zijn bord bleef en werkte 't ook maar naar binnen, zoo vlug en griezelig, dat de generaal en de twee dames sidderden, of hij elk oogenblik zijn tong dwars-door zou snijden. Doch hij scheen dat werkje goed te kennen, hij lachte zijn gasten vriendelijk aan en toen hij klaar was hief hij zijn vol glas wijn in de hoogte en ledigde het met een gulhartig "prosit" in één teug, op hun goede gezondheid.
Rikiki was in zijn open mandje op het tafeltje gezet en hij dineerde mee. Hij zat daar uitgerekt met mager halsje en zijn wakkere oogjes volgden blinkend ieder brokje dat naar binnen ging. Soms rilde hij zenuwachtig en neuspiepte, dat men hem asjeblieft toch niet vergeten zou; en alles wat hij kreeg schrokte hij gulzig op, ineens, zonder kauwen, alsof hij vliegen hapte. Dat amuseerde en verteederde de twee families en zij konden niet laten hem voortdurend te streelen en te aaien, wat Rikiki trouwens scheen te vervelen en te sarren, want telkens trok hij 't kopje weg, alleen en uitsluitend geboeid als hij was door wat er op schotels en borden gebeurde. Af en toe echter kreeg hij plotseling een wilde krabbui, hij krabde zich met razend-vlugge bewegingen, die het tafeltje deden schudden en zijn fijn halsbelletje deden rinkinkelen, en de dames zeiden dan met ernstige bezorgdheid, dat Rikiki onder de narigheid van het bombardement wel wat verwaarloosd was geweest en dat het wenschelijk zou zijn als hij eens heel zorgvuldig gebet en gekamd en geborsteld werd.
De tijd schoot op, het uur van afscheid naderde en de generaal en zijn dames werden ietwat weemoedig gestemd. Zij hadden heelemaal geen eetlust en lieten de beafsteak, die overigens hard en taai en blauw als caoutchouc was, onaangeroerd op hun bord liggen. De dikkerd en zijn vrouw begrepen daar niets van. Zij overwonnen heldhaftig met kauwen 't weerspannige vleesch en verklaarden dat het heel lekker was. Alleen Elsatje vond het wat taai en snoepte maar liever uit haar bonbondoos.
--Zal je ons dus gauw over het hondje schrijven? vroeg de generaal, haar zacht blond hoofdje aaiend.
Elsatje, den mond vol met zoetjes, beloofde 't plechtig.
--En als de oorlog voorbij is, vervolgde de generaal, dan kom je bij ons logeeren en samen gaan we met Rikiki lange, lange wandelingen maken. Ja?
--O, ja, ja! jubelde 't kleine meisje.
--Gelooft u, meneer, dat de oorlog nog lang duren zal? vroeg de schoonzuster, met een gezicht van angst en hoop tot den steeds dooretenden dikkerd.
--Vielleicht... wellicht, verbeterde hij haastig; wellicht nog enkele maanden.
De beide dames sloegen wanhopig de armen in de hoogte; de generaal foeterde:
--Konden we ze maar uit ons land krijgen, die ellendelingen!
--Ja... ja... ja... beaamde de dikkerd met nadruk: de Duitschers en ook de Franschen, en ook de Engelschen, allemaal weg, allemaal weg! dat we weer de baas zijn in ons eigen huis.
Ietwat bevreemd, vaag wantrouwig, keek de generaal den dikkerd aan.
De man lachte en stak weer zijn vol glas in de hoogte.
--Dan mogen we weer eens plezier maken en een flink glas op elkaar 's gezondheid drinken, lachte hij goedig. En hij boog naar de dames, En knikte, en dronk.
De koffie en een likeurtje waren gebruikt, de dikkerd dampte genoeglijk aan een stevige sigaar, Rikiki was, niet zonder eenig piepprotest, voorloopig weer in zijn mandje geduwd en de generaal had zijn schuld gevraagd en afgerekend. In het lawaai en de drukte der tallooze reizigers, stonden zij van tafel op en verlieten de woelige restauratiezaal.
De groote boot lag daar vlak bij, tegen de kade, zwart van romp en wit van bovenbouw, met zijn elegant-hangende reddingsschuitjes en zijn twee forsche, gele, zwartgerande, achteroverhellende schoorsteenen, die reeds zwarten rook uitkolkten. Er was veel drukte om en bij, gansche ladingen van allerlei werden onder stoomgesis en kettinggeratel door geweldige kranen opgetild en in het wijd-gapend ruim neergelaten, en veel passagiers waren reeds aan boord, in bonte groepen over de verschansing geleund, lachend en pratend, groeten en grappen wisselend met de aan wal staanden.
De generaal was zenuwachtig en de dames waren ontroerd. Hij telde nog eens nauwkeurig de stukken bagage, die de dikkerd en zijn vrouw hem bereidwillig hielpen dragen en voelde met bevende vingers in zijn binnenzak naar de paspoorten.
--Alles is in orde, wij kunnen op de boot gaan, zei hij tot zijn dames. Er. tot de beide dikkerds en het klein meisje:
--En gaat u maar zoolang mee; er is tijd genoeg en er wordt immers driemaal gefloten, vóór de brug wordt neergehaald.
Nauwelijks had hij 't gezeid of daar brulde de stoomfluit voor de eerste maal, lang, zwaar en plechtig, met een schor en rauw geloei dat de lucht deed trillen en als 't ware door je gansche lichaam tot in 't diepste van je ingewand doordreunde.
Langs de steile brug bestegen zij het stoombootdek. De dames konden haar emotie niet bedwingen en schreiden. De generaal hield zich goed, maar af en toe sidderde zijn lange, witte snor.
--Laten we hier maar blijven, we houden hier goed de brug in 't oog en kunnen ook nog even zitten, zei hij, een bank aanwijzend.
Zij namen plaats. De dames droogden haar tranen af en voor het allerlaatste afscheid werd nog eens het mandje van Rikiki geopend.
O! wat 'n emotie, wat 'n verteedering! 't Hielp niets dat de dames pas haar tranen hadden afgedroogd, zij vouwden als 't ware smeekend de handen in elkaar en opnieuw vloeiden de tranen overvloedig uit haar diep-bedroefde oogen. Nu pas beseften zij eerst duidelijk wat het beteekende Rikiki daar zoo alleen in den vreemde te moeten achterlaten. Daar, op dat groote, bruisend schip, dat straks met hen zou wegvaren, zagen zij hem nog, voelden zij hem nog, hadden zij hem nog; maar over enkele oogenblikken was 't de scheiding, de scheuring van elkaar. Rikiki bleef als een wees bij vreemden achter en tusschen hen en hun geliefde, hun kind, hun leven, lag de eindelooze, woeste deining van de overweldigende zee. Nooit meer zouden zij hun lieveling terug zien, dat voelden zij nu plotseling op 't uur van scheiden en 't was afschuwelijk, een niet te overkomen leed, erger, duizendmaal erger dan alles wat ze reeds geleden hadden en wellicht nog, als uit hun land verjaagden, zouden moeten lijden.
Voor de tweede maal brulde de stoomfluit, rauw en langgerekt, met doffe dreuningen, die tot in 't diepste van hun lichaam doortrilden. Zou het niet beter zijn dat ze niet langer wachtten, dat ze nu maar dadelijk afscheid namen? Ach ja, 't was beter. Zij zeiden 't met bewogen stemmen tot den dikkerd en zijn vrouw, die dadelijk opstonden en ook meenden dat het beter was.
Zij schaarden zich om Rikiki en beurtelings tilden zij hem uit zijn mandje op en zoenden hem. Rikiki scheen daar niets van te begrijpen. Hij werd er zenuwachtig onder en toen de generaal hem op zijn beurt optilde, piepte hij even.
--Ga nu maar, ga nu maar, zei de generaal op gejaagden toon tot de twee dikkerds. Hij drukte hen de hand en zoo deden ook de dames en hij zoende nog een laatste maal Elsatje, op beide wangen. Rikiki werd in zijn mandje geduwd en 't deksel viel er op neer, als op een doodkist.
Zij spoedden zich over de brug naar beneden...
* * * * *
De generaal en de twee dames hingen naast de andere passagiers over de verschansing en staarden in de menigte op de kade. Daar zagen zij de dikkerds staan naast Elsatje, die weer het mandje had geopend om hun tot het laatste oogenblik nog Rikiki te laten zien. Zij zagen het aardige diertje midden in die drukke foule, zij zagen niets dan hem en riepen nog zijn naam en zonden hem kushandjes toe. Zij wenschten dat de boot nu maar zoo spoedig mogelijk vertrekken zou om van die laatste foltering verlost te zijn. Maar 't duurde en duurde, de stoomfluit scheen maar niet voor 't laatst te willen brullen en maar steeds kwamen passagiers haastig met pakken en valiezen, de brug op geloopen, en nog aldoor werden door de sissende en ratelende stoomkranen volle vrachten van allerlei ingeladen. 't Was of er nooit een eind aan zou komen.
Toen hoorde de generaal eensklaps een stem achter zich, die hem scheen aan te spreken. Hij keerde zich om en stond voor een vrij jong, mager mannetje, met kaplaarzen aan en een geruite pet op, als een piqueur of paardesportsman. Dat uiterlijk kwam hem niet vreemd voor, maar de generaal herinnerde zich toch niet dadelijk waar hij dat type wel gezien had.
--Pardon, meneer, wat zei u? vroeg hij aarzelend.
--Ik zei dat u hun het hondje dan toch maar gegeven hebt, antwoordde de man met een eigenaardigen, raadselachtigen glimlach.
--Ja, er was al niet veel anders op te vinden, antwoordde de generaal gedrukt; en meteen herkende hij het mannetje: dezelfde die hem 's ochtends op de andere boot verzekerd had, dat geen honden meer in Engeland werden toegelaten.
Het mannetje merkte dat de generaal hem eindelijk herkend had en glimlachte opnieuw, nu gul en vriendelijk. De beide dames hadden zich omgekeerd en herkenden hem ook. Hij boog en groette, even zijn geruite pet afnemend.
--Kent u die lui? Weet u wat dat zijn? vroeg hij, thans weer met zijn geheimzinnigen, raadselachtigen glimlach.
--Neen, hoegenaamd niet, maar 't lijken wel aardige menschen, antwoordde de generaal vagelijk verontrust.
--U weet toch dat het Duitschers zijn?
--Wat! gilde de generaal, letterlijk opspringend, terwijl de dames, een angstgil smorend, met uitgezette oogen de hand tegen haar mond drukten.
--Heeft u dat niet gemerkt aan hun taal? zei 't mannetje spotachtig.
--'t Is toch waar ook! riep de generaal, de rechterhand tegen zijn voorhoofd slaande, als in een plotse openbaring.
De beide dames waren zóó ontsteld, dat ze geen woord meer konden uitbrengen.
--Ja, zeker, Duitschers, en, wat meer is, comme ça, zei 't mannetje lachend, terwijl hij zijn beide wijsvingers om beurten in zijn eigen oogen en zijn ooren scheen te prikken.
--Hoe bedoelt u, meneer? vroeg de generaal heelemaal van streek en niet begrijpend.
--Spionnen! fluisterde 't mannetje hem toe.
--O! schokte de generaal overeind, alsof hij een klap kreeg.
--Heusch, meneer, ik ken ze wel, ik ken ze maar te goed, verzekerde 't mannetje.
--Duitschers! Spionnen! Maar ze zullen Rikiki uithongeren, folteren, vermoorden! gilde hardop de schoonzuster, alsof ze plotseling krankzinnig werd.
Er was een oogenblik absolute, doodsche roerloosheid en stilte. In stomme verslagenheid keken zij alle drie naar 't sportmannetje, dat steeds kalm en welbewust bleef glimlachen en dan, zich zenuwachtig-gejaagd omkeerend, naar de twee dikkerds en het meisje op de kade, die daar nog steeds met Rikiki in zijn mandje waren blijven staan. Zij waren totaal radeloos en wanhopig, de beide dames barstten in snikken uit, de generaal stond te trillen en te beven en ook op de gezichten van het drietal aan wal kwam van lieverlede een uitdrukking van grenzenlooze verbazing en bijna van schrik.
Op dat oogenblik loeide voor de derde en laatste maal het vreeselijk gebrul der stoomfluit. Het snerpte en huilde als een nood-en-doodskreet; het schudde folterend de tot barstens toe gespannen zenuwen en roffelde en dreunde als met een geweld van aardbeving door 't gansche lichaam. En eensklaps sprong de generaal, als een waanzinnige los, greep, op goed geluk af, een paar valiezen, riep, achter zich om, tot de dames: kom mee... baande zich met geweld een weg door de in elkaar geperste menigte der passagiers en holde de brug af, waar reeds vier matrozen klaar stonden, om ze beneên te halen.
--O, maar, meneer, meneer, meneer! gilden de dikkerd en zijn vrouw, angstig in de foule achteruitwijkend.
In verwildering keek de generaal om, zag de ontstelde gezichten zijner dames, die hem ijlings gevolgd waren.
--Moet ge nog mee, meneer? riepen de matrozen bij de brug, klaar om neer te halen.
De generaal hoofdschudde hartstochtelijk van neen. Een schril gefluit weerklonk en de brug gleed aan wal. De schroeven van de boot begonnen 't water op te malen.
--O man, man, wat heb je toch gedaan! schreide verwijtend de generaalsvrouw. De schoonzuster schreide zonder nog iets te durven zeggen.
Driftig haalde de generaal zijn schouders op, nam voorloopig geen notitie meer van de twee huilende vrouwen. Zenuwachtig-gesticuleerend stond hij vóór de twee dikkerds en vóór Elsatje met Rikiki.
--Wij konden 't in ons hart niet gevonden krijgen om hem te verlaten, zei hij, iets kalmer en reeds vagelijk zich schamend.
De dikkerd en zijn vrouw glimlachten zwakjes, en knikten zwijgend goedkeurend, nog gansch verbouwereerd door de gebeurtenis; maar Elsatje barstte plotseling in hevige tranen uit.
Dat vermurwde heelemaal het hart van den ouden militair.
--Schrei niet, suste hij, het blonde hoofdje streelend. Wij blijven voorloopig hier en je kunt elken dag met Rikiki komen spelen.
Maar het kind bleef snikken en hikte stotterend
--Ik hield zooveel van hem; ik zou er zoo goed voor gezorgd hebben.
De generaal was radeloos. Hij keerde zich om tot zijn vrouw en zijn schoonzuster en verweet haar vol toorn:
--Zie je nu wel! Heb ik je niet voorspeld dat we met dat ellendig dier niet konden reizen!
Zij gaven geen antwoord. Zij bukten gedwee en ongelukkig 't schreiend hoofd. Daar stonden zij nu, alleen als vluchtelingen in den vreemde, met hun bagage en hun hond, terwijl het mooie, groote schip, dat hen naar 't land van gastvrijheid en weelde zou brengen, zonder hen de haven uitvoer. Gedrukt namen zij vluchtig afscheid van den dikkerd en zijn vrouw en de schoonzuster ontving Rikiki in zijn mandje uit de handen van het nog steeds ontroostbaar snikkend klein meisje.
--Kom, kom, laten we nu maar gauw weggaan, ik schaam me, ik schaam me, bromde de generaal, alsof zijn vrouw en schoonzuster alleen de schuld van alles waren. Zij wenkten een kruier en verdwenen in de aftrekkende menigte.
--Naar 't hotel, beval de generaal.
--Welk hotel, meneer? vroeg de kruier.
--Kan me niet schelen; 't eerste 't beste.
Zij volgden den witkiel en spraken geen woord meer.
Eindelijk waagde zijn vrouw:
--Zouden we niet een telegram naar Engeland moeten zenden, dat we voorloopig hier blijven? Ze zullen anders ongerust zijn als ze ons niet van de boot zien komen.
Nurksch bromde hij iets onverstaanbaars als antwoord en daar ze juist langs het telegraafkantoor kwamen, deed hij den kruier even ophouden. Hij trok een formulier uit 't bakje en krabbelde met gefronste wenkbrauwen het telegram aan zijn broer.
Blijven voorloopig hier. Brief volgt. Generaal.
Hij schoof het door 't loket, betaalde, kwam weer bij den witkiel en de dames.
--Vooruit! beval hij kortaf, alsof hij op manoeuvre was.
De kruier, bukkend onder zijn vracht, wees zwijgend den weg.
In het verschiet, zwart van romp en wit van bovenbouw, met zijn elegant-hangende reddingsschuitjes en zijn rookpluimende gele schoorsteenen, stoomde het groote schip, de masten vlaggend, als in feestgetooi, naar de volle zee toe.
De schoonzuster deed haar uiterste best om Rikiki, die alweer in zijn gesloten mandje neuspiepend begon te rommelen, met stille, zoete woordjes te sussen.
--Die spionnen! bromde nog even binnensmonds de generaal, terwijl zijn vuisten dreigend ineenkrompen, die vervloekte spionnen..
De dames zwegen en hielden haar adem op, als gestold van schrik voor wat nog komen zou. Maar er kwam niets meer.
* * * * *
IV.
DE VARKENSKAR.