Oorlogsvisioenen

Chapter 7

Chapter 73,833 wordsPublic domain

Zij spraken geen woord meer. Hij opende de voordeur in de kille gang en aarzelend kwamen de dames buiten. Hij volgde haar. Hij sloot de deur en draaide tweemaal den sleutel in het nachtslot om. Op God's genade nu!

* * * * *

De doodsch-verlaten stad lag donker in den vroegen najaarsavond, maar toen zij een eindje door de welbekende straten waren gevorderd scheen het hen toe, dat alles toch iets minder somber en verlaten was dan zij wel eerst vermoed hadden. Zij zagen vagelijk de huizen, de meesten met gesloten blinden, doch hier en daar ook een met open deur en ramen, alsof de bewoners, alvorens heen te gaan, het eens goed hadden willen luchten. Zoo leek het op 't eerste gezicht in de duisternis, maar bij nadere beschouwing kon men merken dat de deur aan splinters was geslagen, dat er groote gaten in den gevel gaapten en dat geen enkele ruit geheel meer was. Zoo waren de huizen die door de bommen getroffen werden uiterlijk in schijn nog betrekkelijk gaaf, maar van binnen, als men even door de gaten en de stukgeschoten ramen keek, één puinhoop van steen en kalk en gruzelementen.

De generaal en de twee vrouwen keken die vernieling vluchtig in 't voorbijtrekken aan, met sombere oogen. Zij mochten van geluk nog spreken dat hun huis zoolang gespaard gebleven was, maar, hoe zou het er morgen, overmorgen, of de volgende dagen uitzien? En als 't eenmaal zooverre was, als het was stuk geschoten zoodat een ieder er vrij in en uit kon loopen, zou het weinige dat er nog van waarde overbleef, dan niet geplunderd worden door de roovers en bandieten, die nog in de stad gebleven waren en die zij reeds hier en daar zagen sluipen, als ratten in de donkerste hoeken, tusschen het puin?

Zij kwamen op het groote marktplein. Daar stond een groepje menschen bij twee rijtuigen, vóór een huis waarin nog licht brandde. Zoodra de generaal en de twee dames in 't bereik kwamen, schoot een man op hen af.

--Rijdt ge mee, meneer, naar Antwerpen?

De generaal aarzelde, keek den kerel achterdochtig aan. Het voorstel verraste hem. Hij vermoedde niet dat er nog eenig middel bestond om per rijtuig naar de groote havenstad te komen. Hij dacht aan niets anders dan den langen afstand te voet af te leggen en daar plaatsen zien te krijgen op een schip, naar Holland of naar Engeland.

--Hoeveel, per persoon? vroeg hij den man.

--Tien frank, meneer.

De generaal haalde verwoed zijn schouders op en keerde zich om.

--Negen frank, meneer, liep de man hem na.

De generaal gaf geen antwoord.

--Acht frank, meneer, acht frank, mijn laatste woord.

De generaal bleef staan.

--Wanneer zoudt ge vertrekken? vroeg hij.

--Dadelijk, meneer, dadelijk, de koetsier is daarbinnen in dat café bezig iets te gebruiken.

De generaal raadpleegde vlug, in 't Fransch, de dames. Terstond gebruikte de kerel, zoo goed en zoo kwaad als het ging, dezelfde taal:

--Très bon marché madame, très bon voiture et fort cheval. Plus vite que les bombes des Boches! En hij lachte, griezelig.

Zij lieten zich overhalen, draaiden langzaam naar de twee rijtuigen toe. Het waren twee oude, vuile, open victoria's met droevige knollen bespannen.

--Ici, monsieur, ici, madame, wenkte de kerel, hen bij een der vieze dingen brengend. Haastig nam hij de valiezen aan, schoof ze onder de banken, verzocht hen in te stappen. Toen holde hij binnen in het groezelig koffiehuis om den koetsier te waarschuwen.

--Cinq minutes patience, monsieur, madame; cocher tout de suite fini manger, kwam hij even weer buiten geloopen.

De generaal, zijn wenkbrauwen fronsend, bromde toornig in zichzelf. Het speet hem reeds dat zij 't aanbod hadden aangenomen. Wat 'n vieze boel zag het er uit! Zouden ze niet beter nog uitstappen en toch maar te voet gaan?

--Zooals je wilt, antwoordden gedwee de dames.

Hadden ze tegengestribbeld, dan had de generaal wellicht op uitstappen aangedrongen. Nu ze dat niet deden en bereid waren zijn wensch te volgen, drong hij niet verder aan.

--Misschien toch maar beter die rammelkast te gebruiken, zei hij, ongeduldig schokschouderend.

Ook dàt vonden de dames goed. 't Was haar alles eender, als zij uit die hel maar wegkwamen.

Zij keken om zich heen, terwijl ze daar nog even moesten wachten. De nacht scheen iets lichter te worden; duidelijker teekende de omgeving zich af. En eensklaps rees een wazige maan boven de hooge daken en haar triestig, weifelachtig schijnsel viel op de groote, leege markt en op de huizen en gebouwen in het ronde. Nu zagen zij eerst goed hoe hun oude, mooie stad onder het bombardement geleden had. De statige kerktoren rees somber ten treurigen hemel, den eenen kant gansch afgebrokkeld en als 't ware uitgevreten, alsof een verwoede reus met grijnzende tanden aan 't verweerde steen geknaagd had. De kerk, daaronder, had geen dak meer en de nacht gaapte, akelig-tragisch, door de verbrijzelde ruiten der hooge, sierlijke boogramen. Daarnaast was er een leege ruimte, met hier en daar nog een stuk uitgekartelde trapgevel of een brok schoorsteen op een muur, die door een mirakel van evenwicht was overeind gebleven. Een van de nobelste antieke heerenhuizen was ook nog blijven staan, maar juist boven het sierlijk balkon, dat als een wonder van steenen kantwerk zijn ongerepte, grijze ellips naar voren welfde, was een enorm, donker gat geslagen, als het wijd-open hol van een spelonk, waaruit schrik-en-gruwelbeelden zouden gaan te voorschijn komen.

--Barbaren! Barbaren! bromde en foeterde de generaal met van verontwaardiging trillende snor.

Maar hij werd ongeduldig en keek weer naar de groezelige herberg om.

--Koetsier! Koetsier! riep hij gebiedend.

Luide, kijverige bralstemmen klonken daarbinnen, alsof er een gevecht ontstond. Enkele kerels met boeventronies kwamen eindelijk buiten en onder hen was een man met zwarte snor en bonten muts, die een langen mantel droeg en een zweep in zijn hand hield. Hij groette kort, met rauwe drankstem en klom op den bok van het rijtuig. De boef, die aan den generaal het rijtuig had verhuurd, wipte naast hem en tegelijkertijd, terwijl het paard reeds wegdraafde, sprong een derde kerel in het rijtuig en nam ongegeneerd naast den generaal, op 't ruggebankje plaats.

--Koetsier, wat beteekent dat? gilde de generaal verontwaardigd.

--Niets, meneer, ik heb mijn plaats betaald, zoowel als u, antwoordde de man met een woedenden blik.

--Stop, koetsier, stop! krijschte de generaal overeind springend, en vatte den leidsman bij den arm. Met een vloek hield deze zijn paard in.

--Zij d'r uit of wij d'r uit! riep de generaal, vastberaden.

De vrouwen sidderden, klaar om het van angst uit te gillen, met krampachtig in elkaar gewrongen handen. Maar het flink optreden van den ouden militair had een bewonderenswaardige uitwerking. De koetsier haalde zijn schouders op alsof het hem niet aanging en de twee schoelies stapten langzaam uit het rijtuig. Zij deden eensklaps heel gedwee en onderdanig en stonden daar even met uitgestrekte bedelhanden te grienen, dat hun huis verwoest was en dat zij geen stukje brood meer hadden voor hun ongelukkige vrouwen en kinderen.

De generaal was woedend en dreigde met politie en gendarmes, die er trouwens reeds lang niet meer waren. Maar de schoelies grienden nog luider en staken nog dringender hun bedel-grijpklauwen uit, zoodat de dames weer doodsangstig werden en schreiend smeekten dat de generaal hun toch iets geven zou. Hij deed het eindelijk, maar onder heftig protest en met de herhaalde bedreiging, dat hij hun tronies onthield en dat hij hen later onmeedoogend bij de overheid zou aanklagen. De schoelies dankten en groetten en verdwenen in de donkere gaping van een slop.

* * * * *

Zij hadden de sinistere stad verlaten en reden over een rechten steenweg door het open veld. Langs beide kanten waren de boomen afgezaagd en de gevelde stammen lagen schots en scheef over de slooten en in het aangrenzend weiland. Het was alsof een aardbeving de gansche streek had door elkaar geschud. Het nevelige manelicht bescheen verdrietig die verwoesting en hier en daar, langsheen den weg of in het veld stonden de huisjes en de boerderijen als dood in hun sombere, eenzame verlatenheid.

Traag-sjokkend reed het rammelend rijtuig over de ongelijke keien. De generaal en de twee dames spraken een heele poos geen woord. Zij huiverden in de kille nachtlucht en trokken mantels dicht en kragen op. De weg scheen eindeloos en onafzienbaar. Soms zagen zij in het verschiet als een beweging van vage schimmen vóór zich uit. Het waren enkele menschen die, evenals zij, op het laatste oogenblik de stad ontvluchtten. Zij torsten met zwoegende inspanning wat zij nog konden meesjouwen en wierpen begeerige en droevige blikken op het voorbij-ratelende rijtuig. Eensklaps ontstelden de dames hevig van schrik. Een breede lichtstraal zwaaide waaiervormig door den hoogen hemel en doofde stil weer uit. Wat was dat? Een niet-ontplofte bom? Zou het afgrijselijk bombardement nu weer beginnen, hen in hun vlucht achterhalen? Opnieuw flitste 't achter hen, breed en majestatisch, aan den verren, donkeren einder op en doorveegde, met zijn lichten stralenbundel, waaiervormig gansch den hemel. De generaal poogde haar gerust te stellen. 't Was niets, het waren de zoeklichten der vijanden. Zij speurden vermoedelijk naar vliegers in de lucht. En terwijl de vluchtelingen daar naar keken en toch niet zonder angst er over spraken, ging ook vóór hen uit, in het verschiet, een breede stralenbundel op, die dwars over den hemel veegde. Dat was het zoeklicht van het vaderlandsche leger! Zij hadden het licht van den vijand gezien en straalden tegen, als antwoord. En zoo bleven beide zoeklichten een tijd door stralen en flitsen, en hun schichten door elkander schieten als Titanen en Goden, die hoog en ruim boven 't klein-menschelijk gedoe, elkander in den hemel zochten en bevochten.

In zijn mandje, op den schoot der schoonzuster, begon Rikiki af en toe zich te bewegen. Hij krabde met zijn pootjes tegen de wanden en neuspiepte soms heel fijn, van klagend ongeduld. De schoonzuster trok het dekseltje voorzichtig open.

Een aardig warrelkopje met stralende oogjes kwam te voorschijn, dat hen allen diep verteederde. Zij streelden hem om de beurt en glimlachten en spraken hem zoete woordjes toe. En zij bekenden aan elkaar dat het hun grootste troost was in hun ongeluk dat dierbaar wezen nog bij zich te hebben. Toen sloot de schoonzuster opnieuw het mandje, heel zacht en voorzichtig-langzaam, 't aardig kopje met het deksel neerduwend. Doch blijkbaar was dit een teleurstelling voor Rikiki. Hij had nu eindelijk, voor 't eerst sinds dagen, nog eens de vrije lucht gezien en wilde die ook blijven zien; en al dadelijk begon hij weer te krabben en te neuspiepen en te janken, eerst matig nog, met tusschenpoozen, doch van lieverlede harder en aanhoudender, tot het weldra ontaardde in een snerpend noodgejammer en geblaf, dat onuitstaanbaar werd.

--Het is onmogelijk, onmogelijk, met dat ellendig dier op reis te gaan! riep de generaal, eensklaps weer verbolgen en wanhopig zijn armen in de lucht slaande.

De vrouw en de schoonzuster smeekten, trachtten het hondje te sussen, lichtten, heel eventjes, het dekseltje weer op. Rikiki bedaarde.

--Stel je voor dat we met zulk een gejank in het hôtel, op de boot, in Engeland aankomen; ze gooien ons eenvoudig buiten! bromde nog de generaal.

--Ach kom, je houdt toch immers ook dol van hem; je zou hem, evenmin als wij, willen of kunnen missen, zei de schoonzuster, vergoelijkend.

--Jawel, gaf de generaal in ietwat mildere stemming toe; jawel, ik hou van hem, maar hij moet zoet zijn.

--Hij is zoet, hij zal zoet zijn, niet waar, mijn schatje! fleemde de schoonzuster, met streelende vingers onder 't dekseltje.

In de verte, om een bocht van den weg, blonken eensklaps enkele lichtjes in de duisternis.

De voorposten van 't Belgische leger! waarschuwde de generaal. En hij tastte in een van zijn binnenzakken, om alvast hun paspoorten uit te halen.

Weldra schoof een donkere, stille schaduw dwars over den weg. Een tweede volgde, die in 't midden van den weg bleef staan en een bevel weerklonk, kort en hard:

--Halt!

De koetsier hield het rijtuigje stil. Een der gedaanten stapte met een zaklantaarntje op hem af; de tweede deed het zelfde met de inzittenden der victoria.

--Papiers! klonk het kortaf.

De generaal liet de paspoorten zien. De schildwacht, een wachtmeester der grenadiers, bekeek ze aandachtig. Het was een jonge man met knap gezicht en lange, donkere snor. Het zwart en rood van zijn uniform schitterde vaag in de duisternis. Eensklaps richtte hij zich op en stond in positie, militair-groetend, rechterhand aan de politie-muts en hakken bij elkaar.

--Passez, mon général, zei hij eerbiedig en week drie passen achteruit.

De generaal gaf hem zijn groet terug, de dames bogen, het rijtuig ratelde langzaam voorwaarts.

Rechts en links nu van den weg kwamen, in het vage schijnsel der lantarens, eigenaardige verschijningen als het ware halvelings uit den grond opgedoken. Donker-magere gezichten met oogen die strak blonken; geweren en bajonetten die even dof flitsten, zwarte gestalten, die zich eensklaps oprichtten, als uit hun graf verrijzend. Dat waren de soldaten in de loopgraven. Er moesten er velen zijn, in lange, diepe rijen tot ver en wijd in't veld, want zonder ze te zien voelde men ze langs alle kanten en een breed en dof gegons steeg op, dat alom de mysterieuze stilte van den nacht vervulde. Al spoedig, trouwens, schoven weer stille schaduwen dwars over den weg naar voren en werd er nog eens "halt" geroepen. En ook weer sloeg de wacht, na onderzoek, eerbiedig militair aan en mocht het rijtuig verder gaan. Zoo kwamen zij eindelijk langs drie overbrugde grachten, tusschen donkere wallen aan de vestingpoort. Daar werden hun papieren voor de laatste maal onderzocht en weldra reden zij door lange straten, zwak verlicht en vol soldaten, die vroolijk bij troepjes heen en weer kuierden of in en uit de stampvolle herbergjes en kroegjes kwamen.

Naarmate zij verder doordrongen werd de stad steeds levendiger. Maar 't was een vreemd gezicht, die drukte in halve duisternis. 't Was of er ergens een grootsche, plechtige begrafenis had plaats gehad, waar de bevolking van terugkwam en waarover gansch de stad nog rouwde. En toch; in dat rouwend halfduister klonk op vele plaatsen opgewekt gepraat en gelach en zang en muziek en ook hier en daar, in de herbergjes, werd er gedanst. Het waren soldaten, die dansten, met roodwangige meiden in lichte blouses en vettig glimmende of krullende haren. Zij schenen niets te voelen van al de droefheid en de rampen van 't geteisterd vaderland. De soldaten dansten en lachten met dezelfde luchtige opgewektheid, waarmede zij, in den afschuwelijken strijd, den dood te gemoet gingen en de meiden amuseerden zich zooals zij altijd deden, gelijk met wie haar beetpakte en trakteerde en betaalde.

Het rijtuig kwam voor het hotel, waar de generaal en de twee dames zouden overnachten. De hall was somber, maar de hel-verlichte restauratiezaal zat vol met officieren, die al evenmin schenen te treuren als de soldaten in de kroegen. De oude generaal fronste met nurkschen blik de wenkbrauwen. "Hoe is het mogelijk!" bromde hij.

Zij vroegen om logies. Eerst zette de gérant een hoogst bedenkelijk gezicht. Hij had zoo goed als niets meer over, beweerde hij. De generaal gaf zijn kaartje af. Dat maakte de dingen wel beter. De man boog eerbiedig en ging zien. Ja, er was nog middel: twee kamertjes; een met twee bedden voor de dames, een kabinetje voor den generaal. De generaal verklaarde zich daarmee tevreden en vroeg hoe laat den volgenden ochtend de boot naar Engeland vertrok.

--Heeft u plaatsen besproken? vroeg de gérant. De generaal zei van neen.

--O, meneer, dan is er geen kwestie van dat u mee kunt! verzekerde de man.

De generaal slaakte bijna een vloek.

--Geen sprake van, herhaalde de man met nadruk; alles dagen van te voren reeds gereserveerd. Ware ik in uw plaats, dan nam ik liever de boot naar Vlissingen. Dáár zult u nog wèl gelegenheid vinden.

De generaal was erg uit zijn humeur. Doch hij begreep dat er niets aan te doen was en liet alvast, voor den volgenden ochtend, plaatsen naar Vlissingen bespreken.

--Of ze nog iets wenschten te gebruiken? vroeg de gérant.

De generaal raadpleegde met den blik zijn dames. Neen; geen van beide had in iets zin. De gérant boog en ging hen voor naar de lift.

Even krabbelde Rikiki in zijn mandje en neuspiepte fijn terwijl zij binnenstapten. Ietwat verrast keek de gérant op, maar glimlachte en maakte geen opmerking.

De lift zoog hen naar boven.

* * * * *

Op de boot was 't ellendig, griezelig vol. Wat al vluchtende menschen voor het naderend, gruwelijk onheil! Wat al manden, pakken, korven, zakken met van alles volgepropt! Er waren droeve, dróéve gezichten van totale gelatenheid en wanhoop en er waren menschen die zielig jammerden en schreiden: menschen die nog wilden lijden en strijden en in 't verlies van alle hoop maar niet konden berusten. Er waren er ook luchtige en vroolijke, menschen op wie het ongeluk geen vat kreeg of die er zich boven wisten te stellen, en er waren er ten slotte ernstige, diep-ernstige, met geconcentreerde gezichten van zware, innerlijke zorg.

Zoo waren de oude generaal en de twee dames. Zij hadden een plekje boven op het dek weten te veroveren: een oud stuk bank tegen de schoorsteenpijp en van daar uit keken zij stil, met triestige oogen, naar de oude, groote stad die zich, achter het omgewoelde, viezig-schuim-opspattende rivierwater, langzaam van hen verwijderde. Zou het voor eeuwig zijn? Zouden zij nog terugkomen? Wie kon het zeggen? Alles was vaag en vol onzekerheid. De stad smolt weg, de huizen werden kleiner, de blikkerende vensterraampjes schenen hen weemoedig na te staren, als met verwijtende oogen die traanden. Was het niet jammer dat zij vluchtten? Hadden zij niet liever moeten blijven? De twinkelende, droeve huizeruitjes schenen hen terug te roepen en de hooge, slanke kerktoren der kathedraal richtte zijn spits ten hemel, als in een gebaar van berispende afkeuring. Dat alles ontroerde de dames en haar oogen werden vochtig. De generaal hield zich goed, maar zijn lippen stonden op elkaar geklemd en af en toe sidderde zijn lange, barsche, witte snor. Het was te laat nu, spijt of berouw kon niets meer baten. Maar zij wisten ook niet of het hun speet, zij wisten niets meer, al hun tegenstrijdige gevoelens waren door elkaar verward geraakt: het was opeens besloten geweest en meteen ten uitvoer gebracht; waarom?... omdat de dames gruwelden van angst onder 't bombardement, en omdat iedereen gevlucht was, en ook, 't is waar, omdat zij Rikiki, de dierbare Rikiki, de lieveling van hen allen wilden redden.

Hoe eigenaardig: in hun droefheid en ontreddering hadden zij Rikiki een oogenblik bijna geheel vergeten. Zij dachten er pas weer aan toen zij hem in zijn mandje hoorden janken en de schoonzuster lichtte verteederd het dekseltje op en zij waren allen dadelijk diep bewogen omdat zij Rikiki eventjes vergeten hadden en hem Goddank toch nog bezaten. Dat troostte hen, dat suste het gevoel van narigheid. Zij streelden om beurten het aardige diertje en zonder het aan elkaar te bekennen voelden zij allen dat Rikiki steeds weer hun troost zou zijn in de vele uren van verdriet en neerslachtigheid, die hun wellicht langdurige ballingschap zouden versomberen.

Naast hen, op de boot, zat een familie, die hun aardigheidjes met Rikiki gadesloeg en er zich mee amuseerde. Het waren twee dikke, goedig-uitziende menschen, een man en een vrouw, vergezeld van een klein jong meisje met blauwe oogen en vlasblonde haren. Vooral het meisje scheen te trillen van verlangen om ook eens 't aardig hondje aan te mogen raken en de oude generaal, die dat merkte, lachte haar vriendelijk toe en vroeg haar eindelijk of ze 't soms even op haar schoot wilde hebben.

--O, graag, meneer, antwoordde het kind blozend, met een eigenaardigen, vreemd-klinkenden tongval.

De generaal nam Rikiki uit zijn mandje en zette hem op de knieën van 't verrukte kind.

--Hoe heet het, meneer? vroeg zij dadelijk, het hondje aaiend.

--Rikiki, glimlachte de generaal.

--Rikiki! Rikiki! herhaalde zoetjes het verrukte kind, onophoudelijk het warrelkopje streelend.

De dikke man en de vrouw zagen dat spelletje gemoedelijk-glimlachend aan en als van zelf begonnen zij weldra een praatje over 't hondje met den generaal en de twee dames.

--'n Mooi diertje, 'n duur hondje, zei de man, Rikiki monsterend met kennersoogen.

De generaal en de twee dames knikten gewichtig, bekenden dat het inderdaad een heel kostbaar hondje was.

--Neemt ge 't mee naar Holland? vroeg de man.

--Naar Engeland, verbeterde de generaal.

--O, maar, dat kan niet, er mogen geen vreemde honden binnenkomen in Engeland, verzekerde de man met een heel ernstig gezicht.

De generaal en de twee dames schrikten letterlijk van hun zitplaats op.

--Wat zegt ge daar! riep de oude militair, bijna dreigend.

--Dat mag niet, meneer; geen vreemde honden in Engeland, herhaalde nog eens de dikkerd met ernstigen nadruk.

De generaal, zijn vrouw, zijn schoonzuster, alle drie omringden den onbekende, met een uitdrukking van ontsteltenis en afschuw op 't gezicht. Wat! Zij vluchtten weg, met en om Rikiki, en Rikiki zou in het toevluchtsland geweigerd worden! Hoe wist die man dat, en wie was hij eigenlijk? Wantrouwig keken zij hem aan. Was hij een landgenoot of wat was hij? Hij sprak niet de gewone taal der streek; zijn uitspraak had een vreemden klank, evenals die van het kleine meisje. Waren dat wellicht lui die Rikiki wilden stelen, omdat hij zooveel geld waard was? De schoonzuster had een instinctief gebaar om het dierbaar wezen uit de armen van het kind weer weg te nemen en de generaal, na een oogenblik geconsterneerd stilzwijgen, stramde zich in zijn nog flinke, militaire houding en antwoordde den man op gezagvoerenden toon:

--Dat ze den hond van een Duitscher of een Oostenrijker zouden weigeren, dat begrijp ik, maar van een Belg, een bondgenoot, een strijdmakker, onmogelijk, ik geloof het niet!

De goedmoedige dikkerd kon te nauwernood een stillen spotlach bedwingen.

--Die wet heeft niets te maken met den oorlogstoestand; zij bestaat al sinds vele jaren, zei hij.

Nieuwsgierigen begonnen zich om hen heen te scharen en een donkere man, die al van in 't begin 't gesprek had afgeluisterd, zei nu op zijn beurt.

--Honden mogen wel in Engeland binnenkomen, maar zij worden er bij aankomst zes weken in quarantaine gehouden.

De generaal, de vrouw, de schoonzuster keerden zich naar den donkeren man om.

--Werkelijk? Werkelijk? vroeg de generaal.

--Werkelijk, verzekerde de donkere, zwaar-ernstige man.

Nog een derde man mengde zich nu in 't gesprek: een kleine, magere, blonde, met een geruite sportpet op en rijlaarzen aan.

--Vroeger ja, nu sinds den oorlog niet meer, beweerde hij. Sinds den oorlog worden alle honden zonder onderscheid in Engeland geweigerd.

De generaal, de vrouw, de schoonzuster, steeds dieper ontsteld, keerden zich nu tot den mageren man met de sportpet en de rijlaarzen om.

--Is dat heusch zoo? vorschte de generaal.

--Heusch, meneer, verzekerde de magere man.

De donkere, ernstige man keek den blonde, magere aan en schudde 't hoofd. Hij geloofde niets van die verandering in de wetsbepalingen.

--Probeert het dan maar eens als ge mij niet gelooft! riep de magere op driftigen toon. De donkere man schudde nog eens zijn hoofd en ging weg.