Oorlogsvisioenen

Chapter 6

Chapter 63,881 wordsPublic domain

_"Zooals het klokje thuis tikt, tikt het nergens."_

Verbluft keek ik meneer Cathoen aan. Sprak hij in ernst of probeerde hij mij voor den gek te houden? Neen, hij meende 't ernstig; ik zag dat hij ontroerd, verteederd was. Een vochtige glans blonk in zijn oogen. En, daar juist de juffrouw met de koffie en de broodjes binnen kwam, drukte hij haar nog eens zijn hartelijken dank voor het geschenk uit en zei haar, dat ook ik het zoo bizonder aardig en vriendelijk vond.

De juffer glunderde; haar groote, tandelooze mond glimlachte in haar geel en zwart gezicht.

--Niet waar, meneer, ze moeten zich hier maar lekker thuis voelen en niet te veel aan hun land denken; dat komt wel weer terecht! zei ze aanmoedigend.

Na de blauwe beafsteak en de donkere vetballen in _Den Arend_, waren de broodjes en de koffie mij niet onwelkom. Fietriene bediende ons met voorkomende zorg en meneer Cathoen scheen heel wat opgefleurd. Zoo ging het met hem, zei hij zelf: zonder overgang opgewekt of gedrukt, van 't eene oogenblik tot 't andere. Kon hij dien schrikkelijken oorlog maar voor goed uit zijn hoofd zetten; er was toch niets aan te doen! Maar dat kon hij nu eenmaal niet en daaronder leed hij zoo, onophoudend heen en weer geslingerd tusschen hoop en moedeloosheid. O, den dag waarop hij weer naar zijn land terug zou mogen keeren, als vrij man naar zijn vrije land, dan moest ik er ook bij zijn, dan moest ik met hem meegaan, met hem en met Fietriene, en ik moest ook aan hun bruiloft deelnemen, dat deed hij mij vast beloven, aan hun bruiloft die zou plaats hebben zoo spoedig mogelijk na hun terugkomst en waarbij het gansche dorp, door hem getrakteerd, dagen na elkaar in uitgelaten feeststemming zou zijn.

Zijn oogen schitterden en lachten en hij leek mij eenklaps weer geheel de oude, vol ondeugende, guitige schalkschheid. Fietriene was opgestaan en had de kamer verlaten om het koffiegerei met de juffrouw in de keuken te helpen omwasschen, en zoodra ze weg was schoof hij naar mij toe, klopte vertrouwelijk op mijn knie en grinnikte:

--Nou, hoe vindt ge 'r? Dat hadt ge niet verwacht, hé?

--Misschien,... 'n beetje... glimlachte ik.

Daar had hij eensklaps dolle pret om. Zoo!... Had ik daar toch wel iets van vermoed! En hoe dan? En waarom? En wanneer? Het was toch immers maar louter toeval geweest, omdat ze samen naar hier gevlucht waren, omdat ze genoodzaakt waren geweest hier hetzelfde huis, dezelfde kamer, waarin slechts één bed stond, te betrekken.

Hij keek mij aan met zijn priemend-ondeugende oogen, hij wilde blijkbaar weten wat ik er verder van dacht of vermoedde en, door wat ik dacht of vermoedde, onderstellen, wat heel het dorp ervan wist of zou vermoeden. Ik dacht aan al de ontelbare meiden, aan al die blonde, die bruine en die zwarte, aan al die magere en al die dikke maar steeds flinke en jonge, die in den loop der jaren bij hem in dienst waren gekomen en telkens na een poos weer waren weggegaan, en eensklaps voelde ik in hem den ouden scharrelaar, die hij in 't geniep zijn levenlang geweest was en wellicht nog zou gebleven zijn, als niet het onvoorziene toeval van den oorlog en zijn schrikvlucht hem voor een gedwongen keus en oplossing gesteld had. Als een pacha had hij in zijn dorp geleefd en niemand had er ooit iets van gemerkt, evenmin als er ooit iemand argwaan kreeg over zijn kleine, sluwe handelsknoeierijtjes, en daar genoot hij nu nog van met heimelijk-ondeugende napret; daar smulde hij van in zichzelf, nu voor 't laatst nog, ondanks al de narigheid van een toestand, die er meteen een einde aan zou maken.

Maar de deur ging open en Fietriene kwam weer binnen. Terstond veranderde meneer Cathoen van gesprek en oogenblikkelijk kreeg zijn gezicht weer dat oude, dat ernstige, dat moedeloos-gedrukte, weerschijn van de snel-afwisselende stemmingen waaraan hij, sinds zijn ballingschap, zoo onderhevig was. Ik keek naar de klok. Langzaam aan begon het mijn tijd te worden. Ik zei het aan meneer Cathoen, die even een zucht loosde.

--Ach, als men maar altijd een landgenoot en vriend bij zich had! klaagde hij.

--Tuttuttut, ge moet geduld en courage hebben, meende Fietriene.

Ik was opgestaan. Ik glimlachte bemoedigend en strekte de hand uit tot afscheid.

--'k Ga met u mee tot aan de statie, besloot eensklaps meneer Cathoen.

--Maar Papa, 't is veel te koud voor u! en ook veel te verre! maakte Fietriene zich bezorgd.

Papa! Wat kittelde Fietriene toch telkens mijn lachlust als ze dat zei.

--Niemendal, niemendal, stribbelde meneer Cathoen kribbig tegen; en met zenuwachtige handen zette hij z'n dikke, bonte muts op.

Ik drukte de hand van Fietriene, wenschte haar tot wederzien, zoo gauw mogelijk, in Vlaanderen, op haar huwelijksfeest.

Zij lachte schel en keek mij even aan, met vurige koonen en oogen die eensklaps wild blonken. 't Was of ik iets verschrikkelijk-ondeugends had gezegd.

--Mijn groeten aan de juffrouwen, zei ik nog. En buigend onder de deurlijst stapte ik met meneer Cathoen naar buiten.

Hij zei geen woord meer; hij scheen eensklaps uitgepraat. Wij vorderden langzaam door de stille, mistig-sombere straat, die zwak verlicht was door enkele povere lantarens. Geen mensch op het pad, geen het minste geluid van leven achter de gesloten deuren. Slechts hier er daar nog een lichtje door de ramen, met een troebele vizie van sombere, triestige dingen daarbinnen.

Wij kwamen aan het kleine station. Daar was 't iets minder doodsch. Drie menschen zaten er op den trein te wachten, een paar soldaten liepen er heen en weer, het telegraaftoestel tikte achter het loket en in een hoek stond een man bij een nietig kranten-en-boekenstalletje.

--Kranten, meneeren? vroeg hij met halfluide stem.

--'t Is te vroeg, die kunnen er nog niet zijn, meende meneer Cathoen.

--Pardon, meneer, pas aangekomen, verzekerde de man.

--Wat! riep meneer Cathoen, opgewonden tot het stalletje naderend.

Waarachtig, het waren de couranten, die anders slechts een uur later bij hem werden bezorgd en waar hij dan verder gansch den avond in te lezen zat, steeds hopend er 't bericht te vinden van de groote overwinning, die den gehaten vijand uit 't geliefde land verjagen zou.

--Hoe komen ze toch zoo vroeg vandaag? zei hij, gretig zijn voorraad inslaande.

--Ze komen elken avond om dit uur, meneer, antwoordde de man.

--En ik ontvang ze pas een uur en soms wel anderhalf uur later! riep meneer Cathoen verontwaardigd.

--Dat is de bestelling aan huis, meneer, zei droogweg de verkooper.

--Begrijpt ge zoo iets? keerde meneer Cathoen zich tot mij om. 't Is iets van zeven of acht minuten loopen en daar hebben ze een uur of anderhalf uur voor noodig!

Maar hij luisterde zelfs naar mijn antwoord niet; hij haalde gejaagd zijn bril te voorschijn, ging midden in de wachtzaal onder de hanglamp staan, ontvouwde daar, met zenuwachtig gefrommel, de couranten.

--Alweer 't zelfde spel! Wat is dat nu weer! Ze hebben nog eens Allebei gewonnen! pruttelde hij, als gesard zijn hoofdschuddend.

Doch hij zag niet goed onder die vieze, smeulende lamp, hij begreep ook niet goed wat hij las, beweerde hij; hij plooide zijn couranten dicht en flapte ze weer open; en eindelijk kwam hij naar mij toe en zei:

--Weet ge wat: ik heb u nu tot hier gebracht en kan u toch niet verder vergezellen. Fietriene zou ook bezorgd en ongerust over mij worden. Ik ga u nu maar verlaten en hoop dat ge mij al gauw weer eens komt opzoeken, of, liever nog, dat we mekaar binnen kort in ons dierbaar land terug zullen zien.

Hij drukte en schudde mij de hand, mij herhaaldelijk "tot weerziens" wenschend. Hij liep nog even haastig tot bij den man van het stalletje om hem te zeggen dat hij er voortaan elken avond zelf zijn dagbladen zou komen halen en met een laatste gewuif was hij weg, zijn avondvoorraad van lectuur als een schat onder den arm knellend.

--Arme meneer Cathoen, die daarin zijn hoop en steun moet zoeken! dacht ik bij mezelf. Gelukkig maar dat hij nog Fietriene heeft om zich te troosten.

Ik stond daar even, doelloos, niet goed meer wetend wat te doen. Ik haalde mijn horloge uit. Nog ruim tien minuten.

--Kranten, meneer? klonk weer halfluid de stem van den man.

Ach ja, waarom ook niet! Ik kocht mij voor een dubbeltje bedrukt papier, en, op een harde bank gezeten in de kille wachtkamer, nam ik op mijn beurt kennis van de laatste officieele leugentelegrammen over de gebeurtenissen van den vreeselijken wereldoorlog.

[Voetnoot van de schrijver: 1) Victorine]

* * * * *

III.

RIKIKI.

Alweer begonnen de granaten over de stad neer te barsten...

Waar de kanonnen eigenlijk stonden kon slechts vagelijk worden uitgemaakt. Men hoorde de zware, mathematisch gescandeerde slagen uit de richting van het zuiden opkomen: dat was alles. Een doffe, verre bons, die even den grond deed dreunen en de ruiten deed rinkelen en, nog vóór het dreunen en het rinkelen had opgehouden, een gierend geloei hoog in de lucht, een langgerekt loeien en gieren dat in woeste vlucht met toenemende felheid en snelheid naderde, en plots daarop een krakende knal van barstend metaal, gevolgd door een gedonder van ineenstorting, alsof een gansch gebouw opeens ten gronde werd vernield. Onmiddellijk daarop de stilte, de doodsche, griezelige stilte: de wachtende, benauwende stilte na een knetterenden donderslag. En dan opnieuw het dof gedreun ginds verre, het gierend-suizen in de hooge lucht, het loeiend-neerslaan van 't onzichtbaar monster, en 't barsten en 't kraken en 't denderen en 't verpletteren, en dan plotseling weer de doodsche, griezelige, akelige stilte. Die absolute stilte was het schrikkelijkste, omdat het onnatuurlijk was. 't Was onnatuurlijk als een vlekkeloos-stille, helderblauwe hemel, waarin een alles-overweldigend woest onweer zou woeden.

De stad was bijna leeggevlucht. Op straat geen mensch meer. De weinige bewoners die er nog gebleven waren, zaten in hun kelders weggescholen. En die absolute stilte in de tusschenpoozen van 't bombardement, gepaard met die totale afwezigheid van menschen, maakte den indruk alsof er ook geen apart menschelijk lijden noch verdriet meer was onder den globalen omvang der afgrijselijke ramp. De groote, anonieme krachten van vernieling voerden 't woord; de zwakke klaagstemmen der lijdende menschen hadden klank noch beteekenis meer.

* * * * *

De oude, gepensioneerde generaal, zijn vrouw en zijn schoonzuster, waren nog niet gevlucht. Zij hadden maar niet kunnen scheiden van hun mooi en gezellig huisje op de oude gracht. Te veel stil geluk en levensvrede was daar met hun gansche wezen saamgegroeid. "Ik ga niet, ik wijk niet, ik blijf op mijn post," had de oude generaal herhaaldelijk en met nadruk gezegd, alsof nog steeds, gelijk vroeger, een verantwoordelijke plicht op hem woog. Maar zijn broer, die reeds met zijn gezin naar Engeland gevlucht was, hield niet op hem aan te wakkeren om daar ook te komen, bewerend dat ze 't er zoo goed hadden, dat zij er, dank zij de onuitputtelijke liefdadigheid der Engelschen, als prinsen leefden op een prachtig buitengoed, met bediening en automobiel, alles gratis tot hun vrije beschikking; en de vrouw en de schoonzuster, die van lieverlede half waanzinnig waren geworden van angst, schreiden gansche dagen en nachten en baden en smeekten den generaal, dat hij toch eindelijk, vóór het te laat was, ook met hàar vertrekken zou. Wat hadden zij eraan om hier nog langer in die hel te blijven! Zij hadden gered was zij konden: hun geld, hun waarden, hun juweelen; het overige konden zij niet meenemen, het moest maar aan God's genade worden overgelaten. Alleen hun leven had verder nog waarde: hun leven en het dierbaar leven van Rikiki, die anders ook met hen, onder de puinen van het huis, zoude begraven worden.

Rikiki was hun hondje: een van die kleine, bruine luxe-keffertjes met verfrommeld haar, spits-geknipte oortjes en wakkere, blinkende oogjes. De oude, barsche generaal kon wel eens echt ongeduldig-militair optreden tegen zijn vrouw en zijn schoonzuster, en de beide zusters konden met elkaar wel eens kibbelen, maar Rikiki verzoende hen allen, voor Rikiki hadden zij niets dan liefde en liefkoozingen over. Rikiki was hun kind, hun schat, hun leven, hun alles. Rikiki was noch van den generaal, noch van zijn vrouw, noch van haar zuster: Rikiki was van hen allen. Eerst was Rikiki, dan was het dierbaar huis, dan was de generaal, dan was de vrouw en dan de schoonzuster; en dat alles smolt samen tot één enkel, dierbaar symbool van geluk, en dat dierbaar symbool was nog eens Rikiki. Rikiki was de kracht en de zwakte, Rikiki was de ziekelijke weelde, de luxe-tyran van het gansche oude huisgezin!

* * * * *

"Rikiki zal hier met ons onder de puinen van ons huis begraven worden!"

Deze tragische voorspelling, door vrouw en schoonzuster met klem herhaald, gaf tenslotte den doorslag. Onder het razend geloei en gekraak van de barstende bommen, die met toenemend geweld op de geteisterde stad neervielen, bekeek de oude generaal het aardig snoetje van Rikiki, die met hen in den kelder zat verscholen en zijn stugge hart vermurwde. Misschien hadden de bange vrouwen dan toch wel gelijk. Hij keek door een reet van 't keldergat naar buiten in de straat. Zijn wenkbrauwen stonden boos en chagrijnig gefronst, zijn harde mond bromde verwenschingen onder de lange, witte, van verontwaardiging trillende snor. Is dàt nu oorlog voeren, een open stad bombardeeren! gromde hij. Hij vloekte en vervloekte zulk een vijand. Doch wat hielp het? Sinds dagen liep hij zoo machteloos te foeteren en te brommen; maar de kanonnen van den vijand overbromden zijn gefoeter en dreven een snerpend-vernielenden spot met zijn nijdige, razende klachten. Het woest brutale recht, het recht van den sterkste zegevierde en daar was niets tegen te doen.

De oude generaal slaakte een wanhoopszucht. Hij haalde zijn horloge uit. Vijf uur. Wellicht zou het bombardement spoedig verzwakken en evenals elken dag met het invallen van den nacht geheel ophouden. Dan zouden zij kunnen gaan. Sinds dagen stond het weinige wat ze konden meenemen in valiesjes klaar gepakt en zijn fortuintje droeg hij in een portefeuille op zich, dag en nacht. Hij liep nog eens naar boven, ondanks de smeekingen der vrouwen, die gruwden voor 't bombardement-gevaar en hij doorsnuffelde al de kamers van het zoo dierbare huis. Ach! dat hij dit nu toch alles in den steek moest laten! Tranen kwamen in zijn oude oogen en nu de vrouwen het niet konden zien, schaamde hij zich voor zijn bittere droefheid niet. Hij snikte. Zijn bevende handen bevoelden en omknelden de dierbare meubels, de gordijnen, de kleeden, de kleinoodiën, alles wat in zooveel lange jaren met zijn leven was vergroeid en dat hij daar nu onbeheerd aan willekeur, aan roofzucht en vernieling prijs moest geven. Hij hoorde de dreunende knallen der barstende bommen niet meer,'t kon hem niet schelen; hij was geheel en al verslonden in zijn eigen, onmiddellijk-gevoelde smart en droefheid.

Hij droogde zijn tranen af en sukkelde met bibberende lippen weer beneden. De vroege avond zonk reeds triestig in den somberen kelder en de beide vrouwen, angstig naast Rikiki op een der gëimproviseerde ledikanten gezeten, slaakten een kreet van verlichting toen zij hem ongedeerd weer zagen binnen komen.

--We zullen vannacht maar vertrekken, zei hij eensklaps, met sombere stem.

Zij juichten op, als van verlossing.

--O, ja! O, ja! riepen zij smachtend.

In koortsachtige haast was de schoonzuster opgevlogen, alsof het nu reeds dadelijk ging gebeuren. Dat maakte hem nijdig, kwaadaardig.

--Geen haast, geen haast, schimpte hij: het regent nog steeds bommen daarbuiten.

--Ik wou alleen maar 't een en 't ander klaar maken voor ons avondeten, antwoordde zij nederig, zich over haar gretige haast excuseerend.

Hij bromde iets onverstaanbaars als antwoord en ging somberzwijgend op een stoel in den droef-schemerigen kelder neerzitten.

* * * * *

Met stillere voortvarendheid nu maakte de schoonzuster de toebereidselen voor het avondmaal klaar. Men voelde dat zij bang was, dat het genomen besluit nog zou kunnen gewijzigd worden. Het was een stevig-gezette vrouw, van middelmatige, ietwat gedrongen gestalte, met spannende buste, korten hals, scherpe trekken en grijzende haren. Zij was vlug en flink in al haar bewegingen. Zij had een petroleum-vuurtje aangestoken en deed met snelle handigheid het werk dat de meid, die reeds sinds dagen was gevlucht, anders verrichtte. Haar zuster, moedeloos naast Rikiki op de harde bedsponde ineengezakt, volgde zuchtend en met doffe blikken haar bewegingen. Uit haar was alle kracht en fut verdwenen. Als een geknakt en willoos wezen zat ze daar. Af en toe streelde zij machinaal het warrelkopje van Rikiki, waarbij het belletje, dat de kleine hond aan een blauw lintje om zijn hals droeg, even rinkelde. De hooge, magere gestalte van den generaal, somber-roerloos op zijn stoel gezeten, verdween in het halfduistere. Alleen zijn lange, witte snor trok nog als een dwarse lichtstreep door zijn beenderig, getaand gezicht.

Daarbuiten, in den nu snel-vallenden nacht, had het bombardement van lieverlede in heftigheid afgenomen. Slechts met grootere tusschenpoozen hoorde men nog het langgerekte, loeiend gefluit in de lucht, met het daaropvolgend cataclysmegedonder der uit-elkaar-springende bommen. Dan was er telkens weer dat oogenblik van akelig-doodsche stilte, alsof nu 't laatste leven in de vernielde stad was weggezweept, maar weldra kwam er opnieuw een vage stommeling en beweging; men hoorde vlugge voetstappen voorbijrennen, men hoorde het geratel van een kruiwagen of kar en enkele menschenstemmen, die elkaar iets toeriepen.

Dat waren zeker de laatste bewoners, die zich den ganschen dag in hun kelders hadden schuilgehouden en nu, met den invallenden nacht en de betrekkelijke veiligheid, op hun beurt in haast de geteisterde stad verlieten. Even gierde ergens ver een schrille stoomfluit, alsof er ook nog treinen reden en een auto snoof voorbij, met donderend geraas. De generaal en de twee vrouwen schrikten er verbaasd van op. Wat! Nu nog treinen en auto's in de verlaten stad! Of zou het wellicht reeds de vijand zijn, die binnenstormde! De beide vrouwen wrongen jammerend, met angstgezichten, haar handen in elkaar, maar de generaal, onvervaard, stond op en ondanks de smeekingen van vrouw en schoonzuster, ging hij buiten, op den drempel, kijken.

't Was niets. Hij kwam terug en zei dat 't niets was. De gansche stad lag reeds in duisternis gehuld en er was geen mensch meer te bespeuren. En ook 't bombardement had opgehouden; men hoorde geen geloei meer in de lucht en geen bommen barstten meer, in krakende vernieling, tegen de huizen uit elkaar.

De schoonzuster had een klein petroleumlampje aangestoken. Het zwakke schijnsel verlichtte vaag de triestige naaktheid van den kelder met de barre, witgekalkte muren, die bij plaatsen glinsterden en sijpelden van ziltig vocht. Om een klein, withouten tafeltje zaten zij met hun drieën en aten lusteloos dunne plakjes ham op brood. De generaal gebruikte daarbij een glas wijn. Op het petroleumkomfoortje stond het waterketelje te zingen.

Het deed hen toch goed iets te gebruiken. Zij voelden zich weer gewone, menschelijke wezens. Op aandringen van den generaal namen ook de vrouwen een glaasje wijn en dat verwarmde en beurde op. Zij praatten even en stoeiden zelfs verteederd met den dierbaren Rikiki, die in 't gerinkel van zijn halsbelletje levendig van de een naar de ander opwipte, om beetjes te krijgen. O, die lieve, aardige, gezellige Rikiki, en o, die gelukkige Rikiki, die maar niets voelde en niets vermoedde van al de ellende en verschrikkingen waaronder zijn ongelukkige meesters ten gronde gingen! Zou men zelf niet wenschen een onwetend dier te zijn, om al die narigheden niet te kennen!

Het korte maal was afgeloopen en meteen kwam weer de somber-droevige stemming. Nu zouden zij gaan, van al het dierbaar-welbekende, misschien voor eeuwig, afscheid nemen. De generaal liep zenuwachtig-gejaagd in den kelder heen en weer. Het had wel geen reden, want het weinige, dat zij konden meenemen stond immers al lang kant en klaar, maar 't was hem te machtig: hij kón van zijn huisje niet scheiden.

Hij moest er zichzelf ten slotte als 't ware van wegrukken. Hij nam ineens een barsche, militaire houding aan, alsof hij nog zijn divisie aanvoerde en riep:

--Vooruit nu!

Doch eerst moest Rikiki gevangen worden. Rikiki moest in een mandje dat de schoonzuster zou dragen en dat alvast opengeflapt op het tafeltje stond.

--Kom, liefje! streelde aanmoedigend de schoonzuster.

Rikiki kwam. Hij kwam, oortjes gespitst en stompestaartje wringend en keek de vrouw met strakke, glinsterende oogjes aan. Maar toen ze zich bukte om hem op te nemen sprong hij vlug op zij en bleef weer een eindje verder roerloos staan, even zijn stompestaartje wringend, oortjes trillend gespitst, intelligente oogjes flikkerend.

Rikiki begreep. Rikiki voorgevoelde en begreep, dat men hem in 't mandje wilde stoppen en daar was hij niets mee ingenomen.

--We moeten hem toch hebben, zuchtte de schoonzuster bezorgd. En nog eens wenkte zij hem streelend, met flikflooiende, zoete woordjes.

Rikiki sloeg haar aandachtig gade. Hij liet haar komen, maar men kon zien dat zijn gespannen pootjes klaar stonden om weg te wippen; en dat deed hij dan ook, zoodra de schoonzuster naar hem de hand uitstrekte, en daarbij blafte hij even, heel schril en fel, om duidelijk genoeg te zeggen, dat men niet pogen moest hem voor den gek te houden.

De generaal, die ongeduldig-wachtend toezag en reeds zijn handvalies had opgenomen, barstte eensklaps in woede uit.

--Rikiki! riep hij dreigend, alsof hij een weerspannigen soldaat zou gaan tuchtigen. Maar Rikiki, allen eerbied vergetend, blafte ook zijn heer en meester aan en liet zich evenmin door geweld als door zachtheid vangen.

--C'est par trop fort! gilde de generaal, zijn valies neergooiend. En een geregelde jacht op Rikiki begon. De generaal, zijn vrouw, zijn schoonzuster, allen zaten het weerspannig diertje na. Zij wonden elkander op, al hun ziekelijke liefde voor het beest scheen plotseling in haat veranderd. De generaal hijgde, vloekte, voorspelde de ellendigste rampen met dat dier op de vluchtreis. Men moest hem hier maar aan zijn lot overlaten, of hem den nek omdraaien, foeterde hij. En de beide vrouwen schreiden en snikten, honderd maal ellendiger over de plotselinge ontrouw van Rikiki, dan over al de andere beproevingen, die zij sinds dagen hadden uitgestaan. Eindelijk sprong de schoonzuster, op een razend dreigement van den generaal dat hij maar niet zou vluchten als het zoo moest gaan, naar 't hondje toe en liet zich plat ten gronde op hem neervallen. Rikiki piepte vervaarlijk maar zij had hem, zij hield hem krachtig in haar beide handen vastgeklemd en stond er hijgend en zuchtend mee op. De generaal en zijn vrouw sloegen hun armen ten hemel.

--Heb je hem pijn gedaan? angstigden zij.

Gelukkig niet erg! Zij omringden hem met hun drieën, waar hij reeds op de tafel in zijn mandje zat en bevoelden met bevende zorg zijn kopje, zijn lijfje, zijn pootjes. Goddank! Hij had niets! Hij rilde maar wat van de uitgestane emotie en de schoonzuster liep hem nog haastig een schaaltje met melk halen, dat hij dan ook dadelijk begon op te lepperen. 't Was heerlijk hem dat te zien doen. 't Was als een lafenis die henzelven doordrong. Zij zuchtten van verlichting. Toen 't schaaltje leeg was streelden zij hem nog eens om beurten op het aardig warrelkopje en spraken hem zoete liefkoozingswoordjes toe. Dan werd het mandje, waarin een mollig dekentje lag, zacht gesloten.

Nu konden zij gaan. Zij namen de valiezen en het mandje op en de generaal wachtte tot de dames boven waren om het lichtje uit te draaien. Dan kwam hij zelf, tastend en struikelend in de duisternis, de steenen treden op.