Oorlogsvisioenen

Chapter 5

Chapter 54,030 wordsPublic domain

Zoo leefde dus meneer Cathoen op het oogenblik dat de oorlog uitbrak. Ik herinner mij nog heel goed, dat ik hem, enkele dagen na de oorlogsverklaring, een bezoek bracht en hem in een toestand aantrof zooals ik hem nog nooit gezien had. Hij was zenuwachtig, zenuwachtig!... zoo dat hij geen tien seconden rustig op zijn plaats kon blijven. Hij leek ineens een heel ander mensch geworden. De angst, de doodsangst zat hem op het lijf en zijn scherpe oogen loerden en speurden langs alle kanten, alsof hij overal reeds vijanden ontdekte.

--Zijn de menschen nu zot geworden! riep hij, van zoo verre hij mij zag komen. Wat! Oorlog voeren! En waarom? Wat hebben wij, Belgen, daarmee te maken! Wat kunnen ons de Duitschers, de Franschen en de Engelschen schelen? Waarom laat men hun dat onder mekaar niet uitvechten!

--De Duitschers hebben onze neutraliteit geschonden, meneer Cathoen, wij moeten onze onafhankelijkheid verdedigen, trachtte ik in 't midden te brengen. Maar hij sneed mij heftig het woord af en riep uit:

--Onze neutraliteit! Onze onafhankelijkheid! Tuttuttut... dat zijn dingen die wij niet kennen, die wij niet hebben! Wat kunnen wij, onnoozele dwergen, tegen die reuzen op! Als ik nu bijvoorbeeld tegen Fietriene 1) (Fietriene was zijn nieuwe meid, sinds een paar maanden in zijn dienst gekomen); als ik nu tegen Fietriene zei: "Fietriene, doe die deur eens open," en Fietriene zou weigeren, gelooft gij dat ik, die de sterkste ben, daarom zou laten die deur te openen? Tuttutut... ze zijn allemaal zot geworden in België, dàt zeg ik u, en ze zullen ons allemaal ruïneeren en doen vermoorden!

Fietriene liep gejaagd door de vertrekken heen en weer, de Armen volgeladen met allerlei heteroclitische voorwerpen, die zij, op bevel van haar meester, alvast ergens in veiligheid ging brengen. 't Was een nog al knappe, blonde meid van een dertigtal jaren. Zij had een frisch gelaat en wakkere oogen. De buste was goed gevuld en op de heupen viel niets af te keuren. Dat alles teekende zich levend af onder haar vlugge bewegingen en 't eenige wat iets minder mooi scheen was de rug, die nog al onsierlijk welfde, alsof ze geen corset droeg. Charlewie, de oude tuinman, hielp haar. Hij was taai en mager en als 't ware uitgedroogd. Hij had zijn klompen uitgedaan en liep op dikke grauwe sokken over de tapijten. Zijn zuur gezicht was als de nurksche brommigheid verpersoonlijkt en hij grijnsde en mopperde aanhoudend binnensmonds, terwijl hij af en toe zijn hoofd schudde en zuchtte, als wilde hij beduiden dat de narigheid ten top gestegen was en dat de wereld nu wel eindelijk zou vergaan.

* * * * *

Dagen en weken waren verloopen, dagen en weken vol droefheid en angst. Het klein, heldhaftig leger was door den reus verslagen, het land werd overweldigd en verwoest en duizenden en duizenden menschen vluchtten naar alle oorden, een veilige schuilplaats zoekend tegen brand en plundering en moord en vernieling.

Aan meneer Cathoen en zijn eigenaardig, raadselachtig leven dacht ik niet meer; en ik zou hem wellicht gansch vergeten hebben, had ik niet, op een ochtend, een briefkaart van hem ontvangen, waarin hij mij meldde dat hij behouden over de grens was gekomen en mij vroeg of ik hem daar niet eens kwam opzoeken.

Meneer Cathoen over de grens gevlucht! Meneer Cathoen, die nooit reisde, in een vreemd land, dát alleen trok mij reeds machtig aan. Ja, ik wou, ik móést hem zien! Ik wilde hem zien en hem hooren; ik wilde weten hoe hij, de eigenaardige bij uitnemendheid, op de schrikwekkende tijdsomstandigheden en gebeurtenissen reageerde.

Het was een eindeloos lange reis en 't oord waar hij zijn toevlucht had genomen, was er een dat, om zoo te zeggen, buiten de bekende wereld lag. Ik stapte aan een verlaten klein stationnetje af, volgde een doodschen straatweg aangelegd over een dijk tusschen polderland en moeras, ontwaarde weldra een kerkje en een dorpje. Dáár was het. Het waren meestal nietige woninkjes met blauwe horretjes achter de kleine ruiten en 't scheen er uitgestorven, want er liep geen mensch over de straat. Hier en daar een gezicht achter die horretjes, als 't ware verwaasd onder het blauwachtig water van een bokaal, maar dat toch scherp nieuwsgierig loerde, als verbaasd en ontdaan over de ongehoorde verschijning van een vreemdeling in 't dorp. Ik telde de kleine nummertjes aan de kleine huisjes, kwam op een pleintje, waarachter een mooi, oud kerkje stond, zag daar een politie-diender aan wien ik den weg vroeg.

--'t Is daar, meneer, u staat er vlak voor, antwoordde glimlachend de man, naar een der huisjes wijzend.

Het was een dofgrijs, loodgrijs huisje, een deur en twee ramen beneden, drie kleinere raampjes op de eenige verdieping. 't Had blauwe horretjes als bijna al de andere huizen en achter een van die horretjes zaten, vaag en verwaasd als onder het blauwachtig water van een bokaal, twee oude en ouderwetsche vrouwegezichten, die mij strak, met onbehouwen nieuwsgierigheid, aanloerden. Maar toen ze mij, dwars over 't pleintje, op hun huisje zagen afkomen, schenen zij langzaam in het vage weg te smelten, net als visschen, die zich stilletjes in de diepte van een sloot laten zinken. Ik belde aan. Het belletje ging zwakjes over, alsof het ergens heel, héél verre hing en toch voelde men, dat het dichtbij de deur moest hangen. Het duurde lang, zéér lang, vóór deze werd geopend. Ik strekte reeds de hand uit om een tweede maal te bellen, toen de deur eindelijk heel langzaam en omzichtig week en een gezicht aarzelend te voorschijn kwam.

't Was een der beide die ik, van op het pleintje, achter het horretje gezien had. Een oude-vrijsters-type, geel als perkament, met breede, als 't ware verwoeste trekken en groote zwarte oogen en een grootera tandeloozen mond, die toch wel vriendelijk, ofschoon ietwat wantrouwig, glimlachte.

--Is het wel hier, juffrouw, dat meneer Cathoen inwoont? vroeg ik, na gegroet te hebben.

--Jawel meneer, antwoordde zij, mij aandachtig monsterend.

--Is meneer thuis?

--Neen, meneer; meneer heeft vandaag heel vroeg koffie gedronken en is daar pas een half uurtje geleden met mevrouw gaan wandelen.

Ik kreeg als een schok en bedwong met moeite een uitroep van verbazing. Ik voelde mij een kleur krijgen.

--Is... is... begon ik hopeloos te stameren.

--Jawel, meneer, mevrouw is hier ook. Ze zijn samen over de grens gekomen, tijdens de groote vlucht. Wist u 't soms niet, dat mevrouw hier ook was? En achterdochtig-nieuwsgierig keek het mensch mij aan.

--Ik wist het met geen zekerheid, maar vermoedde 't toch wel, haastte ik mij te zeggen. Heeft u ook een idee, juffrouw, wanneer ze terug zouden komen?

--Vast en zeker vóór drie uur, bevestigde de juffrouw met klem. Nooit blijven ze langer weg. Ze maken elken dag dezelfde wandeling, weet u altijd langs den dijk tot in de buurt van de grens, op een hoogte van waar ze in de verte iets van hun land kunnen zien. Ach, meneer, ze zijn toch zoo verlangend om er weer terug te keeren.

Ik voelde, dat het mensch aan de praat wou en week langzaam achteruit. Ik zei haar, dat ik vóór drie uur terug zou komen. Maar zij kwam met mij mee, tot op het pleintje en wees mij daar de richting langs waar meneer en mevrouw Cathoen elken dag gingen wandelen, en verzekerde mij dat ik hen onvermijdelijk zou tegenkomen, als ik zoowat over een uur dien weg opliep.

--Is hier ook ergens een hotelletje, of een herberg, waar ik iets zou kunnen gebruiken, juffrouw? vroeg ik nog.

--Zeker, meneer, zeker, daar, op den hoek, in _Den Arend_, heel goed. En zij wees het mij met de hand.

Ik keerde mij nog eens om, dankend en groetend, en meteen viel ook mijn blik weer op de blauwe horretjes. Even zag ik er 't gezicht der tweede juffrouw, blijkbaar de zuster, die mij scherp beloerde, maar dadelijk in 't vage wegsmolt, als een visch die naar de diepte zinkt.

Met vlugge schreden liep ik naar _Den Arend_ toe.

* * * * *

_Mevrouw_ Cathoen, dacht ik, _mevrouw_ Cathoen! En als een sarrend refreintje dreunde 't onophoudend in mijn ooren. Wie mocht dat wel zijn? Wie mocht dat wel zijn? Was meneer Cathoen, de oude, hardnekkige vrijgezel, die nooit zou trouwen, dan toch maar hals over kop getrouwd, sinds ik hem de laatste maal zàg? Zoo maar in eens, zonder er iets van te melden? Of had hij 't mij wel laten weten, en was zijn brief, in de oorlogsverwarring, verloren geraakt? Zou meneer Cathoen dan wellicht... doch neen, die onderstelling was te gek, dan had hij 't al immers veel vroeger gedaan.

Stom van mij, dat ik aan die juffrouw althans niet gevraagd had hoe mevrouw Cathoen er wel uitzag! Dan had ik misschien geweten.

Ik zat daarover te prakkezeeren, in de griezelig-sombere, ijskille eetkamer van _Den Arend_, waar ik de eenige gast was. Ik zou haastig iets gebruiken en dan maar dadelijk den dijk op, om meneer Cathoen en vooral _mevrouw_ Cathoen te gemoet te loopen. Een somber-zwijgzame vrouw bracht mij, na lang en ongeduldig wachten, iets dat zij beafsteak met aardappelen noemde. Die beafsteak zag lei-blauw en de aardappelen leken op steenkool-vetballen. Dat alles zwom in een donker vocht, als een mengsel van inkt met aangebrande olie.

Toen ik enkele van de blauwe lappen had verorberd, lei ik er maar vork en mes bij neer. Vruchteloos had ik geprobeerd ook een van de zwarte vetballen te slikken. Na heel wat geklop en geroep en gefluit en geschuifel kon ik eindelijk met de sombere juffrouw afrekenen, --'t was niet goedkoop--en na haastig een sigaar te hebben aangestoken, verliet ik met een snakzucht dien donkeren ijskelder van ongezelligheid en holde den dijkweg op.

Het was een gure, grijze, ijzige Novemberdag. De wind blies hard en nijdig over dien hoogen berm tusschen de nattige vlakten en woei mij tranen in de oogen. Het land scheen van een doodsche triestigheid. Hier en daar lag een sombere, groote hoeve, diep in den polder, door boomen omringd. Het leken eilandjes van nood-toevlucht, midden in een grenzenlooze zee van wanhopige verlatenheid. En verder was er niets dan de eindeloos-lange, kronkelende dijkweg beplant met knotwilgen, en hier en daar een moerassige waterplas met wuivend riet en opgekuifde schuimkammetjes onder den ijzigen, snerpenden wind.

Af en toe een levend schepsel in die hopelooze eenzaamheid: een Zeeuwsche boer, 't gezicht geschoren, de haren lang, geheel in 't doffe zwart gekleed, alsof hij rouwde; of een boerin, enorme rokballon op voeten, kort, spannend lijf en witgekapt hoofd met gouden ornamenten, staag wiegelend op haar zware heupen, als een schip voor anker. Zij groetten beleefd in 't voorbijgaan en 't somber landschap, waaraan hun trage verschijning toch even iets van leven gaf, scheen achter hen weer uit te sterven. Arme meneer Cathoen, dacht ik, die hier als vluchteling, en voor hoelang misschien, is gaan leven!

Toen zag ik hem komen, ginds verre, ginds heel, héél verre aan den grijzen einder, in een kromming van den eindeloozen dijk. Ik kon hem op dien afstand niet herkennen, maar ik voelde dat hij 't was, want naast hem liep een vrouw met scheef-waaiende rokken en handen die haar kapsel vasthielden, een vrouw die blijkbaar geen boerin was van de streek, zijn vrouw voorzeker, de raadselachtige, de mij nog onbekende, die hij hals over kop gehuwd moest hebben, God wist waarom, nadat de oorlog uitgebroken was.

Toen ik slechts een paar honderd meters meer van hem verwijderd was stak ik den arm in de hoogte, groetend-zwaaiend met mijn paraplu. Hij scheen er eerst niets van te merken. Hij bleef gebogen vooruit loopen, worstelend tegen den nijdigen wind. Maar ik zag dat de vrouw hem een duw gaf en hij keek op en bleef staan. Weer zwaaide ik en riep hem van verre goên dag. Nu had hij mij herkend. Hij wuifde insgelijks met de hand en kwam naar mij toe. Een laatste bocht scheidde ons en de stammen der knotwilgen onttrokken ons even aan elkander's gezicht. Twee minuten later stond ik voor mijn ouden vriend meneer Cathoen en... zijn dienstmeid Fietriene!

Er was een korte weifeling in meneer Cathoen's optreden en bejegening. Er was ook een korte aarzeling en gêne in mijn begroeting. Kwam het door den wind, of de kou, of wat was het? Meneer Cathoen scheen mij een ander mensch geworden! Hij teekende opeens zijn leeftijd: dien van een oud, versleten man. Hij stond gebogen vóór mij, zonder glimlach, met een ernstig, vermagerd gezicht en oogen zonder levenstinteling. Hij droeg een wollen bouffante om den hals en had een groote bonte muts op, waarvan de oorkleppen waren neergetrokken. Een verrekijker hing in een koker aan een lederen riem over zijn schouder.

--Wel, wel, wie we nu zien! riep hij toch eindelijk en stak mij een hand toe die beefde. Weet ge nieuws? vroeg hij dadelijk daarop.

Nieuws! Ik begreep niet goed wat hij bedoelde. Ik draalde met mijn antwoord, verwachtte eerder dat hij mij nieuws zou mededeelen.

--Niets van den oorlog? drong hij aan, vagelijk teleurgesteld. Ik moest ontkennend antwoorden. Er was immers nooit eenig nieuws over den oorlog, behalve de leugenberichten van alle couranten. Ik vertelde hem in 't kort de laatste leugens die ik vluchtig had gelezen.

Hij slaakte een moedeloozen zucht en liet zijn armen hangen. --Nog geen hoop dus, dat we naar ons land terug mogen, weeklaagde hij.

Ik kon niet anders dan toegeven, dat daar nog geen de minste hoop op was.

--Wij zien Vlaanderen elken dag, zei hij; wij komen er juist weer vandaan.

Ongeloovig keek ik op, doch herinnerde mij meteen wat de juffrouw uit het grijze huisje mij had meegedeeld.

--Ja, dat heeft uw hospita mij verteld, zei ik. Hij schrikte op.

--O, zijt ge reeds aan huis geweest? vroeg hij.

Ik bekende, dat ik er geweest was en dat de juffrouw mij gezegd had hoe ik hem met zekerheid ontmoeten kon.

--En... heeft ze u ook nog meer verteld? aarzelde hij.

Glimlachend keek ik even naar Fietriene, die dadelijk, met een blos op de wangen, zedig haar oogen neersloeg.

Meneer Cathoen werd geagiteerd. Hij keerde even den rug naar een snerpende windbui en wreef met een zakdoek de koude tranen uit zijn oogen. Toen wendde hij zich weer tot mij en zei:

--We hebben ons daar als man en vrouw moeten aanmelden. Het kon niet anders. Het dorp stroomde de eerste dagen propvol met vluchtelingen. Toen wij daar aankwamen was er in de heele plaats slechts één huis meer beschikbaar, en in dat huis slechts ééne kamer, met één bed.

Ik boog en glimlachte. Absoluut geen bezwaar van mijn kant. Ik vond het best. Maar horizonnen over het verleden leven van meneer Cathoen gingen eensklaps als ondeugende openbaringen voor mij open. Hij scheen mij te raden en zijn op mij gepriemde oogen tintelden, heel even. En plotseling kwam het er uit, ernstig, gewichtig:

--Wij gaan dan ook trouwen. Het is vast besloten, zoodra wij in 't land terug kunnen komen.

Ik nam mijn hoed af voor Fietriene en wenschte hen beiden geluk. Fietriene bloosde heel sterk en sloeg opnieuw, met een vagen glimlach, haar oogen neer. Maar meneer Cathoen werd zenuwachtig-gejaagd.

--Het kon niet anders, herhaalde hij, als om zich te verontschuldigen; het kon niet anders, want te veel menschen uit het dorp, die gelijk met ons vluchtten, hadden ons hier samen gezien en wisten dat wij dezelfde kamer bewoonden. Ik wil later toch weer als een degelijk man voor mijn medeburgers verschijnen.

Nogmaals boog ik, een en al goedkeuring. Maar vele vragen kwamen op mijn lippen die ik nu niet uiten mocht. Het speet mij dat ik niet even met meneer Cathoen alleen was. Hij leek mij in een stemming om iets als een volledige biecht te spreken en 'k voelde mij gekitteld door ondeugende nieuwsgierigheid. Het ging echter nog niet. Meneer Cathoen had blijkbaar naar zijn zin genoeg over het geval meegedeeld en scheen door die bekentenis eenigszins opgemonterd. Hij vroeg mij wanneer ik weer weg moest en toen ik hem het uur zei van mijn trein had hij een uitroep van genoegen en jubelde omdat wij nog uren lang bij elkander mochten blijven. Hij was zoo blij weer eens een bekende te zien, zei hij, en eensklaps vroeg hij mij of ik geen zin had ook nog eens ons dierbaar Vlaanderen te bekijken.

--Ons dierbaar Vlaanderen bekijken! herhaalde ik verbaasd.

Kom mee, riep hij, zich omkeerend; kom mee, gij zult het zien!

Wij liepen terug over den dijk, den weg volgend waar zij vandaan kwamen. De gure wind deed zijlings onze kleeren van ons afwaaien. Fietriene hield worstelend haar hoed met beide handen vast en meneer Cathoen's oogen schreiden van de kou. Maar 't leek of hij ineens weer jeugdige levenskracht in zich gekregen had; hij liep gebogen doch met forschen wil tegen de windbuien in. Wij kwamen aan een smal bruggetje, dat wij overstaken, ons aan de railing vasthoudend. Daar daalden wij den berm af en voelden minder wind. Wij hielden er even stil om op adem te komen. Toen gingen wij dwars over een uitgestrekt weiland en kwamen aan een soort van duin, begroeid met hakhout en met jonge sparren.

Met vlugge, veerkrachtige schreden klom meneer Cathoen de helling op. Fietriene en ik volgden. Hijgend bleef hij bij een zandkuil staan, die tamelijk goed tegen den wind beschut was en zei:

--Laten we hier even gaan zitten.

Wij zaten: meneer Cathoen en Fietriene dicht bij elkaar in 't mulle zand; ik een paar schreden verder, op een kronkeligen, half ontblooten eikenwortel!

--Dáár ligt Vlaanderen, zei, met een trilling in zijn stem, meneer Cathoen, terwijl hij een bevende hand naar het Zuiden uitstrekte.

In 't grijzig-dof verschiet, op enkele kilometers afstand, achter een vlakte van vaalgroene weilanden, vertoonde zich een dichtbegroeide en bebouwde streek. De kale boomen stonden er donker op elkaar gedrongen en tusschen de stammen door zag men hier en daar lichte huisjes, met roode daken en een enkel kerktorentje, dat er eenzaam en leigrijs boven de naakte kruinen uitpuntte. Daar lag het ongelukkig land, als verborgen achter een sluier van sombere triestigheid. Daar voelde men als 't ware het lijdende leven der droevige menschen; en de krassende kraaien, die in de grijze lucht rondzwermden, schenen snerpende noodkreten van gefolterde wezens te slaken, en de wind die klagelijk door de sparrekruinen van den duinheuvel suisde, weerklonk als het gesmoord en aanhoudend gejammer van een gansch volk, dat zich in wanhoop en ellende voelt vergaan.

Meneer Cathoen had met inspanning zijn verrekijker losgehaakt en reikte hem mij over.

--Kijk, zei hij, gij zijt jonger dan ik en uw oogen zijn beter dan de mijne. Ziet ge daar dat grijs, puntig kerktorentje, achter en boven die verre boomen? Ja? Welnu, naast dat kerktorentje, rechts, maar nog veel verder en dieper in, staat er een tweede torentje, een met een ronden koepel. Ziet ge 't, ja? Bij helder weer zie ik het ook soms, maar nu is het te grijs en mistig en mijn oogen zijn niet goed genoeg: nu zou ik het niet kunnen zien. Ziet gij het? Vindt ge 't?

Eenklaps zag ik het: heel, héél verre en nauwelijks zichtbaar in de grijze lucht, als een ietwat doffer-grijze schaduwstolp.

--Ja, meneer Cathoen, ik zie het? riep ik.

--Dat is óns dorp, zei hij, met schor-trillende stem. "Hoe zal het daar nu zijn?" En een snik brak in zijn keel.

Ontroerd liet ik den verrekijker neer en keek hem aan. Groote tranen blonken in zijn oogen en zijn lippen beefden. Hij slaakte een diepen zucht en plotseling begon hij te schreien.

Ontsteld en vol moederlijke zorg neeg Fietriene naar hem toe.

--Nee, Papatje, nee, Papatje, gij moogt u dat verdriet niet blijven aandoen; kom, kom, we gaan weg, suste zij.

Papatje! Wat klonk dat gek en toch ontroerend! Ik had kunnen lachen en toch was ik zelf diep bewogen. Ik wist haast niet hoe ik mij houden moest.

Meneer Cathoen was opgestaan. Vol zorg en toewijding steunde Fietriene hem onder den arm. Hij scheen zich even voor zijn emotie te schamen en poogde te glimlachen.

--Ik hou van mijn land, zei hij eindelijk. Ik wist niet dat ik er zooveel van hield. Ik zou liever dood zijn dan er niet terug te mogen keeren. Ik ben er toch zoo gelukkig geweest!

--Maar gij moogt er terug keeren, meneer Cathoen, niemand zou u dat beletten, poogde ik hem te troosten.

--Als vrij mensch, in een vrij land, zoo wil ik er terugkeeren en anders nooit, nooit, nooit! riep hij, met eensklaps heftig opvlammenden hartstocht. Ik wil geen vijand zien; ik wil van geen vreemden dwingeland hooren dat ik dit mag doen en dát moet laten; ik wil niet in mijn eigen land beleedigd en vernederd en mishandeld worden, verdome! gilde hij plots met fonkelende oogen en ballende vuisten.

Angstig trok Fietriene hem van den heuvel weg. "Nee, nee, Papatje, nee, nee, Papatje, ge moogt u niet zoo opwinden," suste en smeekte zij. "Kom, kom, we gaan terug naar huis, 't is hier niet goed voor u, 't wordt hier te koud."

Hij liet zich meetrekken. Zijn toorn viel ineens en hij zakte in elkaar, als een oud, versleten man. Wij keerden 't droeve Vlaanderen den rug toe en de snerpende, loeiende wind stuwde ons weer naar den dijkweg.

* * * * *

Het schemerde reeds toen wij in het dorp terugkwamen. O, die stilte, die benauwende eenzaamheid van het doodsche, als het ware uitgestorven oord! Wij ontmoetten slechts enkele vage schimmen van menschen, die met gesmoorde stem groetten en den politie-diender, die nog steeds op 't pleintje stond en vriendelijk-beleefd meneer Cathoen bij den naam noemde. Hier en daar, achter de nog niet dichtgeluikte ramen, begon een zwak lichtje te pinken. In Den Arend, waar ik de blauwe beafsteak en de donkere vetballen had gekregen, stond een lamp achter 't buffet, in de sombere diepten der gelagkamer, als een waskaars bij een lijkbaar.

--Ga binnen, zei mijnheer Cathoen, met een sleutel de deur van 't grijze huisje openend.

--Wijs mij de weg, antwoordde ik, hem en Fietriene voor latend.

Wij traden in het smalle, donker gangetje en meneer Cathoen klopte rechts op een deur. Onmiddellijk werd die geopend en de oude vrijster, die mij in den vroegen namiddag had ontvangen, trad te voorschijn.

--Kom binnen, mevrouw en meneeren, kom binnen, noodde zij, nijgend en groetend.

Wij volgden haar en kwamen in een kamertje, waar het bijna reeds gansch donker was. Een zwak, grijsachtig licht schemerde nog van buiten door de horretjes en bij een der ramen zat de zwarte gestalte van een kleine vrouw, die dadelijk voor ons opstond.

--Mijn zuster, stelde de andere haar voor.

Ik kon te nauwernood iets van haar gelaatstrekken onderscheiden. Ik merkte slechts dat zij kleiner en magerder was dan haar zuster. Zij groette in stilte en schoof gebogen en bescheiden langs ons heen de kamer uit.

--'k Zal dadelijk licht aansteken en u alleen laten, zei de eerste, zich om de lamp beijverend.

--Geen haast, juffrouw, geen haast, antwoordden meneer Cathoen en Fietriene eenstemmig.

Het licht ging op; er kwam iets als leven in de doode omgeving. De juffrouw spoedde zich naar de rolgordijnen en liet die neer. De gele vlakken der gordijnen gaven iets van lichtere gezelligheid.

--'k Zal dadelijk voor de koffie en de krentenbroodjes zorgen, zei ze, zich weghaastend.

Meneer Cathoen was aangedaan. "Zulke brave menschen, daar hebt ge geen idee van," zei hij.

Wij hadden overjassen en mantel uitgetrokken en namen plaats om een ronde tafel, die met een roodbruin kleed bedekt was. Ik keek eens even rond. Een donker ramage-behang bekleedde de wanden, waaraan chromo-litografiën hingen. Op den schoorsteenmantel stond een spiegel en een penduletje, rechts en links van de ramen waren twee gemakkelijke stoelen. Dat was alles. Ik keek opnieuw naar de gele rolgordijnen: die gaven er werkelijk nog het meeste leven, de lichte gezelligheid.

--Aardig vindt ge niet? glimlachte meneer Cathoen. Het is _hun_ kamer, maar ze staan ze ons af, zoodra en zoolang als we thuis zijn. Ze doen alles wat ze kunnen om ons hier thuis te doen voelen. En kijk eens om, achter uw rug; dat hebben ze ons vandaag cadeau gedaan. Vindt ge 't niet een delicate attentie?

Ik keerde mij om en bemerkte een lijst onder glas aan den wand. Op een donkeren fluweelgrond was er iets met gekleurd stroo gevlochten en ik las: