Chapter 4
In soortgelijke, en ook andere angsten, leefde Bollekens junior. Die had, sinds de komst der officieren, iets strams gekregen in zijn houding, alsof hij zelf een militair geworden was. Onbewust deed hij hen na, richtte zich stijf op zoodra zij binnen kwamen, klakte zijn hielen bij elkaar, als in een stug verdedigingsgebaar. Wat hij vooral en in de eerste plaats had te verdedigen, dat was de eer en deugd der knappe meid en deze zorg vulde zijn gansche dagen. Bij nachte was hij daar niet bang voor, maar overdag genoot hij weinig rust en durfde bijna niet meer uitgaan, vooral sinds hij eenmaal, thuiskomend, de zoon uit de Rosbach boven, in 't salon, alleen in gesprek met haar vond.
't Was tegen den avond en zij zaten rechts en links van een der ramen, in halve schemering. Het sloeg hem in de beenen toen hij dat zag en even kon hij geen woord uitbrengen. Doch de jonge luitenant stond dadelijk heel correct op en groette en na enkele banale woorden nam hij vormelijk afscheid en verliet de kamer.
--Zat hij daar al lang? vroeg Bollekens junior met streng gezicht, zoodra de militair verdwenen was.
--Zoo, misschien een kwartiertje, antwoordde zij.
Haar wangen waren hooggekleurd en haar oogen tintelden levendig. Bollekens junior vertrouwde 't heelemaal niet.
--Waarover spraakt ge? vorschte hij,
--O, over alles en over niets.
Hij werd nog meer wantrouwend.
--Het schijnt toch wel, zei hij, dat ik het niet mocht hooren, want hij ging dadelijk weg.
Zij zweeg.
--Ik wil het weten! riep hij, eensklaps jaloersch opvliegend, als een verwend kind. Wat zei hij!
Zij aarzelde nog even en toen antwoordde zij:
--Hij gelooft het niet, dat we getrouwd zijn.
Bollekens junior sprong als onder een zweepslag op.
--Wat! kreet hij. Hebt gij hem dat gezegd?
--Ik heb het hem niet moeten zeggen, hij kent mij al van vroeger en heeft door zijn vader over mij gehoord, bekende zij.
--O! die schurk! die spion! riep Bollekens zijn vuisten naar de Rosbach ballend.
Opnieuw zat zij een poos stilzwijgend, als in geheime gepeinzen.
--Waarom doet ge 't ook niet? vroeg zij eindelijk.
--Wat meent ge? zei hij.
--Met me trouwen.
Hij schokte om, vloog, als in plotseling ontstoken woede, naar de deur toe.
--Ik verbied u, hoort ge, ik verbied u nog ooit een woord met dien kerel te spreken! gilde hij, den deurknop in zijn hand houdend.
De deur ging als vanzelf open en zijn vader kwam strompelend en zuchtend binnen.
--Wilt ge nu eens wat weten, jammerde de oude man: ze moeten 't ander paard nu ook hebben.
--Nom de nom de Dieu! brulde Bollekens junior.
De oude man was als geknakt. Hij strompelde naar zijn leunstoel en liet er zich zwaar in neervallen.
--Ik kan dat leven niet langer uithouden, ik kàn niet meer, kreunde hij. En groote, dikke tranen rolden over zijn ingevallen wangen.
* * * * *
Ondertusschen verliepen de dagen. Langzaam en droevig volgden zij elkander op, zonder andere afwisseling dan de stil-smachtende hoop op een verlossing, die steeds nabij scheen en telkens weer verijdeld werd. Soms hoorden de menschen het doffe gebrom van verre kanonnen en zij dachten: "daar naderen onze redders!" Maar na enkele uren zwegen de kanonnen en de redders kwamen niet.
Men raakte er aan gewend. Het was zoo vast en zeker, dat steeds, na elke korte opvlamming van hoop, de bittere teleurstelling zou volgen, dat men maar niet meer hoopte en gelaten de schouders ophaalde wanneer nog iemand een bemoedigende tijding aanbracht. Men leefde machinaal, automatisch, en 't eenige gevoel dat men nog kende was dat eener grenzenlooze, doodende verveling.
Vooral de oude heer was in dien korten tijd bedroevend achteruit gegaan. Hij leek dezelfde mensch niet meer. Hij was opeens als 't ware ingestort, een wrak geworden. Hij had geen wil en geen Verlangen meer, hij zat daar gansche dagen suffig door het raam te staren en wanneer men hem iets vroeg keek hij verwilderd op, alsof er alweer een nieuwe ramp zou gebeuren.
De knappe meid, die hem dikwijls gezelschap hield, poogde te vergeefs hem op te fleuren. Hij werd chagrijnig onder haar voorkomendheid en eens, toen zij hem nog eens van het lekker bier wilde doen proeven, waarop hij vroeger zoo gesteld was, werd hij plotseling woedend en schreeuwde dreigend dat ze daarover zwijgen moest, of dat hij haar op straat zou gooien. En hij slingerde haar een beschuldiging naar het hoofd die haar deed schrikken; hij verweet haar dat ze met den vijand heulde, dat ze relaties had aangeknoopt met dien officier, den zoon van den verrader uit de Rosbach en dat hij 't aan zijn zoon zou zeggen.
En hij zei het werkelijk, op een avond, met eensklaps opvlammenden haat, nadat de beide officieren zich voor de nachtelijke rust hadden teruggetrokken.
De zoon, verwoed, liet dadelijk de knappe meid naar boven komen en schreeuwde haar in tegenwoordigheid van zijn vader, 't beleedigend verwijt in het gezicht. Zij werd heel bleek en stug sloot zij haar lippen op elkaar.
--Het is dus waar! bulderde hij. Gij bedriegt mij met dien schurk, met dien vijand, dien verrader!
--Ik bedrieg u niet, beet ze kort van zich af, maar hij houdt van mij en heeft mij ten huwelijk gevraagd.
--En... en... en ge zult dat doen! stotterde de zoon, dansend van woede.
--Is trouwen dan een oneerlijke daad? antwoordde zij koel.
De oude man begon plotseling in zijn fauteuil hardop te snikken. Dat klonk zoo akelig en zoo griezelig, dat ze beiden ontroerd naar hem toesnelden.
--Waarom schreit ge, papa? vroeg de zoon.
Meneer Bollekens kon geen antwoord geven. Hij bewoog het hoofd alsof hij iets zeggen wou, maar geen duidelijke klank kwam uit zijn droeven mond. Er was tè veel waarover hij schreide, tè veel om het in woorden uit te brengen.
* * * * *
En toch: had meneer Bollekens kunnen vermoeden wat er twee dagen later te gebeuren stond, dan zou hij zeker niet gejammerd en geschreid hebben.
Twee dagen later, omstreeks schemeruur, zat meneer Bollekens eenzaam in zijn bovenkamer, neerslachtig starend door het raam naar de drukte van soldaten om en bij de Rosbach, toen er bescheiden op de binnendeur werd aangeklopt.
Meneer Bollekens antwoordde met het geijkt "entrez" en zijn twee ingekwartierde officieren traden binnen.
Zij zagen er ernstig en zelfs eenigszins gedrukt uit. Zij klakten minder stram als naar gewoonte hun hakken bij elkaar en de oudste van de twee, de Rosbachkerel, zei:
--Herr Bollekens, wij komen afscheid van u nemen. Wij vertrekken morgen ochtend naar het front. Wij zijn hier zeer tevreden geweest en wenschen u, uw zoon en zijn vrouw zeer hartelijk voor de genoten gastvrijheid te danken.
't Was meneer Bollekens te moede alsof hij eensklaps de stralende ochtendzon over een grijs nevelveld zag oprijzen. Hij was op 't punt het uit te gillen van blijdschap, maar wist zich toch nog goed te houden en mompelde zelfs iets van "dat 't hem speet en dat hij hoopte, dat ze behouden in hun land zouden terugkeeren."
Zij grijnsden even en bogen, maar 't was hen duidelijk genoeg aan te zien, dat zij die plotselinge oproeping niet buitengewoon op prijs stelden. De Rosbachkerel bekende 't zelf zonder omwegen:
--Eigenlijk waren we nog wel liever hier gebleven.
Ook dat begreep meneer Bollekens volkomen. Maar eensklaps overweldigde hem een vreeselijke angst:
--Zullen we nu andere inkwartiering krijgen? vroeg hij.
--Neen, dat geloof ik niet, er zullen hier heel weinig troepen achterblijven, antwoordde de Rosbach-man.
Hooger rees de stralende zon van hoop en verlossing in meneer Bollekens' verlicht gemoed.
--Maar ge blijft hier vanavond toch nog eten en slapen, niet waar?
--Neen, ook dàt niet. Zij wilden graag dien laatsten avond in de Rosbach, bij zijn ouders doorbrengen. Neen; 't was uit: zij kwamen definitief afscheid nemen. En zij klakten slapjes de hielen bij elkaar en reikten de hand.
Weer ging de deur open en de zoon met de knappe meid traden binnen. Dadelijk deelde meneer Bollekens hun 't gewichtig nieuws mede.
Stram trok Bollekens junior zijn hielen bij elkaar, als in defensiehouding en zijn strakke oogen peilden het gezicht der knappe meid, dat trouwens geen de minste ontroering verried. Zij hadden juist een geweldige scene gehad. De knappe meid had hem voor een beslissende keuze gesteld: ofwel hij zou haar werkelijk tot wettige vrouw nemen, of zij zou na den oorlog trouwen met den Rosbach-kerel, die een flink en eerlijk man was en zielsveel van haar hield.
--Gij zijt een slet, een vod! had woedend de zoon haar verweten; maar verder had hij toch niet neen gezegd en de knappe meid voelde wel, dat zij hem in haar strikken hield.
Maar 't onverwacht vertrek der mannen gooide eensklaps alles om en hij grijnsde van geheim triomfgenot, terwijl zij stug hare teleurstelling verbeet.
In zijn heropgewekt gemoed wilde vader Bollekens niet, dat ze zoo met leegte handen van elkander zouden scheiden. Hij verzocht zijn gasten nog even te zitten en liet een van de laatste en lekkerste flesschen champagne ophalen, die, na de herhaalde requisities, in zijn kelder overgebleven waren. Er werd geprosit, gedronken en gehakklakt en na herhaalde handdrukken en afscheidskussen op de hand der knappe meid, waren zij eindelijk weg.
Zeven weken hadden zij daar doorgebracht
* * * * *
Den volgenden ochtend, in de vroegte, zagen de heeren Bollekens het leger vertrekken.
Zij woonden 't schouwspel bij van op hun bovenkamer, en hadden van daar uit een prachtig overzicht, terwijl de troepen het nabijgelegen plein verlieten en in gesloten gelederen de hellende straat oprukten.
Eerst kwamen de wielrijders: honderden en honderden, in viervoudige rijen, met de karabijn over den rug. Het had iets van een vroolijke parade, als een feestelijk uitstapje van een reuzenfietsclub. Alleen de geweren deden ietwat grimmig aan.
Toen kwamen de paarden. De straten kletterden en dreunden van het hoevengetrappel. De groote, stoere kerels zaten er op, de lansen gespitst, met wapperende wit-en zwarte-vlaggetjes, als duizenden en duizenden gevangen, maar nog vleugel-klapperende zwaluwen. Zij maakten grooten, barschen, wreeden indruk. Wreed vooral door hun shapska's, waarop een doodskop met gekruiste botten stond geprent. De honderden toeschouwers langs de straten beefden voor die macabere doodsverschijningen. 't Was als een leger van lijken, wraakgierig uit hun graftomben opgestaan. Doch de eerste indruk verzwakte, er waren er tè veel en de overdaad verminderde de griezeligheid.
Toen kwam het voetvolk. Een hoofdman te paard voorop, met grijzen punthelm en met langen, grijzen, over den rug van het paard slependen mantel, en daar achter de mannen, in gesloten formatie, hun duizenden stappen als één enkelen dreunstap tegen de huizen opgalmend, terwijl de duizenden en duizenden punten der helmen door elkander wemelden en wriemelden, als een krioeling van vluchtende ratten over een bruisende en deinende zee. Bij tusschenpoozen roffelden de trommen en piepten klagelijk de pijpers. En dan zongen zij, met zware, logge stemmen, griezelig droef-klinkende liederen. Het kwam van verre aangegolfd als een sombere klacht vol wraaklust en vernieling, het overstemde alle andere geluiden, het bulderde even als een orkaan tegen de hooge huizen op en nam dan langzaam in de verte af om op een ander punt weer somber aan te zwellen, aldoor, aldoor, gelijk een alles-overweldigende oerkracht, waartegen niets kon weerstand bieden.
Toen kwamen de kanonnen...
Roerloos voor hun venster naast elkaar gedrongen, zagen de heeren Bollekens die kolossale macht voorbij trekken. Zij kregen het benauwd van angst en begrepen niet hoe zulk een leger ooit moest overwonnen worden. En toch, naarmate de vloed onder hun oogen verdween en als 't ware in 't onbekende wegsmolt, scheen het hen toe alsof dat ruw geweld toch eigenlijk maar van vergankelijken aard was en ten slotte niets vermocht tegen den vasten, trouwen, eeuwenouden gang van het gewone, dagelijksch leven. Zij hadden zwaar onder de overrompeling gezucht en geleden, zij hadden diep getreurd en lang gewanhoopt, maar duidelijk voelden zij nu met het aftrekkend, vijandelijk leger de hoop en het geloof in betere dagen als een lente in zich opbloeien, en toen de laatste benden heen waren en in de wekenlang gestoorde stad weer rust en stilte was gekomen, toen voelden ze zich ook weer meester in hun eigen huis geworden.
't Was een herleving, een zalige herleving, wellicht onzeker nog, maar toch zoo vol van heerlijke beloften. 't Was als een milde adem van verzoening over alles heen en meneer Bollekens senior verklaarde jubelend dat hij zich ineens genezen voelde en meneer Bollekens junior stramde zijn ledematen en zei dat hij nu vol vertrouwen in de toekomst had.
* * * * *
Dien avond, voor het eerst na zeven lange weken, zaten zij weer vertrouwelijk samen bij hun groote glazen in het kelderkamertje, dat zij zoo gezellig tot een bierkneip hadden ingericht. Het was misschien niet onberispelijk vaderlandslievend, dat zij zoo gauw weer den vijandelijken drank gebruikten, doch wat moesten ze doen, de vijanden hadden wel hun wijnkelder geplunderd, en, wat er ook gebeurde, in de Rosbach, in de spelonk van de spionnen en verraders, zouden zij nooit een voet meer zetten, daar zwoeren zij hun plechtigsten eed op.
En zij dronken gretig en zij rookten uit hun lange pijpen; en de knappe meid, die op verzoek haar dameskleeren en haar trouwring had afgelegd, bediende hen weer in een net schortje als een echte kellnerin, eerst even nog met een gezicht vol nurkschen wrok, maar ook van lieverlede meer meegaande en verzoenender gestemd, tot zij weldra zoo goed als weer de oude was, in 't algemeen heropleven van alles wat zoo vele jaren vast en trouw bestaan had.
Bescheiden werd er op de deur geklopt. De knappe meid ging open doen en het verlept gezicht der oude keukenmeid verscheen in 't deurgat.
--Meneer, zei ze, op een toon die innerlijk jubelde, de vischman is daar, die mij meedeelt dat de eerste bezendingen oesters daar juist aangekomen zijn. Zouden we van avond niet...
De beide heeren Bollekens lieten haar niet uitspreken.
--Oesters! riepen zij. Dadelijk, Marie, dadelijk! Is de man daar nog? Heeft hij ze bij zich?
De oude heer stond op, had geen rust, wilde de oesters zien. Hij volgde Marie naar de deur.
--Papa is heelmaal opgemonterd, zei Bollekens junior tot de knappe meid.
Zij gaf geen antwoord. Zij veegde met een doek het tafeltje schoon en haar mooie wenkbrauwen stonden ietwat gefronst boven haar strak vóór zich uit starende oogen. Hij begreep dat het onweer nog niet heelemaal van de lucht was.
Hij drong niet aan; dat zou vanzelf wel weer in 't reine komen. Als een pacha strekte hij zich in zijn leunstoel uit en haalde dikke, witte kolken uit zijn lange pijp.
Boven in de gang, klonk de zware stem van meneer Bollekens, die gewichtig met den vischman onderhandelde...
* * * * *
II.
HET OORLOGSHUWELIJK VAN MENEER CATHOEN.
Meneer Cathoen was een gelukkig mensch. Ik geloof niet dat iemand in het dorp hem ooit anders beschouwd heeft, dan als een zeer, zéér gelukkig mensch.
Hij leefde, ongehuwd, in een tamelijk groot, burgerlijk-mooi huis, met een dienstknecht en een meid.
Vroeger had hij daar een vrij groote, drukke handelszaak. Hij kocht, en verkocht, zoowat van alles. Hij kocht van de boeren hun graan, hun lijnzaad en hun koolzaad en hij verkocht hen bouwmaterialen en steenkolen, tarwemeel en lijnmeel, raapkoeken, guano, Chilisalpeter en samengestelde chemische meststoffen. Hij had uitgestrekte magazijnen achter zijn huis en een aantal werklieden waren daar altijd bezig; maar langzamerhand, naarmate hij ouder werd, en aangezien hij toch niet getrouwd was en ook niet trouwen zou; en aangezien hij rijk genoeg geworden was om naar zijn zin te leven en zich niets te moeten ontzeggen, ook zonder nog te werken, begon hij van het sjouwen en aan zijn zaken gebonden zijn genoeg te krijgen, en 't een na het ander liet hij weldra de lastigste artikels varen, om er ten slotte slechts een paar van over te houden, juist genoeg om nog een aangename bezigheid te hebben, zonder door tobberijen of gezeur geplaagd te worden.
Meneer Cathoen was een eigenaardig man. Zijn leven lang had hij de boeren, die hem rijk hadden gemaakt, een beetje bedrogen en bestolen. Niet te veel ineens, niet grof-brutaal, met groote slagen; maar aldoor en in alles, bij kleine beetjes, bij kleine greepjes, die op den duur van jaren een aanzienlijk totaal uitmaakten. Nooit had hij een zak guano afgeleverd waar niet een snuifje molm of turf in gemengd was; nooit een baaltje lijnmeel waar niet een paar schopjes minderwaardige meelstof in verzeild waren. Zijn maten en gewichten waren tweeërlei: een ietsje te groot en te zwaar voor wat hij insloeg; een ietsje te klein en te licht voor wat hij uitleverde. In zijn samentellingen slopen soms kleine vergissingen en 't was ook wel een enkele maal gebeurd, dat wegens allerlei rompslomp en drukte een betaalde rekening op de boeken vergeten werd uit te doen.
In al zulke kleine schelmachtige knoeierijtjes schiep meneer Cathoen een buitengewoon groot plezier. Hij had het niet noodig te doen, maar hij kon het niet laten.
Hij kon er in zichzelf om grinniken en lachen en hij had er des te grooter pret in daar niemand er in de verste verte iets van vermoedde en iedereen hem beschouwde als een toonbeeld van onbesproken eerlijkheid en deugd. Alle menschen eerbiedigden, vereerden en bewonderden hem om zijn vaardigheid, zijn slimheid en zijn fijnen handelsgeest.
Dat fijne en slimme en sluwe stond op zijn gezicht te lezen. Zijn oogen keken u tintelend aan en de glimlach, die altijd om zijn lippen speelde, scheen van zooveel te getuigen dat hij wist, maar niet uitsprak. Hij bleef voor iedereen een raadsel en zijn gezicht was een masker waarachter hij zijn echte-wezen hield verborgen. In zijn jeugd moest hij zeker een flinke, knappe kerel zijn geweest. Hij was sterk en forsch gebouwd met breede schouders en er liepen wondere verhalen over zijn vroegere lichamelijke kracht. Hij vertelde trouwens zelf heel graag daarover en het lukte hem ook, door diverse hulpmiddelen, op gevorderden leeftijd, een uiterlijken schijn van buitengewone pootigheid te bewaren. Hij hield zijn hooge gestalte nog heel fiks en recht; zijn wangen, te nauwernood gerimpeld, droegen steeds een frisschen blos, en hij bleef vlug op zijn beenen, zonder een schijn van stramheid. Hij verfde zijn snor en droeg een pruik en zijn dubbele rij valsche tanden getuigden duidelijk genoeg, dat hij aan den feestdisch des levens nog mede wenschte aan te zitten.
* * * * *
Meneer Cathoen was een raadsel... En, zooals hij dat was in zijn uiterlijk voorkomen, met zijn tintelende oogen en zijn geheimzinnigen glimlach, waarachter zich zooveel scheen te verbergen, zoo was hij het ook in zijn intieme levenswijze, waarvan zoo goed als niemand iets af wist. Er bestonden uitwendige verschijnselen, die zich telkens herhaalden en die men dus min of meer kon nagaan en eruit afleiden wat men wilde, maar daar bleef het ook bij. Het eigenlijk intieme leven van meneer Cathoen was een gesloten boek, dat niemand in het dorp doorbladerd had.
Vrienden had hij niet. Er kwamen er althans geene bij hem aan huis. Familieleden had hij wel, doch het waren enkele verre neven en nichtjes, die er slechts af en toe plichtmatig verschenen en er nooit lang vertoefden, wellicht omdat zij daar niet zeer toe aangemoedigd werden. Hij zelf ging weinig uit, meestal slechts eenmaal per week in de stad naar de graanbeurs en verder moest hij wel zijn voornaamste genoegens tehuis vinden, want hij bezocht heel weinig en haast nooit voor zijn plezier de dorpsherbergen en van eens een reisje te maken of eens naar de comedie te gaan of iets dergelijks was zelfs absoluut geen sprake.
Wat hem echter in zijn eenzaam oude-jonkmanshuis zoozeer kon boeien, was alweer een onoplosbaar raadsel.
Hij leefde er, zooals gezegd, met een knecht en een meid. De knecht was meteen een beetje tuinman en de meid was tevens keukenmeid en kamermeid. En nu was het in de huishouding van meneer Cathoen een zeer eigenaardig verschijnsel, dat hij telkens van meiden veranderde, terwijl de knecht er als 't ware vastgegroeid bleef. Een dienstmeid, in het huis van meneer Cathoen, bleef er zelden langer dan een, of hoogstens twee jaren. Dan vertrok ze, geen mensch wist waarom, en er kwam een andere voor in de plaats. Altijd waren het meiden uit verafgelegen, vreemde gemeenten. Nog nooit had hij er eene uit zijn eigen dorp gehad. Nu eens was het een Vlaamsche, dan weer een Walin, nu eens een blonde, dan weer een bruine of een zwarte; nu eens een struische, dan weer een magere; en nu eens eene die men mooi vond en dan weer eene die men leelijk vond; maar één eigenschap hadden zij allen gemeen: dat ze vrij jong waren. Zij bleven een min of meer langen tijd en vertrokken, en nooit hoorde iemand er nog iets van. 't Was net of ze uit den grond ontsproten en er weer in verdwenen. De oude knecht en tuinman, die dat al jaren en jaren bijwoonde, was er onverschillig onder geworden. Hij had een zuur gezicht en liep meestal inwendig te brommen. Hij had een gezicht alsof hij allerlei dingen wist, die hij ten zeerste afkeurde, maar waarover hij zweeg, omdat hij toch niet bij machte was er iets aan te veranderen. Somtijds echter, flikkerde nog even als een schim van hoop in hem op. Wel eens, als een meid waarmee hij kon opschieten, daar wat langer dan de vorige bleef en vasten wortel scheen te krijgen, was het of in hem de dood-gewaande illuzie van een vasten toestand herleefde. Zijn grijze tronie fleurde op, hij praatte en lachte zelfs, hij werd een ander mensch... tot het weer eensklaps uit was en hij opnieuw chagrijnig zijn hoofd liep te schudden en te mopperen over toestanden die hij grijnzend afkeurde, zonder er iets aan te kunnen veranderen. Daar had je alweer het oude spelletje aan den gang, en het werd op den duur zóó opvallend, dat de menschen in het dorp er over praatten en sommigen het zelfs wel eens waagden er bij meneer Cathoen over te zinspelen.
Kostelijk was het dan om meneer Cathoen daarop te hooren antwoorden. Zijn sluwe tintel-oogen glimlachten diep onder de dikke wenkbrauwen en zijn geverfde snor grinnikte als 't ware van leedvermaak boven de schitterende dubbel-rij der valsche tanden. Het leek of hij zich voorbereidde om satirisch een diepzinnige, algemeene menschelijke waarheid te verkondigen en eindelijk kwam het er uit:
--'t Groensel groeit in de natuur en 't is ieder jaar precies hetzelfde. 't Zou ook altijd precies eender smaken, en dus vervelend worden, als het niet op verschillende manieren geprepareerd werd. Daarom hou ik altijd mijnen zelfden hovenier en verander ik nog al eens van keukenmeid. Versta-je 't?
De ondervrager verstond het en glimlachte om 't leuke antwoord, maar meneer Cathoen glimlachte nog oolijker, met iets van innig-gekittelde, ondeugende pret en voegde er aan toe:
--En met de visch en met het vleesch is 't ook precies hetzelfde. 't Is de afwisseling in de sausen die er den smaak moet aan geven, versta-je 't?
De ondervrager wist niet altijd met volle zekerheid of hij 't dan nog wel goed verstond. Wat hem wel eens deed twijfelen was de guitig-uitbundige vroolijkheid waarmee meneer Cathoen er dan verder kon over doorgaan. Meneer Cathoen kon daar soms in zijn eentje staan te bulderen van de pret en dan had de vreemdeling wel eenigszins 't gevoel alsof hij voor den gek gehouden werd. En de slotsom was nog eens dat meneer Cathoen en zijn levenswijs voor alleman een raadsel bleven.
* * * * *