Oorlogsvisioenen

Chapter 3

Chapter 33,740 wordsPublic domain

Hij voelde zich eerst gerustgesteld toen hij weer veilig in zijn prachtig huis zat.

* * * * *

Als die oorlog nu ook maar aan een einde kwam!...

De heeren Bollekens vader en zoon volgden hartstochtelijk het nieuws in de dagbladen en daarin lazen zij van al de groote zegepralen, die de vaderlandsche troepen op de vijanden behaalden. Maar ondanks alle tegenslagen kwam de gehate, overtalrijke vijand steeds nader en nader en de verschrikte heeren Bollekens lazen weldra van afgrijselijke moorden, brandstichtingen, plunderingen, verkrachtingen, welke de woeste horden op hun vernielings-doortocht bedreven.

Overweldigend greep hen dat aan. De groote veldslagen, waar duizenden en duizenden slachtoffers vielen, waren minder afschuwelijk dan die afzonderlijke misdaden. Een leger was een anonieme macht, die gemeenschappelijk vocht en overwon, of gemeenschappelijk overwonnen werd en sneuvelde; maar elke leeggeplunderde en platgebrande boerderij of woning was als een van hun eigen boerderijen of woningen die uitgestolen werd en afbrandde! elke burger die gedood werd een eigen vriend of een familielid die men vermoordde; elke vrouw die werd mishandeld, een eigen welbekende of welbeminde vrouw, die men mishandelde. Het vaderlands-begrip, dat in de eerste opwelling van hartstocht zich wijd en breed over al de kinderen des lands vertakte, kromp voor de heeren Bollekens meer en meer tot een steeds nauwer sluitend kringetje ineen, naarmate het onmiddellijk gevaar voor hen steeds nijpender en dreigend werd. Het Vaderland, dat was per slot van rekening hun eigen huis, hun geld en goed, hun eten en hun drinken, alles wat zij noodig hadden, alles waar zij recht op hadden om gemakkelijk, genoegelijk en welgesteld te kunnen leven.

Alles wat zij niet onmiddellijk en voor dagelijksch gebruik noodig hadden, alles wat kón verborgen worden, werd verborgen. In een somberen hoek van den diepen kelder graaide de zoon eigenhandig een diepen put en daarin verstopten zij heimelijk een massa goud en zilver, vorken, lepels, schalen, allerlei kostbaarheden en juweelen. Geen ander mensch wist daar iets van af; alleen de knappe meid was op de hoogte, maar dat mocht ook wel, die was solidair met hen en behoorde om zoo te zeggen tot de familie.

Een groote zorg en droefheid was voor meneer Bollekens vader zijn rijk-voorziene wijnkelder. Als ze dáár ooit inbraken!... Maar hij wist er geen raad mee, hij kon toch al die duizenden flesschen in den grond niet stoppen en hij vertrouwde maar op goed geluk, evenals hij hoopte dat zijn prachtig buiten niet geplunderd en zijn rijke boerderijen niet uitgebrand of platgeschoten zouden worden.

Meneer Bollekens zoon, van zijn kant, had ook wel zijn afzonderlijke zorgen. Hij dacht voornamelijk aan de knappe meid en hoe hij die met volle rust en zekerheid tegen alle gevaar zou kunnen beschermen. Hij had de zaak reeds grondig bestudeerd en vele plannen vastgesteld, die hij om de beurt, als ongeschikt of ontoereikend, opgegeven had. Eerst dacht hij haar buiten, bij een hunner meest vertrouwde boeren in veiligheid te brengen, als het oogenblik daarvoor zou gekomen zijn. Hij zag er van af. De vijand liep en speurde immers overal, tot in de meest-afgelegen dorpen en gehuchten. En ook, zelfs zonder de vrees voor den vijand, en zelfs bij de degelijkste en meest vertrouwde hunner pachters, voelde hij de knappe meid toch nog niet heelemaal in veiligheid. Toen dacht hij haar ergens in huis te verstoppen waar men haar onmogelijk vinden zou. Ook alweer niet goed. Het huis, hoe groot en ruim ook, had geen geheime plaatsen, waar iemand zoo maar dag aan dag--en voor hoelang misschien,--kon opgeborgen blijven. Het was wanhopend; meneer Bollekens junior scheen maar geen raad te kunnen vinden, toen hij plotseling, als door openbaring, op een idee kwam, die hem den vinger, in een gebaar van wijsheid, op 't voorhoofd deed drukken. Hij had het gevonden!...

Hij had het gevonden, maar deelde 't aan niemand, zelfs en vooral niet aan zijn vader mee. Het middel moest geheim blijven tot het oogenblik daar was dat het gebruikt zou worden; en werd het niet gebruikt zooveel te beter: dan had ook niemand er iets mee te maken.

De beide heeren voelden zich geruster, nadat zij eenmaal, in zooverre mogelijk, al hun voorzorgen genomen hadden. Ten slotte was nog niet zoo erg veel door den oorlog aan hun levenswijs veranderd; zij waren er heel wat beter aan toe dan zooveel anderen, heel wat beter bij voorbeeld dan de dikke notaris en de overige stamgenooten der Rosbach, die nog maar steeds bleven treuren over de vernieling der gemoedelijke herberg, zonder er iets voor in de plaats te vinden.

Want zij, de heeren Bollekens, hadden er wel degelijk iets op gevonden. De lekkere tonnetjes waren heimelijk 's nachts uit de Rosbach weggehaald en nu hadden de heeren Bollekens zich in hun eigen huis en voor zichzelven een soort miniatuur-Rosbachje ingericht, waar zij op hun gewone vaste uren de lekkere biertjes verorberden. Zij zaten er aan een klein tafeltje, net als in de echte kneip, zij hadden er de typische glazen en kruiken, de lange pijpen, tot zelfs de vereischte worsten en de gezouten plakken ramenas; en de knappe meid diende, met een schortje aan en met haar vriendelijksten glimlach, als een ware kellnerin. 't Was in het souterrain, in een verscholen kamertje, waar geen mensch hen kon storen, en zij smulden er letterlijk van hun gezelligheid en hun geluk, zoo dat ze soms heusch niet meer wisten of ze de Rosbach zelf nog wel betreurden en er volstrekt niet zoo heelemaal zeker van waren dat zij, ook als het mogelijk was, er nog heen zouden gaan. Vader Bollekens' gezondheid was ook dadelijk weer uitstekend geworden, hij leed haast niet meer van zijn knobbeljicht en de gezwellen aan zijn vingers waren zoo goed als verdwenen (wat nog wel eens het duidelijkst bewijs was welke ezels toch die dokters waren) en hun eenig bezwaar was eigenlijk dat zij iets laakbaars deden, iets antipatriotisch, iets, dat men hen zou kwalijk nemen als het moest bekend zijn. Soms voelden zij werkelijk wroeging en het gebeurde, wanneer de couranten weer akelige dingen over de wreedheid van den vijand mededeelden, dat zij van het vijandelijk bier, hoe lekker ook, niet meer wilden proeven. Zij schaamden zich, zij werden woedend, zij zwoeren er hun eed op dat zij niet meer wilden. Maar de maag wilde nog, de maag leed, de maag eischte, de maag grolde en roffelde van graagte naar het bier, en zij bezweken...

* * * * *

En zoo kwamen van lieverlede de benauwde uren...

Al lang had het kanon gegromd in de verte, als een verwijderd onweer, maar sinds de laatste dagen was het duidelijker hoorbaar, in bonzen en slagen, die soms de ruiten deden daveren, terwijl gansche, leeggeloopen gewesten in wanorde naar de stad kwamen gevlucht. Aldoor maar naderde de afschuwelijke vijand die, naar het heette, steeds werd overwonnen, en eindelijk, op een ochtend, nadat de laatste vaderlandsche strijders met hun legertros in haast waren teruggetrokken, was hij daar, zoo heel natuurlijk, alsof 't van zelf sprak dat hij daar verwacht werd en zou komen: eerst slechts enkele kerels te paard of per rijwiel, en dadelijk daarop drommen, en drommen, en drommen: een dreunende invasie van grijs-gëuniformde, grijs-gehelmde, griezelig-zingende horden, met paarden, wagens, auto's en kanonnen, die zich als een vloed over de gansche stad verspreidde.

De heeren Bollekens vader en zoon, in hun huis verscholen, hoorden en zagen dat van verre aanbruisen. Daar waren ze nu eindelijk, de alom gevreesde overweldigers, de veroveraars, de wreedaards! Zij hielden reeds de gansche stad onder hun hiel gedrukt en 't eertijds vrije volk was in een slavenras veranderd.

De heeren Bollekens waren diep ontroerd. Zij vergaten voor een oogenblik hun zelfzuchtigen angst en voelden diep mee het onrechtvaardig lijden van hun gansche volk. Zij verwenschten en vervloekten den gehaten vijand en sidderden van machtelooze woede. Zij zagen van verre de verfoeide benden over een breed plein openvloeien; zij hoorden het snerpend-schril gefluit en het gebrul der commando's en plotseling barstte juichende muziek los en klonken wilde hoezee-kreten, terwijl de horden uit elkaar stoven. En op datzelfde oogenblik woonden de heeren Bollekens een schouwspel bij, dat hen van ziedenden toorn de vuisten in elkaar deed krimpen: als onder een rukwind stortte eensklaps het houten beschot vóór de vernielde Rosbach ten gronde en de baas kwam jubelend, met zwaaiende armen, midden op de straat staan, terwijl zijn dikke vrouw, met rood-verhit gelaat, een van de bovenramen openrukte en er een wapperende, vijandelijke vlag uithing!

--O, de schurken, de spionnen, de verraders! Dàt zal niet vergeten worden! gromden de heeren Bollekens, bleek van woede, met gebalde vuisten.

Meneer Bollekens vader was opgestaan en liep gejaagd heen en weer. Hij deelde bevelen uit aan den koetsier en aan de keukenmeid, die met tranen van schrik in de oogen kwamen vragen wat ze nu moesten doen. Meneer Bollekens junior drukte zenuwachtig op het knopje der electrische schel en liet de knappe meid naar boven komen.

Zij stond daar dadelijk, in donkere kleedij, met hooge kraag en slechts enkele bescheiden versierselen, als iemand die een stillen rouw draagt. Aan den middenvinger van haar rechterhand blonk een effen ronde ring: een trouwring. Ietwat verwonderd keek meneer Bollekens senior haar aan.

Ondanks al zijn brutaal aplomb van verwende eenige zoon, kostte 't Bollekens junior toch wat inspanning om aan zijn vader de list te bekennen dien hij verzonnen had, om eventueel de eer en deugd der knappe meid te redden. Er werd verwacht, zooals in andere plaatsen was gebeurd, dat de gegoede burgers van de stad gedwongen inkwartiering van den vijand zouden krijgen. Men wist wat dat beteekende. Die kerels eischten van alles het beste en het duurste; niets werd ontzien en wel het minst de eer der vrouwen. Zulk een knappe meid, dat sprak vanzelf, was een aangewezen slachtoffer. Dat zou de heer Bollekens junior in zijn vader's huis niet dulden. Hij had er lang op gestudeerd hoe hij haar redden kon; hij had eraan gedacht haar hier in huis of buiten bij de boeren te verbergen; doch dat alles zou niets baten en eindelijk, als laatst en eenig reddingsmiddel, had hij besloten haar aan die kerels, als zij kwamen, voor te stellen als zijn wettige vrouw, om haar te doen eerbiedigen.

Meneer Bollekens vader schokte letterlijk van verontwaardigde verbazing op.

--Ja maar, enfin, zijt ge zot geworden, jongen! gilde hij 't uit.

De knappe meid kreeg een vuurkleur en haar mooie oogen fonkelden even toornig, terwijl zij, als in plotsen opstand, een beweging naar de deur maakte.

--Blijf hier! gebood haar, kortaf, Bollekens junior. En, tot zijn vader, met stugge vastberadenheid:

--Papa, 't een of 't ander, zei hij. Ofwel zooals ik zeg; ofwel ik met haar weg!

Meneer Bollekens vader slaakte een wanhoopskreet.

--Maar wat zullen de koetsier en de keukenmeid daarvan zeggen? kreunde hij, reeds wankelend.

--Dat is al allemaal geärrangeerd; alles in orde, verzekerde de zoon.

Machteloos-overwonnen zakte meneer Bollekens in een leunstoel neer.

Hard werd buiten aan de deur gebeld. De beide heeren schrikten hevig op.

--Zouden ze daar al zijn? hijgde vader Bollekens.

De zoon vloog naar het raam en zei dat de straat vol soldaten stond. In en om de Rosbach krioelde 't als in een mierennest.

--Ach God! Ach God! jammerde meneer Bollekens, een bevende hand op zijn bonzend hart drukkend.

De salondeur werd geopend en doodsbleek, met groote, zwarte schrikoogen verscheen de keukenmeid op den drempel.

--Meneer, er zijn er daar al twee en ze zeggen dat ze hier komen inwonen! verklaarde de meid, amechtig-hikkend. Wat moet ik er mee doen, meneer.

Vader Bollekens gaf niet dadelijk antwoord; hij kon niet. Hij zakte in zijn leunstoel achterover, met half open mond en even dichte oogen, alsof hij een beroerte nabij was.

--Wat zijn het? vroeg de zoon, die zich nog betrekkelijk goed hield.

--Wat belieft er u, meneer? vroeg de verwilderde meid, niet begrijpend wat de zoon bedoelde.

--Wel, wat of 't zijn: officieren of simpelen? herhaalde hij ongeduldig.

--Officieren, meneer, officieren, ze hebben gezegd dat z' officieren zijn, antwoordde de ontstelde meid deemoedig.

--Goed; laat ze boven komen, besloot meneer Bollekens junior op een toon alsof hij een heldhaftig besluit nam. De meid verdween.

--Ga daar zitten, in dien fauteuil, recht voor Papa, zei de zoon tot de knappe meid. En hij begeleidde haar tot de aangewezen plaats. Er werd bescheiden op de deur geklopt.

--Entrez! riep de zoon met een plechtige stem. De deur ging open en een grijze gedaante stond fiks, hakken bij elkaar, linkerhand langs den broeknaad, rechterhand aan rechterslaap, groetend op den drempel.

--Entrez, entrez, herhaalde Bollekens junior.

De man kwam binnen en een tweede volgde, met precies hetzelfde manuaal.

--Entrez, entrez, herhaalde nog eens Bollekens junior.

Ook de tweede man kwam binnen en deed de deur achter zich toe.

--Wij zijn hier op bevel van den Kommandant ingekwartierd, begon de eerste, op zeer beleefden toon en in volkomen duidelijk Vlaamsch. Wij hopen u niet te veel last te zullen geven: oorlog is oorlog... En hij glimlachte vriendelijk, met witte tanden onder blonde snor.

--Gaat zitten, heeren, gaat zitten, zei meneer Bollekens vader, die ietwat bijgekomen was en met bevende vingers stoelen aanwees.

De knappe meid, wellicht instinctief aan een dienstplichtige gewoonte gehoorzamend, was reeds opgestaan om de stoelen bij te schuiven, maar de beide officieren, overmatig beleefd, namen haar dadelijk 't werk uit de handen, bogen voor haar, excuseerden zich.

Bollekens junior achtte 't oogenblik gekomen om de voorstellingen te doen.

--Dat is mijn vader, zei hij.

De officieren, nauwelijks gezeten, stonden weer op, klakten de hielen bij elkaar. De oude man, geintimideerd, stak hen bevend zijn knobbeljichtige hand toe. Alles ging uitstekend, heel anders dan iedereen verwacht had.

--En mijn vrouw, zei Bollekens junior, ook minder stijf en stug wordend en zich tot de knappe meid omkeerend.

Weer klakten de hielen en nog dieper bogen de stramme ruggen. "Gnädige Frau,"... zei er een. De knappe meid kreeg een kleur en, evenals meneer Bollekens, stak zij, ietwat aarzelend, haar hand uit.

't Was of ze die gingen opeten. Zij bukten er op neer en kusten die. De knappe meid sidderde er even van en Bollekens junior schokte ervan op doch hield zich goed.

Nu zaten zij even en keken elkander aan. De eerste officier had een levendig gezicht, bruingebrand door zon en buitenlucht, met héél lichte, stoutmoedig en geestdriftig schitterende oogen. Dat was er wel een die desnoods durfde, een die niet gauw voor iets terugdeinsde. De andere had een meer gëeffaceerd uiterlijk, een beetje boersch en gegeneerd.

't Was vreemd, maar het gelaat van den eerste kwam den heeren Bollekens niet onbekend voor. Die blonde snor, die geestdriftige oogen, waar hadden zij die wel meer gezien? En 't eigenaardigste was, dat de man van zijn kant oolijk glimlachte, als waren ook hèm die heeren niet heelemaal vreemd. Meneer Bollekens vader kon zijn onrustige nieuwsgierigheid niet langer bedwingen.

--Het is curieus, meneer, zei hij, maar uw gezicht is mij niets vreemd.

De jonge officier moest even hartelijk lachen.

--Het uwe is mij dat ook niet, meneer Bollekens, antwoordde hij.

Strak en ernstig keek meneer Bollekens hem aan.

--Wat,... zijt gij misschien... begon hij, maar aarzelde.

--Jawel, jawel, lachte de officier gemoedelijk. Daar... en hij wees door het raam.

--In de Rosbach? riep meneer Bollekens gansch ontsteld. Zijt gij...

--Jawel, jawel, lachte opnieuw de militair, ik ben de zoon van den baas uit de Rosbach: wij hebben elkaar dikwijls genoeg gezien.

't Werd plotseling kil om meneer Bollekens' hart. Wat! De zoon van den spion, van den verrader, waarschijnlijk zelf spion en verrader, die had hij in zijn huis! Een heele poos bleef hij roerloos en zwijgend, met op zijn knieën uitgestrekte, sidderende handen. Meneer Bollekens junior stond even op en ging naar de bel, als 't ware om zich een houding te geven, en de knappe meid volgde hem machinaal, stil-vragend wat hij verlangde.

--Die heeren zullen wellicht hun kamers willen zien, zei hij, zich tot de officieren omkeerend.

--Graag, antwoordden zij.

--Zal ik hier eerst een glas port laten brengen of wenschen de heeren liefst later iets te gebruiken?

--We zouden ons liever eerst een beetje opfrisschen, zei de zoon uit de Rosbach.

De knecht kwam binnen en de militairen stonden op. Strak-hakklakkend bogen zij ceremonieus voor de knappe meid en voor de beide gastheeren. Toen volgden zij, met stramme, afgemeten passen, den huisknecht-koetsier naar hun respectieve kamers.

In doodsch stilzwijgen keken de heeren Bollekens en de knappe meid elkander even aan. 't Was of er plotseling een groote ramp over het huis was neergekomen...

* * * * *

Enkele dagen na de bezetting van de stad ontmoette meneer Bollekens vader zijn vroegeren stamgast-vriend den dikken notaris.

--Weet ge dat de Rosbach weer open is? was 't eerste wat de dikkerd zei.

Meneer Bollekens wist het, en nog wel eerder dan zijn biervriend. Doch het scheen niet bij hem den hartstocht op te wekken, dien het blijkbaar op het gemoed van den notaris uitoefende. Meneer Bollekens haalde vrij mistroostig zijn schouders op en zei al niet veel.

--Ik ben d'r toch eens geweest; 'k wilde dat eens zien, vertelde de notaris. Maar het is er niet meer als destijds, bekende hij. 't Zat er nu vol lawaaiende soldaten en ook de baas is er in deemoedige dienstwilligheid niet op vooruitgegaan. Ik heb met haast mijn glas bier uitgedronken, dat toch wel heerlijk smaakte na al die lange dagen van ontbering, en dan ben ik dadelijk weggegaan.

--Ik ben d'r niet geweest en zàl d'r ook niet meer komen, antwoordde meneer Bollekens, met een bij hem gansch ongewoon klinkende vastberadenheid.

De dikkerd keek hem eenigszins verwonderd aan. Meneer Bollekens leek hem een ander mensch geworden: vermagerd, vertriestigd, met een strakke groef van zorg tusschen de gefronste wenkbrauwen.

--Zijt ge ziek? vroeg de dikkerd.

--Ik ben niet ziek, antwoordde meneer Bollekens, maar die oorlog... o, die oorlog... hij demoralizeert,... hij demoralizeert...

* * * * *

Daags vóór de bezetting, toen de vijandelijke troepen elk oogenblik verwacht werden, had iemand hem gezegd: "Ge zult zien, het valt ontzettend mee. 't Zijn andere uniformen in de stad, en verder gaat het leven zijn gewone gangetje." Maar een tweede kennis, die in een der bezette steden had geleefd, waarschuwde meneer Bollekens: "Het is afschuwelijk: men voelt zich als een gevangen vreemdeling in zijn eigen land, in zijn eigen stad, in zijn eigen huis; het werkte zóó demoralizeerend op mij, dat ik er voor gevlucht ben en ook nog verder vluchten zal als ze naar hier komen."

En meneer Bollekens moest bekennen, dat de tweede zegsman, helaas! wel gelijk had.

Persoonlijk had hij over zijn twee ingekwartierde officieren niet te klagen. Zij bleven hoogst beleefd en vormelijk, maar zij waren daar 's morgens, zij waren daar 's middags, zij waren daar 's avonds, want zij behoorden tot de blijvende bezetting en meneer Bollekens was eensklaps uit al zijn oude, dierbare gewoonten gerukt en voelde zich niet meer meester in zijn eigen huis. 't Was ongeloofelijk hoe sterk dat op hem inwerkte. Hij kende absoluut geen rust meer, leefde voortdurend op zijn hoede voor allerlei verwachte en gevreesde, onaangename gebeurtenissen. Het was een drukking van elk oogenblik, iets dat in de lucht hing, dat met die kerels in-en uit-ging, dat met hen meezweefde, dat zich weerspiegelde tot in de meest gewone, alledaagsche voorvallen van 't leven. Het was, zooals zijn vriend gezegd had, een algemeen gevoel van demoralizeering, dat overal zijn droevigen stempel drukte.

Het ergste deed zich dat voelen aan de maaltijden. Meneer Bollekens had geen trek meer, omdat die twee daar mee aanzaten. Doch niet alleen de vijand, ook de aanwezigheid der knappe meid was iets waaraan hij, met den besten wil, niet wennen kon. En hij moest zwijgen, en glimlachen, en beleefd zijn, en dat alles maar aanvaarden, alsof het heel natuurlijk was. Soms had hij hardop van ellende kunnen schreien.

Toen kwamen de vexaties: eerst de kleine, weldra de groote. Op een ochtend kwamen zijn ingekwartierde gasten binnen, door twee anderen vergezeld. Allen even vormelijk-beleefd, allen even stram-salueerend en hakklakkend, maar met een opdracht, een bevel tot requisitie. Meneer Bollekens had twee paarden en een daarvan werd opgeëischt. Meneer Bollekens mocht kiezen 't welk van de twee hij wenschte te houden en voor het andere kreeg hij een bon, betaalbaar na den oorlog.

Nauwelijks was dat gebeurd, of twee andere kerels kwamen meneer Bollekens verzoeken, of hij zeer nauwkeurig wilde opgeven hoeveel flesschen wijn van diverse soorten hij in zijn kelder had.

Meneer Bollekens schrikte geweldig. Wat! Zijn wijnkelder, zijn heiligdom, gingen ze ook daaraan tornen! En meteen dacht hij vol angst aan al het zilver en de kostbaarheden, welke zijn zoon in dien zelfden kelder onder den grond bedolven had. Even poogde hij tegen te stribbelen, maar de ongewenschte bezoekers stramden zich en hakklakten, verzekerend dat het hun heel erg speet, maar dat het een algemeen bevel was, waaraan voldaan moest worden. Bevend en knieknikkend daalde meneer Bollekens met hen in den kelder. Zorgvuldig werden al de flesschen geteld en op een boekje aangeteekend en vóór de dag ten einde was stond daar een militaire wagen bij het huis en een zeer groot aantal flesschen werden opgeladen, waarvoor meneer Bollekens, evenals voor het paard, nog eens een bonnetje kreeg, betaalbaar na den oorlog.

Toen, op een ochtend, kwamen drie van zijn pachters en de tuinbaas van zijn buiten hem bezoeken. De boeren hadden geconsterneerde gezichten en de tuinman begon plotseling te snikken, toen hij meneer Bollekens zag.

--Wat is er gebeurd! riep meneer Bollekens hevig geschrokken.

Zij vertelden het hem. Soldaten waren op de boerderijen aangekomen en hadden daar, op gezagvoerenden toon, van alles opgeëischt: drie runderen, tien varkens, ontelbare kippen en eieren en vele duizenden kilos aardappelen, tarwe en haver. In betaling hadden zij bonnetjes afgeleverd, welke de boeren, met bevende vingers, hun meester lieten zien. Maar op het kasteel was het erger geweest: daar waren zij, bewerend dat het buiten onbewoond was en dus aan niemand toebehoorde, met geweld binnen gebroken, vertelde de schreiende tuinman, en hadden er al den wijn en ook al de kleeren van meneer en van zijn zoon gestolen. En toen de tuinman hen dat wou beletten, hadden zij gedreigd hem neer te schieten.

Meneer Bollekens gilde 't van verontwaardiging uit! Wat! De schurken! En, daar zijn twee ingekwartierden juist binnenkwamen, liet hij, sidderend van woede, de scherpste verwijten hooren.

Die konden het niet helpen, zeiden zij. De zoon uit de Rosbach beloofde echter er zijn kommandant over te spreken, maar... 't is oorlog, voegde hij er glimlachend bij, als om er meneer Bollekens op voor te bereiden, dat het wel niet veel baten zou.

* * * * *