Oorlogsvisioenen

Chapter 2

Chapter 23,900 wordsPublic domain

--Naar huis, naar huis, zoo gauw mogelijk naar huis! vermaande meneer Bollekens zijn koetsier, alsof hij daardoor een ramp voorkomen kon. En de paarden renden in gestrekten draf tusschen de steeds dichter op elkaar gepakte, opgezweepte menigte, die als 't ware uit den grond scheen te rijzen, die straten en pleinen vulde en in gonzende drommen naar het centrum van de stad toestroomde.

Toen het rijtuig vlak bij huis kwam, in de straat waar zich de Rosbach bevond, was er echter geen doorkomen meer aan. De heeren Bollekens begrepen eerst niet wat er gebeurde; zij merkten slechts een kolossaal gedrang en hoorden enkel 't oproerig gejouw en geloei van de menigte; maar eensklaps zagen zij den witten gasbol boven den ingang van de Rosbach aan stukken vliegen, en meteen stormde een bende op de herberg af en brak er als een orkaan naar binnen.

Dadelijk stapten de heeren Bollekens haastig uit hun landauwer en gaven den koetsier bevel langs een omweg naar huis te rijden. Het was maar beter op zulke momenten niet in een rijtuig gezien te worden. Angstig door 't gedrang langsheen de huizen schuivend, geraakten zij eenige meters vooruit. Toen stonden ze weer, als vóór een levenden, dreunenden, deinenden muur. 't Geschreeuw klonk overweldigend. 't Was één aanhoudend gebrul en gejouw, terwijl steeds nieuwe benden opdrongen en de spiegelramen aan stukken rinkelden. De politie kwam aangerukt, doch machteloos flikkerden de gezwaaide sabels boven de woelende schouders en koppen. De heeren Bollekens zagen vechtende mannen neerstorten en weggesleept worden; en daarbinnen, in de Rosbach, was het als een pandemonium: stoelen, tafels, spiegels, glazen vlogen verbrijzeld in de menigte naar buiten; het bier en de likeuren stroomden over de treden in de straat; en heel het terrastuintje met bloemen, sierplanten en tafeltjes was omgekeerd en als onder een storm weggezweept. De heeren Bollekens zagen van op de straat ruwe kerels drank naar binnen hijschen, anderen vochten onder elkaar om het bemachtigen van eetwaren; en plotseling werd een volle ham naar buiten gegooid, waarop het gepeupel in wilde krioeling neerplofte en voor welks bezit het griezelig worstelde, als een bende wolven. Wat er van den baas geworden was, wist niemand. Alleen het rond gezicht der dikke vrouw verscheen een oogenblik met van schrik uitpuilende oogen aan een der bovenramen, maar zulk een woest gebrul steeg op, dat zij onmiddellijk onder angstgegil weer verdween en het raam dichtsloeg.

Toen kwam er eindelijk hulp opdagen: een escadron gendarmen te paard, in vollen draf, met getrokken sabel, de groote berenmutsen, als van woede overeind gerezen haren op hun dreigende koppen. In een oogwenk was de gansche straat schoongeveegd. Een paar roovers, die den tijd niet hadden weg te komen, werden nog gesnapt en dadelijk was de verwoeste Rosbach door een sterke politiemacht afgezet. Meneer Bollekens en zijn zoon, in het portaal van een winkeltje gedrongen, waren slechts, op gevaar van hun leven af, aan het geweld van de charge ontsnapt.

Meneer Bollekens begreep er niets van, van alles wat daar zoo plotseling gebeurd was. Hij stond te sidderen en te trillen op zijn beenen en hoorde, als in een nachtmerrie, de menschen uit het winkeltje vertellen, dat die baas uit de Rosbach een Duitsche spion was, dat men compromittante brieven in zijn huis gevonden had, dat men in zijn kelder Duitsche wapens en uniformen had ontdekt, en dat hij gëarresteerd was, en dat zijn vrouw ook gëarresteerd was, en dat ze beiden, den volgenden ochtend, in het stadspark gefusilleerd zouden worden.

Meneer Bollekens senior raasde en zuchtte. Wat leek de gansche wereld plotseling omgekeerd, in een tijdverloop van slechts enkele uren! Zijn vaderland in oorlog, die man uit de Rosbach, jarenlang een trouwe vriend, nu eensklaps een spion en een verrader; en de Rosbach, de dierbare Rosbach zelf, zijn toevluchtsoord, zijn levensvreugd, zijn echte tehuis, in puin en gruis geslagen, vernield, vernietigd! Was er nog wel iets in de wereld vast en veilig, en zou het opgezweepte gepeupel straks ook niet zijn eigen schoone woning stuk gaan slaan, alleen maar omdat hij een trouwe stamgast van de Rosbach was, omdat hij jarenlang op vertrouwelijker en vriendschappelijker voet met den baas uit de Rosbach had omgegaan?

Hij wilde naar huis, hij wilde dadelijk naar huis, en ook zijn zoon, in zenuwachtige overspanning, wilde weg, vol angst en vrees hoe het wel met de knappe meid in dien stampvollen trein met opgewonden soldaten afgeloopen was. Zij staken eerst voorzichtig 't hoofd naar buiten en schoven dan langs de muren weg en 't was hun een verademing toen zij het mooie gebouw nog overeind zagen staan. Meneer Bollekens zoon holde naar binnen, hoorde dat de knappe meid behouden aangekomen was, rende de trappen op, had dadelijk met haar een dringend, vorschend onderhoud. Alles was goed, Goddank; en na al die schrikkelijke emoties ging het leven toch maar weer zijn gewonen gang. De keukenmeid liet zeggen dat het souper al 'n heele poos klaar was en of de heeren asjeblief aan tafel wilden gaan.

Zeker wilden zij! Zij hadden honger gekregen door al die schokkende gebeurtenissen. Veilig geborgen in hun prachtig huis dat sterk was als een forteres, rijk en gezellig neergezeten bij een weelderigen disch welken de knappe meid zorgzaam en fijn bediende, voelden zij reeds minder de knellende dreiging der toekomst. Maar de emotie bleef, heel sterk en diep; en terwijl hij met bevende hand het eerste hapje naar zijn mond bracht, werd meneer Bollekens er weer door overweldigd en moest hij vork en mes neerleggen. Het ging niet, hij kón niet eten ofschoon hij rammelde van den honger. En eensklaps werd hij week-weemoedig en barstte in snikken uit, terwijl groote tranen over zijn dikke, roode wangen rolden.

Het was een heele opschudding! De zoon dacht dat zijn vader een beroerte kreeg en snelde hem ter hulp en de knappe meid stond even als versteend van ontsteltenis, met vurige wangen en verschrikte oogen tegen het buffet gedrongen. Meneer Bollekens bedaarde, doch bleef zijn eten weigeren. Neen, het ging niet, hij kón niet. Zoo iets was in geen jaren gebeurd. De zoon stond er radeloos van en de knappe meid liep eensklaps, als onder den drang eener spontane ingeving, met vlugge schreden naar de keuken toe.

De keukenmeid, amechtig hijgend, verscheen op den drempel der eetkamer.

--Maar meneer toch! Maar meneer toch! riep zij, gansch ontdaan de handen in elkaar slaande. En zij begon een heele reeks fijne schoteltjes op te noemen, die meneer misschien wèl zoude lusten.

--Neen, Marie; neen, Marie; ik kàn niet, ik kàn niet, herhaalde meneer Bollekens bevend en moedeloos.

De meid verdween, als door een onverdiende ramp getroffen, en meneer Bollekens stond zwaar-zuchtend van tafel op.

--'K ga naar mijn bed, kreunde hij.

Een stilte van consternatie begeleidde zijn pijnlijken aftocht. Meneer Bollekens zoon steunde zijn vader onder den arm en de knappe meid volgde, schoorvoetend, even haltend op elke trede, als een oplettende en zorgvolle verpleegster.

* * * * *

De dagen die volgden waren dagen van rustelooze agitatie. Al de dienstplichtige mannen hadden hun oproepingsbevel ontvangen en van den ochtend tot den avond en soms gansche nachten dreunde de groote stad onder het onophoudend aankomen en doortrekken van infanteristen, cavaleristen, artilleristen; van paarden, wagens en kanonnen, van honderden en honderden automobielen, van alles wat de mobilisatie van een gansche veld-en-vestings-leger noodig heeft of met zich mede sleept.

Wat al onverwachte en aangrijpende tafereelen woonden de heeren Bollekens nu voortdurend bij! In hun zelfzuchtig bestaan van rijke renteniers was de wereld tot nog toe voor hen tot het beperkt en bekrompen kringetje hunner vaste, steeds herhaalde genoegens en gewoonten afgebakend geweest; en nu woei daar eensklaps als een felle, forsche adem overheen, die aan alles een nieuwe beteekenis en waarde gaf. Zij voelden dat hun rijke-menschen-leven niets meer was, dat gansch andere, nieuwe krachten hun omgeving beheerden en beheerschten. Zij werden voor het eerst gewaar wat de vaderlandsliefde was, dat ongekend gevoel 't welk tot dus verre voor hen slechts de beteekenis eener van buiten geleerde schoolles had, en dat nu plotseling bestónd, hoog en groot, in forsche schoonheid, diep-ontroerend en tastbaar alles-overweldigend, sinds een gewetenlooze vijand met ruw geweld den dierbaren geboortegrond had durven schenden. Meneer Bollekens en zijn zoon, door nationale liefde bezield, stonden met duizenden anderen uren lang op straat de vertrekkende soldaten toe te juichen, terwijl de tranen in hun oogen kwamen en hun hart van krijgshaftigen trots en glorie bonsde en gloeide.

Dat duurde zoo ettelijke dagen. Toen waren al de troepen weg en 't gewone leven kreeg opnieuw zijn vroegere beteekenis. Wel hielden de oorlogsberichten der couranten er aanhoudende spanning in, doch dat gebeurde nu op verren afstand en van den eigenlijken oorlog was, in de stad die meneer Bollekens bewoonde, voorloopig niets meer te bemerken.

* * * * *

Wat was er dan ook wel veranderd? Feitelijk niets. Meneer Bollekens vader was van zijn eerste emotie heel en al bekomen; meneer Bollekens zoon had zich kunnen overtuigen dat der knappe meid geen ongeval was overkomen; de keukenmeid, een enkel oogenblik van streek toen haar meester zijn avondmaal weigerde, was weer geheel de oude en kookte lekkerder dan ooit te voren; alles, álles in hun leven was 't zelfde gebleven en zij gingen zelfs weer geregeld met het rijtuig naar de mooie buitenplaats; niets was veranderd behalve de Rosbach, de vroeger zoo gezellige, nu kort en klein geslagen Rosbach, die met haar dicht-gespijkerde deur en ramen een droevig toonbeeld van vernieling en verlatenheid geworden was.

Bollekens vader en zoon, evenals de dikke notaris, evenals al de andere trouwe stamgasten, waren nu verwoed op de Rosbach, hadden geen woorden van verachting en van haat genoeg om er de Rosbach mee te brandmerken. Die schandelijke spionnen, die gemeene bandieten, wat hadden zij hun trouwe, vaste klanten, die jarenlang hun beste vrienden waren, bedrogen en verraden! Allerlei tegenstrijdige geruchten waren in omloop: de baas en zijn vrouw waren werkelijk gëarresteerd en beiden op een vroegen ochtend in het park gefusilleerd; de baas was gëarresteerd en gefusilleerd, maar zijn vrouw was in vrijheid gelaten; de baas was gevlucht en zijn vrouw was alleen in de kroeg overgebleven waar ze zich verscholen hield. Dat alles werd verteld en niemand wist er 't ware van. De gansche voorgevel van de Rosbach was met een planken beschot afgeslagen en een politiediender hield er streng de wacht voor. Meneer Bollekens vader had hem reeds een paar keer ondervraagd, maar de stugge man liet absoluut niets los. Hij wist in 't geheel niets mee te deelen; zijn opdracht was de Rosbach te bewaken; dat deed hij en verder ging het hem niet aan en als die heeren er meer van wenschten te vernemen, dan moesten ze zich maar tot de stedelijke overheid wenden.

Tot de stedelijke overheid! De heeren Bollekens vader en zijn zoon, en ook de dikke notaris en de verdere stamgasten hadden al heel weinig relaties met de stedelijke overheid. De dikke notaris had eens van verre gepoogd een der wethouders te polsen, maar was barsch en leelijk afgescheept geworden. En toch: zij hadden 't zoo graag willen weten, want er was iets, iets dat ze werkelijk met geen woorden konden uitdrukken en dat hen toch zoo hevig en zoo kwellend plaagde. Die heeren durfden het onderling aan elkaar niet en aan zichzelven nauwelijks bekennen: zij misten de Rosbach. Zij hadden behoefte aan de Rosbach; zij werden ziek en bedroefd omdat ze 't heerlijk bier van de Rosbach niet meer mochten drinken!

Het was geen kortswijl, geen eigenzinnige gril; maar werkelijk een tyranisch-dwingende behoefte. In al die lange jaren van dagelijksch trouw daar komen was het een manie geworden, iets dat zij hebben móésten om voldaan te kunnen leven. Er waren andere koffiehuizen genoeg in de stad en om beurten hadden zij er reeds velen "geprobeerd" doch niets voldeed, overal grijnsde dadelijk de Teleurstelling tegen. Er was maar één Rosbach, maar één enkel kroegje waar ze 't dol gezellig hadden, maar één enkel soort bier waarnaar zij verlangden en snakten en waar hun maag naar grolde van graagte: het heerlijke bier van de Rosbach!

Vooral meneer Bollekens vader voelde zich weldra zeer ongelukkig en ontredderd. Vele van die andere heeren hadden nog hun bezigheden waar te nemen; maar hij had niets, wist in 't geheel niets aan te vangen met de lange uren die hij anders aan het pleisteren in de Rosbach besteedde. Het ging niet alleen op zijn moreel, maar ook op zijn physiek gestel noodlottig inwerken; en nu kreeg hij eens aan eigen proefneming de glasheldere ervaring welke ezels toch de doctoren waren. Zij hadden hem zóó dikwijls verboden het bier van de Rosbach te drinken omdat het fataal was voor zijn knobbeljicht; welnu: sinds meer dan een week dat hij geen druppel meer geproefd had, leed hij folterpijnen en stonden zijn vingers en zijn teenen kromgetrokken van de kalkaanzetting. Was dit geen duidelijk bewijs, dat het bier van de Rosbach hem niet alleen geen kwaad deed, maar dat hij het bepaald noodig had voor zijn gezondheid?

Hij begon daarover zwaar te tobben. Was er nog maar een ander Duitsch bierhuis geweest in de stad, waarvan de baas zich niet als spion en landsverrader had gedragen! Maar overal was het 't zelfde geweest en overal werd de boel ook stuk geslagen. Iedere kneip was als een spionnen-nest vernietigd. Meneer Bollekens voelde zich het slachtoffer van een toestand waarin hij niets geen persoonlijke schuld had. Zijn gezondheid moest lijden, zijn leven moest wellicht ten onder gaan door de misdaad welke anderen bedreven hadden!

Hàdden zij werkelijk die schandelijke daad bedreven? Somtijds, in sombere wanhoopsuren, ging meneer Bollekens daar wel aan twijfelen. Was het wel voldoende bewezen, bewèzen, dat de baas uit de Rosbach verraad had gepleegd? Was men niet veel te gauw, met ruw geweld, tegen hem te keer gegaan, alleen omdat hij Duitscher was? En wat was er nu eindelijk van aan, van al die tegenstrijdige verhalen: dat hij en zijn vrouw gefusilleerd waren; dat ze niet gefusilleerd maar wel gevlucht waren; dat ze niet gevlucht, maar zich nog steeds, als nagejaagde wilde beesten ergens in een hoek van de Rosbach verscholen hielden?

Het onopgehelderd raadsel kwelde en pijnigde meneer Bollekens aanhoudend; en dikwijls, in zijn droeve, doellooze uren, ging hij voorbij de Rosbach slenteren en keek hij verlangend naar die doode, strakke muren op, alsof ze voor hem het geheim zouden oplossen.

De waakzaamheid der politie was er na de eerste opgewonden dagen zeer verslapt en al kuierde nog wel om en bij de planken-afsluiting een min of meer wachthoudende politiediender, toch was er blijkbaar geen zóó onverbiddelijk streng verbod meer, dat men niet een oog daarin zou kunnen wagen. Meneer Bollekens had het dan ook reeds meer dan eens gewaagd en een aangrijpend idee gekregen der desolatie van wat eenmaal het toppunt der gezelligheid was. Was het niet wanhoopschreiend al die stukgeslagen stoelen, tafels, spiegels en dat alom gemorste, heerlijk bier, waarvan de halfgedroogde, vieze plassen nog den vloer bezoedelden? Het stemde meneer Bolleken te droevig en hij verwijderde zich spoedig uit dat oord van dood en ramp. Doch eens, bij scheieravond, terwijl hij daar alweer in wanhoop stond te kijken, schrikte hij geweldig. Hij meende, neen, hij was ervan verzekerd, eensklaps in dat oord van vernieling en verlatenheid een vage stommeling te hooren, boven de gehavende gelagkamer. Het ontstelde hem zoo hevig, dat hij in allerhaast wegvluchtte en aan den overkant der straat bevend tegen een huis ging staan. En wat zag hij van daar uit, als in een droom, als in een nachtmerrie? Achter een raam op de eerste verdieping der Rosbach, het angstgezicht van een vrouw,--de dikke vrouw van den baas--die duidelijk naar hem keek en naar hem wenkte, alsof zij hem wou binnenroepen!

Het scheelde weinig of meneer Bollekens slaakte hardop een kreet in de straat. De verschijning was zóó onverwacht en zóó ontzettend, dat hij haast zijn oogen niet gelooven kon. Hij meende een uit haar graf verrezene te zien. Maar het gezicht stond daar in volle werkelijkheid achter het raam, en nog eens wenkte het, heel duidelijk, meteen in 't sombere van het vertrek terugdringend, als om hem met zich mee te trekken. En meneer Bollekens, als onder hypnotische macht, gehoorzaamde machinaal, stak de straat, die op dat oogenblik verlaten was, dwars over en kwam bij het planken beschot. Daar was een wrakkig deurtje in de ruwhouten omheining, met een enkel duwtje week het en meneer Bollekens, met inspanning over het puin heenschrijdend, stond in de verwoeste gelagkamer der Rosbach. De trapdeur was in den achtergrond open en te halver hoogte langs de treden hield zich de dikke vrouw, op meneer Bollekens wachtend. Haar handen wrongen zich in elkaar toen zij hem zag, haar mondhoeken trokken gepijnigd naar omlaag en tranen sprongen uit haar oogen, terwijl zij zuchtend snikte:

--Aber bitte, kommen Sie herauf, Herr Bollekens.

Meneer Bollekens voelde zich diep aangedaan. Het streed in hem, geweldig, tusschen vaderlandschen haat en menschelijk medelijden. Hij had terug willen gaan, hij voelde 't als zijn plicht terug te gaan, en toch trok een onoverkomelijke macht hem mede, de trap op, achter de dikke vrouw. Hijgend kwamen zij op een portaal, volgden een smalle, sombere gang, hielden stil vóór een deur, die de vrouw open duwde.

Meneer Bollekens trad binnen. Was hij verbaasd en ontsteld geweest door het verschijnen van de dikke vrouw achter het bovenraam, wat hij nu zag joeg hem als een gruwelschrik om 't hart.

Hij stond in een klein, armoedig kamertje, een soort van keukentje met een kachel, een tafel en enkele stoelen, dat door één enkel raam verlicht was en een vergezicht opende over een gedeelte van de stad met schoorsteenen en daken en over eene wijde hemelsuitgestrektheid, waarin de glanzend-roode zon door grijze wolkenforten naar het prachtig Westen daalde. Het kontrast was aangrijpend tusschen de rijke glorie daarbuiten en de schamele bekrompenheid daarbinnen; maar het werd tragisch toen een man, dien meneer Bollekens in de schemering niet gezien had, van naast het tafeltje opstond en zijn donker silhouet tegen het nog helder raam afteekende. Meneer Bollekens herkende hem niet dadelijk. Hij moest eerst den klank zijner stem hooren, maar toen schrikte hij zóó geweldig, dat hij met een doffen gil naar de deur terugdeinsde.

Het was de baas uit de Rosbach! Meneer Bollekens, die hem gevangen genomen en gefusilleerd waande, slaakte een kreet:

--Waar komt ge vandaan! Ik dacht dat ge doodgeschoten waart!

--Ze hebben mij gevangen genomen en mij willen fusilleeren, maar toen zij ondervonden dat ik onschuldig was, hebben ze mij weer losgelaten, antwoordde de man met holle stem.

Meneer Bollekens sloeg van ontzetting de handen in elkaar en verademde.

--Goddank! Goddank! Goddank! herhaalde hij voortdurend.

De dikke, steeds schreiende vrouw bood een stoel aan en meneer Bollekens ging zitten. De baas uit de Rosbach nam plaats tegenover hem en begon langzaam, met droeve stem, te vertellen.

Zij waren onschuldig, geheel en al onschuldig van de misdaad, die men hun te laste legde; maar zij waren Duitschers, helaas! en daardoor verdacht en slachtoffers geworden van de opgezweepte menigte. Toen alles bij hen stukgeslagen was had men hen aangehouden en huiszoeking gedaan en natuurlijk niets gevonden, want er was niets te vinden. Men had hen weer in vrijheid gesteld, maar wat hadden zij aan die vrijheid? Met het opgewonden volk viel niet te redeneeren: zij bleven voor alleman de bedriegers en verraders en konden zich, op gevaar van hun leven af, nergens meer vertoonen. Sinds tien dagen zaten zij hier opgesloten, levend van wat zij nog in huis gevonden hadden en vooral van 't bier dat gelukkig nog in den kelder was; maar sinds den vorigen dag waren de levensmiddelen op en nu zouden zij van honger zitten sterven, als niemand hulp kwam verleenen. Sinds dagen had de vrouw meneer Bollekens om het huis heen zien draaien en getracht hem teekens te doen, maar hij had er nooit iets van gemerkt, tot hij het nu, gelukkig, toen de nood ten top gestegen was, eindelijk gezien had. En nu smeekten zij, nu smeekten zij beiden meneer Bollekens op hun knieën, dat hij hen toch zou willen helpen, hun eenige levensmiddelen zou bezorgen, om hen van den hongerdood te redden.

Star en als versteend zat meneer Bollekens te luisteren. Het woelde diep in hem van tegenstrijdige gevoelens, van schrik en medelijden, van vaag wantrouwen ook nog, maar een heele poos zei hij geen enkel woord. De baas zat weerom tragisch-roerloos nu, met zijn donker gezicht tegen het heldere raam, en de vrouw, die even in de hoop op redding tot bedaren was gekomen, begon opnieuw te zuchten en te schreien, denkend dat meneer Bollekens' lang stilzwijgen een afwijzend antwoord beteekende.

--Ach bitte, bitte nur, lieber Herr Bollekens, snikte zij met wringende handen... Maar eensklaps maakte meneer Bollekens een breed gebaar en, met een stem die trilde van vrees en verlangen:

--En... is ook al het bier nu op? vroeg hij.

De stille, droeve man scheen even op te leven.

--Bier hebben we nog genoeg, meneer, maar van bier alleen kan 'n mensch toch niet leven, antwoordde hij gedrukt.

Meneer Bollekens was opgestaan. Hij keek omzichtig rond zich heen, als vreesde hij onbescheiden getuigen. Toen boog hij over 't tafeltje en zei halfluid:

--Verkoop mij enkele vaatjes bier, ik zal er u eetwaren voor in de plaats geven.

Zij sprongen bijna op van blijdschap.

--Ach lieber Herr, lieber Herr! weemoedigde de dikke vrouw. En zij knelde meneer Bollekens' knobbeljichtige handen in de hare, als van een redder.

--Maar zwijgen, hoor, zwijgen! deed hij hen plechtig beloven.

Zij knikten met het hoofd, keurden goed, beloofden alles wat hij maar wilde.

In korte woorden werd besloten dat de kleine biertonnen 's avonds laat, door meneer Bolleken's koetsier en een helper weggehaald zouden worden; en op dezelfde wijze zouden ook de baas en zijn vrouw van levensproviand worden voorzien.

Meneer Bollekens stond klaar om te vertrekken en toch ging hij nog niet. Het was alsof hem nog iets ontbrak, dat hem moest aangeboden worden. Doch zij dachten er blijkbaar niet aan en eindelijk vroeg hij het zelf:

--Kunt ge mij nu maar niet dadelijk een glas geven? 'k Heb toch zoo'n dorst!

Een soort van glimlach zweefde even op de lippen van den baas, terwijl de vrouw zich, met excuses dat ze 't niet had aangeboden, naar den kelder spoedde. Ja ja, dat lekker bier, eenmaal als men er aan was gewend geraakt!...

Hijgend kwam de dikke vrouw terug, met een groote kruik en twee glazen. Meneer Bollekens' oogen glommen waterig, alsof er tranen van ontroering in beefden. Met trillende vingers nam hij 't volle glas, wenkte even prosit naar den baas en dronk, met volle teugen, als een verdorstigde. 't Was leeg ineens, hij zoog met opgekrulde tong het bruinachtig schuim van zijn dikke snor, en liet zich nog eens inschenken, en dronk ook weer tot den bodem, alsof hij niet te verzadigen was.

Toen wou hij weg. De steeds diep-gealarmeerde vrouw poogde hem nog even aan de praat te houden over dien ellendigen, ongelukkigen oorlog, die hen allen zou ruïneeren; doch meneer Bollekens werd gejaagd en zenuwachtig; hij was misschien wel zeer onvoorzichtig geweest daar te komen; niemand mocht het weten, men zou het hem geweldig kwalijk nemen, hij kon zelf als landsverrader aangehouden worden, 't moest alles héél geheim gebeuren; en hij dwong de dikke vrouw met hem mee beneden te komen en om den hoek van het houten beschot te gaan loeren, of soms niet de politiediender of wie ook in de straat te zien was.