Chapter 12
Zoo lag zij eens, een nacht, na zwaar en kwellend droomen, half-slapend, half-wakker, in haar bed. 't Was zóó intens geweest, zij had zoo vast en zeker gemeend hem te zien, hem te hooren, dat haar hart er nog van bonsde en hamerde en dat haar hoofdkussen doorweekt was van tranen. Aan de klamme, kille natheid van 't kussen voelde zij hoezeer zij had geschreid; en meteen voelde zij hoe somber-ongelukkig zij toch wezen moest om zoo te schreien, zelfs in haar droom, zelfs in haar slaap.
Zij opende flauwtjes haar droevige oogen en zag een vage schemerklaarte achter de neergelaten gordijnen. Werd het reeds dag of was dat nog het vale licht van enkele straatlantarens? Zij wilde weten hoe laat het was. Zij streek een lucifer aan en keek op haar horloge. Twee uur! Och, God! Twee uur slechts! De lange foltering van den verderen slapeloozen nacht lag als een somberen afgrond van ellende voor haar open. Waarom toch had ze zoo afschuwelijk naar gedroomd! Was het door al die troepen, die duizenden en duizenden, met paarden en kanonnen, welke den ganschen dag en tot laat in den avond, de stad hadden doortrokken? Misschien wel. Zij luisterde even naar 't zachte ademhalen van Paulientje in haar ledikant, keerde zich met een zucht op de linkerzij om en sloot weer haar oogen.
Zoo lag zij een kort poosje, roerloos. Toen kwam het haar voor alsof zij buiten onder haar ramen, vaag gestommel hoorde. Zij luisterde er even naar, verstrooid, onverschillig, gedachteloos. Toen dacht zij weer aan hem, aan hem en aan haar kind, aan haar gewoon, rusteloos-knagend en kwellend wee. Een doezeling van slaap kwam triestig over haar...
Toen rukte ze zich plots in haar bed overeind, de van afschuw uitgezette oogen wijd-schrikstarend in de halve duisternis, de beide handen aan den mond, als om er een gruwelkreet te smoren.
Had ze gehoord? Had ze nog eens gedroomd? Was het een zinsverbijstering?
Zij sprong eensklaps op, uit haar bed, en, terwijl ze daar een paar seconden onbewegelijk stond, hoorde ze 't weer, maar nu geen droom, geen hersenschim, geen zinsverbijstering: zij hoorde duidelijk het gefloten deuntje, daarbuiten, in de stille straat, onder haar ramen, zijn deuntje, het oude, welbekende jachthorendeuntje, waarmee hij destijds elken avond zijn terugkeer aankondigde.
--Paulientje! Paulientje! Paulientje! gilde zij, als waanzinnig.
Het kind schrikte wakker en Laura's schoonzuster, die in de kamer daarnaast sliep, rukte de binnendeur open en kwam in verwildering binnengehold.
Daar klonk opnieuw het deuntje, heel helder, heel duidelijk, als een opwekkende zang van troost en liefde.
--'t Is Paul! riep de schoonzuster, naar het raam toesnellend.
--Dat kan niet! Dat kàn niet! Paul is dood! Paul is vermoord, gefusilleerd! kreet Laura schor, met hikken in de stem. 'k Ben bang! 'k Ben bang! snikte zij eensklaps, van angst ineenkrimpend.
De schoonzuster trok 't venster open, keek in de schaarsch verlichte straat.
--Hij is het! Hij is het! En Paultje is met hem! riep ze juichend en vloog beneên, de trappen af.
Laura stak helder 't gaslicht op. Zij sprak geen woord meer, maar drong bevend, met groote, zwarte oogen, in den versten hoek der kamer terug. Beschermend hield zij haar beide sidderende handen op de schrale schoudertjes van het schreiend Paulientje.
Daar kwamen vlugge schreden de trappen opgerend. De deur vloog open en hij stond vóór haar, als een verschijning uit een andere wereld, met zijn zoontje naast zich.
--Neen! neen! neen! gilde zij, als in een waanzinnig verdedigingsgebaar afwerend de handen uitstrekkend.
Zijn mond, die glimlachte, werd eensklaps ernstig, droef.
--Laura! Laura! zei hij verwijtend.
Toen zag ze, toen wist ze, toen geloofde ze...
Het licht des levens, dat al sinds maanden in haar dood was, straalde eensklaps verblindend naar haar toe en zij kon den glans van haar geluk niet uitstaan: zij zakte, als gebroken, in elkaar.
* * * * *
Toen ze weer bijkwam lag zij in haar bed en hij zat naast haar op de sponde, met hun beide kinderen om zich heen.
En hij vertelde, en zij luisterde, in zoete verrukking, glimlachend, en begreep.
Hij vertelde hoe hij met Paultje in de gevangenis was gesleept, hoe hij tot de doodstraf werd veroordeeld, hoe telkens hem gezegd werd, dat het oogenblik gekomen was, het tragisch oogenblik, dat echter telkens weer werd uitgesteld. Paultje bleef bij hem, wilde niet van hem weg, ondanks al zijn smeekingen. Paultje klampte zich wanhopig gillend en schreiend aan hem vast zoodra de wreede vijanden hen van elkander wilden scheiden, en zoo waren zij samen gebleven en samen naar Duitschland vervoerd en samen in een gevangenenkamp opgesloten.
Maandenlang hadden zij daar gezeten. Herhaaldelijk nog hadden de vijanden gepoogd hen van elkander te verwijderen, maar eindelijk, toen zij begrepen, dat niets helpen zou en dat Paultje vastbesloten was met zijn vader te sterven, hadden zij hen beiden in vrijheid gesteld: Paultje, die met en voor zijn vader sterven wilde, had zijn vader het leven gered!
Laura nam zijn hand en nam de hand van Paultje en nam de hand van Paulientje en hield hen alle drie krampachtig vastgekneld, als om hen nooit meer los te laten. Wat gaf het nu, dat hun huis en hun stad was verbrand, nu ze 't voor eeuwig verloren gewaande geluk van haar gansche leven had teruggevonden! Hun huis zou weder worden opgebouwd, hun stad zou uit haar puin verrijzen, en ook het gansche Vaderland, het wreed-geteisterd, dierbaar Vaderland zou herleven, herlèven!... Zij voelde 't eensklaps als een gloedgolf van hoop en trots en liefde in haar opstijgen: zij voelde 't als een zegen van lente en herleving, als het grootste en schoonste en hoogste, dat zij ooit in haar leven gevoeld had.
EINDE.