Chapter 11
--Ja, antwoordde ik, ietwat verwonderd. Het dienstmeisje verscheen en reikte mij een visitekaartje op een presenteerblad.
Nu nog bezoek, zoo laat!
Ik keek en las: "Baronne de B."
De jonge luitenant had zijn piano-spel gestaakt; de beide kapiteins zagen mij ondervragend aan. Het meisje wachtte.
--Baronne de B... Is het niet een baron de B. de vermiste, die vandaag nog op het slagveld werd gevonden? vroeg ik aan kapitein L.
Hij haalde vlug zijn boekje uit en keek. Jawel, die was het. En de jonge luitenant, die insgelijks zijn boekje raadpleegde, bevestigde 't gezegde.
--Het zal zijn moeder zijn! zei halfluid kapitein L. Is die dame daar?
--Jawel, meneer, antwoordde 't meisje.
Er was een oogenblik volkomen, doodsche stilte. Wij waren allen opgestaan en keken als radeloos elkander aan. Buiten tokkelde de wind, als met houten knokkels, tegen de gesloten luiken en in de oranjerie weergalmde nog steeds, tergend en irriteerend in dit tragisch oogenblik, het fijn, gefloten deuntje.
--Wij moeten haar ontvangen; wij moeten haar... althans iets zeggen, sprak kapitein L. met aarzelende stem.
Kapitein J. knikte beamend. De jonge luitenant lei zachtjes de piano dicht. Door een teeken deed ik aan 't dienstmeisje verstaan, dat zij de bezoekster mocht binnen laten.
* * * * *
Ik heb alles wat er toen gebeurde, goed en duidelijk onthouden. Het heeft zich in mijn geest geprent met forsche kleuren, die niet meer uit te wisschen zijn.
--Lieutenant, dites dons à cet animal de siffleur qu'il se taise là-bas, sinon je lui f... des arrèts! riep eensklaps toornig kapitein L. tot luitenant K., terwijl hij dreigend zijn hand uitstak naar de oranjerie, waar het irriteerend fluitdeuntje bleef dreunen.
De jonge luitenant haastte zich buiten en meteen ging de binnendeur open en een zwarte verschijning kwam langzaam binnen.
Het was een dame van middelbaren leeftijd. Zij was in rouwkleeren. Het gezicht zag doodsbleek en de oogen hadden geschreid. Het moet een mooie vrouw geweest zijn. De gelaatstrekken, van smart doorgroefd en vroeg verouderd, getuigden daar duidelijk van.
Zij groette stil, met haast onhoorbare stem, en kwam naar ons toe. Ik schoof haar een stoel bij het vuur, maar zij schudde moedeloos het hoofd en bedankte. Zij poogde te spreken, maar kon blijkbaar niet; een overweldigende ontroering verstomde haar stem.
Wist zij het reeds? Wist zij 't nog niet? Dat was de angstige, schrijnende vraag, die ons geheel vervulde.
Zij sloeg haar rouwsluier om en uit een zwart-lederen tasch haalde zij een zwart-lederen boekje. Haar handen beefden, terwijl ze 't openbladerde. Strak keken wij haar aan. Regendroppels hingen als pareltranen in 't krip van haar sluier en haar grijs-beslijkte schoenen en de onderrand van haar kleed, waren drijvend-nat. Zoo was ze dus te voet, alleen wellicht, door storm en duisternis gekomen.
Zij keek naar ons op met haar droevige ooggin en zei, met een gebroken stem:
--Messieurs, je cherche mon file, mon fls unique, le baron Roger de B. volontaire au 1e grenadiers, 1e bataillon, 3e compagnie, numéro matricule 1271. Il droit s'étre battu à M. il y a quatre jours et je suis sans nouvelles de lui. Pouvez-vous m'en donner? Pouvez-vous me dire ou il est? Je suis affolée, je me meurs d'anxiété et de douleur!"
Geen enkel van ons sprak een woord. Kapitein L. keek naar kapitein J., die aarzelend naar mij opkeek. De buitendeur ging open en de jonge luitenant, die den fluiter in de oranjerie doen zwijgen had, kwam ook weer binnen. Dat gaf een korte afleiding. Maar toen de dame 't uniform der grenadiers herkende, kreeg zij een plotselinge tranencrisis en herhaalde met smeekende, wringende handen voor den jongen man haar wanhopige vraag.
Daar stonden wij nu met ons vieren, die het akelig geheim kenden en het niet durfden uitspreken. Ik heb zelden iets knellenders en tragischers gevoeld. 't Was als een levend tafereel uit Maeterlinck's aangrijpend "Intérieur". Men hoorde de vlammen in het haardvuur knetteren, men hoorde 't klokje tikken tegen den wand en men hoorde het loeiend gebeuk van den stormwind daarbuiten. Men hoorde ook als 't ware het angst-benauwend kloppen van de harten.
Toen eindelijk sprak de oudste der twee kapiteins tot luitenant K:
--Weet u wat, luitenant, het is nog niet te laat: Gaat u even mee met mevrouw naar 't hoofdkwartier bij den majoor: die heeft de voltallige lijsten en zal mevrouw misschien wel nauwkeurig kunnen inlichten.
* * * * *
Ik heb ze samen zien vertrekken. De jonge, zachte luitenant had een electrisch handlampje en lichtte haar voor. Als een voorkomende, zorgvolle zoon stapte hij aan haar linkerzijde onder de zwiepende en klagende boomgin. De regen had opgehouden, maar de wind loeide nog vervaarlijker in 't holle van den duisteren nacht.
Wij stonden op den drempel van 't huis en zagen ze gaan. Zij spraken geen woord. Ook wij spraken geen enkel woord. Haar donkere rouwgestalte werd heel gauw onzichtbaar. Van hem zagen we nog even het doffe glimmen van twee vergulde knoopen op den rug van zijn uniformjas. Met dansenden glans flitste 't schijnsel van het lampje op de grijze boomstammen. In de vagelijk verlichte oranjerie was alles nu heel stil geworden.
Zoo gingen zij, als een moeder met haar zoon... Zij gingen samen, de een wetend, de andere nog hopend, naar het wreede der onverbiddelijke werkelijkheid.
En 't was van een stille tragiek die aangreep, afschuwelijk, onvergetelijk...
* * * * *
X.
SINGEN... SINGEN!...
Het was geen mooie troep, die nu in het dorp gecantonneerd lag...
Het waren meestal mannen van middelbaren leeftijd, landweer en landstorm.
Gedurende de eerste weken der invasie waren daar ontelbare horden voorbijgetrokken, allen flinke jonge kerels in de volle frischheid van het leven, veerkrachtig loopend met dreunenden stap, als één compacte massa in geweldig-forschen rythmus; maar 't werd al minder en minder, 't nam af van dag tot dag, tot men eindelijk die ouderen kreeg, die loomen en die dikken, sommigen met wit haar en grijzen baard, als afgedankte kolonels en generaals, die tot straf, van voor af aan, hun militaire loopbaan weer zouden moeten beginnen.
De eersten trokken vlug door of toefden in het dorp slechts enkele uren; maar de laatsten: de dikken, de loomen, de ouden, lagen er nu al weken en weken en men kreeg den indruk of er nooit een eind aan hun verblijf zou komen.
De menschen van het dorp waren er langzamerhand aan gewend geraakt. Men had ze in de beide scholen en verder bij enkele burgers en boeren ingekwartierd en zij gedroegen zich fatsoenlijk. Zij gingen gemoedelijk met de dorpelingen om en er was zelfs een soort van verbroedering ontstaan. Zij hadden zich zonder veel moeite iets van het locaal dialekt eigen gemaakt en ook de burgers en de boeren verstonden reeds hier en daar enkele woorden Duitsch. Het was geen zeldzaamheid hen onder elkaar in de herbergen met een glas bier in de hand te zien zitten en in de gezinnen der menschen vertelden zij graag van hun eigen gezin en hun land en lieten dikwijls foto's van hun vrouw en kinderen zien.
Dat verwekte wederkeerige ontroering en ontboezeming. De Vlaamsche moeders dachten aan haar zonen in het leger en schreiden. De Duitsche soldaten dachten aan wat zij thuis vol zorg en kommer hadden achtergelaten en schreiden insgelijks. En samen zuchtten zij over dien schrikkelijken oorlog en al de ellende en verwoestingen, die hij had meegebracht. En de Duitschers zeiden dat zij en de Vlamen broeders waren, die elkander best zouden verstaan, maar dat de gehate Engelschen door allerhande kuiperijen de argelooze Vlamen in den strijd hadden meegesleept. En de arme Vlamen zwegen dan, hoewel zij wisten dat de waarheid anders was, omdat zij bang waren voor de wraak der Duitschers, indien zij durfden tegenspreken. En beiden leefden in stille hoop en afwachting: de Duitschers dat zij daar nog zouden mogen blijven zonder naar het front te worden opgeroepen; de Vlamen dat de vijanden, ofschoon zich fatsoenlijk gedragend, toch maar zoo spoedig mogelijk zouden vertrekken.
* * * * *
Opgeroepen worden en vertrekken, dat beteekende naar het front aan den Yser gezonden te worden. En bij dat enkel woord "de Yser" gruwden de Duitschers.
Slechts vagelijk wisten zij wat daar gebeurde. De verhalen klonken verward, maar schrikwekkend. Alleen dit wisten zij duidelijk: dat er steeds duizenden en duizenden van hun makkers werden heengezonden en dat de legers er toch geen voet verder kwamen. Zij vielen er, die duizenden en duizenden! De Yser was een afgrijselijke, nooit verzadigde Moloch!
In de stilte van de lange winteravonden spraken zij met de lui bij wie zij waren ingekwartierd over dat geducht gewest. Zij haalden hun stafkaarten uit en luisterden in angstige roerloosheid naar de verhalen van sommige menschen welke die streken kenden en bezocht hadden. Het was een land van schoone, groene weiden vol met grazend vee, een vette streek doortrokken van kleine kanaaltjes en rivieren en waarin de oude stadjes en de witte dorpjes lagen te glinsteren, als zooveel eilandjes van weelde in een smaragden zee. Het was een pastoraal, idyllisch land, 't was niets geen land van oorlog, het was een land om zacht te kuieren en te mijmeren en te droomen; niemand begreep er iets van, dat dáár zoo lang en wreed-verbitterd kon gevochten worden; niemand begreep dat dit zachte Paradijs eensklaps een sombere hel van dood en van vernieling was geworden.
Zij luisterden, die ouden, die loomen en die dikken; zij luisterden in doods-benauwde stilte en hun strakke oogen somberden, vol afschuw-visioenen. Zij voelden het kontrast en griezelden. Het was de dood die hen daar lokte, de kille, sombere, afschuwelijke dood, onder het verleidend masker van een idyllischen glimlach. Die schoone, malsche, groene streek vol vreedzaamheid, 't was een verraderlijk moeras waarin zij zich voelden meeslepen en wegzinken, zooals hun duizenden en duizenden makkers waren meegesleept en weggezonken, machteloos, brullend van wanhoop, onder onmenschelijke folteringen, tot het fataal onverbiddelijk einde.
De Yser! De Yser! Velen konden dien naam niet hooren zonder te verbleeken en te huiveren. Velen waren er, die er in hun slaap als onder den greep eener nachtmerrie, van wakker schrikten; en enkelen waren weggevlucht, gedeserteerd, op een avond toen 't gerucht de ronde deed, dat zij er den volgenden ochtend heen moesten.
* * * * *
Toen was het echter maar een loos alarm geweest. De doodsmare was rondgestrooid, niemand wist hoe, niemand wist door wie; althans dien ochtend gingen ze nog niet. Zij gingen ook den daarop volgenden ochtend niet, en ook nog niet den derden dag, doch 's avonds van den vierden dag kwam eensklaps het bevel:
--Morgen naar den Yser!
Zij wilden 't eerst nog niet gelooven. Angstig-gejaagd schoolden zij samen op de dorpsplaats rond de kerk. Er waren diepbedroefde en gedrukte gezichten, er waren strak-ernstige gezichten en er waren gezichten vol wrok en haat en stug-geconcentreerde woede.
De menschen van het dorp omringden hen, in opgezweepten hartstocht en nieuwsgierigheid. Ook zij twijfelden nog, wilden, durfden nog niet gelooven, dat zij van de bezetting bevrijd zouden worden. Maar daar kwam de burgemeester aan met de twee kapiteins, die bij hem waren ingekwartierd; en de burgemeester kon met moeite zijn tevredenheid verbergen; zijn vet gezicht glimlachte en zijn oogen blonken en hij bevestigde de verblijdende tijding hier en daar met stille stem.
Ontroerd gingen de menschen langzaam uit elkaar.
* * * * *
Het bataljon stond klaar. Het was een kil-grijze December-ochtend. De naakte twijgen van de oude linden op de dorpsplaats weenden stille, groote misttranen, die in kleine plasjes triestig neersijpelden op den kleverigen grond. Er hing een onuitsprekelijke droefheid in de gansche atmosfeer. 't Was alles grijs en kleurloos en al dat kleurloos-grijze zweefde als een nevelige lijkwade omheen de manschappen, en versmolt zich als 't ware in de neutrale tonaliteit hunner gezichten in uniformen. Zij lachten niet, zij spraken niet, zij maakten geen beweging. Zij stonden roerloos, gepakt en beladen, te wachten. Het gansche dorp omringde hen, in doodsche stilte. Heel in de verte gromde af en toe, als een sinistere begeleiding, de zware, doffe stem van het kanon.
Toen zag men dat er velen weenden. Zij weenden in stilte, met groote, starre oogera en lippen die bibberden. Maar de officieren, die dat merkten, liepen kwaadaardig-gejaagd heen en weer en plotseling klonk kort en bar 't bevel:
--Singen!
Een droef gezang steeg aarzelend op. Het weergalmde hier en daar als een sombere weeklacht en stierf in machteloosheid weer uit. Maar de officieren liepen vloekend langs de rangen heen en herhaalden 't bevel en nogmaals galmde 't somber-klagend op en nogmaals stierf het als in wanhoopsnikken uit, omdat de mannen weenden, weenden...
Toen raasden de trommen en floten de pijpers. De silhouet van een der kapiteins te paard teekende zich af in 't grijze van den mist met laag-ontplooiden mantel en met scherpen punthelm en er kwam beweging in den troep. De stappen dreunden.
--Singen! Singen! herhaalden onophoudend, met woede-blikken naar hun mannen, de feldwebels en officieren. En de mannen zongen wel even onder den angel der tucht, maar telkens weer braken de stemmen af en barstten zij in tranen uit.
Zoo trokken zij door het dorp, de gansche ontroerde bevolking als 't ware met zich meezuigend. Zij zongen al schreiende, met wanhoopsblikken in hun lichte oogen; zij zongen en schreiden door elkaar op den dreunenden maatstap hunner logge, zware zolen, telkens bevloekt en beraasd door de snauwende stem der officieren zoodra zij er mee uitscheidden, telkens herbeginnend en weer stokkend, als tragisch-loeiend vee, als een blatende en kermende kudde, die in machteloozen weerzin naar het slachthuis wordt gevoerd.
Aldus verlieten zij het dorp... Langzaam aan versmolt hun log-dreunende, grijze massa in den grijzen, killen nevel van 't beperkt verschiet. Alleen de beide kapiteins te paard, aan 't hoofd en bij de achterhoede, met hun lang-uitgespreide grijze mantels en ten hemel opgepunte helmen, staken er fiks, en als 't ware dreigend, boven uit. Aldus verdwenen zij... De sombere, gedrukte zangen gonsden met hun aftocht mee; en in de verre, verre verte bromde en bonsde aanhoudend in zwaren ondertoon de stem van het kanon.
De menschen van het dorp staarden hen na, roerloos, met strak-ernstige blikken. Zij hadden allen gedacht, dat ze zouden juichen, jubelen onder de verlossing na de wekenlange bezetting, doch geen enkel uitte een klank van vreugd: zij waren allen door het tragische aangegrepen.
De straatbengels, die het aftrekkend bataljon tot buiten het dorp hadden begeleid, keerden terug. Zij joelden wat onder elkaar en bootsten de commando's, den marcheerpas, en ook de somber-droevige gezangen na. Er waren er die deden of ze zingend schreiden en anderen imiteerden de razende, snauwende stem der officieren.
--Singen! Singen!
En een kleine kerel van een tiental jaren, een blonde krullekop met helderblauwe vergeet-mijnietjes-oogen kwam naar een vrouw uit het volk toegeloopen en zei:
--Ze 'n hên moar moete zingen tot aan 't Kapelleken, moeder. Achter 't Kapelleken mochten ze weere beginnen schriemen.
Een ieder ging langzaam naar huis en de grijze mist dekte als 't ware het dorpje onder een stillen, killen, natten sluier van rouwende triestigheid toe.
In de verre verte bleven de kanonnen bonzen en grommen, aanhoudend, eentonig, gansch den langen, droeven winterdag.
* * * * *
XI.
DE TERUGKEER.
Toen Laura tot den grond haar huisje had zien afbranden--het huisje waar zij zoo gelukkig had geleefd--toen zij het had zien in vlam en rook opgaan en droevig in elkaar storten, als al de andere huizen van de stad; toen zij wist, dat haar man en haar veertienjarig zoontje samen gefusilleerd waren,--haar man gefusilleerd, omdat hij zijn land en zijn volk had verdedigd op een wijze, die de vijanden "verraad" noemden; en haar zoontje gefusilleerd, omdat het zijn vader, waarvan het zielsveel hield, niet wilde verlaten en zich schreiend en gillend aan hem vastklampte toen men het met geweld van zijn vader wilde scheiden; toen dat alles was gebeurd en haar niets meer overbleef dan haar eigen leven en het leven van haar negenjarig dochtertje, dat bij haar was gebleven; toen keerde Laura zich bleek in haar rouwkleeren om en machinaal verliet zij de vernielde stad in de richting van het avondglanzend Westen.
Paulientje schreide nog, maar zij, Laura, kón niet meer schreien: zij was sinds dagen uitgeschreid.
't Was dof, en moe, en stil in haar. Was ze nu thuis geweest, of had ze nog een onderdak gevonden, dan zou ze waarschijnlijk op een stoel of bed ineengezakt en in een diepen slaap van uitputting verzonken zijn.
Maar zij had niets meer; zij had niets meer dan haar eigen droevig leven en het leven van Paulientje; en die beide levens moesten verder leven, omdat zij nog niet dood waren; en zoo ging zij dof en machinaal, met een valiesje aan de hand, tusschen de brandende huizen, tusschen de neerstortende puinen, midden in de vlucht van nog veel andere bewoners, midden in 't geloei, en geschreeuw, en geraas van iets, dat was als een demonische verwoesting.
Zij zag de verhitte gezichten en de grijze uniformen der afschuwelijke vijanden, de vernielers van haar huis, de beulen van haar man en kind. Zij zag ze hun baldadig werk uitvoeren, steeds verder plunderend, brandend en verwoestend, zij zag ze drinken en hoorde ze brullen en juichen en zingen, en 't liet haar alles stom en dof, alsof het haar niet aanging, alsof het iets was dat zoo moest en niet anders meer kon. Zij beschermde slechts instinktmatig haar gezicht en het hoofd van het huilend Paulientje tegen het brandende stof en de zengende hitte, en toen zij eindelijk buiten die afgrijselijke hel waren geraakt, voelde zij geen de minste opbeuring, noch verlichting: zij ademde alleen wat vrijer, omdat het niet meer stikkend en benauwd was om haar heen en omdat zij haar vermoeiden arm van Paulientje los kon laten.
Zij wist waarheen. Zij ging naar de verre, groote stad, bij haar schoonzuster een toevlucht zoeken. Zij mocht er komen en zou er welkom zijn, dat wist zij; zij werd er verwacht.
* * * * *
De avond daalde langzaam in een schoonen vrede over 't glanzend Westen. Ware 't niet geweest van de hopelooze vluchtelingen, die in tragischen optocht met haar medeliepen, die rust zou misschien als een stillende balsem in haar zijn neergedaald; want waar het lijdensvermogen in haar geest door overmaat van ramp verstompt en als 't ware vernield was, daar bleef het lijdend lichaam trillen, het afgematte, afgebeulde, doodmoede lichaam, dat rusten, soezen, slapen en vergeten wilde.
Zij wist waarheen en kende den weg. 't Was uren verre, maar zij zou er komen. En de aanduisterende nacht en eenzaamheid boezemden haar geen angst in; de stille nacht zou welkom wezen als een groote rouwsluier over haar zwaar verdriet, waarin de mooie sterren als vastgestolde tranen zouden tintelen.
Zij ging, met 't kleine meisje aan de hand, en voelde, dat zij ging voor altijd. Er is geen hoop meer op terugkomst, naar wat niet meer bestaat. En niets bestond er meer van wat eenmaal geweest was, niets bleef er over van het schoon en zoo gelukkig-zacht verleden.
Zij wilde 't nog een laatste maal herdenken en in zijn puinhoopen aanschouwen. Zij beklom met het kind den hoogen dijk, waarachter de rivier lag en van daar uit staarde zij het schouwspel aan.
Tegen het aschgrauw-wordend Oosten lag de stad nog steeds te branden. 't Was als een rooken-vlammenzee, die er in alles-overweldigende dwarse deining overheen streek. Soms gloeide een enkel punt even schel op en vonken spatten waaiervormig open als van een overweldigend vuurwerk, terwijl schoorsteenen en muren zich scherp tegen de roodlikkende vlammen uitkanteelden, maar 't oogenblik daarna vloeide de stuwende rook-en-brandzee er weer over uit en doofde meteen den schellen gloed, alsof in dien Titanenstrijd der elementen het vuur slechts door het vuur vernield kon worden.
Zij keek naar de breede rivier. Het water leek op gloeiend, vloeiend staal en midden op dien vaalrooden stroom, waarover paarse en oranje kabbelingen zweefden als rillingen van rauw-opengereten, lillend en bloedend vleesch, lag onbewegelijk een bruinzwart schip geankerd, in schijn reusachtig groot, als een arke Noach's op een zondvloed van verdelging.
Dáár, op die kade, dicht bij het tragische schip, had haar huisje gestaan. Dáár waren haar man en haar zoontje met geweld vandaan gehaald, om gefusilleerd te worden. Dááruit was ze met Paulientje gevlucht, zinneloos van schrik en gruwel, tot ze, na dagen en dagen zwerven en smeeken en zoeken naar wie ze niet meer vinden zou, in wanhoop vóór haar brandend huisje neerzakte.
Daar lag nu 't schoon en zacht verleden! Zij keek er nog even naar om, met een laatsten, langen, starren, doffen blik van eeuwig afscheid, en toen daalde zij met het kind, dat weer bang werd en schreide, langs den dijk af.
* * * * *
Nu zaten zij veilig in het huis van haar schoonzuster geborgen.
't Was een bovenhuis, in een drukke straat der groote stad en van uit de heldere ramen zag Laura de woeling en de drukte daar buiten. Uren en uren, met de handen in haar schoot, naast haar meisje dat zoet speelde, zat zij er doelloos op te staren. Het wiegde haar in doffe soezing weg, in droomen en bespiegelingen. Het wiegde haar weg naar 't verleden, naar al het zachte en gelukkige dat geweest was en nooit, nooit meer terug zou komen.
Zij hoefde hun portretten niet te bekijken, die altijd vóór haar op het tafeltje stonden: zij zag hen in verbeelding, haar man en haar zoontje, zooals ze die voor 't laatst gezien had, toen de wreede vijanden hen kwamen weghalen.
Dat zag ze en hoorde ze nog steeds, alsof 't voortdurend weer gebeurde. Doch wat er verder was gebeurd versmolt voor haar als in een verren, droeven nevel. Waar waren ze heen gebracht? Hoe en waar werden ze veroordeeld? Hoe en waar werd het afgrijselijk vonnis voltrokken? Dat was een obsedante kwelling van elk oogenblik, iets waarin haar doffe geest verwarde en verdwaalde, iets dat ze zich in zijn gruwbare werkelijkheid niet kon voorstellen en dat ze daarom ook bijna niet kon gelooven. En weer keerden haar kwel-gedachten steeds terug tot het verleden dat zij kende, tot de lange, vele jaren van geluk en vrede, die ze samen hadden doorgebracht en daaraan hield ze zich krampachtig vast, als aan het eenige, dat werkelijk nog voor haar bestond. Zij zag hem 's ochtends blijmoedig-opgewekt naar zijn werk vertrekken, zij wist waar hij was, zij kende zijn bezigheid, zij was steeds bij hem in gedachte; en 's avonds, elken avond, als hij thuis kwam, floot hij voor de deur een eigenaardig deuntje, om haar te waarschuwen, dat hij daar was.
O, dat deuntje, dat deuntje, die enkele tonen als van een verren jachthoorn, hoe kende zij die, hoe klonken zij nog steeds verleidend-folterend in haar ooren! Het was zijn ziel, zijn blik, zijn glimlach, de frissche vreugde van 't gelukkig elkaar wederzien na elke korte afwezigheid, en zij sloot zalig haar oogen en bewoog haar lippen om zijn zoen te ontvangen, en 's nachts in haar droomen hoorde zij 't dan weer en zag zij hem glimlachend vóór haar staan, met zijn zoontje, met haar en zijn dierbaar zoontje aan de hand. Dan werd zij wakker en schreide wanhopig...
* * * * *