Chapter 10
Wat geeft het nog of ze bij tientallen nu vallen? Wie kent nog gevaar en wie voelt er nog pijn! Het zijn geen menschen meer; 't is een orkaan van wilde beesten en brullend storten zij op en in de loopgraven neer!
Een ruk, een vloek, een stoot en mannen vallen achterover, het lijf door bajonetsteken doorboord. 't Gaat bliksemsnel. Wie even mist of wankelt, wordt zelf ter dood getroffen. De kelen zwoegen, de monden hijgen, de voeten struikelen over lijken en glijden uit op slijk en bloed. De vlugge oogenblikken hebben een beteekenis van eeuwen. Tijd geldt niet meer; 't moment is alles!
Hoog staat de vrijwilliger even op den berm der loopgraaf en ziet zijn vijand in de diepte.
Zijn vijand, want rechts en links zijn het de vijanden der kameraden. Zijn vijand, want de man mikt en schiet op hem en het schot vliegt hem, brandend, rakelings, naast de linkerwang. Dan stort de vrijwilliger op zijn vijand neer en met een rauw gekrijsch van woede boort hij zijn bajonet tot aan den loop van het geweer, dwars door zijn lijf!
* * * * *
De vrijwilliger is een mensch. Daarstraks, in 't felle van 't gevecht, was hij een dol, wild beest; maar nu, nu hij voor 't eerst een man onder zijn slag ziet vallen, nu is hij plotseling weer een mensch! Hij ziet een gruwelijken weemoed in die dof brekende oogen, een wereld van rouw en lijden en verdriet; en 't snikt hem eensklaps naar de keel, het barst ontembaar in hem uit van menschelijk medelijden; hij smeekt "Pardon!" Pardon! met saâmgevouwen handen en de tranen breken uit zijn oogen, en hij valt sidderend en biddend op zijn knieën...
Maar 't is reeds afgeloopen. De zuiver-menschlijke tragedie duurde slechts een oogenblik; de doode vijand is nog maar een roerloos hoopje vuil en bloed, en om hem heen weergalmt luid-bulderend hoezee-geschreeuw. Hij staart met waanzinnige oogen en ziet zijn makkers vreugde-dansen en hoog zwaaien met hun képi's en geweren. Zij hebben de loopgraaf genomen; zij hebben overwonnen en jubelen wild hun trotsche blijdschap uit.
Stil bukt de vrijwilliger het hoofd en jubelt niet mee. Zijn korte adem zwoegt en hijgt, zijn handen beven, zijn zwakke beenen weifelen en knikken onder hem. In doodsche stilte gaat hij een eind verder op den rand der loopgraaf zitten en staart over den langzaam-aan wegsomberenden horizont.
Het lange, lage, rose schijnsel aan den einder is slechts een vale lichtstreep meer. Het droeve slagveld donkert weg met de vage hoopjes der gevallen lijken en de rust, die over 't eenzaam landschap daalt is van een eindelooze triestigheid. Ergens rijdt, onder dof en langgerekt gedreun, een trein op een metalen brug en in de verte blaft een hond, met hol en klagelijk-droef geluid.
De vrijwilliger haakt zijn veldflesch los en drinkt met lange, gulzige slokken. Gelukkig, dat hij die nog heeft! Hij bezwijkt van den dorst! Als hij op dit oogenblik niets te drinken had, dan zou hij stikken, of weer in akelig huilen losbarsten.
Een stem, in het reeds vallend duister, roept zijn naam uit. Hij hoort het wel, doch antwoordt niet onmiddellijk. Hij kán nog niet antwoorden. Zijn schor-hikkende keel kan nog geen klanken doorlaten. Dan klinkt de stern opnieuw, dringend, met harderen klem; en eindelijk antwoordt hij...
Ja, hij is nog van de levenden, hij behoort tot de overwinnaars!...
* * * * *
VIII.
DE VLUCHT.
Alweer, den ganschen dag, had, in de verte, het kanon gegromd...
Dat was echter geen nieuws meer; sinds lang waren zij daaraan gewend. Doch, met den avond scheen het gedonder dichterbij te komen en dat verwekte angstigheid.
Het was een zachte, schoonte, stille, gouden avond. De menschen van het dorpje kwamen buiten op hun drempel staan. Alle gezichten waren naar 't Oosten gekeerd en aller oogen staarden schrik-starend, en aller ooren luisterden, met ingespannen aandacht, om ieder geluid op te vangen.
Het roffelde aanhoudend, als een verwijderd onweer, maar af en toe met zwaar-bonzende slagen, die eventjes de ruiten deden rinkelen.
Dat daver-rinkelen der ruiten was een allerakeligst en angstwekkend geluid. 't Was telkens of 't gevaar eensklaps vooruitsprong, met reuzenschreden.
Er kwam een vage woeling in het dorpje. Iets als een windvlaag, die er dreigend overheen streek. Iets, dat uit het schemerig verschiet scheen aan te ruischen en te zwellen; iets, dat de harten deed kloppen en de beenen deed beven.
Menschen liepen dwars over de straat naar elkander toe, vereenigden zich tot kleine groepjes, schenen elkander nare dingen mee te deelen. En plotseling was daar een vrouw, die akelig huilde; een vrouw, niemand wist waar-vandaan gekomen, halfnaakt in gescheurde lompen, met een schreiend kind op den arm en die snikte:
--Ze zijn te Leuverghem; z'hèn mijne man vermeurd en ons huis in brand gesteken! Ze komen noar hier! Ze komen! Ze komen!
Eerst was er een kort oogenblik als van geconsterneerde stilte. Zij konden dat niet zoo dadelijk bevatten en keken de vrouw aan, roerloos, met wijd-angstige oogen. Maar eensklaps riep een jongetje: "'t Es woar! 't Brandt ginder!" en allen keerden, als onder een schok, zich om en zagen een rossigen, rookenden gloed, over de verre boomen aan den einder.
Looverghem stond in brand; dat wisten zij terstond aan de richting; en Looverghem was slechts anderhalf uur verwijderd van hun eigen dorp! Wat nu te Looverghem gebeurde, zou straks ook te Baevel gebeuren: hun gansche dorp, met alles wat zij bezaten, zou door den wreeden, woesten vijand vernield worden!
Met wilde kreten, met wanhoopskreten, stoven zij uit elkaar, elk naar zijn eigen huis toe. Aan iets te redden door verdediging was geen denken: alleen de vlucht, de panische vlucht, met wat zij dadelijk redden konden, was de eenige uitkomst.
Reeds kwamen de eerste vluchtelingen uit Looverghem, uitzinnig van schrik, in Baevel aan. Doch niet een hield er zich op. Zij schreeuwden slechts, in 't wild voorbij rennen, wat de huilende vrouw met het kind had uitgegild: "Ze komen! Zekomen! Ze branden en vermoorden!" en weg waren ze, met rijwielen, wagens en karren of te voet: één griezelige stroom van vluchtende, schreeuwende, strompelende, vallende, schreiende wezens, één vloed van overweldigende, menschelijke ellende, die in een dikke stofwolk 't gansche dorp als een orkaan doorzweepte en aangezwollen door reeds meehollende honderden en honderden uit Baevel zelf, als een apocalyptische horde aan den rooden horizont verdween.
* * * * *
Vosken (Vosken van den Berg, zooals hij in de wandeling werd genoemd) hoorde dat wild geraas van verre aanbruisen. Hij woonde daar met vrouw en kinderen op de hoogte, even buiten het dorp, in een klein huisje, dat alleen stond en vanwaar zich een ruim en prachtig vergezicht over den ganschen omtrek uitstrekte.
Dat wijd en prachtig vergezicht was zeker niet 't geen Vosken daar het meest aan zijn woning hechtte. Het is zelfs meer dan waarschijnlijk, dat hij er nooit anders dan met een verstrooiden of onverschilligen blik naar keek. Hij had er ook geen tijd voor. Vosken was marskramer en vellenploter en van den ochtend tot den avond reed hij meestal met zijn hondenkar over de wegen. Zelfs de oorlog had hem zijn vermoeiend bedrijf niet doen staken; en hij was maar zooeven van een urenlangen rit teruggekomen en zat met vrouw en kinderen aan 't avondmaal, toen hij 't gedruisch hoorde aanzwellen.
Hij lei zijn vork neer en ging buiten zien. Hij zag die wilde, vluchtende benden den heuvel oprukken; maar van het hooge punt, waar hij stond, ontwaardde hij meteen wat zij, die nog beneden waren, veel minder duidelijk, of zelfs in het geheel niet konden zien: de gansche, verre, aschgrauw-wordende Oosterkim in brand: een brand, die zich heel snel naar 't Westen uitzette, opvonkend als het ware uit honderd plaatsen tegelijk, als een omcirkelende vuurslang, die weldra alles zou verslinden.
Vosken schonk ternauwernood eenige aandacht aan de voorbij stormende, angstig verwilderde menigte; hij omvatte met één enkelen oogopslag het gruwelijk gevaar en holde weer naar binnen.
--Op! gilde hij, tot vrouw en kinderen. Op! Alles brandt af! Geen menuut te verliezen! Vluchten! Vluchten, zeg ik ulder! En hij begon te vloeken en te razen, omdat de door schrik verlamde vrouw en kinderen niet dadelijk begrepen en opvlogen.
Hij rende naar het hok, waar zijn twee sterke trekhonden vastgeketend lagen en spande ze hijgend vóór 't karretje aan. De vrouw had ijlings al 't geld uit het laadje gehaald, de dochter scharrelde wat kleeren bij elkaar, het zoontje nam een zwaar roggebrood en een homp spek onder den arm. De honden blaften wild en jankten bij het stalletje, als bezielde wezens, die al het somber-tragische van de gebeurtenis heel duidelijk begrepen.
In enkele minuten was men klaar. De wanhopige moeder had nog zooveel meer willen meenemen, doch het kleine karretje was reeds overladen. Zij konden er nog nauwelijks zelven in. Zij schreiden luid en snikten om alles wat zij daar nog moesten achterlaten; het scheurde hun door 't hart, maar 't moest, het moést, er was geen oogenblik meer te verliezen, zij hoorden de vernieling in de verte aanloeien, en zij werden meegenomen in den wilden stroom der vluchtelingen, terwijl daar in de diepte de eerste huizen van het dorp reeds brandden...
* * * * *
In volle vaart renden zij het roode Westen in. Wat zag het vreeselijk bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten. 't Was als een tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun vlucht, holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden daar wild op in. Want achter hen, den ganschen horizont omlaaiend, woedde de gruwbare brand der vernieling, en naarmate het roode hemelsvuur der weggezonken zon tot somberend aschgrauw vervaagde, zagen zij steeds nieuwe brandpunten opflitsen rechts en links vóór zich uit nu, zoodat zij steeds onstuimiger moesten vluchten en vluchten, om niet binnen den afgrijselijken brandcirkel te worden ingesloten.
Reeds waren er velen, die niet verder mee konden en uitgeput, met schreiende stemmen en om hulp-smeekend-gevouwen-handen aan den rand van den weg bleven liggen. In den naderenden vuurgloed der alom-brandende hoeven en huizen vertoonden zij afschuwelijk verwrongene wanhoopsgezichten met wijd-opengespalkte schrik-oogen, waarvan het wit als bloed-doorloopen blikkerde in den felrooden gloed, die den ganschen hemel scheen in brand te zetten. Doch geen mensch keek naar hen om, geen helpende hand werd naar hen uitgestoken. De vijand naderde, men hoorde in het helsch verschiet 't gedreun der hoeven-trappelende paarden en 't was steeds verder vluchten, vluchten, vluchten, tot men zich ergens in veiligheid geborgen had of op zijn beurt van afmatting ineenstortte.
* * * * *
Vosken met zijn hondenkar was in het heetste van 't gedrang. Gelukkig, dat hij zulke flinke, sterke dieren had! Zij holden er met het overladen karretje vandoor, heuvel op, heuvel af, de pooten gestrekt, de flanken zwoegend, de koppen tegen den grond. Vosken, zijlings op 't lamoen gezeten, porde ze onophoudend, met de stem en met een knuppel aan. Voortdurend klonk zijn ruwe stem: "Hue, Baron! Hue, Duc!" en als 't dan nog niet gauw genoeg ging naar zijn zin, of als de doodsangst hem op 't lijf zat bij het hooren van't geloei achter zijn rug of bij het gruwbaar tafereel van den alomlaaienden horizont, dan viel met een gevloek de knuppel op de beenderige ruggen neer, hard en kort, als hout op hout. De arme beesten zwoegden, hun droge, roze tong flapperde scheef uit hun wijd-open bek; zij jankten even scherp en keerden fluks den kop om, met menschelijke wanhoops-oogen, alsof zij schreiden: "Ach, meester, slaat ons niet; gij ziet toch wel, dat wij doen wat we kunnen om u en uw gezin te redden!" Zij waren afgebeuld reeds vóór ze wegreden; den ganschen namiddag hadden zij met Vosken omgezworven en nog hun avondeten niet gehad, toen ze weer aangespannen werden; doch geen van allen dacht daaraan: het was de vlucht, de wilde, uitzinnige vlucht op leven en dood!
Eindelijk, na uren en uren, geraakten zij eenigszins uit de benauwende verwarring. Vóór hen lag nu de vale nacht wijd-donkerend open, met hier en daar een eenzaam lichtje, dat vredig op de stille boerderijen pinkte. De verre brand in 't Oosten schemerde nog slechts heel laag aan den gezichtseinder en geen geloei van vluchtelingen en vijanden klonk tot hen meer door. Zij voelden zich voorloopig gered en reden iets langzamer. Zij kwamen weldra in een dorpje, waar Vosken bekend was en even beraadslaagden zij, of zij daar niet zouden overnachten. Doch de doodsangstige vrouw en dochter voelden zich nog niet veilig genoeg en wilden steeds verder en verder, tot zij geen spoor van het vernielend vuur meer aan den einder zouden zien. En weer reden zij: "Hue, Baron! Hue, Duc!" met vloeken en met harde stokslagen, met gezwoeg en gehijg en gejank, tot zij eindelijk in een tweede dorpje kwamen, waar alles zoo rustig en zoo vreedzaam was, alsof er nooit een oorlog had gewoed.
Daar hielden zij voor een klein herbergje stil... Er was nog licht daarbinnen. Vosken klopte op de deur, een man kwamen opendoen en zij vroegen, of zij daar den nacht mochten doorbrengen.
Na eenig heen en weer gepraat en nadat Vosken in gejaagde woorden had verteld, waar ze vandaan kwamen en van de gruwelen, die daar gebeurden, werden zij binnengelaten. De menschen wisten daar nog niets van al die angstwekkende dingen; zij hoorden Vosken aan met open mond en van schrik uitgezette oogen; en er kwam geen eind aan 't vragen en verhalen; de gansche wreedheid van den oorlog drong eensklaps in die rust en stilte door met al den omprangenden angst van een gruwelijke nachtmerrie, die plotseling een zacht-veiligen slaap komt storen. Zij vergaten den tijd, zij hadden reeds lang gegeten en gedronken; en vrouw en dochter, eindelijk van haar schrik bekomen en nu in stille wanhoop op haar stoelen neergezeten, spraken van naar bed te gaan, toen Vosken zich opeens herinnerde, dat hij, in zijn ontsteltenis, kar en honden vóór de deur had laten staan.
Hij nam een homp brood voor zijn beesten en opende de voordeur. De baas van 't herbergje ging met hem mee, om hem het stalletje te wijzen, waar de honden konden slapen.
--Hue, Baron! Hue, Duc! riep Vosken aan 't karretje duwend.
Maar 't karretje bood tegenstand; 't was of er iets haperde.
--Hue dan! herhaalde Vosken, harder duwend.
Het karretje draaide half om zijn as en bleef staan.
--Wa scheelt er dan! bromde Vosken bij 't lamoen komend.
Hij voelde Duc, die, hijgend nog, overeind stond tusschen de boomen; maar Baron voelde hij niet. Daar waar Baron moest staan gaapte een donkere, leege ruimte.
--Wacht, zei de baas, 'k zal 'n lanteernken hoalen.
Hij verdween in 't duister deurgat en na een poosje, was hij daar met een pover-lichtend lantaarntje terug. Hij hield het bij 't lamoen en kreeg als 't ware een klein schokje, dat even het lantaarntje in zijn hand deed beven.
Een bruine massa lag daar op den grond, zijlings uitgestrekt, de pooten van zich af, den kop, met open bek, die scheen te grijnzen, in het zand.
--Ien van ou honden es deud! riep de man tot Vosken.
Een heele poos stond Vosken strak en roerloos, alsof hij niet begreep. Toen kwam hij bij, bevoelde 't beest, schudde zijn hoofd, met tranen in de oogen.
--Alle ongelukken eens! jammerde hij eindelijk. Azeu ne scheunen hond! Hij was wel honderd frank weird!
--Hij es 't hert afgereên, zei de baas, het slachtoffer monsterend met kennersoogen.
Duc stond naast zijn dooden makker en jankte zachtjes, klagelijk, met rillingen over zijn huid.
De vrouw, de dochter en het zoontje kwamen buiten. En ook zij jammerden luid over 't verlies van den mooien hond, die zooveel geld waard was. Vosken vloekte.
--Allemaal de schuld van die bandieten! raasde hij, zijn vuisten naar 't Oosten ballend.
Maar een kreet van angst verkropte in zijn keel en zijn oogen, star van schrik, bleven op den vagen horizont gevestigd.
Daar glom en schemerde, gansch in de verte, gansch in de verre, verre, verte, iets als het flauwe schijnsel van een opkomenden dageraad. Een oogenblik verkeerde Vosken in de zonderlinge illusie, dat de ochtend werkelijk aan 't komen was. Maar meteen loeide iets aan als het dof geraas van een naderend onweer en plotseling begreep hij en gilde 't uit van gruwel en van woede.
De vijand! De brandende vernieling!
Zijn vrouw en kinderen hadden 't ook gezien en dadelijk begrepen. Zij schreeuwden en huilden en snikten en sprongen weer in 't karretje: Vosken rukte den dooden hond, die hem 't leven had gered, uit zijn harnas en gooide hem als een hoop vuil op zij; en met Duc alleen nu, met den armen, afgebeulden Duc, die nog niet gerust en niet gegeten had, met Duc, die evenals zijn droeven makker, tot het alleruiterste zou afgejakkerd worden, vervolgden zij, in de verwilderde paniek, die reeds het dorp aantastte, hun vreeselijken martelaars-en vluchtelingentocht, naar het onzekere, naar 't onbekende, naar de redding... of den dood...
* * * * *
IX.
DE MOEDER.
De drie officieren zaten met mij aan tafel.
Sinds een paar weken waren zij met hun manschappen bij mij ingekwartierd.
Het waren drie flinke, aardige kerels: twee kapiteins bij de karabiniers en een luitenant van de grenadiers.
Wij waren laat aan tafel gegaan. De dag was zwaar-vermoeiend geweest.
Het was vier dagen na den slag te M. waar de Belgen, als altijd, na heldhaftigen tegenstand, ten slotte voor een overtalrijken vijand hadden moeten wijken.
Mijn officieren waren ernstig, doch geenszins moedeloos gestemd. Zij hadden hun plicht gedaan; zij hadden gedaan wat ze konden en wat hen ernstig stemde, was het geleden verlies aan manschappen en kameraden.
Zij trokken de getallen samen op een klein boekje, zooals men in 't gewone leven zijn dagelijksche uitgaven zou opsommen. Er was een klein verschil in de samenstelling. Kapitein L. telde één man meer aan verliezen dan kapitein J. Zij voerden daarover 'n korte discussie.
Nr. 1271, beweerde kapitein J. was wel als vermist, doch niet als gesneuveld aangegeven: hij kon dus krijgsgevangen zijn.
--Pardon, antwoordde dadelijk kapitein L., hij is wel degelijk gesneuveld; men heeft dezen namiddag zijn lijk op het slagveld gevonden, in een boschje, dicht bij de rivier. De majoor heeft het mij daar pas gezegd.
Zij zwegen alle drie een oogenblik en keken elkander ernstig aan. Toen haalde kapitein J. even zijn schouders op en verbeterde de aanteekening op zijn boekje, zoodat het met het lijstje van zijn makker klopte.
--Weet jij ook wie dat was, die 1271? vroeg nog kapitein J. aan kapitein L.
Kapitein L. wist het niet. Maar de jonge luitenant K. van de grenadiers, haalde nu ook een boekje uit den binnenzak van zijn tuniek, bladerde er in en las:
--Numéro matricule 1271, baron de B., 1e grenadiers, 1e bataljon, 3e compagnie. Vrijwilliger.
De beide anderen knikten langzaam met het hoofd, zwijgend naar hun makker starend.
--Twee-en-twintig jaar, voegde deze er nog als toelichting bij, meteen zijn boekje dichtflappend en het weer in zijn binnenzak verstoppend.
De maaltijd die even onder het gesprek was opgeschorst, ging verder door.
* * * * *
Het was een wilde, stormachtige najaarsavond. Daarbuiten gierde de wind in de schommelende kruinen der boomen, die van regen afdropen. Binnen, in de ruime eetkamer was het gezellig. Frissche bloemen versierden de tafel, de lampen gloeiden zacht onder warmkleurige kappen en een groot houtvuur brandde flikkerend en knappend in den breeden haard.
Soms hoorden wij vaag geluid en gestommel in den donkeren nacht. Dat kwam uit de oranjerie, vlak bij het huis, waar de manschappen op stroo ter ruste lagen. Vijftig lagen er. Vijftig jonge kerels, allen vrijwilligers, spontaan en moedig opgekomen tot verdediging van het bedreigde vaderland. Alle maatschappelijke standen waren er vertegenwoordigd. Er lagen barons en graven, en zonen van ministers, naast boerenzoons en dokwerkers. Het "couvre-feu" had reeds geklonken, maar zij waren jong en opgewekt en levenslustig en sommigen neurieden nog liedjes, of maakten grapjes en hielden praatjes, bij 't zwakke schijnsel van het nachtpitje, dat daar in een hoek bleef branden. Zij hadden dapper gestreden te M.; zij hadden enkele dagen getreurd en gerouwd om hun gevallen kameraden, doch dat was nu reeds een beetje vergeten en zij verlangden allen maar om zoo spoedig mogelijk weer naar 't front te mogen gaan.
Daarachter lag, in najaarsduisternis, de groote tuin en verder 't eenzaam dorpje. Het was er stil, doodstil. De bange menschen gingen er vroeg naar bed. Maar af en toe raasde er toch een woest gesnor doorheen en 't oogenblik daarna zagen wij, door de heldere ramen der eetkamer, een groot, schel licht op ons afkomen.
Dat was dan een estafette op een motorrijwiel. 'n Tikje op de glazen deur, 'n kort "entrez" van een der officieren en de deur werd geopend, windgeloei en kille regenlucht binnenlatend, terwijl de boodschapper, aanslaande, drijfnat op den drempel verscheen.
Hij gaf zijn boodschap af en wachtte. Een van de officieren las, met gefronste wenkbrauwen. De anderen staarden den lezende aan. De even schelverlichte takken van de in den storm gezwiepte boomen, wuifden nattigglanzend in de duisternis heen en weer en uit de nog vaag-verlichte oranjerie klonk even iets duidelijker het gegons en gepraat en geneurie en gedempt gelach der op hun stroobed gelegerde manschappen tot ons door.
Dat duurde zoo enkele oogenblikken. Dan deelde de officier de boodschap aan zijn makkers mede, een antwoord werd met potlood op een stuk papier gekrabbeld en overhandigd aan de estafette, die nogmaals aansloeg en weldra weer met zijn snorrend, ploffend, hitsend motorwiel, in de natte, kille duisternis van den stormnacht tusschen de druipende boomen van het park verdween.
* * * * *
Wij waren aan het nagerecht gekomen. Het kon zoowat half tien zijn. De officieren, nu niet meer verwachtend, dat zij op dit late uur nog gestoord zouden worden, maakten het zich gezellig. De koffie dampte geurig in de kopjes, de sigaren waren aangestoken, de likeurglaasjes gevuld. Eenige versche blokken werden nog op het haardvuur gegooid, dat lustig opknetterde; en men strekte de vermoeide beenen naar de roode vlammen uit.
Wij spraken over den oorlog. Waarover zouden wij ook anders wel gesproken hebben? De twee kapiteins waren reserve-officieren; de jonge luitenant behoorde tot het actieve leger. En 't leek wel vreemd, dat de twee reserve-mannen, die reeds jaren lang uit den dienst getreden waren, verreweg het meest-militaire voorkomen vertoonden, terwijl de jonge luitenant van het actieve leger niets geen krijgshaftig uiterlijk had. Lang en slank was hij en ietwat voorovergebogen, met een heel zachte en droomerige, bijna meisjesachtige expressie in zijn groote, blauwe oogen en zijn frisch-roze gelaat.
Toen wij daar een tijd gezeten hadden, vroeg de jonge man mij, op een stillen, haast bedeesden toon, of hij soms een beetje op de piano mocht spelen.
Hij speelde... Het klonk zacht, in ordertoon, een beetje melancholisch. Hij scheen zijn eigen, innige gewaarwordingen te vertolken en nogmaals voelde ik in hem het schril kontrast tusschen die zachtheid en het harde en barre van zijn levenstaak in dezen wreeden oorlogstijd. Hij speelde voor zich zelf en de anderen luisterden niet naar hem. Zij warmden hun voeten bij het vuur, dat lustig vonkte en knetterde en gingen door met hun gesprek. Buiten hoorde men nog steeds het loeien van den wind en het aanslaan van den regen tegen de luiken, die het dienstmeisje gesloten had. Uit de oranjerie klonk nog vagelijk een deuntje op, een eigenaardig wijsje, dat een der jongens daar op zijn stroobed lag te fluiten.
Toen werd er binnen op de deur geklopt.