Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 8
Hier heeft bovendien de eerste stap geleid tot een haast logisch noodzakelijke consequentie, die principieel alweer iets verder van den rechten weg af voerde en die practisch weinig voldaan heeft. Daarmede doel ik op het tweede deel van de in September 1915 doorgevoerde reorganisatie van de regeling der uitvoerconsenten. Zooeven wees ik er reeds op, dat het eerste deel daarvan, namelijk het brengen van verband tusschen de verschillende consenteninstituten, een verbetering was. Ditzelfde kan m. i. niet worden getuigd van het andere deel dier reorganisatie, namelijk de vervanging der Regeeringsbureaux op den uitvoer van voedingsmiddelen door vereenigingen van belanghebbenden, welke werkten onder toezicht van commissies, waarvan de leden door den Minister van Landbouw werden benoemd. Waar bij de geheele regeling der uitvoerconsenten allengs het privaatrechtelijk beginsel van het „do ut des” meer op den voorgrond kwam, kon de uitvoering daarvan practisch inderdaad beter worden toevertrouwd aan privaatrechtelijke vereenigingen van belanghebbenden, dan aan krachtens hun oorsprong (tijdelijke) staatsrechtelijke bureaux. Die vereenigingen van belanghebbenden konden met de individueele exporteurs veel beter onderhandelen, zoowel over het voor binnenlandsch verbruik beschikbaar te stellen quantum tegenover elken uitvoer, als over den prijs, waarvoor de beschikbaar te stellen hoeveelheden moesten worden afgestaan. Een nadeel was echter, dat door haar den hoofdinvloed te geven op de uitvoering der regeling, het groepsbelang der exporteurs van een bepaald voedingsmiddel veel te sterk op den voorgrond kwam tegenover het algemeen belang van den consument. Het boven[6] aangestipte bezwaar der onwillekeurige eenzijdigheid van speciale vakdeskundigen, deed zich hier in sterk verhoogde mate gelden. De door den Minister benoemde commissies van toezicht konden dat bezwaar wel temperen en zij hebben het ook stellig wel getemperd; wegnemen konden zij het niet. Daartoe lag het te veel in het wezen der geheele uitvoerregeling.
[6] Zie bl. 55/6.
Het denkbeeld om in die commissies van toezicht een overwegende plaats toe te kennen aan leden van de Tweede en de Eerste Kamer heeft heel wat critiek ondervonden. Toch is het verklaarbaar genoeg, hoe het Departement van Landbouw daartoe is gekomen, al wil ik aanstonds toegeven, dat het geen gelukkig denkbeeld was en dat de ervaring, welke er mede is opgedaan, niet gunstig kan worden genoemd. Er werden in de Tweede Kamer zeer vaak klachten geuit, waaruit bleek, dat de klagende volksvertegenwoordigers de moeilijkheden, welke de Regeering bij haar noodgedrongen optreden op een haar zoo vreemd terrein ondervond, veel te gering schatten. Het kan daarom geen verwondering wekken, dat dit bij den heer Posthuma het denkbeeld deed rijpen, de volksvertegenwoordigers nader bij de zaak te brengen en hen de moeilijkheden daarvan te doen proeven. Er werd inderdaad mede bereikt, dat verschillende Kamerleden meer inzicht in die moeilijkheden kregen, maar dit voordeel werd voor een te hoogen prijs gekocht. Eenerzijds was het gevolg, dat de voorzittende Kamerleden van de commissies van toezicht op den uitvoer van land- en tuinbouwproducten zich eenigszins begonnen te gevoelen en te gedragen als onder-ministertjes, die, zonder verantwoordelijk te zijn, mochten meeregeeren; en anderzijds dat de werkelijke Minister, in verband daarmede, de teugels van het bewind niet zoo vast in handen kon houden, als juist in den abnormaal moeilijken oorlogstijd dubbel noodig was. De verantwoordelijkheid raakte feitelijk eenigszins verdeeld, hoewel zij staatsrechtelijk natuurlijk uitsluitend op den Minister bleef rusten. Het eindresultaat was, dat toen tot overmaat van ramp de Minister van Landbouw door ongesteldheid tijdelijk buiten gevecht gesteld werd, de feitelijke en de grondwettelijke verantwoordelijkheid zich nauwelijks meer dekten en er een practische veelhoofdigheid in het bestuur der levensmiddelenvoorziening kwam, die den wagen geheel uit het spoor bracht. De bevolking begon, niet geheel ten onrechte, beangst te worden en de Minister van Binnenlandsche Zaken, optredende als feitelijk interimair Minister van Landbouw, werd genoodzaakt tot forsch ingrijpen om den wagen weer aan het rollen te brengen. Op een helaas voor de bevolking wat zeer voelbare wijze werd zoodoende weer eens door de ervaring bevestigd, dat gedeelde verantwoordelijkheid geen verantwoordelijkheid is.
En niet slechts de verbruikers waren beangst en ontstemd, ook de boeren waren ontevreden. De grondtoon van hun ontevredenheid was verbolgenheid over het feit, dat zij niet zooveel oorlogswinst konden maken als zonder beperking van den uitvoer het geval zou zijn geweest. In zoover was die ontevredenheid menschelijk, maar onredelijk. Na hetgeen ik boven[7] over oorlogswinst en beperking daarvan door uitvoerverboden schreef, behoef ik dit oordeel hier niet opnieuw te staven. Ik zou daardoor slechts in herhaling vervallen.
[7] Zie bl. 49-53.
Daarnaast hadden de boeren een andere grief, die alleszins reden van bestaan had. Ik maakte er reeds melding van, hoe de uitvoerregeling bij de kaas op mislukking uitliep. Met de andere voedingsartikelen, waarvoor een analoge regeling was getroffen, ging het over het algemeen wel beter, maar toch waren ook hier te veel lekken. En te dikwijls is het voorgekomen, dat producten, die door de boeren tegen matigen prijs moesten worden afgestaan om voor het overige van hun voorraad uitvoerconsent te verkrijgen, in stede van hun bestemming te bereiken, werden opgekocht door tusschenhandelaars, die toch gelegenheid zagen ze met grove winst over de grenzen te krijgen of ze als vrij goed binnenslands te verkoopen. Dat de boeren daartegen in opstand kwamen, is niet slechts menschelijk, maar volkomen gerechtvaardigd tevens. De oorlogstoestand heeft een aantal knoeiende beunhazen gekweekt, die door allerhande practijken, welke nu eens lijnrecht tegen de wet ingaan, dan weer langs de grens der strafbaarheid heenglijden, alle maatregelen, welke in het belang der volksvoeding moeten worden genomen, in de uitvoering bemoeilijken. Deze schadelijke parasieten, die wel voornamelijk maar helaas niet uitsluitend onder de gelegenheidshandelaars worden aangetroffen, zijn een ware nachtmerrie voor de Regeering. Voor den Minister van Landbouw zijn zij wat de smokkelaars zijn voor den Minister van Financiën. Voortdurend moet tegen hen strijd worden gevoerd. Hun optreden heeft er meer dan iets anders toe geleid, dat de regeeringsbureaux tot het afgeven van consenten, werden vervangen door vereenigingen van belanghebbenden, werkende onder contrôle van commissies van toezicht, en deel uitmakende van de over het heele land vertakte organisatie der Rijks-levensmiddelendistributie. Die verandering in de regeling is echter evenmin voldoende geweest om het kwaad te keeren.
Niemand beelde zich in, dat men dit euvel geheel den kop zal kunnen indrukken. Het is een voortdurende strijd, waarbij na elken nieuwen maatregel de beunhaas en de smokkelaar nieuwe wegen vinden, om dien te ontduiken. Dat het hen, die een deel van hun waar tegen betrekkelijk lagen prijs moeten afstaan, grootelijks ontstemt, wanneer zij ontdekken, dat anderen zich daarmede onrechtmatig verrijken, is volkomen begrijpelijk; zij zouden sukkels zijn, indien het anders ware. _Die_ ontstemming kan men den boeren dan ook waarlijk niet kwalijk nemen. In dit opzicht beginnen zij eerst ongelijk te krijgen, als zij wegens de knoeierijen en ontduikingen, waartegen men wel den strijd kan en moet aanbinden, maar die men niet geheel verhinderen kan, het geheele ingrijpen der Regeering veroordeelen. Alleen dan zou hun conclusie te dezen aanzien gerechtvaardigd zijn, indien de Regeering niet voortdurend deed wat in haar vermogen is, om dat geknoei zooveel mogelijk tegen te gaan, of indien zij daartegenover zóó machteloos stond, dat zij wel den boeren een deel van hun kans op oorlogswinst wegnam, maar daarmede de volksvoeding weinig of niet hielp. Ja, dan zou men zich aan de zijde der pruttelende boeren moeten stellen. Een ingrijpen dat zijn doel niet bereikt en alleen de boeren zou beletten zooveel winst te maken, als zij anders zouden kunnen doen, zou inderdaad zich zelf veroordeelen.
Maar zoo erg is het gelukkig niet. Uit de bovenstaande bladzijden blijkt voldoende, dat ik geen onverdeeld bewonderaar ben van de regeling der uitvoerconsenten en de fouten daarvan niet wil verbloemen, maar al zou het effect zonder die fouten grooter zijn geweest en al moet worden erkend, dat er lekken zijn, welke men niet heeft weten te stoppen, toch is die voorziening niet gelijk te stellen met water gieten in een bodemloos vat. Verre van dien. Ondanks alles heeft zij zeer nuttig gewerkt. In de eerste plaats mag dankbaar worden gewag gemaakt van hetgeen geschied is met de beschikbaarstelling van regeeringsvarkens; daardoor is het varkensvleesch op groote schaal gebleven binnen het bereik ook van de kleinere beurzen. Daarnaast mogen ook de regeeringsboter, de regeeringsgroenten en zeker ook de regeeringsvisch worden genoemd, al heeft het met die groenten wel eens leelijk gehokt.
Niet op inkrimping en nog minder op ontijdige opheffing der beperkingen van den uitvoer van levensmiddelen, waarvan het land meer voortbrengt dan voor de eigen behoefte noodig is, moet voorloopig worden aangestuurd. Niet wegwerpen van het in den oorlogstijd onmisbare, omdat het gebreken heeft, maar rusteloos en gestadig zoeken naar- en aanbrengen van verbetering daarin, principieel en practisch. Dat is wat de buitengewone toestanden vragen; dat is ook wat de Regeering onverpoosd nastreeft en wat zij beter zal bereiken, naar gelang zij 1º. zich meer rekenschap geeft zoowel van de principieele beteekenis harer daden, als van de onwillekeurige partijdigheid van belanghebbende raadgevers en medewerkers, ook al zijn dezen volkomen te goeder trouw, en 2º. bij de uitvoering harer maatregelen zelve de teugels vaster in handen houdt.
Voor zoover ik in de voorafgaande bladzijden ook critiek liet hooren, heb ik dat niet gedaan zonder schroom. Echter treft mijn critiek voor een deel ook mijzelven. Maar wat mij vooral mijne aarzeling deed overwinnen, was de overweging dat de levensmiddelenvoorziening van zoo groot belang is en ook na het sluiten van den vrede nog eenigen tijd blijven zal, dat andere overwegingen daarvoor moeten wijken. Hieronder[8] zal nog nader blijken hoezeer mijn critiek een opbouwend karakter heeft.
[8] Zie bl. 89-91.
Tot besluit van deze paragraaf nog een enkel woord over de regeeringsvisch. Regeeringsvisch is niet alleen natuurwetenschappelijk iets anders dan regeeringsboter, regeeringsvarkens of regeeringsgroenten. Hij wijkt daarvan ook af door een ietwat anderen oorsprong als regeeringswaar. In het begin van de oorlogscrisis had het allen schijn, dat het moeilijk zijn zou, voor de producenten der visscherij het gewone afzetgebied te vinden. Het Kon. Nat. Steuncomité trachtte toen niet zonder succes mosselen, welke anders grootendeels worden uitgevoerd, met name naar België, hier te lande als volksvoedsel ingang te doen vinden. Het richtte daartoe den 17den October 1914 een circulaire aan de plaatselijke comités en riep ook de tusschenkomst van de Commissarissen der Koningin in, om de medewerking der burgemeesters te verkrijgen ter algemeene verspreiding van dat stuk. Daarin werden zelfs recepten gegeven, hoe de mosselen op verschillende wijze bereid kunnen worden. Tevens werd toen, op initiatief van het Comité, te Tholen een Centraal Bureau opgericht voor de bevordering van den afzet van Zeeuwsche mosselen. Door dat bureau werden mosselen tegen zeer lagen prijs aangeboden. Weldra greep ook de Regeering in en werd een poging gedaan om meer in het algemeen het verbruik van producten der visscherij onder de bevolking van ons eigen land te bevorderen. In de Tweede Nota betreffende den Economischen Toestand, welke van Januari 1915 dagteekent, wordt daarvan gezegd:
„Opgericht werd een Centraal Bureau voor den afzet van visscherijproducten, dat onder leiding is gesteld van de visscherijinspectie in samenwerking met de vertegenwoordigers der visscherijorganisaties. Dit bureau, gevestigd te Amsterdam, stichtte daar een vischbakkerij, waarin reeds groote hoeveelheden spiering gebakken worden, welke aan het leger, aan vluchtelingen- en interneeringskampen en ook aan de gemeente Amsterdam geleverd werden. Deze laat het product in een aantal winkels verkoopen. Ook organiseerde het bureau reeds den verkoop van versche spiering door venters, terwijl het bovendien aan verschillende gemeentebesturen advies gaf over den inkoop van visch van gemeentewege, of de inrichting van gemeentelijke vischmarkten.”
In een latere Nota schrijft de Minister van Landbouw:
„Het Centraal Bureau voor den afzet van visscherijproducten zette in het 2e kwartaal van dit jaar (1915) met succes zijn werkzaamheden voort.
„Toen de spieringaanvoer minderde, werd voor de bakkerij ook eerst Zuiderzeeharing en later vooral Noordzeevisch door bemiddeling van het Centraal Bureau verkocht, hetzij doordat te Amsterdam en ’s Gravenhage vanwege het bureau zelf in marktkramen en halletjes verkocht werd, hetzij door levering aan gemeenten.
„Het aantal gemeentebesturen, dat door tusschenkomst van het bureau visch betrok, was aan het einde van het kwartaal tot 49 gestegen.
„Tijdens de stagnatie van de trawlvisch-aanvoer door moeilijkheden ten aanzien van de kolenvoorziening der stoomtrawlers en het mijnengevaar, werd door het Centraal Bureau ook aal verkocht, hetgeen ten goede kwam aan de visscherij in de Zuidhollandsche stroomen en benedenrivieren.”
Uit deze mededeelingen blijkt zonneklaar, dat de oorsprong van dit centraal bureau heel anders is dan die van de andere distributiebureaux. Terwijl deze laatste werden opgericht ter voorziening in de behoefte van verbruikers, was het bij het vischbureau juist andersom gesteld. De verbruikers profiteerden wel van het bureau, maar dit was een gelukkig gevolg van het eigenlijke doel: hulpverleening aan de in moeilijkheden geraakte visscherij. Indien het zoo gebleven was, zou ik van deze aangelegenheid hier in het geheel niet hebben gesproken en de zaak behandeld hebben in hoofdstuk V, waar ik de takken van ons volksbestaan gedurende de oorlogscrisis bespreek.
In den loop van het jaar 1915 werden echter ten aanzien van de visscherij, met uitzondering van enkele onderdeelen, met name de mossel- en de oestervisscherij, de bordjes verhangen. Van noodlijdend werd de visscherij, inzonderheid de trawl- en de haringvisscherij, ongekend winstgevend door eene buitengewone toeneming van de buitenlandsche (Duitsche) vraag. Zij kwam toen in een overeenkomstige positie als de exporteurs van boter, kaas, varkensvleesch, groenten enz. In verband daarmede werd in November 1915 een Zeevischvereeniging opgericht, om een deel van de aangevoerde kleine trawlvisch en zekere hoeveelheden haring ter beschikking te stellen voor binnenlandsch verbruik. Met die verandering in den toestand kwam de regeeringsvisch in hetzelfde schuitje met de regeeringsgroente. De afwijkende oorsprong heeft echter op de distributie van die visch een gunstig gevolg gehad.
§ 2. _De levensmiddelenwet._
Zelfs al was de regeling der uitvoerverboden en -consenten zonder gebreken geweest, dan zou zij toch niet voldoende geweest zijn. Om aan de bevolking het verkrijgen der benoodigde levensmiddelen tegen niet te hoog opgedreven prijzen te waarborgen, was meer noodig.
Zooals in de inleiding werd in herinnering gebracht, gaven de huisvrouwen in het laatst van Juli en in de eerste dagen van Augustus 1914 uiting aan den schrik, die haar op het vernemen der berichten omtrent het uitbreken van den oorlog om het hart sloeg, door de winkels van eetbare waren te bestormen en voorraden van allerlei levensmiddelen en huishoudelijke verbruiksartikelen in te slaan. Dit gaf aanleiding dat sommige winkels werden uitverkocht en dat hier en daar fancy-prijzen werden gevraagd, welke, in den schrik welke de bevolking bevangen had, gereedelijk werden betaald door de koopsters, die daartoe in staat waren. Deze uiting van oorlogspaniek was tegelijk zóó onverwacht en zóó hevig, dat daartegen zonder verwijl moest worden opgekomen. Zij gaf aan het kamerlid Schaper den 31en Juli 1914 aanleiding, aan de Regeering de schriftelijke vraag te stellen, wat zij tot het tegengaan van prijsopdrijving van levensbenoodigdheden dacht te doen. Die vraag werd door _Het Volk_ in het nummer van Vrijdag-avond 31 Juli bekend gemaakt en den volgenden ochtend overgenomen in de ochtend-edities van de groote dagbladen. Daardoor nam ik er kennis van, nog voordat mij het officieele bericht van den Voorzitter der Tweede Kamer daaromtrent bereikte. Ook zonder dat die vraag gesteld was, zou men de prijsopdrijving niet ongestoord haar gang hebben laten gaan; dit neemt intusschen niet weg, dat het bloote doen der vraag reeds nuttig werkte. De Regeering had in die dagen als het ware naar alle zijden tegelijk te zien en te voorzien. Het was haar niet mogelijk alles wat er omging en voorziening vereischte, zelve waar te nemen. Veel was er, dat zij hetzij uit de dagbladen, hetzij uit vragen of mededeelingen van belanghebbenden of belangstellenden vernemen moest. Door de vraag van den heer Schaper werd haar aandacht bijtijds gevestigd op het gevaar, dat ten aanzien der prijsopdrijving van levensmiddelen dreigde.
Het was aanstonds duidelijk dat de bestaande onteigeningswet niet voldoende was om het opkomende gevaar te keeren en dat het langs den weg van uitbreiding dier wet gekeerd worden moest. Zaterdag ochtend onder het gaan naar het Ministerie overwoog ik de hoofdpunten van hetgeen hier noodig was. Daar gekomen, zette ik die hoofdpunten op het papier als schema voor een wetsontwerp met een korte Memorie van Toelichting. Aan den chef der afdeeling Handel werd door mij opgedragen, ze in den vereischten vorm te gieten en daaromtrent voor zooveel noodig de Departementen van Binnenlandsche Zaken en van Justitie te raadplegen. Persoonlijk besprak ik de zaak met den heer Cort van der Linden, van wien het ontwerp, daar het een aanvulling van de onteigeningswet betrof, formeel in de eerste plaats moest uitgaan. Naar aanleiding van opmerkingen van de Departementen van Binnenlandsche Zaken en van Justitie werd het stuk, dat tegen den middag in zijn eersten vorm gereed was gekomen, voor zooveel noodig gewijzigd en aangevuld. Hoewel ’s middags ook een belangrijke en vrij langdurige vergadering met personen uit de financieele wereld moest worden gehouden, was het toch omstreeks 7 uur ’s avonds zoover, dat ik aan de Koningin een audiëntie kon aanvragen om het ontwerp aan H. M. voor te leggen. De Koningin, die in die dagen met allerlei spoedzaken door Hare verschillende grondwettelijke raadslieden werd overstelpt, had den Voorzitter van den Ministerraad doen weten, dat alle leden van het Kabinet konden verzoeken in gehoor te worden ontvangen, zoo dikwijls zij dit voor dringende aangelegenheden noodig oordeelden. Bovendien had H. M. er voor gezorgd, dat voortdurend een der ambtenaren van Haar Kabinet ten Paleize aanwezig was, om de verdere behandeling van urgente stukken zooveel mogelijk te bespoedigen. Hoewel aan het ontwerp onophoudelijk was gewerkt, werd het toch ongeveer negen uur ’s avonds, vóórdat ik het stuk in den vorm, waarin het aan de Koningin kon worden voorgelegd, naar het Paleis kon medenemen. Toen ik met een enkel woord de strekking van het ontwerp uiteenzette, zeide de Koningin mij, dat Zij dienzelfden dag zeer was getroffen door de bestorming van winkels, welke Zij zelve had opgemerkt en dat Zij met genoegen zag, dat terstond een maatregel was voorbereid om het hieruit te duchten gevaar te keeren. Hoewel hetgeen ten Paleize binnenskamers tusschen de Koningin en een van Haar raadslieden wordt besproken, geheim is en behoort te blijven, ben ik wel niet onbescheiden en verklap ik geen staatsgeheim door te dezer zake een tipje van den sluier, die om zulke besprekingen hangt, op te lichten. Hare Majesteit gaf mij verlof het ontwerp uit Haar naam onverwijld naar den Raad van State om advies te zenden en teekende voorloopig het exemplaar, dat ik achterliet, boven op het stuk af, opdat de Directeur van Haar Kabinet daaruit voorloopig reeds Haar instemming met het ontwerp zou zien. Zoo werkte in die gedenkwaardige dagen ieder, de Koningin aan het hoofd, mede om den gang van zaken te bespoedigen en werd over formaliteiten, die vertraging teweegbrengen, heengestapt.
Intusschen was de Ministerraad van acht uur af bijeen ter behandeling van verschillende dringende onderwerpen en waren in een afzonderlijke kamer van het Ministerie van Justitie eenige ambtenaren van dat Departement en van die van Landbouw en van Binnenlandsche Zaken samengekomen, om het ontwerp nog nader onder handen te nemen, naar aanleiding van de opmerkingen, welke de Raad van State mocht maken. Toen ik in het gebouw van het Departement van Justitie, waar de Ministerraad pleegt te vergaderen, gekomen was, ging ik eerst naar de kamer van den Secretaris-Generaal. Daar vertelden mij de heeren, die er met het zooeven aangewezen doel samengekomen waren, dat de Raad van State uiteen was gegaan en den volgenden ochtend opnieuw zou vergaderen. Aangezien het ontwerp van zeer urgenten aard was en, zoo eenigszins mogelijk, behandeld moest worden in de vergadering van de Tweede Kamer, die Maandag 3 Augustus bijeenkwam, kon ik die mededeeling niet eenvoudig voor kennisgeving aannemen. Telefonisch kreeg ik er den hoofdcommies die in het gebouw van den Raad van State achtergebleven was, toe, dat hij den waarnemenden vice-voorzitter van den Raad (de heer Röell was kort te voren overleden en een nieuwe vice-voorzitter was nog niet benoemd) zou mededeelen, dat er een bij uitstek dringend ontwerp was ingekomen en dat de Regeering het zeer op prijs zou stellen, als zij nog dienzelfden avond of nacht het advies van den Raad daaromtrent zou kunnen ontvangen. De waarnemende voorzitter bleek aanstonds bereid zijne medewerking te verleenen. De leden van den Raad van State werden terstond voor een spoedvergadering op denzelfden avond opgeroepen en des nachts omstreeks half één of één uur kwam het advies in. De Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Justitie waren met mij in de vergaderzaal van den Ministerraad gebleven ter behandeling van het ontwerp naar aanleiding van het in aantocht zijnde advies. De zooeven genoemde ambtenaren hadden het intusschen nog eens zorgvuldig van alle kanten bekeken, zoodat de slotredactie, toen het advies van den Raad van State ingekomen was, spoedig kon worden vastgesteld. Het ontwerp kon nu den volgenden ochtend aan de Tweede Kamer worden aangeboden en zóó tijdig aan de leden van de beide kamers worden rondgezonden, dat zij er nog vóór de vergadering op Maandag den 3den Augustus van konden kennis nemen. Na formeel in de afdeelingen te zijn onderzocht, werd het nog denzelfden dag met eenige andere zeer urgente wetsontwerpen door beide Kamers der Staten-Generaal aangenomen; des avonds verscheen het, door de Koningin bekrachtigd, in het Staatsblad. Sneller levensloop, van het eerste stadium der overweging van zijn inhoud tot zijn metamorphose als van kracht zijnde wet toe, heeft wel nooit een wetsontwerp gehad.
De strekking kan ik het eenvoudigst duidelijk maken door het overnemen van de Memorie van Toelichting.
De zeer buitengewone omstandigheden, waarin Nederland thans verkeert, maken een ingrijpen van den wetgever ter voorkoming van het gevaar van vasthouding en prijsopdrijving van levensmiddelen grondstoffen van levensmiddelen, huishoudelijke artikelen en brandstoffen, dringend noodzakelijk.