Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 6

Chapter 63,653 wordsPublic domain

Ik sta hierbij stil, omdat mij meer dan eenmaal is gebleken, dat men zich niet genoegzaam rekenschap geeft van den eenigen, maar dan ook afdoenden, rechtvaardigingsgrond van economische uitvoerverboden in oorlogstijd. Zulke verboden belemmeren onvermijdelijk den handel in bepaalde voedingsmiddelen, zoo zij dien niet tijdelijk geheel stopzetten, en doen daardoor aan de producenten van- en de handelaars in die waren oorlogswinsten derven, welke door hen anders zouden kunnen zijn genoten. Herhaaldelijk nu kan men de beschouwing hooren, dat de Regeering er mede rekening moet houden, door haar uitvoerverboden een bepaalde groep van producenten of van handelaars niet onevenredig veel in het maken van oorlogswinst te kortwieken. Zoo herinner ik mij een opmerking uit tuinbouwkringen, dat het toch niet zou aangaan den uitvoer van kool in zoodanige mate te verbieden, dat grootere stijging van den binnenlandschen prijs dan noodig is ter goedmaking van de verhooging der productiekosten, zou worden voorkomen. Bij die wijze van optreden der Regeering zou--zoo redeneerde men--een klein deel van het land (hier de zoogenaamde „Streek” in Noord-Holland) zoo goed als den ganschen last dragen van de voorziening der bevolking met deze in normale tijden binnen ieders bereik liggende groente.

Indien ik mij in de eerste oorlogsweken door zulk een overweging had laten leiden, zou--om slechts één voorbeeld te noemen--onze rijstreserve over de grenzen zijn verdwenen. De druk van het absolute uitvoerverbod van rijst, m. a. w. het vernietigen van verwachtingen op verder nog te maken oorlogswinst, kwam geheel neer op een nog heel wat kleinere groep van rijstpellers en rijsthandelaars.

Niet minder dan door de zooeven bedoelde beschouwing, werd ik getroffen door een betoog van een bekend landbouwkundige in een overigens zeer verdienstelijke en verdiende verdediging van het beleid van Minister Posthuma, die door het publiek hoogst onbillijk wordt beoordeeld, omdat men de moeilijkheden van de taak, waarvoor hij is gesteld, niet kent, of die moeilijkheden onderschat, voor zoover men er begrip van heeft. In het bedoelde betoog, dat in Juni jl. in een onzer groote dagbladen als hoofdartikel werd opgenomen, wordt er de nadruk op gelegd: dat de maatregelen van het Ministerie van Landbouw betreffende de beperking van den uitvoer van landbouw- en veeteeltproducten den boeren reeds op een derving van oorlogswinst te staan komen, die op meer dan ƒ 70 millioen werd berekend; dat men wel behoort te overwegen, hoe land- en tuinbouw, ondanks de binnenlandsche prijsstijging hunner producten, derhalve reeds een veel grootere bijdrage in de lasten van den oorlogstoestand leveren, dan welke andere groep van producenten of handelaars ook, en dat men dus bescheiden zijn moet in zijn verlangen naar nog verdere beperking van den uitvoer hunner artikelen, waardoor de winstderving voor die breede groepen der bevolking nog grooter worden zou.

Waren dergelijke uitingen niet meer en niet anders dan verklaarbare opvattingen uit de kringen van belanghebbenden, dan zou men er zich niet over behoeven warm te maken. Zóó onschuldig zijn zij echter niet. In de stukken, welke dezen zomer van het Ministerie van Landbouw uitgingen, komen uitingen voor, die doen vreezen dat men aan de afdeeling Landbouw, de afdeeling van het Departement, welke zich met de levensmiddelenvoorziening in het bijzonder heeft bezig te houden, ook in dien gedachtengang is gekomen. Dat nu is voor de bevolking niet zonder gevaar.

Maatregelen, waardoor in oorlogstijd de prijs van bepaalde voedingsartikelen belet wordt buitensporig hoog boven het normale te stijgen, missen hun rechtsgrond, wanneer zij niet door het algemeen belang der bevolking worden geboden. Maar gebiedt dit eenmaal het nemen daarvan, dan hebben bepaalde categorieën, van producenten of van handelaars, die daardoor worden verhinderd van zulke buitensporig hooge prijzen en van nog hoogere prijzen over de grenzen vrijelijk profijt te trekken, geen recht van beklag. In het maken van oorlogswinst ligt op zich zelf niets onbehoorlijks, maar niemand heeft recht, dat hem de kans op een oorlogswinst zou worden gelaten, die alleen kan worden binnengehaald, als de overheid ter wille van de trekkers daarvan nalaat of beperkt, wat zij anders in het belang der volksvoeding zou hebben gedaan.

De mogelijkheid van het maken van oorlogswinsten door bepaalde groepen van de bevolking is een gevolg van de hoogst abnormale toestanden, door den oorlog op economisch gebied te voorschijn geroepen. Daartoe behoort zoowel de noodzakelijkheid, dat de Regeering landbouw en industrie helpt bij den aanvoer van grond- en hulpstoffen, als dat zij hen in hun afzetgebied beperkt door, met of zonder uitzonderingen, de grens te sluiten voor dat deel hunner producten, waaraan hier gebrek is of zonder die beperking zou ontstaan. Waar en voor zoover eenerzijds zulk een regeeringsinmenging voor aanvoer van grond- of hulpstoffen en anderzijds zulk een beperking van het afzetgebied noodig zijn, behooren ook zij tot de omstandigheden, die de mate bepalen, waarin verschillende groepen van producenten van den oorlogstoestand profiteeren of daaronder lijden.

Wanneer, om bij den landbouw te blijven, van de boeren wordt gezegd, dat zij hun oorlogswinst aan de Regeering hebben te danken, is dat overdreven en daardoor onjuist. Bij die voorstelling wordt aan één factor in de buitengewone omstandigheden een beteekenis gegeven, als bepaalde hij die omstandigheden, in stede van er een product en door wisselwerking een schakel van te zijn. Maar wanneer daartegenover wordt gezegd, dat men bij die voorstelling de zaken op den kop zet, is dat nog minder juist. Oorlogswinsten, die hadden kunnen zijn gemaakt, indien de Regeering niet verplicht was geweest ter wille van de volksvoeding den afzet naar buiten te beperken, zijn oorlogswinsten, die onder de omstandigheden, welke de oorlog in het leven riep, juist niet te maken zijn; immers dezelfde oorzaak, die de buitengewone winstkans schept, schept tegelijkertijd den breidel, welke daaraan wordt gelegd. Zonder den oorlog zou de Regeering inderdaad den uitvoer van allerlei levensmiddelen vrij hebben gelaten, maar zonder den oorlog zouden de prijzen buitenslands daarvan niet zoodanig zijn gestegen, dat abnormale winsten met den uitvoer dier producten zouden zijn te maken geweest, welke te gelijk gevaar voor schaarschte en gebrek binnenslands deden ontstaan. Zonder oorlog zou er inderdaad geen reden zijn voor begrenzing van oorlogswinsten door uitvoerverboden, maar zonder oorlog zouden er nu eenmaal geen oorlogswinsten zijn. Om hazepeper te maken heeft men een haas noodig.

Wat de overheid met het stellen van uitvoerverboden en het regelen van vergunningen als uitzonderingen daarop doet, ligt op een terrein, waar zij zich in normale omstandigheden behoort buiten te houden en zich ook zorgvuldig buiten houdt. Het betreden daarvan is alleen gerechtvaardigd door den zeer buitengewonen toestand, welken de oorlog doet ontstaan; gaat de overheid daartoe, gedrongen door den nood der omstandigheid, over, dan weet zij dat zij onvermijdelijk bepaalde oorlogswinstverwachtingen den bodem moet inslaan, en met zoo veler persoonlijke belangen in botsing komt, dat haar daad veel gelijkt op het roeren in een wespennest. Men doet dit niet, dan wanneer en voor zoover het strikt noodzakelijk is; maar als men er toe overgaat, houde men zich aan het recept, dat, naar beweerd wordt, van Bismarck afkomstig is: „Greif’ niemals in ein Wespennest; doch wenn du greifst, so greife fest!”

* * * * *

Het zou mij te ver voeren en in een vervelende opsomming ontaarden, indien ik poogde een volledig beeld te geven van de allengs door den drang der omstandigheden toenemende lijst der uitvoerverboden in den oorlogstijd en van de motieven, welke tot het stellen van elk dier verboden leidden. Ik bepaal mij tot enkele van de meest belangrijke voedingsartikelen. De overgroote meerderheid der andere uitvoerverboden weken van dat van suiker in zoover af, dat de naaste aanleiding daartoe niet gelegen was in abnormaal grooten uitvoer of gewettigde vrees daarvoor naar Engeland, doch naar Duitschland. In de geheele uitvoerpolitiek waartoe Nederland door de omstandigheden werd gedwongen, doet zich de terugslag gevoelen van den economischen oorlog door de geallieerden, met name door Groot-Brittannië, tegen de centrale mogendheden, en wel in de eerste plaats tegen Duitschland, gevoerd.

De later daar zoo nijpend geworden schaarschte aan boter en vet, maakte het spoedig raadzaam door het stellen van een verbod van uitvoer van boter, met organisatie van een stelsel van uitvoerconsenten, op het voetspoor van hetgeen ten aanzien van de suiker was geschied, te voorkomen dat van dit nationale exportartikel zooveel zou worden uitgevoerd, dat voor het binnenlandsch verbruik niet genoeg zou overblijven. De regeling, welke voor den boteruitvoer werd getroffen, kwam nog tot stand vóór ik van het Ministerie van Landbouw naar dat van Financiën overging. Zij dagteekent van 29 October 1914. Door mijn opvolger aan het Ministerie van Landbouw werd zij, als gevolg van lessen der ervaring, eenige malen herzien. Bij dit zuivelproduct was voor de regeling van den uitvoer van groote waarde, dat gebruik kon worden gemaakt van de organen der Rijksbotercontrole, en niet een geheel nieuwe en zelfstandige organisatie behoefde te worden in het leven geroepen. Die organen konden hier op analoge wijze medewerken als de ambtenaren der belastingen bij de regeling van den suikeruitvoer. Hoofdzaak van de regeling was, dat alleen voor gecontroleerde en daarmede gelijkgestelde boter uitvoerconsenten werden gegeven en dat die alleen verstrekt werden aan bereiders, die een zeker percentage van hun productie voor binnenlandsch gebruik beschikbaar stelden; bij den aanvang werd dit op 30 pct. gesteld. Voorts werd bepaald, dat de maximumprijs voor binnenlandsch verbruik van maand tot maand zou worden vastgesteld. Deze regeling had ook dit bijkomend voordeel, dat de vastkoppeling van het uitvoerconsent aan de botercontrole, waarborg gaf, dat niet onder den naam van boter allerlei minderwaardig goed zou worden uitgevoerd, waardoor de goede naam van de Hollandsche boter in het buitenland ernstig zou zijn benadeeld. Bij andere artikelen, waarbij zulk een waarborg niet kon worden gesteld, is helaas maar al te vaak gebleken, dat gewetenlooze knoeiers zich niet ontzagen met voor het buitenland bestemde waren de ergste en ergerlijkste vervalschingen te plegen en daarmede aan den naam van ons land en aan het vertrouwen in zijn fabrikanten en kooplieden groote schade te berokkenen.

De steun van eene de gansche binnenlandsche productie beheerschende Rijkscontrôle ontbrak al aanstonds bij de kaas, met het gevolg dat hier allerlei fraude werd gepleegd, die bij de boter onmogelijk was en dat het Centraal Bureau voor den uitvoer van kaas, dat omstreeks half November 1914 werd opgericht en bij mijn aftreden als Minister van Landbouw in voorbereiding was, niet zoo goed voldoen kon en dan ook lang niet zoo goed voldeed, als het uitvoerbureau voor boter. De consenten werden volgens de kaasregeling alleen afgegeven aan exporteurs, die zich verbonden een zekere hoeveelheid kaas, geschikt voor binnenlandsch verbruik, in voorraad te houden. Voor deze kaas werd van maand tot maand een maximum prijs vastgesteld. Veel is er van die regeling in de practijk niet terecht gekomen; de controle op de in voorraad te houden hoeveelheden bleek niet uitvoerbaar, en de regeling heeft niet belet, dat kaas voor binnenlandsch verbruik steeds schaarscher werd en dat de prijzen daarvan zoozeer stegen, dat dit zuivelproduct haast een weelde-artikel werd.

Naast den uitvoer van boter en kaas trok ook de aardappeluitvoer heel spoedig de aandacht der Regeering. Waar Nederland ook in normale tijden aardappelen exporteert en van dit volksvoedsel bij uitnemendheid hier te lande heel wat meer wordt verbouwd dan voor het binnenlandsche verbruik en als grondstof voor onze aardappelmeelfabrieken noodig is, behoefde afvloeiing van een deel van den voorraad, ook al steeg dat eenigszins boven het normale exportcijfer, niet aanstonds te verontrusten. Die uitvoer nam echter in het laatst van September en het begin van October 1914 zulke afmetingen aan, dat het mij noodig scheen in te grijpen, niettegenstaande de door mij geraadpleegde land- en tuinbouwdeskundigen mij verzekerden, dat er geen aanleiding was om voor gebrek te vreezen. De uitvoer van aardappelen werd bij Koninklijk besluit van 15 October 1914 verboden. In de Eerste Economische Nota, de eenige die van mij als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel (toen reeds: ad interim) uitging, wordt van dat verbod gezegd: „Hiervan is niet de bedoeling de grenzen geheel voor den export te sluiten; door uitvoerpermissies te geven, voor zoover dit in verband met de binnenlandsche behoefte kan geschieden, zal er voor worden gezorgd, dat de hoeveelheid die binnenslands kan worden gemist, ook thans zal kunnen worden uitgevoerd; voorkomen zal echter worden, dat de prijs van dit belangrijke volksvoedsel onevenredig stijgt, en dat het bedrijf der aardappelmeelfabrieken zou kunnen verlamd worden”.

Ik heb geen oogenblik berouw van den maatregel gehad. Het uitvoerverbod op aardappelen van October 1914 was niet voorbarig, hoewel belanghebbenden in gemoede overtuigd waren, dat er nog geen reden was hen in hun exportbedrijf te belemmeren en die overtuiging door de deskundigen, die ik raadpleegde, werd gedeeld. Een minister, die in zulke abnormale tijden de zorg heeft voor de levensmiddelenvoorziening moet zich wachten voor het hechten van al te veel waarde zoowel aan overdreven voorstellingen van de zijde van het verbruikende publiek omtrent uitvoeren, welke men meent te hebben waargenomen en waarvan de faam al wandelende zienderoogen groeit, als aan adviezen van deskundigen, die onwillekeurig door het feit van hun deskundigheid te veel beteekenis toekennen aan het belang van het bedrijf, dat zij kennen, tegenover het algemeen belang der verbruikers van het product, dat door dat bedrijf ter markt wordt gebracht.

De eerstbedoelde overdrijving bleek herhaaldelijk uit berichten omtrent uitvoerkwantiteiten, die van niet ambtelijke zijde bij het Departement van Landbouw inkwamen of in de pers werden opgenomen. In de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914 gaf ik daarvan een voorbeeld, dat later met een aantal andere zou zijn aan te vullen geweest.

„Men moet niet vergeten--zoo zeide ik--, dat, zonder dat de menschen willens en wetens overdrijven, zij onwillekeurig wat zij meenen gezien te hebben, ik zal niet zeggen _zien_ met een vergrootglas, maar met een vergrootglas _weergeven_. Zoo is er aan mijn Departement een brief ontvangen van iemand die volkomen te goeder trouw was, en die mededeelde, dat het zóó erg was dat over Vaals op 17 Augustus niet minder dan 1500 stuks vee waren uitgevoerd. Men heeft het precies nagegaan, want aan de douane is opgedragen geregeld elken dag alles na te gaan, en geregeld komen elken dag van alles wat over de grenzen is gegaan, opgaven in. Wat bleek nu? Dat op 17 Augustus niet 1500, maar 87 stuks rundvee over Vaals waren uitgevoerd en op 17 en 18 Augustus 199 stuks te zamen. Ik zeg nog eens: die briefschrijver heeft niet willens en wetens verkeerde cijfers medegedeeld, maar men is zenuwachtig en in zijn zenuwachtigheid ziet men de zaken soms te donker in.”

Tegenover zulke overdrijvingen te goeder trouw van de zijde van het zenuwachtige en voor gebrek beangste publiek staat nu de evenzeer te goeder trouw zijnde overtuiging van velen der deskundigen, die de Regeering raadpleegt, dat het belang der groep van de bevolking, waarmede zij speciaal vertrouwd zijn, _het_ algemeene volksbelang is, een overtuiging die leidt tot overdrijving van de schade, welke door een belemmering van het bedrijf dier groep, waar de omstandigheden die belemmering noodzakelijk maken, zal worden geleden. Volgens mijne ervaring hebben inzonderheid landbouwdeskundigen vaak moeite zich met de gedachte vertrouwd te maken, dat het algemeen belang niet altijd met dat van den landbouw of van bepaalde landbouwersgroepen samenvalt. Natuurlijk zou een bewindsman, die tusschen deze Scylla en Charybdis heeft door te laveeren, heel spoedig vastloopen, indien hij meende het zich gemakkelijk te kunnen maken, door van de uitingen van het publiek geen kennis te nemen en van het hooren van deskundigen af te zien. De beide klippen, waartusschen hij heeft door te zeilen, zouden daarmede niet uit zijn vaarwater verdwijnen, maar het zou bovendien nog worden verstopt door de zandbank der struisvogelpolitiek.

Hoe men, tusschen de beide uitersten doorsturende, het scheepje der economische voorzieningen onder zoo abnormale omstandigheden als de Europeesche oorlog heeft te weeg gebracht, in de nauwe vaargeul kan houden, waar het geen gevaar heeft aan den grond te raken, is in het algemeen niet aan te geven. Trouwens ook in elk speciaal geval is het meer een zaak van intuïtie dan van het redeneerend verstand, hoe men het roer houden moet. Ik heb alleen hierom een oogenblik de aandacht op de door mij gesignaleerde moeilijkheid gevestigd, omdat ik den indruk niet van mij kan afzetten, dat men aan het Departement van Landbouw allengs wat veel op de adviezen van speciale vakdeskundigen heeft gesteund. Dreigt men daardoor vast te loopen, dan komt men er zoo licht toe, het roer wat schielijk om te gooien. Door zulke plotselinge koersveranderingen bereikt men zijn doel misschien wel op een bepaald oogenblik, doch berokkent men meer schade dan bij een meer vooruitziend en voorzichtiger houden van het midden tusschen de naar verschillende zijde trekkende producenten en verbruikers noodig zou zijn geweest. Bovendien stelt men er een eenmaal angstig geworden publieke opinie niet mede gerust; men wekt er veeleer den indruk mede van onvastheid in het bestuur. Zoowel voor de verbruikers als om de speculatie in voedingsmiddelen binnen de engst mogelijke grenzen te beperken en bovenal om het vertrouwen in het regeeringsbeleid hoog te houden, is vastheid van economische politiek onder zoo buitengewone omstandigheden als de Europeesche oorlog in het leven riep, nog meer noodig dan anders.

Doch, revenons à nos moutons! Toen het uitvoerverbod van aardappelen was gesteld, werden enkele deskundigen aangezocht om de Directie van den Landbouw behulpzaam te zijn bij het opmaken der voorraden, bij het zoeken in welke gemeenten die te vinden waren, bij het schiften der soorten, die voor de consumptie wèl en die daarvoor niet geschikt waren, bij het vaststellen van de soorten en hoeveelheden die nog uitgelaten zouden kunnen worden en bij de verdeeling van den voorraad tusschen de grossiers en winkeliers eenerzijds en de aardappelmeelfabrikanten aan den anderen kant. Bij dit laatste moest bovendien nog rekening gehouden worden met den strijd tusschen de coöperatieve en de zoogenaamd „speculatieve” fabrieken, welke zich ook bij de verdeeling van de voor haar gezamenlijk te reserveeren grondstof onverflauwd deed gelden. Dat het bij een en ander van een leien dakje is gegaan, zou ik niet durven beweren. Ook hier konden de deskundigen niet altijd blindelings gevolgd worden, ook al waren hunne adviezen te goeder trouw.

Den 1en Maart 1915 werd door mijn opvolger aan het Departement van Landbouw besloten, geen verdere consenten tot uitvoer van aardappelen meer te geven; de uitzonderingen op het uitvoerverbod hielden daarmede op. Den 1en April d. a. v. werd, op het voetspoor van de suiker, de boter en de kaas, een Rijkscentraalbureau tot regeling van den uitvoer van aardappelen opgericht. Dit bureau kreeg inzonderheid tot taak die soorten uit te laten, welke door hare geringe duurzaamheid anders tot bederf zouden kunnen overgaan. Half Juni 1915, toen de nieuwe aardappeloogst begon, werd het uitvoerverbod van aardappelen tijdelijk opgeheven. De uitvoer nam toen echter aanstonds zulk een omvang aan, dat het verbod in het laatst van Juli moest worden hersteld. De groote moeilijkheden, welke in 1916 zich ten aanzien der aardappelen hebben voorgedaan, laat ik onbesproken. Toen zij zich voordeden, was ik niet meer in de gelegenheid de regeeringszaken van de binnenzijde waar te nemen.

Toen het aantal uitvoerverboden met regelingen van uitvoerconsenten in het najaar van 1914 telkens toenam, deed zich allengs meer de behoefte gevoelen aan meer algemeene feitenkennis omtrent de in het land aanwezige voorraden levensmiddelen, dan waarover de Regeering beschikte. Ten aanzien van enkele der meest belangrijke voedingsartikelen, zooals tarwe, rogge en rijst, was men wel vrij goed op de hoogte, maar zelfs daaromtrent was de feitenkennis zoo weinig volledig, dat in Augustus 1914 door de Regeering, in de eerste plaats door mijzelven, de fout kon worden begaan van het uitvoerverbod voor rogge op te heffen, een fout die wel na een week weer was hersteld, maar niet dan nadat betrekkelijk groote hoeveelheden van dit zoo hoog noodige broodkoren de grens waren overgegaan. Terecht heeft men mij daarvan een verwijt gemaakt; ik heb mijzelf over die domheid genoeg geërgerd. Om haar te verklaren en tot op zekere hoogte te verontschuldigen, zou ik interne zaken moeten mededeelen, tot welker openbaarmaking ik noch vrijheid noch neiging gevoel.

Op de wenschelijkheid een inventaris te doen opmaken van de in ons land aanwezige levensbenoodigdheden werd door den heer Troelstra reeds gewezen in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914. Ik antwoordde daarop in diezelfde vergadering: „Natuurlijk is de Regeering daartoe bereid, maar op dit oogenblik zou ik toch niet gaarne zoo’n inventaris laten maken. De heer Troelstra zal toch wel begrijpen, dat op dit oogenblik aan mijn departement de werkkrachten zoo overvuld zijn met het buitengewone werk, noodig om te zorgen voor de maatregelen, die genomen worden in het belang der volksvoeding, dat het wezenlijk niet is te vergen, dat men bovendien nog een deel van zijn tijd gaat besteden aan het opmaken van een dergelijken schriftelijken inventaris. Maar ik wil er dit wel bijvoegen, dat ik geloof, dat die inventaris onvermijdelijk zou zijn misleidend, want men heeft natuurlijk wel gegevens en men is bezig die aan te vullen, maar daarbij moet men uitgaan van de gegevens, die men onder normale omstandigheden krachtens de statistiek heeft. Welnu, het blijkt telkens, dat de normale gegevens op het oogenblik niet meer juist zijn.”

Toen de eerste drukte aan het Departement van Landbouw wat begon te luwen heb ik, op aandrang van het Kon. Nat. Steuncomité, dat--zooals uit de volgende hoofdstukken blijken zal--veel heeft bijgedragen tot het niet al te ongunstig verloop van zaken in de oorlogscrisis, bij het scheiden van de markt, op een der laatste dagen dat ik als Minister a. i. het Departement van Landbouw beheerde, de hulp van de Commissarissen der Koningin ingeroepen, om door bemiddeling van de burgemeesters een antwoord te krijgen, hoe het stond met de voorraden levensmiddelen en wat was gedaan om wegstrooming daarvan naar buiten de gemeente te voorkomen. Het resultaat van die enquête, dat uit den aard der zaak niet terstond werd verkregen, heeft mij bevestigd in mijn weinig hoog gespannen verwachting omtrent zulk een onderzoek. In de Tweede Nota betreffende den Economischen Toestand maakte Minister Posthuma er slechts met een korten volzin melding van. „In het algemeen leverde dit onderzoek vrij bevredigende resultaten op. Toch bleek het, dat het geraden was het noodige te doen, opdat enkele voorraden niet zouden worden uitgeput.”