Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 5

Chapter 53,619 wordsPublic domain

Toen in de gedenkwaardige vergadering van de Tweede Kamer van 3 Augustus 1914 door den heer Troelstra werd opgemerkt, dat het niet voldoende zou zijn, waren beschikbaar te stellen tegen een maximalen prijs en dat er meer noodig was voor „de doodeenvoudige politiek dat er in Nederland geen honger zal worden geleden”, gaf ik daarop ten antwoord:

„Op het oogenblik toe te zeggen de indiening van een wetsontwerp, waarbij aan de bevolking, die dat noodig heeft, om niet door den Staat levensmiddelen zouden worden verstrekt, acht ik niet noodig en niet gewenscht. Niet gewenscht om een tweetal redenen. Vooreerst omdat de staat dat wel zal kunnen decreteeren op papier, maar het buitengemeen moeilijk zijn zou, dat onmiddellijk tot uitvoering te brengen, en verder omdat daarmede wat den kleinhandel aangaat, het economisch verkeer, naar ik vrees, nog meer zal worden geschokt dan op het oogenblik reeds het geval is.

„Hierover toch behoeven wij wel niet te twijfelen; wanneer er een wet was, waarbij onder zekere voorwaarden,--wij kunnen zeer goed begrijpen, in deze kritieke tijden, dat men de voorwaarden, die men stellen zou, toch niet streng zou kunnen toepassen--aan de bevolking die het noodig had, om niet levenswaren werden ter beschikking gesteld, dan zou niet alleen het verkeer--dat nu reeds wat den internationalen handel en het kredietwezen betreft, zeer verstoord is--maar ook de kleinhandel op zeer bedenkelijke wijze verstoord worden.

„Vandaar dat ik, waar ik sta voor de verantwoordelijkheid om zoo goed mogelijk in deze tijden, voor zoover het van den Staat kan geschieden, leiding te geven aan ons economisch leven, dergelijken maatregel niet durf voorstellen”.

In de Eerste Kamer werd door den heer Polak een overeenkomstige aandrang geoefend, als de heer Troelstra aan de overzijde van het Binnenhof had geuit. In antwoord daarop verwees ik dien afgevaardigde naar hetgeen ik even te voren aan zijn partijgenoot had tegemoet gevoerd. Aan mijn afweer van het denkbeeld tot het beschikbaar stellen van levensmiddelen van regeeringswege voegde ik echter in één adem toe, dat, als de toestanden nog erger werden, de Regeering niet zou aarzelen, verder reikende voorstellen te doen, dan zij reeds gedaan had en waarmede ook de heer Troelstra zijn instemming had betuigd. De eerste maatregel die kon strekken om gebrek aan levensmiddelen te voorkomen, was intusschen van anderen oorsprong en had aanvankelijk een ander hoofddoel.

Bij de wet van 3 Augustus 1914 (Stbl. no. 344) werd bepaald, dat in geval van oorlog of oorlogsgevaar bij algemeenen maatregel van bestuur de uitvoer van bepaalde goederen, geheel of gedeeltelijk, hetzij voor het geheele land, hetzij voor een bepaald deel daarvan tijdelijk kan worden verboden. Dit was geen nieuwigheid, het was een verruimde en verbeterde editie van een oude en verouderde wet. In verband met den Fransch-Duitschen oorlog was reeds bij een wet van 24 Juli 1870, bepaald, dat de uit- en de doorvoer van paarden, hooi, stroo, haver, steenkolen en cokes door de Kroon tijdelijk, geheel of gedeeltelijk konden worden verboden. Reeds geruimen tijd vóór het uitbreken van den thans woedenden krijg was het duidelijk geworden, dat die sedert 1870 in stand gebleven wet niet ver genoeg ging. Onder het ministerie Heemskerk werd, bij Koninklijke boodschap van 24 Mei 1913, een wetsontwerp ingediend tot verruiming van de wet van 1870. Die verruiming betrof verschillende soorten van levensmiddelen.

Hoewel ook dat ontwerp door militaire overwegingen was ingegeven, had het toch mede ten doel bescherming van den voorraad van verschillende artikelen, „welke onmisbaar zijn voor de dagelijksche behoeften van de bevolking”. In Februari 1914, nog vóór het ontwerp in de afdeelingen van de Tweede Kamer was behandeld, werd het onder het nieuw opgetreden ministerie in zoover gewijzigd, dat het niet langer de mogelijkheid ook van verbod van doorvoer inhield. Zulk een verbod zou, zoo werd in de toelichting der wijziging betoogd, weinig doeltreffend kunnen zijn en bij toepassing in strijd komen met internationale tractaten, waarbij vrijheid van doorvoer door ons land werd gewaarborgd, inzonderheid met de Rijnvaartakte. Het Voorloopig Verslag over het onderzoek van het ontwerp in de afdeelingen der Tweede Kamer verscheen 30 April 1914.

In het licht der ervaring, die de oorlog ons gebracht heeft, is het de moeite waard een der hoofdbezwaren in herinnering te brengen, welke in de afdeelingen van de Tweede Kamer tegen het ontwerp werden ingebracht. „Zonder eenigen twijfel zullen--zoo voerden verschillende leden aan--in geval van oorlog of oorlogsgevaar in onze omgeving, groote hoeveelheden proviand naar onze havens stroomen, om van daaruit met flinke winsten aan de oorlogvoerende partijen te kunnen worden verkocht.” Koopmansgeest ontbreekt ook in de Kamer niet. Er werd niet eens gedacht aan de mogelijkheid, dat één der oorlogvoerenden dien stroom van proviand, dien men reeds in zijn verbeelding zag en waarvan men de winst, die ermede zou zijn te maken, bij voorbaat reeds met welgevallen opsnoof, wel eens zou kunnen afdammen. Trouwens bij de weerlegging van dit argument in de Memorie van Antwoord, voor welke ook ik een deel der verantwoordelijkheid draag, werd van die mogelijkheid evenmin gerept. Het argument werd wel weersproken, maar niet op den grond, die thans in de eerste plaats naar voren zou worden gebracht.

De ironie van het oorlogsnoodlot heeft zich ten aanzien van de uitvoerverboden niet bepaald tot het den draak steken met die ééne verwachting van oorlogswinsten. Ook in een ander opzicht heeft het met goede bedoelingen en plechtige verzekeringen gejongleerd.

„Door eenige leden--zoo zegt het Voorloopig Verslag--werd als een bezwaar aangevoerd, dat de bepaling zou kunnen worden misbruikt om, door een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen op de prijzen binnenslands.” De onderteekenaars van de Memorie van Antwoord (gelukkig voor hem behoorde de heer Posthuma daar niet bij; ongelukkig voor mij, ik wèl) beantwoordden die opmerking aldus: „Er is, naar het voorkomt, geen aanleiding de Regeering ervan te verdenken, dat zij de wet zal misbruiken om, door een tijdelijk verbod van uitvoer, invloed te oefenen op de prijzen binnenslands. Het behoeft geen nader betoog, dat maatregelen met zoodanige strekking geheel zouden indruischen tegen de uitdrukkelijk uitgesproken bedoeling van het wetsontwerp.”

En toch is de wet daarvoor gebruikt, zonder dat iemand er een principieel bezwaar tegen heeft gemaakt. Er is wel strijd over dat gebruik geweest, maar die strijd liep over de mate waarin en de wijze waarop de wet voor dat doel werd toegepast. De een wilde meer, de ander minder; maar niemand heeft „hands off” geroepen. Natuurlijk had dat gebruik geen speculatieve bedoelingen, maar het bewustzijn, dat daarmede als ongewenscht neveneffect tevens speculatie in levensmiddelen en andere waren werd bevorderd, heeft niet weerhouden uitvoerverboden te stellen en gedeeltelijke afwijkingen daarvan te regelen, met het uitgesproken doel daarmede op de prijsvorming binnenslands in te werken. Waarlijk, oorlogstijd doordringt regeeringen zoowel als particulieren van de waarschuwing: „Ne dis pas: fontaine, je ne boirai pas de ton eau!”

De Memorie van Antwoord betreffende het wetsontwerp werd ingediend, toen de oorlogswolken reeds zeer dreigende waren, namelijk 27 Juli 1914: het Eindverslag werd uitgebracht op 1 Augustus. Tusschen dien dag en den dag waarop de wet in het Staatsblad verscheen, onderging het ontwerp nog eenige wijzigingen; de eerste daarvan had ten doel, ook het verbod van uitvoer van goud (hierop kom ik in hoofdstuk IV terug[1]) wettelijk te regelen. In verband ook met deze nieuwe verruiming bleek het ten slotte gewenscht, alle aanduiding van speciale goederen uit de wet te lichten en de mogelijkheid van het uitvaardigen van uitvoerverboden algemeen te maken voor de „bepaalde goederen”, welke telkens bij algemeenen maatregel van bestuur zullen worden aangewezen.

[1] Zie bl. 193.

Reeds vóór de wet van 3 Augustus in werking trad, was bij Koninklijk besluit van 1 Augustus, op grond van de wet van 1870, de uitvoer van paarden, hooi, stroo, steenkolen en cokes verboden. Spoedig na den 3den Augustus 1914 volgden uitvoerverboden van een aantal etenswaren. In de eerste weken werden die uitvoerverboden, zoo niet uitsluitend dan toch in de eerste plaats, ingegeven door motieven, ontleend aan het belang van leger en vloot en aan de noodzakelijkheid der geregelde approviandeering van stellingen en versterkte plaatsen. Heel spoedig echter veranderde dit en kwam het overwicht bij de uitvoering der wet op de uitvoerverboden bij het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel,--het departement, dat in het algemeen de zorg heeft voor de economische belangen des lands en dat in den oorlogstijd de moeilijke en, vooral bij den langen duur van den toestand, hoogst ondankbare taak heeft te vervullen, het economisch leven onder de door den oorlog geschapen buitengewone omstandigheden zoo goed mogelijk aan den gang te houden.

Had men dit vooruit kunnen voorzien, men zou de uitvoering dezer wet, althans voor zoover het betreft uitvoerverboden, die niet met een militair oogmerk worden uitgevaardigd, niet in de eerste plaats in handen van het Departement van Oorlog hebben gelegd, dat uit den aard der zaak in oorlogstijd toch reeds de handen vol werk heeft. Bij de beoordeeling van het nu en dan te lang uitgebleven zijn van economische uitvoerverboden, nadat de wenschelijkheid daarvan was uitgemaakt, houde men er rekening mede, dat die verboden, behalve den Raad van State, niet alleen het Departement van Landbouw, maar ook de Ministeries van Buitenlandsche Zaken en van Financiën moesten passeeren, voordat daaraan door de zorg van het Departement van Oorlog de laatste hand kon worden gelegd. Als men bij vervolg van tijd weer in de noodzakelijkheid mocht komen, de wet op de uitvoerverboden toe te passen, zal men zeker niet verzuimen, die fout uit de regeling te schakelen. In de eerste oorlogsweken was de druk der omstandigheden groot genoeg, om een uitvoerverbod, dat noodig bleek, al de genoemde autoriteiten in één of twee dagen te doen passeeren. Maar onder zóó hooge spanning werkt men op den duur niet; ook niet in de bureaux onzer ministeriëele departementen.

Bij het stellen van uitvoerverboden werd natuurlijk rekening gehouden met de vriendschappelijke betrekkingen waarin Nederland als onzijdige natie met alle oorlogvoerenden staat; maar daarbij moest toch de binnenlandsche behoefte aan bepaalde goederen, inzonderheid aan levensmiddelen, den doorslag geven, ook al kon men zich niet verhelen dat de uitvoerpolitiek, welke de Regeering door den binnenlandschen toestand werd opgelegd, in haar gevolgen de centrale mogendheden over het algemeen meer trof dan de geallieerden. Als voorbeeld uit den eersten oorlogstijd breng ik in herinnering hetgeen met de rijst geschiedde.

Bij den aanvang van den oorlog was hier een zeer groote hoeveelheid rijst aanwezig. Zóó groot, dat die voorraad, onder normale omstandigheden, voor de behoeften der bevolking gedurende eenige jaren voldoende zou zijn geweest. Maar de omstandigheden waren juist niet normaal. Omdat moest gerekend worden met den zeer beperkten voorraad broodkoren, waarvoor rijst als surrogaat zou moeten in de plaats komen, indien het niet gelukte tarwe in voldoende hoeveelheid en met genoegzame regelmatigheid van overzee aan te voeren, mocht de Regeering, met name de Minister van Landbouw, het oog niet sluiten voor het feit, dat de rijst in ongekende hoeveelheden in Rijnschepen naar Duitschland werd verladen. De voorraad, die in het begin van Augustus 1914 de respectabele hoeveelheid van 200 millioen K.G. bedroeg, was drie weken later reeds tot 150 millioen K.G. geslonken. De rijstuitvoer was in Augustus 1914 grooter dan in normale omstandigheden in een half jaar. Toen dientengevolge gevaar dreigde dat de rijstreserve spoedig zou zijn uitgeput, mocht ik niet aarzelen en aarzelde ik niet, maatregelen te nemen, opdat de grens voor uitvoer van rijst onverbiddelijk zou worden gesloten, al was het duidelijk dat zulk een maatregel zoowel in Duitschland als bij de Nederlandsche rijstpellers en rijsthandelaren ontstemming moest wekken. De rijstuitvoer werd 3 September 1914 verboden en is sedertdien verboden gebleven.

Bij de suiker kon de wet op de uitvoerverboden op geheel andere wijze dienst doen. Er wordt hier ongeveer tweemaal zooveel ruwe suiker geproduceerd als voor het binnenlandsche verbruik van geraffineerd noodig is. Er moest echter voor gezorgd worden, dat in verband met de bij uitstek hooge prijzen, welke voor suiker in Engeland werden besteed, niet zooveel van het binnenlandsche product daarheen zou worden verscheept, dat voor de binnenlandsche consumptie niet voldoende hier zou blijven. Ware er nu niets meer te overwegen geweest, dan zou de beslissing hier, al stond de zaak niet precies zóó als bij de rijst, toch vrij eenvoudig zijn geweest. Er kwam echter nog een gansch ander element in het geding. „Het blijkt,--zoo zeide ik in de vergadering van de Tweede Kamer van 26 Augustus 1914--dat er onder deze omstandigheden een zeer groote strijd van belangen is tusschen de ruwsuikerfabrikanten en de raffinadeurs. Wanneer men toeliet, gelijk men dat vooral in sommige landbouwstreken gaarne zien zou, dat de ruwsuiker vrij mocht worden uitgevoerd, wat zou daarvan dan het gevolg zijn? Dat de overgroote hoeveelheid ruwsuiker naar Engeland zou gaan, omdat daar zeer hooge prijzen voor ruwe suiker worden besteed. Maar als men dat deed, zouden onze eigen raffinadeurs geen voldoende grondstof hebben; zij zouden te weinig krijgen en wat zij kregen, zouden zij duur moeten betalen en de bevolking zou ten slotte hooge prijzen moeten besteden.” Bovendien zou een te groote uitvoer van ruwe suiker geleid hebben tot gebrek aan werk voor onze Nederlandsche suikerraffinaderijen, hetgeen vermeerdering van het aantal werkloozen zou hebben ten gevolge gehad. Ook deze overweging deed zich in de eerste oorlogsmaanden, toen moest worden gevreesd voor- en gerekend met een zeer groot werkloozencijfer, krachtig gelden. Als resultaat van een en ander werd toen door mij aan belanghebbenden medegedeeld, dat het uitvoerverbod op ruwe zoowel als op geraffineerde suiker, dat den 7den Augustus was uitgevaardigd, gehandhaafd zou worden, zoolang belanghebbenden niet een gezamenlijk advies zouden hebben uitgebracht over het gedeelte van de Nederlandsche suikerproductie, dat hier zou moeten blijven voor het verbruik binnen de grenzen en over het aandeel, dat het geraffineerd en het ruw zouden kunnen hebben in het voor uitvoer beschikbare restant.

Aangezien de bietenoogst weldra zou moeten worden binnengehaald en de suikercampagne dus spoedig voor de deur stond, waren de verschillende groepen van belanghebbenden wel verplicht het met elkander eens te worden. Het duurde dan ook niet lang, of zij brachten een gemeenschappelijk advies uit. Daarbij werd eerst nog wel gepoogd „des Pudels Kern”, de verhouding van het ruw en het geraffineerd in het deel van het product, dat uitgevoerd zou mogen worden, niet aan te raken. Maar toen ik den heeren duidelijk maakte, dat ik juist omtrent dit punt hun voorlichting noodig had, en dat een advies, dat dit onaangeroerd liet, voor de Regeering geen waarde zou hebben, werden zij het ten slotte toch ook daarover eens. Dat enkelen daarbij het hart bloedde, omdat zij gehoopt hadden een grooter deel van de in totaal te verwachten oorlogswinst voor hun groep te kunnen bemachtigen, zal ik niet tegenspreken.

Bepaald werd toen, in overeenstemming met het door belanghebbenden uitgebrachte advies, dat 40 pct. van de geheele productie in het land zou moeten blijven en dat het voor uitvoer overblijvende zoodanig zou worden verdeeld, dat van den geheelen voorraad ten hoogste 18% als ruw zou mogen worden uitgevoerd, zoodat voor den uitvoer van geraffineerd ruim 40% van het geheele product restte. De raffinaderijen konden dus rekenen op ruim 80% van de Nederlandsche ruwe suiker als grondstof voor hun bedrijf, namelijk 40% voor het binnenlandsche verbruik en ruim 40% voor den uitvoer naar het buitenland. Deze rekening gaat slechts ten naastenbij op, omdat een deel van de ruwe suiker, welke niet als zoodanig werd uitgevoerd, toch de raffinaderijen niet bereikte. Enkele suikerfabrieken zijn namelijk ingericht op het zoogenaamd wit afdraaien van ruwe suiker, waardoor een product wordt verkregen, dat er minder fraai uitziet dan de geraffineerde suiker, maar dat deze toch kan vervangen vooral voor banketbakkers, fabrikanten van suikerwaren, van gecondenseerde melk en dergelijke. Bepaald werd, om de regeling niet aanstonds op losse schroeven te zetten, dat alleen die ruwsuikerfabrieken wit zouden mogen afdraaien, die het ook in de vorige campagne hadden gedaan, en dat wel tot maximaal dezelfde hoeveelheid. Op grond van de in de volgende paragraaf te behandelen levensmiddelenwet werd voorts voor 1e kwaliteit witte suiker de groothandelsprijs gesteld op ƒ 48.50 per 100 K.G., de kleinhandelsprijs op 55 centen per K.G. Daar de suikerfabrieken en de suikerraffinaderijen wegens den suikeraccijns onder voortdurend toezicht van het Departement van Financiën staan, had men hierin tevens een afdoende controle tegen pogingen tot ontduiking der regeling. Uit de verschillende groepen van belanghebbenden werd een commissie benoemd, die bij de maatregelen ter uitvoering van de getroffen regeling van advies zou dienen en bij het toezicht op die uitvoering behulpzaam zijn.

Ik heb de suikerregeling eenigszins uitvoerig behandeld, omdat zij tot voorbeeld heeft gestrekt voor analoge regelingen, die elkander ten aanzien van een toenemend aantal producten van tuinbouw, landbouw en veeteelt hebben opgevolgd. Bij die andere regelingen had men wel is waar niet te rekenen met een conflict van belangen als tusschen de ruwsuikerfabrikanten en de raffinadeurs. Maar de moeilijkheden waren daar toch niet minder. Ten aanzien van de meeste dier producten had men al aanstonds veel grooter moeilijkheden bij de controle, omdat zij, als accijnsvrij, niet onder een zoo streng fiscaal toezicht staan als de suiker. Bovendien ontbrak het ook daar niet aan belangenconflicten. Bij vele tuinbouwproducten is door het instituut der coöperatieve groentenveilingen althans het conflict tusschen den groothandelaar en den verbouwer grootendeels uitgeschakeld; bij de landbouwproducten is de coöperatie in den verkoop nog niet zoo algemeen. Zelfs buiten de coöperatieve organisatie van de boterbereiding en den boterafzet staan nog een aantal boterproducenten, speciaal in de westelijke provinciën; de eieren-veilingen bestrijken nog lang niet den heelen eierenvoorraad, en bij de kaas is de groothandel nog grootendeels in handen van kooplieden met andere belangen dan die der kaasproduceerende boeren.

Daarbij komt, dat overal tusschen den groothandel en den verbruiker nog verschillende groepen van tusschenhandelaars in staan. Het streven heeft van den aanvang af voorgezeten, bij de beperking en regeling van den uitvoer van producten, waarvan het land meer voortbrengt dan het voor eigen behoefte noodig heeft, in de verhouding tusschen de verschillende groepen van belanghebbenden zoo min mogelijk stoornis te brengen. Het spreekt intusschen wel van zelf, dat dit niet overal even gemakkelijk was door te voeren en ook dat bij zulke regelingen, welke steeds producten betroffen, waarmede oorlogswinsten waren te behalen, niet op een goudschaaltje kon worden afgewogen of elke groep van belanghebbenden daarbij wel haar evenredig deel kreeg van de gezamenlijke oorlogswinst, die er mede was te verdienen.

Zoo is het zeer wel mogelijk, dat de regeling, welke in 1914 ten aanzien van de suiker is getroffen, voor de raffinadeurs naar verhouding voordeeliger is geweest dan voor de ruwsuikerfabrikanten. Deze laatsten hebben echter in de campagne 1914/15 ook oorlogswinsten gemaakt, en die winsten zouden nog grooter zijn geweest, indien niet een invoerverbod van de Engelsche regeering, dat den 26sten October 1914 werd uitgevaardigd, speciaal den uitvoer naar Engeland van suiker, die op betere condities daarheen was verkocht, zoolang dat verbod duurde, grootendeels onmogelijk had gemaakt.

Voor mij zou de omstandigheid dat de raffinadeurs bij de regeling van 1914 wat meer zijde hadden gesponnen dan de ruwsuikerfabrikanten geen reden zijn geweest, van de hoofdtrekken dier regeling voor 1915 af te wijken, al zou ik aan de eenmaal gestelde verdeeling van het voor uitvoer beschikbare deel van den oogst tusschen ruw en geraffineerd niet krampachtig hebben vastgehouden, indien de ervaring had getoond, dat eenige wijziging daarin ter wille van eene meer gelijkmatige oorlogswinstverdeeling ware aan te brengen geweest, zonder het hoofddoel der geheele regeling te na te komen. Dit hoofddoel was, zooals zooeven werd in herinnering gebracht, tweeledig: zorg voor behoud van een voldoende hoeveelheid suiker voor het binnenlandsch verbruik en voorkoming van werkloosheid onder de arbeiders in de suikerraffinaderijen.

Door mijn opvolger van het Departement van Landbouw werd, in verband met den minder goeden bietenoogst in 1915, het percentage van de suiker der campagne 1915/16 dat niet zou mogen worden uitgevoerd, bepaald op 50. Ten aanzien van de overblijvende helft werd echter door hem een cardinale verandering gebracht in de regeling van 1914. Hij liet namelijk geheel vrij of die helft als ruw of als geraffineerd het land zou verlaten, er op rekenende dat dan de raffinadeurs van de ruwsuikerfabrikanten toch wel zooveel van den voorraad zouden afkoopen als zij voor hun bedrijf noodig hadden. Ook het wit afdraaien van ruwe suiker werd geheel vrijgelaten. Ik heb van den aanvang af betwijfeld, of die verandering ook een verbetering was en ik ben door de resultaten van de regeling voor 1915/16 in mijn twijfel bevestigd. Bij de afwijking van het bepaalde voor 1914/15 werd mijns inziens te veel rekening gehouden met de overweging, dat de ruwsuikerfabrikanten het vorig jaar niet hun evenredig deel in de behaalde oorlogswinst hadden genoten en de billijkheid meebracht nu eens hen „top dog” te maken, en te weinig er op gelet, dat men bij het betrachten van die verdeelende gerechtigheid gevaar liep, de verbruikers en de arbeiders in de suikerraffinaderijen het kind van de rekening te laten worden.

In normale tijden bemoeit de Regeering zich in het geheel niet met de verhouding waarin bedrijfswinsten tusschen de verschillende ondernemingen of groepen van ondernemingen in een handels- of nijverheidstak worden verdeeld. Waar in oorlogstijd de overheid door haar ingrijpen in het bedrijf onvermijdelijk ook aan die verhouding raakt, is het haar plicht daaraan niet meer te tornen dan strikt noodzakelijk is. Zij wachte zich er evenwel voor, de bijzaak tot hoofdzaak te maken en bij haar maatregelen er van uit te gaan, dat iedere groep van belanghebbenden, welke zonder het uitvoerverbod een zekere oorlogswinst zou kunnen maken, een zooveel mogelijk evenredig deel daarvan behoort te worden gelaten. Kan dit nevendoel worden bereikt zonder aan het hoofddoel tekort te doen, dan des te beter; maar een minister die ter wille van de nastreving van dat bijoogmerk zijn maatregelen anders neemt, dan hij ter bereiking van het hoofddoel op zich zelf zou hebben gedaan, komt daarmede op een verkeerden en zeer gevaarlijken weg.