Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 41
Wie twijfelt aan de verdwijning daarvan, wanneer de krijg eindelijk voor vredestoestanden zal plaats maken, twijfelt aan den maatschappelijken vooruitgang zelf. Het kan zeker niet verwonderen dat, onder den indruk van de wassende volkerenhaat en volkerenverdelging, sommigen in een toestand van algeheele vertwijfeling zijn gekomen, en de toekomst der menschheid donker inzien. Het zou daarmede intusschen treurig zijn gesteld, als zulk eene vertwijfeling zich van de meerderheid der bevolking meester maakte. Hoe ernstig de tijden ook zijn; hoe beschamend het woeden van een krijg als sedert meer dan twee jaren wordt gestreden, met al zijn gruwelen, al zijn haat en al zijn ellende, voor de eeuw der beschaving ook moge wezen; hoezeer daaruit de zwakheid der door opvoeding verworven eigenschappen moge blijken tegenover menschelijke oerdriften, wanneer deze tijdelijk niet meer worden in toom gehouden, maar veeleer verheerlijkt,--toch zou het nóg erger wezen, indien de oorlog het geloof aan den menschelijken vooruitgang dempen zou. Meer dan ooit is thans vertrouwen in de toekomst noodig, omdat alleen onverzwakte idealen de kracht kunnen geven, niet slechts tot vernieuwing van hetgeen door den krijg aan menschelijkheid te loor ging, maar ook tot opvoering der samenleving tot een hooger peil dan vóór den oorlog werd bereikt. Daartoe is vóór alles noodig, dat het internationale verkeer niet slechts worde hersteld, maar na den vrede op hechter grondslag weder worde opgebouwd.
Voor uitvoerverboden zal er in den vredestijd geen plaats meer zijn, het streven moet integendeel zijn gericht op een veel grooter en veel intenser internationaal verkeer dan vóór den oorlog bestond. Voor de neutraal gebleven landen en speciaal voor een zóó handeldrijvend land als Nederland--bij het schrijven van deze nabetrachting ga ik er van uit, dat het gelukken zal ons land tot het einde toe, door de branding heen, in neutraal vaarwater te blijven sturen--ligt hier een groot arbeidsveld open. Er wacht ons een even zware als loonende taak in dienst der Europeesche ontwikkeling. Begrijpelijk, maar toch niet getuigend van ruimte van blik, is het bij maar al te velen door den oorlog gewekte gevoel, als zou voortaan het streven moeten gericht zijn op het zich zooveel mogelijk onafhankelijk maken van het buitenland voor de vervulling van zijn economische behoeften, op het zich zooveel mogelijk opsluiten binnen eigen grenzen, het zooveel mogelijk zich zelf genoeg zijn. Wanneer men beschouwingen van dien aard hoort uit kringen, die niet gewoon zijn zich met dergelijke vraagstukken bezig te houden, verbaast men zich niet. Maar wanneer men bespeurt, dat zij ingang vinden ook in kringen, waarin men onbevangen moest oordeelen, staat men niet slechts verbaasd, maar kan men bovendien een gevoel van ernstige bezorgdheid niet van zich afzetten bij de gedachte, dat zulk een kleinmoedigheid de houding van volk en Regeering in de toekomst zou kunnen bepalen.
Natuurlijk is het in een, gelukkig voorbijgaanden, tijd, waarin het internationale verkeer op allerlei wijze wordt bemoeilijkt en gestremd, heel lastig, dat niet alles waaraan men behoefte heeft, binnenslands wordt voortgebracht, maar het zou toch wel het toppunt van kortzichtigheid zijn, de houding van volk en Regeering in de toekomst niet te richten op het normale internationale verkeer, maar te doen bepalen door de moeilijkheden van een kortstondig tijdperk van algeheele ontwrichting van dat verkeer en daarmede van het gansche economische leven.
Ten aanzien van dit punt schreef ik in de Memorie van Toelichting bij het, na mijn aftreden ingetrokken, ontwerp van wet houdende Grondslagen van het stelsel van ’s Rijks belastingen:
„Wanneer men den blik naar de toekomst richt, blijkt spoedig genoeg, dat het minder dan ooit, inzonderheid voor een land met een ligging, een geschiedenis en een ontwikkelingsrichting als het onze, zaak kan zijn, zich in zich zelven op te sluiten. Waar zooveel oude handelsrelaties verbroken zijn, zooveel nieuwe relaties, als de oorlog voorbij zal zijn, zullen moeten worden aangeknoopt, en waar in zooveel gevallen het aanknoopen van rechtstreeksche relaties tusschen handelaren uit landen, die nog kort te voren met elkander in oorlog waren, door de opgewekte gevoelens en gevoeligheden zal worden bemoeilijkt, daar is voor onzen handel een breed terrein van werkzaamheid geopend, waarop hij niet alleen voordeelig werkzaam zal kunnen zijn voor zich zelven, maar te gelijk een bij uitstek nuttige rol zal kunnen vervullen als verbindingsschakel bij het weder aanknoopen van internationale banden, die rechtstreeks niet zoo gemakkelijk zouden kunnen worden hersteld. Of de Nederlandsche handel en de Nederlandsche industrie van die verandering in de omstandigheden oordeelkundig partij zullen weten te trekken, moet worden afgewacht. Veel zal er daarbij van afhangen of de leidende persoonlijkheden op het gebied van handel en nijverheid in ons land, een deel van hun energie zullen verspillen aan uitingen van alouden naijver tusschen onze groote koopsteden, dan wel, in stede daarvan, eendrachtig zullen willen samenwerken, om van den toestand zooveel mogelijk partij te trekken niet alleen voor den handel zelven en in het algemeen belang van het land, maar te gelijk ten bate van handel en verkeer met verschillende buitenlandsche staten, welke daardoor gemakkelijker en spoediger hun onmisbaar internationaal element zullen terugkrijgen, dan wanneer zij alleen op zich zelven zijn aangewezen. Doch hetzij de handel de taak, die thans voor hem is weggelegd, met alle energie zal aanpakken, hetzij het aloude spel van naijver tusschen onze koopsteden daarbij opnieuw storend zal inwerken, Regeering en Staten-Generaal moeten alles vermijden, wat handel en industrie in het vervullen van die taak zou kunnen bemoeilijken.”
Men heeft helaas geen reden de toekomst met volle gerustheid te gemoet te zien, vooral niet, wat het laatst door mij aangeroerde punt betreft. Toch kan ik niet aannemen, dat de politiek der zelfgenoegzaamheid, van het zich economisch onafhankelijk willen maken, wortel zal schieten in een koloniaal Rijk als Nederland, met een roemrijk verleden op het gebied van handel en verkeer, dat elke vergelijking tart. Het is te voorzien, dat in de thans oorlogvoerende rijken, ook na den vrede, de door den krijg gewekte haat en nijd nog geruimen tijd het gezond economisch oordeel vertroebelen zullen. Welke maatregelen noodig zullen zijn, om alsdan ons land te behoeden voor het lot van economisch te worden plat gedrukt, is thans zelfs nog niet in breede trekken aan te geven. Dat zal in hoofdzaak afhangen van het resultaat van den krijg en van de mate der vertroebeling van het economisch inzicht bij hen, die als overwinnaars uit ’t strijdperk zullen treden. Maar dit eene zou ik wel willen uitschreeuwen: men wachte zich bovenal voor de zooeven door mij aangestipte politiek der economische zelfgenoegzaamheid. Mocht zij onverhoopt gevolgd worden, dan zou het tijdelijk verweer tegen te verwachten maatregelen van gewezen belligerenten, welke ook voor neutraal gebleven handelsvolken zeer lastig zullen kunnen wezen, geschieden ten koste van ’s lands welvaart en bloei tot in een verre toekomst.
Maar hoe het hiermede ook moge gaan,--aan het in stand houden der uitvoerverboden denkt niemand. Dit wil intusschen niet zeggen, dat zoodra er weer vrede in Europa zijn zal, onze grenzen zonder meer zullen kunnen worden opengesteld. Na het sluiten van den vrede zal ook Nederland een liquidatietijdperk moeten doormaken, dat--naar het zich laat aanzien--volk, regeering en wetgever voor nog grootere economische vraagstukken plaatsen zal dan de oorlog reeds deed. De vraag van de centrale mogendheden naar levensmiddelen zal alsdan niet minder zijn dan thans, en het ophouden van de economische oorlogspolitiek der geallieerden zal voor ons land in de eerste maanden over het algemeen geen verlichting brengen, veeleer het tegendeel. Wel zal het havenverkeer in Rotterdam naar alle waarschijnlijkheid vrijwel terstond zijn oude beteekenis hernemen en zullen alle takken van het verkeerswezen, die met den doorvoerhandel in verband staan, dientengevolge zeer spoedig weer tot bloei komen. Maar tegenover dat voordeel is een groote verzwaring der moeilijkheden voor het volk in zijn geheel te duchten. Een plotselinge openzetting der grenzen zou het land er aan bloot stellen, in enkele weken als het ware te worden leeggezogen.
Daaraan valt dus zelfs niet te denken; het zou de levensmiddelen nog ver in prijs doen stijgen boven hetgeen daarvoor reeds moet worden betaald. Maar het is niet genoeg uitvoerverboden te stellen of te verlengen; men moet ze handhaven ook. Thans worden de belastingcommiezen aan de grenzen daarin bijgestaan door militie en landweer. Hoe zal het daarmede gaan, als er gedemobiliseerd zal worden? Natuurlijk heeft de Regeering dit wel onder de oogen gezien. Ik wijs er slechts op, om te doen zien hoeveel moeilijker alsdan de toestand reeds alleen in dit opzicht zijn zal. En daarbij zal het niet blijven. Zoodra de oorlog voorbij zijn zal, zullen de centrale mogendheden die nu van de overzeesche markten zijn uitgesloten, daarop als koopers aanvallen, vooral wat levensmiddelen en grondstoffen voor de nijverheid betreft. Dat zulk een plotselinge verhooging der vraag de prijzen, inzonderheid van het broodkoren, zullen doen stijgen, is niet twijfelachtig. Niet dat zulk een prijsstijging komen zal, alleen hoever zij zal gaan, is onzeker.
Mogelijk is dat het vrijkomen van scheepsruimte een invloed in tegengestelde richting zal doen gelden; maar hierop rekene men niet te veel. Als de Duitsche en Oostenrijksche handelsschepen weer in de vaart zullen zijn en de koopvaardijvloten der geallieerden niet meer voor een deel voor oorlogsdoeleinden zullen worden in beslag genomen, zal het aanbod van scheepsruimte wel veel grooter zijn dan thans; maar dezelfde oorzaak, die de prijzen op de overzeesche markten in de hoogte zal drijven, zal ook de vraag naar scheepsruimte voor het vervoer der begeerde goederen reusachtig doen toenemen. Het is niet onwaarschijnlijk dat die beide factoren bij de bepaling der scheepsvrachten elkander vrijwel in evenwicht zullen houden en dat bij de belangrijke vermindering der handelsvloot als gevolg van den zeeoorlog en van den stilstand in een groot deel van den scheepsbouw in de oorlogvoerende landen, de vrachten nog jaren hoog zullen blijven.
Hoe lang onder die omstandigheden de uitvoer van levensmiddelen, welke hier te lande worden voortgebracht, zal moeten geregeld en beperkt blijven, is van te voren niet te zeggen. Waarschijnlijk is, dat er wel ten minste een jaar mee zal heengaan, eer de export, die geleidelijk verruimd zal moeten worden, weer geheel vrijgelaten zal kunnen worden.
Uit hetgeen ik zooeven schreef over de te verwachten prijsstijging speciaal van overzeesche voedingsartikelen en grondstoffen volgt tevens, dat de N. O. T. niet aanstonds bij den vrede het bijltje er bij zal kunnen neerleggen. Ook daarbij zullen zich echter moeilijkheden voordoen, die terdege onder de oogen zullen moeten worden gezien. Zoodra er vrede zijn zal, zullen de gewezen belligerenten er zich niets meer van aantrekken, wat er met van elders hier te lande aangevoerde goederen geschiedt. Ik wil aannemen, dat de N. O. T. contracten zoodanig zijn gesteld, dat uitvoer van goederen, die gedurende den oorlog onder N. O. T.-verband werden ingevoerd, de importeurs aan verlies hunner bankgarantie zal blijven blootstellen. Maar hoe zal het dan gaan met den nieuwen invoer van goederen, waaraan ons land behoefte heeft en die dus hier zullen moeten blijven? Zal men daarbij de N. O. T. plotseling kunnen missen? En zoo neen, zal dan niet de eigen Regeering tegenover de N. O. T. eenigszins de rol moeten spelen, die thans de belligerenten, met name de geallieerden, tegenover haar vervullen? En voorts: zal de Regeering dan plotseling hare handen kunnen aftrekken van den eigen aankoop en invoer van broodkoren en veevoeder? Ook dat zal niet gaan. Maar hoe zal dan de geleidelijke liquidatie hebben te geschieden? Ik werp de vragen slechts op; haar beantwoording zal behooren tot de taak der Regeering. Het enkele opwerpen daarvan is wel voldoende om te doen zien, dat er nog een bij uitstek moeilijk tijdperk zal zijn te doorworstelen, vóór men weer komen zal in het beloofde land van het onbelemmerde handelsverkeer. En wie zal zeggen of de nieuwe crisis, die, indien niet alle voorteekenen bedriegen, na de kortstondige periode van koortsachtig aankoopen op de internationale markten, als gevolg van de geweldige verstoring in het economisch leven welke heeft plaats gegrepen, niet zal kunnen uitblijven, niet zóó spoedig zal intreden en niet zóó hevig van aard zijn zal, dat zij de Regeeringsinmenging nog langer noodzakelijk zal doen blijven dan anders het geval zou wezen? Wie durft, na een ontwrichting der verschillende volkshuishoudingen op een schaal die al wat de geschiedenis tot nu toe te zien gaf, ver achter zich laat, voorspellen, hoe diep die terugslag van de oorlogsellende inwerken zal, voor welke nieuwe, vooruit niet te bepalen zwarigheden zij volk en Regeering zal stellen?
Hoe het met een en ander gaan zal en welke maatregelen van tegenweer daartegen genomen zullen moeten worden, ligt thans nog grootendeels in het duister. Alleen zooveel staat vast, dat men zich niet mag vleien, met het einde van den oorlog de moeilijkheden te boven te zullen zijn; zij zullen dan voor een deel veranderen van karakter, maar in het liquidatietijdperk van den oorlogstoestand zullen zij zeker niet minder groot zijn dan thans. Gestadige en vooruitziende waakzaamheid blijft daarom geboden.
Daarbij zullen ook minder omvattende, maar op zich zelf hoogst belangrijke regelingen, zoowel op juridisch als op sociaal-economisch gebied, noodzakelijk zijn. Om slechts een tweetal voorbeelden hiervan te noemen: hoe zal het gaan met de verstrekking van levensmiddelen tegen verlaagde prijzen? Op welke wijze zal de overheid zich geleidelijk van dit gebied terugtrekken? En ook: op welke wijze zal worden voorkomen, dat contracten, wier vervulling gedurende den oorlog uit overmacht werd opgeschort, niet na afloop daarvan op eene zoodanige wijze zullen herleven, dat zij nieuwe beroering in de zakenwereld brengen? Ik stip dit een en ander slechts aan; er op ingaan doe ik niet.
Het tijdperk van zeer verhoogde overheidsinmenging in het economisch leven als gevolg van den oorlogstoestand zal, als het zwaard eindelijk in de scheede zal zijn gestoken, niet aanstonds voorbij zijn. Hoe lang die inmenging zal moeten duren en hoe zij geleidelijk binnen de perken der normale regeeringsbemoeiing zal worden teruggeleid, zal moeten worden afgewacht. Dat terugleiden zal even noodig zijn, als het tijdelijk nog blijven optreden van de overheid op het terrein der economische defensiepolitiek, ook wanneer de krijg zal zijn uitgestreden. Daartoe zal niet minder kracht en niet minder inzicht in de economische verhoudingen vereischt worden dan gedurende den oorlog het geval was. Dit overwegende, wordt men onwillekeurig herinnerd aan de strekking van het gebed, waarmede gedurende vele jaren de vergaderingen van Amsterdams Gemeenteraad werden geopend, en waarin den Hemel werd afgesmeekt dat Hij der Overheid zou schenken: wijsheid, kracht en voorzichtigheid!
+--------------------------------------------------------------------+ | Opmerkingen van de Bewerker: | | | | Algemeen. | | Deze e-tekst volgt de originele uitgave, behalve zoals hieronder | | aangegeven. Inconsistenties zijn niet gestandaardiseerd voor wat | | betreft spelling (bijv. mais en maïs; contrôle en controle), het | | gebruik van punten na rangtelwoorden (bijv. 1º en 1º.); het gebruik| | van koppeltekens (bijv. chili-salpeter en chilisalpeter; molest- | | risico en molestrisico; Octoberaflevering en November-aflevering; | | bankbiljettencirculatie, bankbiljetten-circulatie en bankbiljetten | | circulatie); het gebruik van apostrofs (bijv. comités en comité’s);| | het gebruik van hoofdletters (bijv. den Haag en Den Haag; pct. en | | pCt.); decimaalpunt en -komma; het gebruik van tussen-s (bijv. | | verkoopsvereeniging en verkoopvereeniging) en -n (bijv. | | groentenveilingen en groenteuitvoer); en spellingsvarianten (bijv. | | medesleepen, meesleepen; nauwlijks, nauwelijks). | | Pag. 294/5: De aanhalingstekens in „Waar te voorzien was ... worden| | niet afgesloten; onduidelijk is of dit na ... aan te koopen. of na | | ... dien van boordkoren. zou moeten. | | Pag. 358: ... ook op politiek een bekende figuur ...: hier is | | waarschijnlijk een woord weggevallen na politiek (vlak o.i.d.). | | | | Aangebrachte veranderingen. | | H. L. en H.L. (hectoliter) zijn gestandaardiseerd naar H.L. | | f en ƒ (gulden-symbool) zijn gestandaardiseerd naar ƒ. | | Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarop ze | | betrekking hebben. | | Enkele klaarblijkelijke interpunctiefouten (vooral weggevallen | | komma's) zijn stilzwijgend gecorrigeerd. | | Pag. 14: voorspruitende veranderd in voortspruitende. | | Pag. 25: legerbenoodigheden veranderd in legerbenoodigdheden. | | Pag. 44: drie weken laten veranderd in drie weken later. | | Pag. 57: consumtie veranderd in consumptie. | | Pag. 61: distributiebureux veranderd in distributiebureaux. | | Pag. 66/67: één voetnoot met twee verwijzingen in origineel, | | vervangen door twee (identieke) voetnoten. | | Pag. 79: brand stoffen veranderd in brandstoffen. | | Pag. 116: oorlogsgegevaar veranderd in oorlogsgevaar; Vooijs | | veranderd in Vooys zoals elders. | | Pag. 120: tewoordigheid veranderd in tegenwoordigheid. | | Pag. 157: rusten veranderd in rustten. | | Pag. 160: bedekt veranderd in bedekte. | | Pag. 173: Den 26 Augustus veranderd in Den 26en Augustus. | | Pag. 193: voor waarde veranderd in voorwaarde. | | Pag. 219: crediet behoeften veranderd in credietbehoeften. | | Pag. 247: regeerings voorstel veranderd in regeeringsvoorstel. | | Pag. 249: apprecatie veranderd in appreciatie. | | Pag. 258: amerikaansche veranderd in Amerikaansche zoals elders. | | Pag. 268: Nijherveid veranderd in Nijverheid. | | Pag. 293: uitsluitend rekening gehouden zou moeten worden gehouden | | veranderd in uitsluitend rekening gehouden zou moeten worden; | | Duitschalnd veranderd in Duitschland. | | Pag. 298: Middenstand crediet veranderd in Middenstandscrediet. | | Pag. 303: oorlogschepen veranderd in oorlogsschepen zoals elders. | | Pag. 305: handelschepen veranderd in handelsschepen zoals elders. | | Pag. 337: smokkerarij veranderd in smokkelarij. | | Pag. 341: geerbiedigd veranderd in geëerbiedigd. | | Pag. 347: Groot-Brittanië veranderd in Groot-Brittannië (2x). | | Pag. 349: verlerlei veranderd in velerlei. | | Pag. 354: Nederlandsch-Indie veranderd in Nederlandsch-Indië. | | Pag. 360: ƒ ingevoegd voor 26½ millioen. | | Pag. 380: ingeveer veranderd in ongeveer. | | Pag. 386: verlerlei veranderd in velerlei. | +--------------------------------------------------------------------+