Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 40

Chapter 403,592 wordsPublic domain

Toch meen ik ook deze gelegenheid te baat te moeten nemen, om een woord van waarschuwing te doen hooren tegen het te ver doorgaan op den weg der heffingen in eens of in drieën, onder welken naam zij ook ten doop worden gehouden. Ik zal daartoe niet terugtreden in hetgeen ik hierboven[28] memoreerde over de economische nadeelen van hooge heffingen, die geheel of ten deele uit het bedrijfskapitaal van ondernemingen moeten betaald worden, in verband met de credietbehoefte der bedrijven, inzonderheid in oorlogstijd. Ook wil ik aannemen dat het overbodig is, er lang bij stil te staan, dat als heffingen van dien aard niet zeer exceptioneel blijven, zij de kip met de gouden eieren slachten. Belastingen moeten uit het jaarlijksch volksinkomen betaald kunnen worden en betaald worden. Zoodra zij zóó hoog loopen, dat zij het volkskapitaal aantasten, knagen zij aan ’s lands productievermogen en brengen zij ’s lands welvaart en ontwikkeling in gevaar. Belastingen die niet slechts naar het vermogen worden gemeten, maar ook uit het vermogen moeten worden gekweten, mogen des noods in zeer buitengewone omstandigheden worden opgelegd, als met ’s lands zelfstandigheid ook het volksvermogen met gevaar van schending of vernietiging door een buitenlandschen vijand wordt bedreigd. Zoodra zij buiten die grens treden en een blijvend of periodiek weerkeerend verschijnsel worden, tasten zij ’s lands economische toekomst in een harer meest onmisbare pijlers aan.

[28] Zie bl. 365.

Hooge heffingen naar één criterium zijn op zich zelf bedenkelijk, ook al kleven daaraan de zooeven aangestipte algemeen economische bezwaren niet. Dit behoort tot de allereerste beginselen der belastingtechniek, maar het dreigt tot schade voor het land onder den indruk van den oorlogstoestand te worden vergeten. De oorlogstoestand heeft ons aan groote cijfers gewend; men spreekt thans over millioenen, zoo niet over milliarden, als vroeger over tonnen. Waar breedheid van opvatting en breedheid van zien nu niet juist de meest naar voren komende karaktertrekken van den gemiddelden Nederlander zijn, heeft dit ongetwijfeld een lichtzijde. Maar een schaduwzijde heeft het ook. Het leidt er toe, te meenen, dat men ook wel straffeloos zeer hooge belastingen naar een enkel criterium kan opleggen. Zeer merkbaar heeft de oorlog gedrongen in de richting van den _impôt unique_, van de eene en afdoende belasting die, geheven naar ieders draagkracht, alles opbrengt wat de Staat van zijn belastingplichtige onderdanen moet opvragen. Het denkbeeld van den _impôt unique_ heeft altijd veel aantrekkingskracht gehad voor het groote publiek, waarvan niet kan worden verwacht dat het in de moeilijkheden der belastingtechniek is doorgedrongen. Het behoeft dan ook niet te verwonderen dat het telkens weer opduikt. Het is ook zoo eenvoudig: men belast ieder naar zijn draagkracht, en daarmede uit. Ja, _als_ men ieders draagkracht naar kenmerken, welke door den fiscus in theorie kunnen worden gemeten, kon vaststellen, en _als_ men die theoretisch vastgestelde kenmerken, in werkelijkheid, des noods met een voor allen gelijke fout benaderen kon,--ja _dan_ behoefde men zich het hoofd niet te breken met belastingstelsels. Maar de ervaring van eeuwen heeft geleerd, dat het er zóó niet mee gesteld is. Men kan wel rekening houden, en men houdt ook zoo goed mogelijk rekening, met de hoofdfactoren, welke de draagkracht der belastingplichtigen bepalen, maar die hoofdfactoren worden bij elken individueelen belastingplichtige doorkruist door een aantal nevenomstandigheden, welke de belastingwetgever niet in rekening kan brengen, en die toch op de resultante, de werkelijke draagkracht overwegenden invloed hebben. Men kan ook wel de hoofdfactoren, waarmede de belastingwetgever rekent, in de uitvoering meer of minder goed benaderen; maar de fout die daarbij wordt gemaakt, is bij lange na niet voor allen gelijk. De een woont voor den belastingambtenaar in een glazen huisje, de ander in een donkeren kelder. Ook voor de theoretisch meest rechtvaardige en billijke belasting geldt, dat de wetgever onvermijdelijk fouten maakt bij haar regeling en de belastingadministratie, even onvermijdelijk, die fouten nog verergert bij haar uitvoering. Daarom kleven aan elke belasting, ook aan de theoretisch beste, groote gebreken; gebreken die minder wegen naar gelang de opbrengst, welke er door moet worden verkregen, kleiner is, doch die toenemen in beteekenis, naar gelang men meer van haar verlangt. Ook al zou een belasting welke naar draagkracht bedoelt te heffen, wanneer van haar voor ons land ƒ 100 millioen of meer verlangd wordt, het kapitaal niet aantasten, dan nemen de technische fouten daarvan zoowel in de regeling als in die uitvoering zulke verhoudingen aan, dat zij voert tot de grootste ongelijkheden en de grofste onbillijkheden.

Dit dreigt zoozeer vergeten te worden, dat bij de waardeering, welke ik in de pers vrij algemeen mocht ondervinden voor mijn poging tot vernieuwing en versterking van ons belastingstelsel, haast even algemeen de opmerking was gevoegd, dat ik naar grooter eenvoud had moeten streven. Helaas is het er bij de belastingheffing zoodanig mede gesteld, dat men er met eenvoud niet komt, welke bekoring deze ook moge hebben voor het oog en welke streeling voor het gemoed. Alleen door heffing van verschillende belastingen naar velerlei kenmerken, kan men elke afzonderlijke belasting binnen zóó redelijke grenzen houden, dat de fouten ervan niet te groot worden en kan men bij zorgvuldige combinatie dier verschillende heffingen een stelsel verkrijgen, waarvan de gebreken in de onderdeelen elkander ten deele compenseeren en, voor zoover zij dit niet doen, geen afmetingen aannemen, welke billijkheidshalve niet toelaatbaar zijn.

Deze overweging heeft mij ook eenigszins huiverig gemaakt voor de oorlogswinstbelasting. Na hetgeen ik over de oorlogswinsten en het recht van den staat om daarin in te grijpen in hoofdstuk II[29] zeide, zal het wel duidelijk zijn, dat die huivering niet voortsproot uit vrees de oorlogswinsttrekkers in de kosten van den oorlogstoestand te doen bijdragen. De grondgedachte van de oorlogswinstbelasting is zóó gezond: zij draagt haar rechtvaardiging zóó duidelijk op het voorhoofd, dat elk debat daarover geheel overbodig is. Principieel is zij haast volmaakt. Maar de regeling ervan is zonder groote fouten niet te treffen, en de benadering der feiten, die benaderd moeten worden, zal slechts zoo gebrekkig kunnen geschieden, dat het resultaat vol onbillijkheid zijn moet. Wanneer het hierbij nu gold een belasting, die ƒ 10 of ƒ 20 millioen moest opbrengen en waarbij men zich bepaalde van de oorlogswinsten die men aanwijzen en aanpakken kan, 5 tot 10% voor den Staat af te nemen, zou het wel te betreuren zijn, dat daarnaast een aantal oorlogswinsttrekkers zich aan den greep van den fiscus wisten te onttrekken, maar zou men zich daarover niet al te warm behoeven te maken. Maar zulk een kleine oorlogswinstbelasting wilde niemand. Pakt men de oorlogswinsten aan, dan moet men het flink doen, dan behooren zij in de kosten van den oorlogstoestand een som bij te dragen die zoden aan den dijk zet. Flink of niet, moest hier het parool zijn.

[29] Zie bl. 48-53.

Deze overwegingen brachten er mij toe, zoodra ik als Minister van Financiën optrad, een poging te doen om althans een belangrijk deel der oorlogswinsten bij de bron te treffen. Daartoe strekte het ontwerp van wet dat bij Koninklijke boodschap van 2 November 1914 werd ingediend en dat bedoelde een uitvoerrecht te heffen van 8% over de verkoopwaarde van uitgevoerde goederen in het land waarheen zij uitgevoerd werden, met een maximum van 50% van de daarmede te maken winst.

In de Memorie van Toelichting bij dat ontwerp zeide ik o.m.: „Niettegenstaande den algemeen gedrukten toestand van handel en verkeer, is de buitenlandsche vraag naar sommige artikelen evenwel zóó groot, dat de prijs daarvan belangrijk boven het normale peil is gestegen en dat zij die dergelijke artikelen in voorraad hebben of voortbrengen kunnen, buitengewone winsten maken.

„Het is billijk dat zij die in zulk een bevoorrechte positie verkeeren, althans een deel der winsten, die zij maken, aan de schatkist afstaan. Te meer is daartoe aanleiding nu dezelfde omstandigheden, welke die gelukkige exporteurs zulke voordeelen bezorgen, den Staat tot het doen van buitengewoon zware uitgaven nopen.

„Vandaar dat de heffing van een uitvoerrecht, dat onder gewone omstandigheden geheel in strijd zou zijn met gezonde begrippen van handels- en financieele politiek, thans alleszins is gerechtvaardigd. Dit is evenwel slechts het geval onder de voorwaarde dat de heffing op tweeërlei wijze aan de noodige beperking zij gebonden. In tijd behoort de heffing beperkt te zijn tot zoolang er oorlogsgevaar bestaat of althans een normale toestand nog niet is teruggekeerd. In omvang moet de heffing begrensd zijn, omdat zij aan den uitvoer van een aantal artikelen, die niet in prijs zijn gestegen (dit aantal is thans heel wat kleiner dan het in het laatst van 1914 was) en welker uitvoer toch reeds ongewone bezwaren ondervindt, geen nieuwe hinderpalen in den weg mag leggen.”

In de afdeelingen van de Tweede Kamer werd het ontwerp, blijkens het Voorloopig Verslag, bedolven onder een stortvloed van theoretische en practische bezwaren. Onder gewone omstandigheden zou mij dit geen aanleiding hebben gegeven daarmede op de vlucht te gaan. In het land vierde toen echter de agitatie tegen het leeningsontwerp en voor de heffing in eens hoogtij. Het was niet gewenscht de Regeering in den persoon van den Minister van Financiën nog meer kwetsbaar te maken door de heffing der uitvoerrechten op oorlogswinstgoederen door te zetten en daardoor gevaar te loopen een nieuwe agitatie te ontketenen. Er moest rust komen, ook om het resultaat van de oorlogsleening niet in de waagschaal te stellen. Van daar dat ik aan de Koningin machtiging verzocht het ontwerp in te trekken. Nadat ik die machtiging bekomen had, geschiedde de intrekking op 8 Januari 1915.

Had de Tweede Kamer bij gelegenheid der schriftelijke behandeling van het uitvoerrecht op oorlogswinstgoederen zich wat minder afwerend gedragen, ’s Rijks schatkist zou thans een groot aantal millioenen rijker of, beter gezegd, minder arm hebben kunnen zijn.

Na die ervaring liet ik de oorlogswinsten voorloopig met rust. Ik had de handen vol aan de herziening en versterking van ons belastingstelsel, een arbeid dien ik mij had opgelegd om het onmisbare financieele fundament te construeeren voor hetgeen den Staat in de komende jaren te wachten staat, wil hij de ontwikkeling van ’s lands welvaart en kracht naar eisch steunen en bevorderen. Intusschen werd het trekken van oorlogswinsten door verschillende groepen der bevolking steeds duidelijker zichtbaar en steeg, begrijpelijkerwijze, het algemeene verlangen, dat de Staat in den vorm van belasting een deel daarvan tot zich trekken zou.

Dit gaf mij aanleiding in September 1915 aan Hare Majesteit voor te stellen een commissie te benoemen tot het onderzoeken op welke wijze eene tijdelijke belasting kan worden ingericht, welke ten doel heeft buitengewone vermeerdering van inkomen, als direct of indirect gevolg van den oorlogstoestand te treffen, met opdracht haar verslag met de noodige wetsvoorstellen uit te brengen aan den Minister van Financiën. Tot voorzitter werd benoemd Dr. D. Bos, het bekende en betreurde lid van de Tweede Kamer. Als leden werden aangewezen, naast eenige hoofdambtenaren der belastingen en leden van de Eerste en de Tweede Kamer, gekozen uit de verschillende politieke groepen, een aantal personen uit alle hoofdtakken van ’s lands bedrijfsleven. De Regeering hoopte op die wijze niet alleen een wetsontwerp te zullen verkrijgen, waarbij met de eigenaardigheden der verschillende soorten van oorlogswinsten zou zijn rekening gehouden, maar ook een eenigszins betrouwbare raming te ontvangen van de te verwachten opbrengst der voor te stellen heffing. Ten aanzien van het tweede deel is zij bedrogen uitgekomen. Ook de Staatscommissie voor de oorlogswinstbelasting heeft zich aan zulk een raming niet gewaagd. Het cijfer dat daarvoor in de Memorie van Toelichting bij het tweede leeningsontwerp gesteld wordt, maakt er geen aanspraak op, een eigenlijk ramingscijfer te zijn. Ik zou dit niet zeggen, als het niet van mijzelven afkomstig was en dus ook voorafging aan de indiening van het verslag der Staatscommissie aan den Minister van Financiën. Dat cijfer werd aldus gevonden. Er is ƒ 250 millioen noodig; daarvan wordt ƒ 125 millioen gevonden uit leening; ƒ 80 à ƒ 85 millioen uit de beide verdedigingsbelastingen, dus de oorlogswinstbelasting moet ƒ 40 à ƒ 45 millioen opbrengen. Of zij zoo vriendelijk zijn zal, die opdracht te vervullen, zal de toekomst moeten leeren.

Bij mijn aftreden was de Staatscommissie met haar onderzoek nog niet gereed. Den 23en Februari diende zij haar verslag aan mijn opvolger in. De secretaris der commissie, de heer J. M. J. Schepper, die een verdienstelijke commentaar op de Wet op de Oorlogswinstbelasting het licht deed zien, schrijft over hetgeen er met het ontwerp der Staatscommissie voorviel, het volgende: „De Minister bracht in het door de Staatscommissie als vrucht van haren arbeid aangeboden ontwerp geen groote wijzigingen. Naast een paar veranderingen van redactioneelen of louter formeelen aard, werd het tarief gewijzigd. De Staatscommissie had het bedrag der belasting op 25 pct. gesteld, met een algemeenen aftrek van ƒ 1000, en bij natuurlijke personen een degressie voor de inkomstenvermeerderingen beneden ƒ 20.000 tot 10 pct. toe. De Minister kon zich met de degressie niet vereenigen, maar stelde den algemeenen aftrek op ƒ 2000 (Bij de Nota van Wijzigingen, die de Memorie van Antwoord vergezelde, is voor inkomsten- of winstvermeerderingen beneden ƒ 2500 de aftrek op ƒ 1000 gesteld en het tarief op 10%). Verder werd het percentage verhoogd en op 30 bepaald, om het Rijk in de gelegenheid te stellen aan de gemeenten wier financiën tengevolge van den oorlogstoestand in de war zijn, uit de opbrengst dezer belasting een uitkeering te doen. Den 10den Maart werd het aldus gewijzigde ontwerp bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Den 18^{en} Mei nam de Tweede Kamer het ontwerp zonder hoofdelijke stemming aan, nadat het nog eenige wijziging had ondergaan. Den 21^{en} Juni werd het--eveneens zonder hoofdelijke stemming--door de Eerste Kamer goedgekeurd en daarna door de Koningin bekrachtigd”. Zoo kwam de Wet op de Oorlogswinstbelasting van 22 Juni 1916 tot stand.

De oorlogswinstbelasting is, zooals wel van zelf spreekt, alleen bedoeld als heffing in oorlogstijd. Nadat de oorlogstoestand zal zijn geëindigd moet een wetsvoorstel worden ingediend, om haar te doen vervallen. Op de bijzonderheden harer regeling ga ik niet in. Haar beginsel wordt algemeen als rechtvaardig erkend en haar uitwerking is met veel zorg en met veel kennis van zaken geschied. Toch heb ik op de boven aangevoerde gronden geen onbeperkt vertrouwen in de billijkheid harer werking, noch in het bedrag dat zij zal opbrengen. De oorlogswinsten der vennootschappen zal zij weten te vinden en te treffen; daarentegen vrees ik dat een groot deel der oorlogswinsten van particuliere handelslieden, industrieelen en landbouwers door haar niet zullen worden bereikt. Wordt dit vermoeden bewaarheid, dan zal zij leiden tot ontstemming en zal haar opbrengst onder den invloed van dat gebrek staan. Ware dit niet het geval, dan zou het zooeven genoemde cijfer van ƒ 40 à ƒ 45 millioen waarschijnlijk wel meer dan verdubbeld, zoo niet verdrievoudigd kunnen worden. Niemand zal het meer toejuichen dan ik, indien de uitkomst mijne niet al te hoog gestemde verwachtingen zal beschamen.

De oorlogstoestand is nog niet ten einde. Nog steeds verlangt hij van het Rijk offers, die, in stede van geleidelijk lager te worden, voortdurend klimmen. Hoe lang dat nog zal duren, en hoe hoog die offers zullen stijgen, kan niemand zeggen. Maar zelfs al mocht dit meevallen en al mochten de buitengewone belastingen, die reeds wet zijn geworden of die de Staten-Generaal hebben gepasseerd, veel meer opbrengen dan waarop gerekend wordt, dan nog zal er meer geld noodig zijn, veel meer geld dan kan worden opgebracht door de belastingen uit mijn algemeen herzieningsplan, welke thans bij de Staten-Generaal in behandeling zijn.

Wat de krijg, als hij eindelijk zal zijn geëindigd, over Europa en inzonderheid over ons land brengen zal--wie zal het zeggen? Te dien aanzien staan wij allen voor een groot vraagteeken. Slechts zooveel is zeker, er zal een tijdperk aanbreken van haast onbegrensde mogelijkheden, maar ook van haast onbegrensde gevaren. Of door Nederland die mogelijkheden begrepen, die gevaren omzeild zullen worden, zal--indien wij buiten den oorlog mogen blijven--in de eerste plaats afhangen van de energie onzer industrieelen, zeevaarders, boeren en handelaars, en wel vooral van de jongeren onder hen, die nog hun ganschen mannen-leeftijd voor zich hebben. Naast energie zal breedheid van inzicht en opvatting in de naaste toekomst meer dan ooit noodig zijn.

Maar opdat Nederland met grooter kracht zal te voorschijn komen uit de geweldige omwenteling, welke de oorlog bezig is over Europa te brengen, zal daarnaast ook noodig zijn, dat de Staat het zijne tot ontwikkeling en verhooging van de volkskracht bijdrage. Daartoe zal hij geld, veel geld behoeven. Aan alle regeeringen van de komende jaren, uit welke partij zij zullen voortkomen, door welke beginselen zij zullen worden gedragen, zal de Nederlandsche Maagd steeds als een harer eerste eischen stellen: „faites moi de bonnes finances!”

’s Lands toekomst hangt af in de eerste plaats van het inzicht, den durf en de energie, van het kennen en kunnen zijner zonen, maar daarnaast ook van hetgeen de Staat, door zwakkeren te steunen, overmachtigen in toom te houden en regelend, ordenend en helpend op te treden, er toe kan bijdragen, om de kracht, die in de lagere lagen des volks al te vaak sluimert en verdrukt wordt, en onder dien druk al te vaak in verkeerde richting wordt geperst, tot volle ontplooiing te doen komen en haar er toe te leiden zich dienstbaar te maken aan de verhooging van Neerlands welvaart en Neerlands bloei.

NABETRACHTING.

Tot besluit nog een enkel woord over hetgeen na den vrede zal moeten geschieden tot ontwarring van den toestand, dien de worsteling der groote mogendheden heeft gebracht. Ik zal hierbij kort zijn, al was het alleen omdat de oorlogswerkelijkheid met alle voorspellingen heeft gespot en ons heeft geleerd voorzichtig te zijn met het uitspreken van verwachtingen ook omtrent de liquidatie van de crisis, welke als gevolg van den krijg intrad. Alleen enkele hoofdlijnen, waarlangs de ontwarring daarvan naar alle waarschijnlijkheid zal loopen, kan men aangeven, zonder gevaar al te zeer mis te tasten.

Dat na den oorlog op economisch gebied alles weer worden zal zooals het daarvóór was, gelooft wel niemand. Een zóó geweldige gebeurtenis als over Europa is gekomen, laat haar sporen op elk gebied na. De nog steeds woedende krijg kan met maar al te veel recht van zichzelf getuigen:

„Es kann die Spur von meinen Erdentagen Nicht in Aeonen untergehn.”

In het groot zal het aldus zijn ten aanzien van de verhouding der volken van Europa; op bescheidener schaal kan het niet anders wezen met de toestanden, die in neutraal gebleven landen werden teweeggebracht en met de maatregelen, welke tot ordening daarvan getroffen moesten worden.

Men heeft zich afgevraagd, welk karakter die maatregelen hadden. Ware dat onbevooroordeeld geschied, dan zou het stellen dier vraag nut hebben gehad, daar het antwoord daarop dan tevens een aanwijzing had kunnen geven over het vermoedelijke lot dier regelingen. Maar het geschiedde juist niet onbevooroordeeld, doch met politieke bedoelingen. Daardoor werd het waardeloos. Men was ook met zijn karakteriseering te spoedig klaar. De staatsinmenging in het economisch leven in den oorlogstoestand is van sociaaldemocratischen aard, zoo kon men bij meer dan één gelegenheid hooren;--de moeilijkheden, welke men bij die inmenging heeft ondervonden, bewijzen dat ons volk niet rijp is voor toepassing der sociaaldemocratische leerstellingen,--aldus werd uit de oppervlakkig gestelde premisse afgeleid.

Op die wijze rekent men met de sociaaldemocratie en hare theorieën wat heel gemakkelijk af. Ook naar mijne meening is de hedendaagsche maatschappij niet rijp voor toepassing der sociaaldemocratische leer en zal deze nog heel wat moeten worden herzien en gelouterd, wil zij in de toekomst ooit voor toepassing vatbaar worden. Maar dat ligt geheel buiten mijn onderwerp. Ik herinner er slechts aan, om er aanstonds aan toe te voegen dat de regeeringsmaatregelen in den crisistijd en de daarbij ondervonden moeilijkheden geheel langs het vraagstuk der verwezenlijkingsmogelijkheid van de sociaaldemocratische theorieën heengaan.

Sociaaldemocratisch zijn de maatregelen, welke moesten worden genomen ter beheersching van den oorlogstoestand, niet; een socialistische trek is daarin wèl. Het particulier initiatief en de vrijheid van handelen der enkelingen werden in den oorlogstijd op een aantal punten ingeperkt. Daardoor werd de verhouding van het socialistisch en het individualistisch element in onze volkshuishouding in dien zin gewijzigd, dat het eerste ten koste van het laatste werd versterkt.

Voor een klein deel is hierin voor ons land een verhaasting te zien van de ontwikkeling, welke de beschaafde volken sedert een kleine halve eeuw bezig zijn door te maken. Voor zoo ver dit het geval is, zullen de regelingen voor den oorlogstijd, met meer of minder wijzigingen, naar alle waarschijnlijkheid ook na den vrede in stand blijven. Voor een tweetal daarvan staat dit nu reeds vast. De noodregelingen op het gebied der arbeidsbemiddeling en der werkloosheidsverzekering zijn reeds in blijvende ordeningen overgegaan. Enkele noodwetten op ander gebied zullen vermoedelijk eveneens tot blijvende wettelijke maatregelen leiden, hoewel het onwaarschijnlijk is, dat de gelijkenis tusschen de blijvende voorziening en de noodregeling daar zoo groot zal zijn als in de zooeven bedoelde gevallen. Zoo zal de Beurswet wel niet worden opgeheven, zonder dat een regeling van veel minder diep ingrijpend Regeeringstoezicht op de effectenbeurs er voor in de plaats treedt. Ook op andere punten zal de groote vrijheidsbeperking gedurende den oorlogstoestand wel niet plaats maken voor volledig vrijheidsherstel, maar voor eene gematigde vrijheidsbegrenzing.

Grootendeels echter heeft de Europeesche oorlog niet ontwikkelingstendenzen versterkt, maar het economisch leven tot toestanden uit het verleden teruggevoerd, die waarlijk niet in de lijn van den maatschappelijken vooruitgang liggen, maar dezen tijdelijk hebben stil- en zelfs achteruit gezet. Dit geldt vooral voor het internationale handelsverkeer, dat zoo geducht geleden heeft en tot haast middeleeuwsche verhoudingen teruggebracht werd. De internationale verkeerstoestanden, als gevolg van den economischen strijd der geallieerden tegen de centrale mogendheden, en de politiek der uitvoerverboden, welke in verband daarmede veel dieper moest ingrijpen dan anders in den oorlogstijd het geval zou zijn geweest, zijn allesbehalve verschijnselen van voortschrijdende maatschappelijke beschaving. Zij zijn de meest kenmerkende symptomen van tijdelijken terugtred op dien weg.