Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 39
Ook van de beleening der stukken bij de Nederlandsche Rank werd veel minder gebruik gemaakt dan verwacht was. Het Verslag der Bank zegt daarvan: „Wij hadden ons ingericht op het aangaan van een zeer groot aantal beleeningen, ten einde de stortingen op de inschrijvingen voor rekening van het publiek te kunnen doen plaats vinden. De uitkomst ook hiervan is zeer medegevallen in zooverre, dat wij slechts een aantal van 4736 afzonderlijke beleeningen (inclusief voorschotten in rekening-courant) op deze Staats-obligatiën hebben behoeven te sluiten. Weliswaar op zich zelve nog een groot aantal, maar bij lange na niet zoo groot als waarop wij met onze organisatie hadden gerekend.”
De eerste oorlogsleening is een onbetwistbaar succes geweest en een gerechtvaardigde voldoening voor de Regeering tevens. Zij heeft een groot vertrouwen van het geldbeleggend publiek in de credietwaardigheid van den Staat, alsook in de wijze waarop het land in den oorlogstijd werd geregeerd, aan het licht gebracht.
§ 2. _Verdere maatregelen op financieel gebied._
Toen bij de oorlogsleening van 1914 was gebleken, dat met vertrouwen een beroep op de geldmarkt mocht worden gedaan, werd spoedig de hand geslagen aan het inschrijven eener leening ten laste van Nederlandsch-Indië, opdat het Indische Gouvernement althans een deel van zijn schuld aan ’s Rijks schatkist zou kunnen afdoen. In Februari 1915 werd het ontwerp ingediend van een 5% leening ten laste van Nederlandsch-Indië groot ƒ 62½ millioen, af te lossen in 25 gelijke jaarlijksche termijnen. Aangezien het hier de eerste leening gold, die door de Oost-Indische kolonie als afzonderlijk rechtspersoon werd aangegaan, was het zaak zich zoo veel mogelijk te waarborgen, dat dit beroep op de geldmarkt slagen zou. Daarom werd door den Minister van Koloniën, in overleg met mij, een overeenkomst getroffen met eenige bankiers onder leiding van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, welk consortium een gedeelte der leening overnam en zich de optie voorbehield voor het overige deel daarvan. Van die optie werd door het consortium gebruik gemaakt vóór de inschrijving voor het publiek werd geopend. Er was alle aanleiding zich op die wijze den steun der groote banken, die zich meer in het bijzonder met koloniale zaken bezig houden, te verzekeren. Een stok achter de deur, als bij de Staatsleening had dienst gedaan, kon hier niet worden gebruikt. Hoe het geldbeleggend publiek een leening ten laste van Nederlandsch Indië zou opnemen, was geheel onzeker; aangezien daarvoor nog nooit een beroep op de geldmarkt was gedaan, tastte men te dezen aanzien geheel in het duister. Toch heeft het gebruik maken van het bankiersconsortium tot eene minder aangename gedachtenwisseling in de Tweede Kamer aanleiding gegeven. De rede, door den Minister van Koloniën uitgesproken bij de behandeling van het ontwerp in de Tweede Kamer, had eenig misverstand doen ontstaan omtrent den aard der tusschenkomst welke door de bankiers werd verleend. De Minister had een beroep gedaan op de vaderlandsliefde en wel inzonderheid op het groote belang van Nederland als koloniale mogendheid, dat de eerste leening ten laste van het Rijk in de koloniën een succes zou zijn. Men verweet hem achteraf dat hij daarin te ver gegaan was en het belang van het land had verward met dat van de groep, welke de leening had overgenomen. Dit verwijt was ongegrond en getuigde van kortzichtigheid. De heer Pleyte had beter gedaan, zich met wat meer terughouding uit te laten, maar overigens waren zijn woorden, zoowel als de overeenkomst zelve met het bankiersconsortium, volkomen correct. Op het oogenblik dat hij zijne geïncrimineerde rede in de Kamer hield, was de leening nog niet in haar geheel overgenomen. Bovendien sprak het van zelf, dat hij niet mocht gewagen van het gegarandeerd zijn der leening, hetzij dan voor het geheel hetzij voor een grooter of kleiner deel. Het karakter van dergelijke garanties brengt mede, dat zij niet publiek mogen worden gemaakt anders zou de waarborg het succes der leening bederven; in stede van het te steunen. Zulke garanties blijven dan ook steeds binnenskamers; daaraan wordt hoogstens eerst à posteriori ruchtbaarheid gegeven. Ook al zou Nederlandsch-Indië er rechtstreeks geen gulden schade bij hebben geleden, als de leening eens niet was geslaagd, en al zou het volle nadeel van zulk een fiasco op het consortium zijn neergekomen, dan nog zou zulk een niet-slagen voor het crediet der koloniën zóó nadeelig zijn geweest, dat de Minister van Koloniën het volste recht had het groote algemeen belang van het welslagen der leening te doen uitkomen. Dit was niet alleen zijn recht, maar zelfs zijn plicht, consortium of geen consortium. Dat hij door de woorden, welke hij daarbij koos, bij sommigen misverstand wekte, is te betreuren geweest, maar dat is dan ook alles.
De eerste Indische leening is een groot succes geweest. Het volle bedrag daarvan werd in Nederland ingeschreven en de deelneming in Nederlandsch-Indië was haast even groot als die in het moederland. De Nederlandsche Bank had zich, evenals de Javasche Bank, bereid verklaard, de obligaties van de Nederlandsch-Indische leening op overeenkomstige wijze te beleenen, als met de obligaties der staatsleening was geschied. In zijn verslag over het boekjaar 1914/15 zegt het bestuur van de Nederlandsche Bank, na een mededeeling te hebben gedaan over de opengestelde beleeningsmogelijkheid en het resultaat der inschrijving te hebben vermeld: „Dit succes van een eerste leening van ons schoone Nederlandsch-Indische Rijk is niet genoeg te waardeeren, omdat daarmede op schitterende wijze het vertrouwen in de financieele kracht en de levensvatbaarheid van dit Koloniale Rijk is uitgesproken.”
Voor een eerste leening had men het bedrag niet grooter durven nemen, maar men wist dat het niet toereikend was. Het Nederlandsch-Indische gouvernement stond niet alleen bij de Nederlandsche schatkist in het krijt. Daar deze, in verband met de stortingen op de staatsleening, geen behoefte had aan kasmiddelen en zelfs eenige maanden bij de Nederlandsche Bank credit stond, werd slechts ongeveer de helft van de opbrengst der Nederlandsch-Indische leening gebruikt tot aflossing van schuld aan het moederland. In den loop van het jaar namen de kasbehoeften van het Nederlandsch-Indische gouvernement geleidelijk weer zoodanig toe, dat het aan de schatkist evenveel schuldig werd als vóór de leening van Maart 1915 het geval was geweest. Daar het bovendien nog voor verschillende buitengewone uitgaven geld behoefde, werd in het najaar begonnen met de voorbereiding van een tweede koloniale leening. Bij die voorbereiding drong ik aanvankelijk aan op de keuze van een 4½ pct. rente, in verband met de verlaging van den rentestand als gevolg van de geldruimte. Mij werd echter verzekerd, dat een 4½% leening in Indië weinig aftrek vinden zou en geen aanbeveling verdiende. Toen ik als Minister van Financiën aftrad, was over de rente van 5% al overeenstemming verkregen. Besloten werd, na hetgeen de eerste maal over het consortium voorgevallen was, niet op nieuw van de tusschenkomst van een garandeerende bankiersgroep gebruik te maken, maar daartegenover de inschrijving bij verschillende bankierskantoren open te stellen en, door hun een extra-provisie toe te kennen over de bedragen welke bij hen ingeschreven werden, de belangstelling van den geldhandel bij de tweede Indische leening te prikkelen. Zij werd geregeld bij de wet van 8 Juni 1916 en beliep ƒ 80 millioen; een op zich zelf hoog cijfer, maar dat met het oog op de behoeften van Nederlandsch-Indië toch niet hoog genoeg was. Het zal zeker niet zoo heel lang duren, vóór er een derde Indische leening zal moeten volgen. Ook de tweede Indische leening was een groot succes. De inschrijvingen uit Nederlandsch-Indië waren minder hoog dan de eerste maal, namelijk iets beneden ƒ 22 millioen; daarentegen werd in Nederland tot een bedrag van bijna ƒ 124 millioen ingeschreven.
Volledigheidshalve heb ik de Indische leeningen niet met stilzwijgen willen voorbijgaan, hoewel zij met den oorlogstoestand slechts in een zeer los verband staan. Ik keer nu tot de Nederlandsche schatkist terug. Aangezien de opbrengst der leening 1914 in September 1915 aan militaire en sociale oorlogsuitgaven was opgebruikt, moest op nieuw aan het vinden van geldmiddelen ter bestrijding der kosten van den steeds voortdurenden toestand van gewapenden vrede worden gedacht.
In de Memorie van Toelichting bij het door mijn opvolger aan het Ministerie van Financiën ingetrokken ontwerp van wet houdende Grondslagen van het stelsel van ’s Rijks belastingen, dat bij Koninklijke boodschap van den 23sten October 1915 aan de Tweede Kamer werd aangeboden, nam ik hieromtrent, alsmede omtrent de nieuwe bepaling der dekking van de leening 1914, welke voor 1 Januari 1917 moest zijn ingediend, het volgende op: „Ter voldoening aan het voorschrift van artikel 38 der Leeningwet 1914 is in het ontwerp ook geregeld, in hoever de krachtens die wet geheven opcenten ook na het jaar 1917 zullen worden bestendigd, of door eene heffing in eens of op andere wijze zullen worden vervangen.
„De heffing in eens kon daarbij geen dienst doen. Ondergeteekende acht het onnoodig de verschillende argumenten, door hem bij de behandeling der Leeningwet 1914 ter bestrijding van dit denkbeeld aangevoerd, hier opnieuw uiteen te zetten. En dit te meer, omdat, naar hij meent te mogen aannemen, zelfs de meest overtuigde voorstanders der heffing in eens zich wel niet meer aan de illusie zullen overgeven, dat zulk een heffing de leening 1914 nog zou kunnen vervangen. Nu de oorlog zooveel langer duurt dan over het algemeen verwacht werd en het reeds vaststaat, dat met de leening van 1914 de buitengewone kosten van den oorlogstoestand niet geheel zullen zijn te dekken, zal het denkbeeld eener heffing in eens overwogen _kunnen_ en misschien wel _moeten_ worden, als de tijd gekomen zal zijn de vraag te bespreken der dekking van de buitengewone defensie- en crisisuitgaven, die uit de leening 1914 niet meer konden worden bestreden. Het zal wel overbodig zijn te verzekeren, dat ondergeteekende de vraag der dekking van die hoogere uitgaven boven hetgeen uit de leening 1914 is te vinden, niet uit het oog verliest. Hij meent echter, dat het de voorkeur verdient thans daaromtrent nog geen voorstellen te doen en zelfs nog geen denkbeelden te opperen. Immers zal het vraagstuk der dekking dier hoogere buitengewone uitgaven ten nauwste samenhangen met het bedrag, waartoe zij zullen oploopen. Aangezien nu hieromtrent nog zelfs bij benadering niets is te bepalen of met grond te ramen, zou elk thans geopperd denkbeeld gevaar loopen door den loop der omstandigheden te worden ter zijde gesteld.
„Slechts meent ondergeteekende ten aanzien van dit hoogst belangrijke punt te mogen en te moeten opmerken, dat--naar hij hoopt--de omstandigheden zullen veroorloven met een voorstel tot regeling daarvan te wachten, totdat het geheel der kosten van den oorlogstoestand zal zijn te overzien. Mocht echter de toestand van gewapende neutraliteit nog langer duren dan tot het voorjaar van 1916, dan staat te vreezen dat een tweede voorstel tot bestrijding der kosten van den oorlogstoestand zal moeten worden gedaan, zonder dat dit het karakter van eindvoorstel zal kunnen dragen.
„Met het hier aangeroerde probleem staat tevens in verband het onderzoek, waarmede de bij Koninklijk besluit van 5 October 1915 n^{o}. 1, ingestelde Staatscommissie zich thans bezig houdt, omtrent de wijze waarop eene tijdelijke belasting kan worden ingericht, welke ten doel heeft buitengewone vermeerdering van inkomen of van vermogen als direct of indirect gevolg van den oorlogstoestand te treffen.”
Hieruit bleek wel reeds, dat het in mijn voornemen lag voor te stellen, de verdere oorlogslasten ten deele uit leening en ten deele uit een heffing in eens te dekken. In dien geest werden in December 1915 voorstellen voorbereid, welke in Januari 1916 om advies naar den Raad van State werden gezonden. Wachten tot de oorlog zou zijn geëindigd, bleek helaas niet mogelijk. Die voorstellen waren bij mijn aftreden nog niet van den Raad van State terug ontvangen, doch werden met enkele wijzigingen, meer nog in de toelichting dan in de ontwerpen zelf, door mijn opvolger overgenomen. Daarbij werd voorzien in een bedrag, dat geschat werd op ƒ 250 millioen, waarvan ongeveer ƒ 200 millioen zou noodig zijn voor de bestrijding der uitgaven van den oorlogstoestand tot in den zomer van 1916, en omstreeks ƒ 50 millioen zou kunnen strekken tot dekking van de tekorten op de staatsrekeningen over 1914 en volgende jaren, indien de uitgaven voor den oorlogstoestand na Augustus of September 1916 zouden kunnen ophouden, een stille hoop die helaas niet verwezenlijkt is.
Van die som zou ƒ 40 à ƒ 45 millioen zijn te vinden uit een oorlogswinstbelasting, omstreeks ƒ 80 millioen uit een (gesplitste) heffing in eens en ƒ 125 millioen uit een tweede oorlogsleening. Bij de voorbereiding der tweede oorlogsleening heb ik aanvankelijk het voornemen gehad, een leeningsvoorstel van wijder strekking met conversie der oude leeningen van lager rente-type uit te werken, in den geest van denkbeelden, die in het najaar van 1914 door enkele financiers waren ontwikkeld. Na een uitvoerig onderhoud hierover met de presidenten van de Nederlandsche Bank en de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die mij dat denkbeeld ontrieden, liet ik het los. Daartegenover had ik het succes, dat de beide heeren hun aanvankelijk ongunstig advies over het kiezen van het 4½% rentetype voor de nieuw uit te schrijven leening na ons onderhoud wijzigden en een schriftelijk rapport ten gunste van een leening van ƒ 125 millioen tegen een rente van 4½% uitbrachten, onder voorwaarde dat die vrijwillige leening op nieuw door de machtiging van den wetgever tot het uitschrijven van een gedwongen leening zou worden gesteund, voor het geval zij niet mocht slagen. Na dat advies werd met den vereischten spoed aan de uitwerking van het leeningsontwerp begonnen, waarbij de leeningwet 1914 grootendeels werd gevolgd. Er was echter een groote moeilijkheid te overwinnen. Op 23 October 1915 waren een aantal belastingvoorstellen bij de Kamers ingezonden, die, als zij werden aangenomen, den belastingdruk voor de bestrijding der gewone Rijksuitgaven met ongeveer ƒ 60 millioen per jaar zouden vergrooten. Het ging niet wel aan, daarnaast nog een nieuwe belastingverhooging voor te stellen voor rente en aflossing van de nieuwe leening. De oplossing van deze moeilijkheid werd in deze richting gezocht en gevonden, dat rente en aflossing zouden geschieden uit het leeningfonds 1914, dat bij de Leeningwet van dat jaar was gevormd en waarin de opbrengst der oorlogsopcenten worden gestort. De aflossing der nieuwe leening werd behoudens een kleine jaarlijksche amortisatie van een ¼% per jaar, verschoven tot na de aflossing der leening 1914, dus waarschijnlijk tot het jaar 1929.
Het leeningfonds wordt op die wijze bezwaard met een nieuwen last van ten naastebij ƒ 6 millioen. Mocht de opbrengst der opcenten, of der andere belastingen die daarvoor in de plaats zullen komen, niet voldoende zijn om het leeningfonds in staat te stellen, rente en aflossing van beide leeningen te bekostigen, dan zal het ontbrekende uit de gewone middelen aan dit fonds worden vergoed.
Kort na mijn aftreden kwam het tweede oorlogsleenings-ontwerp van den Raad van State terug en werd het, na hier en daar te zijn gewijzigd, aan de Tweede Kamer ingediend. Het ontmoette ditmaal geen principieelen tegenstand en werd, na een spoedige behandeling in de beide Kamers der Staten-Generaal, den 17den Maart 1916 tot wet verheven. De inschrijving werd opengesteld van 27 tot 29 Maart. Het succes was ook ditmaal groot. Er werd ingeschreven voor een bedrag van niet minder dan ruim ƒ 185 millioen. Een nieuw en afdoende bewijs van het ongeschokt vertrouwen van het geldbeleggend publiek in de credietwaardigheid van den Nederlandschen Staat en in het bijzonder ook in de leiding van ’s lands zaken in den oorlogstijd door de aan het bewind zijnde Regeering.
De heffing in eens werd gesplitst in twee belastingen. De eene bestond uit: _a._ een duplicaat heffing der vermogensbelasting over het dienstjaar 1916/7, _b._ een buitengewone progressieve heffing van de vermogens volgens een progressieschaal, die bij een vermogen van ƒ 50.000 begon en dan 0.2 pCt. van het vermogen boven ƒ 50.000 bedroeg, en die bij een vermogen van ƒ 10 millioen omstreeks 3½% van het geheele vermogen uitmaakte; voorzichtigheidshalve was er aan toegevoegd dat de belasting niet hooger zou kunnen stijgen dan 6% van het vermogen. De vennootschappen zijn in deze oorlogsbelasting niet opgenomen; het onroerend goed wordt er in aangeslagen naar zijn verkoopwaarde. De andere oorlogsbelasting was een duplicaat-heffing van de inkomstenbelasting over het dienstjaar 1916/7. Daar de beide belastingen de bepaalde bestemming hadden, te dienen ter bestrijding van een deel der kosten van de verdediging van ’s lands souvereiniteit en neutraliteit, noemde ik ze, in overeenstemming met hetgeen ik in de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van wet houdende Grondslagen van het stelsel van ’s Rijks belastingen, over de bestemmingsheffingen had ontwikkeld: Verdedigingsbelasting I en Verdedigingsbelasting II. Hoewel tegen de bestemmingsheffingen in het algemeen tal van bezwaren werden ontwikkeld, is het wel eigenaardig dat men tegen de eerste bestemmingsheffingen, welke aan de Staten-Generaal werden voorgelegd, geen bezwaren wegens haar karakter als zoodanig inbracht. Men zal het mij wel ten goede houden, dat ik daarover in stilte een oogenblik heb geglimlacht.
In de Memorie van Toelichting, waarin de Verdedigingsbelasting I op een opbrengst van ƒ 50 millioen, die van de Verdedigingsbelasting II in opbrengst op ƒ 30 millioen werd geschat, werd uiteengezet hoe op deze wijze ieder die in de inkomstenbelasting of in de vermogensbelasting is aangeslagen, in de oorlogsbelasting zal bijdragen en hoe bij de voorgestelde regeling de grootste druk absoluut en relatief werd gelegd op de grootste vermogens, zonder dat deze in een buitensporigen last kon ontaarden. Opdat die last over 2½ à 3 jaar zou kunnen worden verdeeld, werd in de beide wetsontwerpen opgenomen, dat zij zouden kunnen worden voldaan in 10 driemaandelijksche termijnen. Bij de behandeling der ontwerpen in de Tweede Kamer werden er enkele wijzigingen in gebracht, die ik, als van niet principieele beteekenis, onvermeld laat. Eén verandering van beteekenis werd echter aangebracht. Zij was van den heer de Geer afkomstig en werd door de Regeering overgenomen. De heffing van de verdedigingsbelastingen over één jaar met bevoegdheid tot betaling in zoodanige termijnen dat de druk over drie jaar kon worden verdeeld, werd veranderd in drie buitengewone jaarlijksche heffingen over de dienstjaren 1916/17, 1917/18, en 1918/19 ieder ongeveer tot ⅓ van het bedrag der aanvankelijk voorgestelde eenmalige belastingen. Deze verandering was een verbetering tevens. Daarbij kwam nog duidelijker uit, hoe de leuze „in eens er af”, zelfs voor zoover er een zoogenaamde heffing in eens werd opgelegd, inderdaad niet meer dan een leuze was, die bij toepassing met een voor principieele voorstanders moeilijk verduwbare hoeveelheid korreltjes zout moest worden genuttigd. Na eene uitvoerige gedachtenwisseling werden de beide wetsontwerpen in de vergaderingen van de Tweede Kamer van 27 en 28 Juni zonder hoofdelijke stemming aangenomen, na verwerping van het voorstel van de vrijzinnigdemocratische kamerclub tot heffing eener oorlogsbelasting, welke ƒ 200 millioen zou opbrengen. De Eerste Kamer nam de wetsontwerpen op 17 Augustus aan, nadat de heer de Vos van Steenwijk had opgemerkt, dat uit zijn stem voor de Verdedigingsbelasting I geen consequenties mochten worden getrokken ten aanzien van den aanslag der onroerende goederen in de jaarlijksche vermogensbelasting.
Volledigheidshalve vermeld ik nog, dat het zooeven bedoelde wetsvoorstel van de vrijzinnigdemocratische leden van de Tweede Kamer in Januari 1916 werd ingediend. Het strekte tot heffing van een oorlogsbelasting tot een bedrag van ƒ 200 millioen. Aangezien dat voorstel reeds verworpen is, heb ik noch aanleiding noch lust er bij stil te staan. Het geven van „le coup de pied de l’âne” aan een gevallene, laat ik gaarne aan anderen over.
De Kamerleden, die zich er in hebben verheugd dat de thans door de Staten-Generaal aangenomen verdedigingsbelastingen bewijzen dat de Regeering de door mij in December 1914 ontwikkelde bezwaren tegen een heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen heeft losgelaten, gun ik dat genoegen gaarne. Zij zullen mij, na hetgeen ik mededeelde over mijn aandeel in de voorbereiding daarvan, bovendien van inconsequentie kunnen betichten. Inderdaad kleven aan de Verdedigingsbelastingen, zooals zij door de Tweede Kamer aangenomen zijn, nog zeer ernstige fouten. Deze schuilen niet in de techniek der regelingen maar in het enkele feit, dat zulke hooge buitengewone belastingen moeten worden geheven in een zóó onzekeren tijd als wij thans doormaken, met zóó groote schommelingen in de vermogens. Maar ieder onpartijdig beoordeelaar zal wel inzien en erkennen, dat de economische bezwaren, welke ik, met het oog op de kapitalen die in ondernemingen zijn vastgesteld, ontwikkelde in verband met de te verwachten credietstoornissen, als er weer vrede zijn zal, aanmerkelijk veel minder wegen bij buitengewone heffingen, die gedurende drie jaar elk jaar ƒ 25 à ƒ 30 millioen zullen hebben op te brengen, dan bij een heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen. Wie dat niet inziet, zal ik in de enkele regels die ik hier aan dit onderwerp wijden kan, daarvan niet overtuigen.
Men stond in het begin van het jaar voor de noodzakelijkheid op nieuw ƒ 250 millioen te vinden. Dat dit niet zou gaan zonder eenig bezwaar, sprak van zelf. Men had te zoeken naar een combinatie van maatregelen, welke dit in verband met elkander tot een minimum terugbrachten. Daartoe werden de leening van ƒ 125 millioen, de verdedigingsbelastingen en de zoo aanstonds met een enkel woord te bespreken oorlogswinstbelasting aan elkander gekoppeld. Op die wijze werd de benoodigde som voor de eene helft uit leeningsgeld, voor de andere uit belastingen gevonden. De belastingen werden bovendien nog gesplitst, zoodat geen enkele tot een al te buitensporig hoog bedrag behoefde te stijgen. Door de verandering, welke de verdedigingsbelastingen tijdens de behandeling in de Tweede Kamer ondergingen, werd die splitsing nog verder doorgevoerd en werd elke der drie jaar lang te heffen buitengewone verdedingsbelastingen niet alleen in opbrengst en in heffingspercentage ongeveer getierceerd, maar geschiedde dit, wegens den jaarlijks nieuwen aanslag, ook met de fouten, die elke dergelijke belasting onvermijdelijk aankleven en die in een oorlogstijd met belangrijke economische schommelingen nog heel wat grooter zijn, dan in normale tijden met vastere vermogens- en inkomensverhoudingen. Ik aarzel dan ook niet de in toepassing gebrachte combinatie zoo gelukkig te noemen, als de omstandigheden dit toelieten, en ik vlei mij tegenover deze laatste financieele operatie van het Rijk onpartijdig genoeg te staan, om mij bij dit oordeel niet te laten leiden door ingenomenheid met het aandeel, dat ik in het geestelijk vaderschap daarvan heb gehad.