Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 38

Chapter 383,724 wordsPublic domain

Het Voorloopig Verslag, dat op 2 December werd vastgesteld en dat naast détailpunten, op enkele waarvan ik nog terugkom, zooals van zelf spreekt ook een pleidooi voor de heffing in eens bevatte, werd op 3 December aan de leden van de Kamer rondgedeeld. Het werd zonder verwijl door mij beantwoord. De Memorie van Antwoord werd den 4den December aan de Tweede Kamer ingezonden en den volgenden dag aan de leden rondgedeeld. Tot het betrachten van dien grooten spoed werd ik geleid door de dubbele overweging, dat aan de in het land gewekte agitatie zoo spoedig mogelijk een einde moest komen, en vooral ook dat de inschrijving op de voorgestelde leening, zoo eenigszins mogelijk in de eerste dagen van het jaar 1915 zou moeten openstaan, wilde men het meest geschikte oogenblik daarvoor niet ongebruikt laten voorbijgaan. In het mondeling debat, dat van 8 tot 11 December duurde, veroordeelde ik de gevoerde agitatie streng, als misplaatst in den nog altijd zeer gespannen internationalen toestand. Verder legde ik in die rede vooral den nadruk op den economischen kant van het moeilijke en voor behandeling in volksvergaderingen geheel ongeschikte financieele vraagstuk der dekking van oorlogsuitgaven door leening of door heffing eener eenmalige oorlogsbelasting. Het door mij in de vergadering van 10 December geleverde betoog had tot hoofdstrekking er op te wijzen, hoezeer naast de financieel-technische bezwaren tegen het denkbeeld der heffing in eens, de verwezenlijking daarvan bedenkelijk zou zijn wegens den last dien het op een aantal ondernemingen leggen zou. Ik wees er op, dat men bij dit vraagstuk niet alleen en niet in de eerste plaats mocht denken aan den rentenier, maar zijn aandacht vooral had te schenken aan de vermogens die in ondernemingen zijn vastgelegd en waaraan niet een meer of minder aanzienlijk percentage kan worden onttrokken, zonder de credietbehoefte van die ondernemingen te vergrooten. In verband daarmede vestigde ik er de aandacht op, welk een nadeelig gevolg dit zou moeten hebben, nu de credietbehoefte als gevolg van den oorlogstoestand toch reeds zoozeer was uitgezet en nu te verwachten was, dat de groote schommelingen in de conjunctuur na het einde van den oorlog (een einde dat toen vrijwel algemeen spoediger werd verwacht dan het helaas komen wil) eerst waarschijnlijk een tijdperk van fictieven opbloei zouden teweeg brengen, die spoedig op een crisis van ongekende heftigheid zou moeten uitloopen. Onder zulke omstandigheden de credietbehoefte der ondernemingen nog te vergrooten door het onttrekken van kapitaal ter wille van de schatkist, zou--zoo betoogde ik verder--inzonderheid gevaarlijk kunnen worden voor de ondernemingen, die nog juist op de grens der winstgevendheid staan en voor welke zulk een nieuwe schok, vooral in de bewogen tijden, die wij ook op economisch gebied doormaken, noodlottig zou kunnen worden. Op die wijze trachtte ik duidelijk te maken, dat de voorstanders der heffing in eens zich de zaak veel te eenvoudig hadden voorgesteld, de indirecte economische gevolgen daarvan niet voldoende hadden overwogen en niet hadden bedacht, dat zulk een heffing, wanneer zij tot omstreeks ƒ 300 millioen zou moeten worden opgevoerd, wel verre van geheel langs de arbeidersbevolking heen te gaan, handel en nijverheid voor nieuwe moeilijkheden stellen zou, de zwakkere ondernemingen zou kunnen doen vallen of tot inkrimping van het bedrijf noodzaken, en indirect zou kunnen bijdragen tot vergrooting der werkloosheid, die toen toch al zoo buitengewoon groot was.

Daartegenover stelde ik, dat de onderneming die, uit vrees van te worden aangeslagen in de gedwongen leening, zelfs als het haar minder convenieerde, deelnam in de oorlogsleening, daartegenover staatsobligatiën zou ontvangen, welke zij, zoo noodig, terstond kon beleenen en dat de ondernemingen aan welke dit in het geheel niet paste, zich van zelf wel van inschrijving zouden onthouden. In een crisistijd, zoo was het hoofdpunt van mijn betoog, is het crediet van den staat heel wat grooter dan dat van particuliere ondernemingen en vooral van de minder gunstig gestelde daaronder; in zulk een tijd zou het niet verantwoord zijn, den staat te ontheffen van de noodzakelijkheid een beroep op de credietmarkt te doen, als daarvan het onvermijdelijk gevolg zou wezen dat een aantal industrieelen en handelaars gedwongen zou worden tot voor hen zooveel bezwarender credietoperaties om den voor afschrijving in eens te zwaren aanslag in de eenmalige oorlogsbelasting over een grooter of kleiner aantal jaren te verdeelen. Een heffing in eens kan, ook al gaat zij tot zeer hoog bedrag, economisch verdedigbaar zijn, als het land in oorlog is of met oorlog bedreigd wordt en het er om gaat zijn zelfstandigheid te bewaren. Zoolang met zulk een gevaar wel moet worden gerekend, maar het nog niet voor de deur staat en er kans is er aan te ontkomen, is zulk een heffing, zoodra zij een matig bedrag te boven gaat, economisch niet verantwoord, in een crisistijd minder dan ooit.

Naast en in aansluiting aan dit economisch betoog wees ik op de groote moeilijkheid om de aanslagen in een eenmalige oorlogsbelasting tot een zoo hoog bedrag, als noodig was, zonder groote misslagen en groote onbillijkheden te regelen. Om het argument, dat de leening met een daaraan verbonden opcentenheffing tot een bedrag van meer dan ƒ 26 millioen gedurende 15 jaar, den staat buiten de mogelijkheid zou stellen zijn taak op sociaal gebied in de toekomst naar behooren te vervullen, afdoende te weerleggen, ontvouwde ik aan het slot mijner rede de hoofdtrekken van een plan van belastinghervorming, dat de schatkist jaarlijks ongeveer ƒ 60 millioen meer inkomsten zou doen trekken. Dat plan kon ik, vóór het een jaar verder was, uitgewerkt aan de Staten-Generaal voorleggen.

Mijn rede kenmerkte zich zeker niet door groote vriendelijkheid jegens de voorstanders van de heffing in eens, maar men bedenke dat zij werd uitgesproken onder den indruk van de tegen het regeeringsvoorstel gewekte agitatie en van verontwaardiging over de lichtvaardige wijze, waarop in een tijdperk van oorlogsgevaar een zoo bij uitstek moeilijk financieel vraagstuk in volksvergaderingen was gebracht, waarbij de Regeering, wier taak waarlijk al zwaar genoeg was, niet alleen een spaak in het wiel werd gestoken, maar zij bovendien, juist terwijl zij het algemeen vertrouwen zoo hoog noodig had, bij een groot deel der bevolking verdacht werd gemaakt.

Vooral mijn verklaring dat van mij voorbereiding van een heffing in eens ter vervanging van de oorlogsopcenten niet te verwachten zou zijn, gaf ontstemming. De voorstanders van zulk een heffing zagen daarin van de zijde van de Regeering een terugkomen op het gesloten compromis, krachtens hetwelk de opcenten slechts voor drie jaar werden vastgesteld en vóór 1 Januari 1917 een nieuw dekkingsvoorstel moest worden gedaan. Reeds den volgenden dag had ik gelegenheid dit punt in een antwoord aan den heer Tydeman, die hoewel hij in de leeningskwestie aan de zijde der Regeering stond, mij te weinig meegaandheid had verweten, nader toe te lichten en te doen uitkomen, dat indien mijn ministerieele levensdraad niet ontijdig werd doorgesneden, het mijn taak zou zijn het nieuwe voorstel, dat vóór 1 Januari 1917 moet worden ingediend, voor te bereiden en daarvoor de verantwoordelijkheid te dragen. Aangezien ik voorzag, dat de groote credietstoornissen, die ik voor de eerste jaren na het einde der vijandelijkheden vreesde en nog vrees, vóór den tijd niet tot de geschiedenis zouden behooren, achtte ik mij verplicht de Kamer te waarschuwen, dat mijn toegeven op het punt der wettelijke mogelijkheid om reeds in 1917 de opcenten door een heffing in eens te vervangen, niet mocht worden opgevat als de opwekking eener gegronde verwachting, dat een voorstel tot die vervanging van mij zou uitgaan. Evenwel voegde ik er aanstonds aan toe, dat een voorstel om een deel der oorlogslasten, mits het niet te groot zijn zou, door een buitengewone oorlogsbelasting te dekken, bij mij niet op tegenstand zou stuiten.

In de Eerste Kamer, waar de heer Polak de heffing in eens verdedigde, maakte de heer Drucker, niet tot mijne verwondering maar wel tot mijn groote voldoening, zich van het standpunt dat de vrijzinnigdemocraten in de Tweede Kamer hadden ingenomen, geheel los. Deze afgevaardigde die, vóór hij van de Tweede Kamer naar de Eerste was overgestapt, op een wijze die ook buiten de kringen zijner partijgenooten hoog werd gewaardeerd, het voorzitterschap van de vrijzinnigdemocratische Kamerclub had bekleed, eindigde zijne rede aldus: „Onze mannen behoeven gelukkig nog niet te staan in de loopgraven en onderwaterzettingen, om de ellende van den oorlog aan den lijve te gevoelen. Onze vrouwen behoeven geen gesneuvelden te beweenen of gewonden te verplegen, maar laten wij Nederlanders, die nog de betrekkelijke weldaden van den vrede genieten, onze vaderlandsliefde toonen, doordat wij de Regeering, die in deze maanden de eer van het land hoog heeft gehouden en op voortreffelijke wijze onze economische belangen heeft behartigd, in staat stellen haar werk tot handhaving van onze zelfstandigheid en onzijdigheid, tot opbeuring van ons maatschappelijk leven, tot steun van zwakken en noodlijdenden, krachtdadig voort te zetten.”

De heer Drucker, die de in het land tegen het leeningsvoorstel gewekte agitatie niet minder sterk veroordeelde dan ik, had mij evenwel toegevoegd, dat ik beter had gedaan tegenover de voorstanders der heffing in eens minder agressief op te treden en de mogelijkheid van een toekomstig vergelijk meer open te laten. De heer van Nierop, die evenals de heer Drucker het ontwerp tegenover de agitatie voor de heffing in eens had in bescherming genomen en zich aan de zijde der Regeering had geschaard, had zich wat het laatste punt betreft, in gelijken geest uitgelaten. Dit gaf mij aanleiding dit punt nog wat uitvoeriger te bespreken dan ik in de Tweede Kamer had gedaan. „Het kan zijn--zeide ik in mijn antwoord--dat ik mij iets te kras heb uitgelaten. Wanneer ik een enkele maal zondig naar een van beide kanten, overkomt het mij meer, dat ik zondig naar de zijde van het mij te kras uitdrukken dan het omgekeerde. Maar men heeft mij bovendien iets veel krassers laten zeggen, dan ik gezegd heb; vandaar dat een gedeelte van de oppositie, die tegen deze uiting in de Tweede Kamer is gekomen, niet ging tegen hetgeen ik gezegd heb, maar tegen hetgeen men mij in den mond heeft gelegd. Ik heb niet gezegd dat ik nooit zou komen tot het voorstellen van een heffing in eens. Neen, zoo voorzichtig ben ik toch ook nog wel.” Daarop resumeerde ik in het kort, wat ik in de Tweede Kamer had betoogd over de door mij voor de eerste jaren na den oorlog verwachte credietstoornissen, om dit deel van mijn antwoord aldus te eindigen: „En nu heb ik gedacht, dat ik juist zou handelen in den geest van overtuigde voorstanders van een heffing ineens, door hun te zeggen: ik ben door overweging van het voor en tegen tot de conclusie gekomen, dat in de eerste jaren, in de periode van groote economische schommelingen, waarvan niemand kan zeggen waartoe zij zullen leiden, het niet de tijd is om op te leggen een heffing in eens. Daarom, als gij, besliste voorstanders van een heffing in eens, meent, dat dit denkbeeld op financieel gebied alles overheerschend zijn moet, maak dan duidelijk, dat ik, ten gevolge van mijn opvatting, op dit punt--misschien op andere wel--niet meer uw vertrouwen heb, dan zal ik plaats maken voor een ander. Ik had gehoopt, dat men dit zou zien in het licht, waarin ik het nu stel en ik meen nu wel duidelijk gemaakt te hebben, dat er niet de minste agressieve bedoeling lag in hetgeen ik toen gezegd heb.

„Ik wil hier intusschen wel dit bijzeggen--ik heb dat ook gezegd aan den heer Tydeman--, dat wanneer het mogelijk mocht zijn te komen tot een overleg, ik dit zeer zou toejuichen. In 1917 zullen ongeveer 30 millioen zijn afgelost. Er blijven dan een, laat ons zeggen, 250 millioen over--het bedrag doet er niet toe--en indien er nu, behoudens een degelijke herziening van het middel der opcenten, waar ik mij met geen enkel woord tegen heb verklaard, een billijke regeling zou kunnen worden gevonden, waarbij men een matig bedrag zou dekken door een heffing in eens--het moet bescheiden afmetingen hebben, want anders vervallen wij weer in dezelfde moeilijkheid--,dan zou ik de eerste zijn om dit toe te juichen.”

Behalve over de hoofdkwestie: leening of heffing in eens, liepen de debatten in de Tweede Kamer ook over enkele punten die op zich zelf van groot belang waren, maar die toch tegenover de hoofdzaak op den achtergrond raakten. Ik breng daarvan alleen in herinnering de gedachtenwisseling over het gekozen rentetype en de samenstelling van het bedrag van ƒ 275 millioen, waarop de oorlogsleening werd gesteld.

Tegen de rente van 5% werd van verschillende zijden bezwaar gemaakt. Men vreesde als gevolg van de omstandigheid dat de Staat tegen een zoo hooge rente leende, een nadeeligen terugslag op den interest, die voor leeningen ten behoeve van particuliere instellingen en personen zou worden verlangd, en dat inzonderheid ook het hypothecair crediet daardoor in moeilijkheid zou komen. Bovendien meende men dat de spaarbanken zouden worden leeggezogen. Van de zijde der Regeering werd niet ontkend, dat de rente hoog was gesteld en dat daarvan eenigen invloed in ongunstige richting op het particuliere crediet was te verwachten. Ik bracht echter tegen de voorstellingen, welke daaromtrent uit de Kamer waren gegeven, in het midden, dat men den invloed dien de Staatsleening op den algemeenen rentestand hebben zou, overschatte en dat deze door nog een aantal andere factoren wordt bepaald. Reeds in den loop van 1915 bleek, dat dit juist gezien was. Natuurlijk zou de Regeering ook liever een 4½% dan een 5% leening hebben voorgesteld. Gegeven den stand van de geldmarkt in de laatste maanden van 1914 en gehoord de adviezen uit zeer verschillende kringen van deskundigen, mocht zij ter wille van het welslagen der vrijwillige leening de rente niet beneden 5% stellen. Er was voor het staatscrediet te veel aan gelegen, dat het ultimum remedium van de gedwongen leening niet in toepassing zou behoeven te komen.

Het bedrag der vrijwillige leening werd van enkele zijden te hoog geacht. Voor zoover dit hieruit voortsproot, dat men een te optimistischen kijk had op den vermoedelijken duur van den oorlog, spreek ik er niet over. Niemand onzer heeft zich niet op een of ander punt in zijn verwachtingen ter zake van den oorlog bedrogen gezien. Van beteekenis daarentegen was de vraag, of ook geleend mocht worden ter goedmaking van mindere opbrengst van belastingen als gevolg van den oorlogstoestand. De Regeering stelde zich op het standpunt, dat zulk een vermindering van inkomsten als gevolg van de zeer buitengewone omstandigheden, ten aanzien van het dekkingsvraagstuk geheel op één lijn staat met verhooging van uitgaven als resultaat van diezelfde omstandigheden. Hiertegenover werd in het Voorloopig Verslag opgemerkt, dat het bedenkelijk is te leenen voor toekomstige jaartekorten. In het algemeen is voor zulk een bedenking alleszins reden. Maar een financieele toestand als door den oorlog werd in het leven geroepen en de invloed daarvan ook op de belastingen waren zoo geheel exceptioneel, dat hier niet mocht gesproken worden van leenen voor toekomstige jaartekorten. Men had hier te doen met leenen tot dekking van een der vele effecten van den oorlogstoestand. Als te verwachten inzinking der belastingopbrengst gedurende de jaren 1914-1917 werd een bedrag van ƒ 73 millioen gesteld. Dit was aan den veiligen kant gehouden. Als gevolg van de vrij spoedige en zeer verblijdende opleving van het bedrijfsleven, is die vermindering belangrijk minder geweest dan gevreesd werd. Zij zal, tenzij nieuwe stoornissen haar vergrooten over het genoemde tijdvak wel beneden de helft van het in November 1914 geraamde bedrag blijven.

Voor de kosten van vluchtelingen werd een bedrag van ƒ 5 millioen gesteld. Wij zagen reeds[27] dat dit wel driemaal zoo veel zal beloopen. Voor de verschillende sociale oorlogsmaatregelen werd een bedrag van ƒ 60 millioen geraamd, waaronder een som van ƒ 25 millioen voor voorschotten aan gemeenten. Over dit laatste onderdeel was geen eenstemmigheid. Er werd aangevoerd, dat door het Rijk niet mocht worden geleend ter tegemoetkoming aan gemeenten, die leeningsgeld behoefden. Daartegenover stelde de Regeering zich op het standpunt, dat het veel beter was ook gemeenten (en provinciën) aan hetgeen deze strikt noodig hadden, tijdelijk te helpen tegen gelijke rente als het Rijk moest betalen, dan haar te verplichten tegen hooge rente eigen leeningen te sluiten, zoo zij daarin al zouden slagen. Veel oppositie vond dit standpunt ten slotte niet. Het vasthouden daaraan heeft tot het betrekkelijk gunstig verloop van de credietcrisis voor enkele gemeenten en provinciën veel bijgedragen. In den eersten tijd, toen er nog groote terughoudendheid bestond, het geld nog bij lange na niet zoo ruim was, als het later is geworden, en de onttrekking van een zoo belangrijk bedrag als de Staat door de leening tot zich trok, de moeilijkheid voor gemeenten en provinciën om leeningsgeld te vinden, nog vergrootte, is de hulp van den Staat aan enkele provinciën en aan eenige gemeenten, waaronder de grootste, zeer te stade gekomen. Het bedrag dat uit de opbrengst der leening aan provinciën en gemeenten werd toegezegd, beliep omstreeks half April 1915 zelfs iets meer dan ƒ 31 millioen, daarop werd tot ten naastebij ƒ 17 millioen uitbetaald. Zoodra echter het geld ruimer werd, kwam er een gunstige kentering. De provinciën en gemeenten konden toen voor zich zelf leenen en aan den Staat het haar verstrekte voorschot teruggeven. Dientengevolge zijn thans de uitstaande voorschotten tot beneden één millioen gedaald.

[27] Zie bl. 152.

Met het bedrag van ƒ 35 millioen, dat van de ƒ 60 millioen voor kosten van maatregelen van socialen aard overbleef, nadat de gemeenten daaruit de voor haar geraamde som als voorschot zouden hebben genoten, zal het waarschijnlijk gaan als met de som die voor vluchtelingenhulp werd uitgetrokken. Hoe hoog die uitgaven van socialen aard wel loopen zullen, is nog niet bij benadering aan te geven. Het zou mij echter niet verwonderen, als zij per slot van rekening dichter bij de ƒ 70 dan bij de ƒ 35 millioen zullen blijken te liggen. De mobilisatiekosten werden tot 1 April 1915 op ƒ 135 millioen geschat. Die schatting is niet ver van de werkelijkheid gebleven.

Daar de som voor compensatie van belastinginzinking, zelfs als zij achteraf niet gebleken was aan den zeer voorzichtigen kant te zijn gesteld, niet terstond noodig was, en de uitgaven voor maatregelen van socialen aard eerst in de tweede helft van het jaar 1915 grootere verhoudingen begonnen aan te nemen, kon de opbrengst der leening langer toereiken dan tot April en was zij tot bestrijding der verschillende oorlogsuitgaven, waarvan die der mobilisatie het leeuwendeel vormden, tot omstreeks September 1915 voldoende.

Over de gedwongen leening behoef ik gelukkig niet veel te zeggen. Zij was alleen bedoeld als waarschuwing voor hetgeen te wachten zou staan, indien de vrijwillige leening niet althans het minimum zou opbrengen dat terstond noodig was. Hiervoor werd een bedrag van ƒ 150 millioen gesteld. In de gedwongen leening zouden alleen zij verplicht zijn tot deelneming die een vermogen hebben van ƒ 75,000 of meer, alsmede de naamlooze vennootschappen. Voor de laatste was de helft van de belastbare winst als eventueele verplichte deelneming gesteld; voor de particuliere personen werd de verplichting tot deelneming uitgedrukt in een progressief percentage van het bezit, dat voor vermogens van ƒ 75000 tot ƒ 100.000 op 1% en voor vermogens van ƒ 5 millioen en hooger op 7% werd bepaald. De inschrijvers op de vrijwillige leening kregen stortingsbewijzen, waarmede aan den eventueelen deelnemingsplicht in de gedwongen leening zou kunnen worden voldaan. De rente, die voor de gedwongen leening zou worden vergoed, werd op 4% gesteld.

Het leeningsontwerp werd in de Tweede Kamer met groote meerderheid aangenomen; de sociaaldemocraten en de vrijzinnigdemocraten, met uitzondering van den heer van Deventer, stemden tegen. In de Eerste Kamer werd zij zonder hoofdelijke stemming aangenomen, nadat de heer Polak had verklaard dat hij en zijn partijgenoot Van Kol er tegen waren. Den 23sten December werd de Leeningwet 1914 door de Koningin bekrachtigd.

De gelegenheid tot inschrijving was bij de wet zeer ruim gesteld. Zij kon geschieden bij betaalmeesters, ontvangers der directe belastingen en postkantoren. Terstond werden de noodige maatregelen genomen om de inschrijving in de eerste week van Januari 1915 te kunnen openstellen. Zij had plaats van 2 tot 11 Januari. Door de Regeering werd een uitnoodiging tot deelneming verspreid, welke door den heer Cort van der Linden als tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en door mij als Minister van Financiën werd onderteekend. Daarin werd met een beroep op de vaderlandsliefde van het Nederlandsche volk tot algemeene deelneming aan de leening opgewekt en het vertrouwen uitgesproken, dat het tot de gedwongen leening niet zou behoeven te komen. Die opwekking vond algemeen weerklank in de pers, die zich beijverde haar krachtig te steunen.

Den 28sten December werd voorts door mij als Minister van Financiën een uitgewerkte bekendmaking omtrent de wijze waarop de obligaties der Staatsleening bij de Nederlandsche Bank zouden kunnen worden beleend, in de Staatscourant openbaar gemaakt. Die beleening, waarvoor door de Nederlandsche Bank een surplus van slechts 5% verlangd werd, was voor de inschrijvers op de leening zoo gemakkelijk mogelijk gemaakt.

Toen de inschrijving werd opengesteld, gaf de Koningin het voorbeeld. Niettegenstaande het Hare Majesteit niet mogelijk was een zoo groote som in eens los te maken en ook door Haar van het middel der beleening bij de Nederlandsche Bank zou moeten worden gebruik gemaakt, schreef Zij in voor een bedrag van 2½ millioen. De Directeur van het Kabinet der Koningin kwam mij persoonlijk daarvan mededeeling doen. In de eerste dagen wilde het echter met de inschrijving niet vlotten. Op 8 Januari was nog slechts voor ƒ 86 millioen ingeschreven. Na overleg met den President van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, die daaromtrent ook het gevoelen van enkele andere financiers had gevraagd, werd den volgenden dag door mij een communiqué aan de bladen gezonden, waarin op het traag inkomen der inschrijvingen werd gewezen. Hoe groot het effect van dat communiqué is geweest, is niet te zeggen. Zeker zou ook zonder dat de leening volteekend zijn, maar op het bedrag dat werd ingeschreven, heeft het ongetwijfeld invloed geoefend.

Er werd geteekend voor ruim ƒ 407 millioen, met het gevolg dat de inschrijvingen, nadat de kleinere preferente bedragen haar vol bedrag hadden gekregen, slechts voor 50 pct. konden worden toegewezen.

Aan de inschrijvers was bij de wet toegestaan het hun toegewezen bedrag in vier termijnen te voldoen, waarvan de eerste op 8 Februari, de laatste op 7 Juli verviel. Indien het totaal bedrag der leening niet noodig was geweest, had de laatste termijn onopgevorderd kunnen blijven. Deze bepaling verloor, toen de oorlog bleef aanhouden, haar waarde. De geheele betaling in termijnen bleek weinig noodig. Slechts een zeer kleine minderheid der inschrijvers maakte daarvan gebruik; in den loop van Februari werd reeds bijna ƒ 261 millioen gestort.