Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 37

Chapter 373,471 wordsPublic domain

Zelfs al ware te voorzien geweest, dat de toevloed van goud uit het buitenland zoo groot zou worden, als het geval is geweest--en dat kon door niemand worden voorzien--,zelfs dan zou men met het laten oploopen der vlottende schuld niet verantwoord zijn geweest. Zoo zag de Regeering het terecht in. De geleidelijke verbetering in den toestand van de Nederlandsche Bank, die van September 1914 af was waar te nemen, mocht haar niet weerhouden, de medewerking der Staten-Generaal te vragen voor haar voorstel tot consolidatie der vlottende schuld.

Dat voorstel was niet het product van een invallende gedachte, en het vasthouden daaraan niet toe te schrijven aan stijfhoofdigheid van een enkelen regeeringspersoon. Het was het resultaat van herhaalde uitvoerige besprekingen in den Ministerraad en met leidende personen uit de bankwereld. Reeds in September 1914 had in het gebouw, waarin het Ministerie van Binnenlandsche Zaken destijds tijdelijk was ondergebracht, een vergadering plaats, welke geleid werd door den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en waarin ook de Minister van Financiën en ik tegenwoordig waren. Daartoe waren met den president van de Nederlandsche Bank en den president van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, vertegenwoordigers van de geheele „haute finance” uitgenoodigd. Van regeeringszijde werd daar met een enkel woord de toestand, die trouwens aan de heeren volkomen bekend was, ter inleiding uiteengezet. Bij de bespreking die volgde, kwam het denkbeeld der heffing in eens, dat toen nog niet was gelanceerd geworden, niet ter tafel. Wel werd door eenige bankiers in overweging gegeven een leening, des noods een gedwongen leening, te sluiten voor korten termijn bijv. voor twee of drie jaar en de financiën definitief te regelen, zoodra de oorlogstoestand zou voorbij zijn. Dat denkbeeld, dat later in de Kamer ook eenige voorstanders bleek te hebben, werd van de zijde van de Regeering terstond afgewezen. Dit kon wel niet anders. Ware men er op ingegaan en had Nederland een korte leening van drie jaren gesloten, dan had het terstond na het einde van den oorlog, wanneer, gelijk algemeen werd en wordt voorzien, er van alle kanten een buitengewoon sterke vraag op de geldmarkt zal opkomen, een beroep op die markt moeten doen. Het oorlogsgevaar zou dan geweken zijn en het in oorlogstijd geldend motief voor het, zoo noodig, uitschrijven eener gedwongen leening, dat de schatkist ter wille van de veiligheid van het land het geld, waaraan zij behoefte heeft, _moet_ krijgen, had dan geen dienst meer kunnen doen. Het effect van het volgen van dien raad zou geweest zijn, dat na den oorlog de bankiers den toestand geheel zouden hebben beheerscht en dat de Regeering dan met handen en voeten aan de „haute finance” zou zijn gebonden geweest. Hiermede bedoel ik niet, dat de financiers die dezen raad gaven, het waren er slechts zeer enkelen, hun advies uit eigen belang gaven. Ik wil gaarne aannemen, dat dit daarbij niet medesprak en dat zij de zaak alleen anders inzagen dan de Regeering. Deze echter zag haar in, gelijk ik hier aangaf, en liet daarom aanstonds blijken, dat zij die oplossing niet wenschte te aanvaarden.

Er werd in die bijeenkomst voorts nog heel wat gesproken over het bedrag, dat geleend zou moeten worden. De Regeering, die de bijeenkomst had belegd om bij de leidende persoonlijkheden uit de financieele wereld haar licht op te steken, had op dat oogenblik nog geen gevestigde opinie omtrent het bedrag dat geleend zou moeten worden. Alleen zooveel stond reeds toen wel vast, dat de uit te schrijven leening niet lager dan ƒ 150 à ƒ 200 millioen zou moeten zijn. Ook de groote bankiers waren in September 1914 met zulk een som nog niet vertrouwd. Zij wezen er op, hoe steeds in veel kleinere leeningen van den Nederlandschen staat voor een aanzienlijk bedrag door buitenlandsche huizen was ingeschreven. Nu die medewerking ontbrak, zou het al veel zijn, als binnenslands omstreeks ƒ 40 millioen zou zijn te plaatsen. Toen het bleek, dat de in de eerste plaats deskundigen zulk een weinig bemoedigenden kijk op den toestand hadden, werd hun ook gevraagd, wat zij verwachtten van het uitschrijven eener gedwongen leening, indien een vrijwillige niet mocht slagen. Zooals van zelf spreekt, waren allen het er over eens, dat het voor het staatscrediet hoogst bedenkelijk zijn zou, als het tot een gedwongen leening zou moeten komen. Hieromtrent maakte ook de Regeering zich niet de minste illusie. Als stok achter de deur werd daarentegen de gedwongen leening niet ondienstig geoordeeld. Maar zelfs met dat dreigement als prikkel tot deelneming, durfde men de opbrengst eener uit te schrijven leening niet op hooger dan omstreeks ƒ 60 millioen begrooten. Bij de beoordeeling van dit advies vergete men intusschen niet, dat het gegeven werd in September 1914, onder den verschen indruk van de heftige crisis, die de geldmarkt in Augustus had doorgemaakt. Ieder onzer heeft in den oorlogstoestand, en vooral in de eerste maanden daarvan, zeer snel geleefd.

Toen ik op 24 October 1914 den heer Bertling als Minister van Financiën had vervangen, werden de verdere besprekingen ter voorbereiding van de eerste oorlogsleening door mij gevoerd, waarbij ik voortdurend werd bijgestaan door den tegenwoordigen Minister van Financiën, den heer Mr. A. van Gijn, destijds Thesaurier-Generaal. Er werd overleg gepleegd ook met vertegenwoordigers van de kleinere bankinstellingen, met name met die van provinciale kantoren, alsmede met de directies van de grootere levensverzekeringmaatschappijen. Bovendien werd nog herhaaldelijk overlegd zoowel met den president van de Nederlandsche Bank als met dien der Nederlandsche Handel-Maatschappij. Al die besprekingen stemden de Regeering allengs wel optimistischer over het resultaat, dat van een groote oorlogsleening was te verwachten, maar hetgeen ik hier laat volgen uit de Nota, welke door mij op 6 November 1914 aan de Kamer werd overgelegd, bewijst toch wel dat ik--en de geheele Regeering met mij--omtrent den te verwachten uitslag zeer in onzekerheid verkeerde.

„Het oordeel van de verschillende geraadpleegde groepen was, wat de kansen eener geheel vrijwillige leening aangaat, vrij eenstemmig. Daarentegen oordeelden de vertegenwoordigers der bankinstellingen, die meer over het geheel land verspreid zijn, vrij optimistisch over eene leening, die door wettelijken dwang zou worden gesteund. Van de grootere levensverzekeringmaatschappijen kreeg ondergeteekende den indruk, dat indien het mogelijk zal blijken, dat deze op niet te bezwarende wijze een deel harer reserves zullen kunnen beleenen, een niet onbelangrijke medewerking van die zijde voor zulk eene leening is te verwachten.

„Uit een en ander meent ondergeteekende te mogen afleiden, dat de kans op het slagen eener vrijwillige leening toch niet geheel uitgesloten is te achten, wanneer het geldbeleggend publiek beseft, dat indien de leening niet vrijwillig wordt genomen, de deelneming daaraan onder alsdan minder gunstige voorwaarden zal worden opgelegd. Onder deze omstandigheden meent de Regeering het uitschrijven eener vrijwillige leening althans te moeten beproeven. Echter moet zij in dat geval toch aan den wetgever terstond de machtiging vragen het deelnemen aan eene leening aan de meervermogenden op te leggen, indien of voor zoover de vrijwillige leening niet mocht slagen.”

Intusschen was ongeveer een maand voordat deze Nota aan de Tweede Kamer werd gezonden, de Regeering verrast door het denkbeeld, door Dr. Bos in de Octoberaflevering van de _Vragen des Tijds_ opgeworpen en in de November-aflevering van dat tijdschrift nader uiteengezet, dat de oorlogsuitgaven niet zouden worden bestreden uit een leening, maar uit een heffing in eens. Voor alle leden van het Kabinet was dit een verrassing; niemand hunner wist of kon vermoeden, dat een zoo radicaal van haar eigen voornemens omtrent de dekking der oorlogsuitgaven afwijkend denkbeeld in het publiek zou worden geworpen. Toen het eenmaal was gelanceerd, kreeg het terstond grooten aanhang. Met uitzondering van de vrij-liberalen, grepen alle groepen van de linkerzijde het aan, en er werd terstond, vooral door vrijzinnigdemocraten en sociaaldemocraten, een krachtige propaganda voor gemaakt. De leuze „in eens er af” werkte aanstekelijk en haar zegetocht onder een groot deel van het publiek werd niet weinig bevorderd, toen een onzer grootste industrieelen, die ook op politiek een bekende figuur is, de heer D. W. Stork, zich bij haar aansloot.

Er was evenwel een zeer belangrijk onderscheid niet alleen tusschen de wijze waarop de heer Stork het denkbeeld aanprees en de agitatie, welke ten gunste daarvan door vrijzinnigdemocraten en sociaaldemocraten werd gewekt; ook hetgeen er mee beoogd werd, was bij den heer Stork hemelsbreed verschillend van wat Dr. Bos en de democraten wilden. De heer Stork meende, dat men de vermogenden wel in eens voor de oorlogsuitgaven kon en mocht laten opkomen, maar dat men hen daartegenover dan ook in de eerste 10 jaar niet met nieuwe belastingen zou moeten bespringen. Hij gaf voor de vermogenden de voorkeur aan het in eens worden uitgebraden boven het „être brulés à petit feu”. In dien gedachtengang vond hij steun bij den oud-president van den Hoogen Raad Mr. Eyssell, die zijn denkbeeld aanprees op een wijze, welke zelfs den heer Stork wel het hoofd zal hebben doen schudden.

Lijnrecht daartegen in ging hetgeen de democratische voorstanders van de heffing in eens daarmede bedoelden. Zij zagen daarin het middel om van de oorlogslasten in eens af te komen en zoodoende de baan vrij te houden tot het opleggen ook en in de eerste plaats aan de vermogenden, van de lasten welke opgelegd zullen moeten worden ter bestrijding van de kosten der sociale maatregelen, die in het belang der arbeidende klasse en der volksontwikkeling in de toekomst noodig zullen zijn.

Indien de Regeering in de noodzakelijkheid was gekomen tusschen die beide standpunten te kiezen, zou zij zich zeker niet aan de zijde van den heer Stork hebben geplaatst. De regeling van de dekking der lasten van den oorlogstoestand moest, ook naar haar oordeel, in de eerste plaats aan dezen eisch voldoen, dat zij de medewerking van den Staat aan de maatschappelijke ontwikkeling, voor zoover deze daartoe geroepen is, zoo min mogelijk mocht belemmeren. Te dezen aanzien was er eenstemmigheid tusschen de Regeering en de democratische voorstanders van de heffing in eens, al was er verschil over enkele der maatregelen, welke daartoe van staatswege zouden moeten worden getroffen. De vraag was echter, of de dekking der oorlogsuitgaven door een in betrekkelijk korten termijn af te lossen leening niet uit financieel-technisch oogpunt de voorkeur verdiende en of daardoor de bevolking in haar geheel niet meer zou worden gebaat, dan door eene heffing in eens van ƒ 200 à ƒ 300 millioen, hoe aanlokkelijk het denkbeeld van zulk een heffing voor de groote meerderheid, die er niet in zou hebben bij te dragen, ook wezen mocht. Geheel in overeenstemming met het oordeel mijner ambtgenooten heb ik tegen de sterk opkomende strooming ten gunste eener heffing in eens, aan de dekking der kosten van den oorlogstoestand door een leening op niet te langen termijn vastgehouden. Ik zal niet in den breede terugtreden in den daarover gevoerden strijd. De hoofdpunten daarvan moet ik echter in herinnering brengen.

Nadat met de Nederlandsche Bank in beginsel was overeengekomen over eene gemakkelijke beleenbaarheid van de uit te geven obligaties, werd een wetsontwerp opgemaakt tot het aangaan van een leening van ƒ 275 millioen tegen een rente van 5%, welke zou worden geamortiseerd in 15 jaar en binnen 6 jaar niet convertabel zijn zou. Ter bestrijding van de uitgaven voor rente en aflossing van die leening zou jaarlijks, gedurende 15 jaar, noodig zijn ƒ 26½ millioen, boven en behalve hetgeen zal moeten worden opgebracht tot dekking van het tekort op den gewonen dienst.

De moeilijkheid waarvoor de Regeering ten aanzien van de wijze van dekking dezer ƒ 26½ millioen was geplaatst, was vooral hierom zoo groot, omdat men onder den indruk van het oorlogsgevaar, dat vooral in 1914 zwaar drukte, zonder eenige afspraak gekomen was tot een politiek bestand, en dat men door die dekking voor te stellen op een wijze, welke het volgen van een principieele lijn in de belastingpolitiek zou aanduiden, onvermijdelijk tot principieele debatten aanleiding zou hebben gegeven. De Regeering mocht van haar zijde zulk een debat, waardoor het bestand zou zijn verbroken, niet uitlokken.

„Deze overweging--zoo zeide ik in de zooeven aangehaalde Nota--heeft de Regeering tot het inzicht geleid, dat zij voor de dekking van de thans noodige leening geen nieuwe belastingen moest voorstellen, maar zich moest bepalen tot opcentenheffing, gedurende het tijdvak, waarvoor de leening loopen zal. Zij is voornemens voor te stellen, dat geheven zullen worden 20 opcenten op alle directe belastingen zonder onderscheid, op de successiebelasting, den wijnaccijns en den suikeraccijns. Wat den suikeraccijns betreft echter met dien verstande, dat de hoofdsom daarvan zal worden verlaagd van ƒ 27 tot ƒ 22.50, waardoor het bedrag voorloopig gelijk blijft en toch voldaan wordt aan de bedoeling der wet op het zoogenaamde „suikerpotje”, zoodat voortaan hetgeen het gedistilleerd meer zal opbrengen dan ƒ 25,2 millioen, onder de gewone middelen zal worden gebracht. Eene algemeene opcentenheffing op de zegelrechten stuit af op practische bezwaren. Daartegenover ligt het in de bedoeling 50 opcenten te heffen op het zegel voor buitenlandsche effecten. Wanneer voorts op de registratierechten, de hypotheekrechten en op de invoerrechten, den accijns op het geslacht en den gedistilleerd-accijns 10 opcenten worden geheven, zullen deze opcenten, bijeengenomen, voldoende opleveren voor rente en aflossing der leening. Ruim de helft zal dan worden opgebracht door de directe belastingen en het successierecht.

„Ondergeteekende ontveinst zich allerminst, dat tegen zulk eene wijze van dekking allerlei bezwaren zijn aan te voeren. Men houde echter in het oog, dat het hier geen opcenten geldt tot dekking van een tekort op de gewone jaarlijksche begrooting, maar opcenten, die voor 15 jaar vastliggen, en die ook zullen worden geheven van belastingen, die voor de heffingen, waarop zij thans zullen rusten, in de plaats zullen komen.”

Met dit laatste werd vooral gedoeld op de inkomstenbelasting, welke voor de bedrijfsbelasting zou in de plaats komen. Aan de bovenstaande verklaring van de beweegredenen, die tot het voorstellen van dit opcentenstelsel hadden geleid, werd nog eens uitdrukkelijk toegevoegd, dat ik een andere wijze van dekking zou hebben voorgesteld, als ik er niet mede had moeten rekenen, dat mijn eigen belastingdenkbeelden principieele strijdvragen zouden hebben doen ontbranden en als ik mij niet verplicht had geacht, zooveel mogelijk naar politieke kleurloosheid te streven.

De opcentenregeling werd, als gevolg van het overleg met de Tweede Kamer, in dien zin veranderd en verbeterd, dat de opcenten op de invoerrechten, den accijns op het geslacht en het successierecht vervielen en daartegenover die op de bedrijfsbelasting (later op de Rijksinkomstenbelasting) en de vermogensbelasting van 20 op 33 gebracht werden.

De Nota, waaruit ik zooeven enkele gedeelten overnam, was een gevolg van een bijeenkomst, welke op 30 October 1914, op verzoek van de voorzitters der Kamerclubs, onder presidium van den Voorzitter van de Tweede Kamer met hen werd gehouden. De Regeering was daar vertegenwoordigd door den heer Cort van der Linden als tijdelijken voorzitter van den Ministerraad en door mij, als Minister van Financiën. In die bijeenkomst werd door de voorstanders van de heffing in eens hun denkbeeld verdedigd en zetten de heer Cort van der Linden en ik in hoofdtrekken uiteen, hoe de Regeering zich voorstelde de oorlogsuitgaven te dekken en waarom zij met het denkbeeld der heffing in eens niet kon meegaan. Ter vergemakkelijking van de gedachtenwisseling zegde ik aan het slot dier bijeenkomst toe, de plannen der Regeering in een Nota uiteen te zetten. Op verzoek van de voorzitters der verschillende Kamerclubs werd de Nota geheim gehouden, omdat men het niet gewenscht achtte tot publicatie over te gaan, zoolang nog niet zou zijn gebleken in hoever toenadering tusschen de Regeering en de voorstanders van de heffing in eens mogelijk zou zijn. Nadat de Nota als geheim stuk aan de kamerleden was rondgezonden, had er op 14 November 1914 een tweede vergadering plaats, waar dezelfde personen tegenwoordig waren. Resultaat daarvan was, dat de termijn van zes jaar, waarbinnen de voor te stellen leening niet zou kunnen worden geconverteerd, tot drie jaar werd teruggebracht en dat in het wetsontwerp, dat op 16 November werd ingediend, uitdrukkelijk werd bepaald, dat uiterlijk vóór 1 Januari 1920 een voorstel tot herziening of tot bestendiging der bepalingen omtrent de dekking van rente en aflossing bij de Tweede Kamer zou moeten worden ingediend. „In verband met de periodieke verkiezingen van 1917--zoo schreef ik in de Memorie van Toelichting--kon deze termijn zich niet aansluiten bij dien van de uitsluiting der conversie.”

Bij de behandeling van het ontwerp-leeningswet in de afdeelingen bleek men in de Tweede Kamer over dit punt anders te denken en er van de zijde van die voorstanders der heffing in eens, die tot toenadering tot het standpunt der Regeering gedurende den oorlogstijd wel geneigd waren, voorts op gesteld te zijn, dat de opcentenheffing slechts voor drie jaar zou worden geregeld, zoodat vóór 1 Januari 1917 een voorstel van wet zou moeten worden ingediend ter bepaling of, na afloop van die drie jaar, de opcentenheffingen zouden worden bestendigd, herzien of door eene heffing in eens of op andere wijze vervangen zouden worden. Bij het mondeling overleg met de Commissie van Rapporteurs verklaarde ik mij bereid, als bewijs van toenadering van de zijde der Regeering, de verlangde wijziging in het ontwerp aan te brengen. Ik betwijfel wel eenigszins of allen die den aandrang op mij oefenden om den termijn van 1 Januari 1920 tot 1 Januari 1917 in te korten, thans--indien zij er ongepraejudiceerd nog eens over konden oordeelen,--dien aandrang zouden herhalen.

Verder kon de Regeering in haar toenadering niet gaan. In de Nota, welke, toen de reden waarom haar aanvankelijke geheimhouding door de voorzitters der Kamerclubs was verzocht, vervallen was, als bijlage bij de Memorie van Toelichting bij het leeningsontwerp was gevoegd, werd het denkbeeld der heffing in eens afgewezen. „Ten slotte nog een kort woord--zoo schreef ik daar--waarom de Regeering niet heeft kunnen treden in het denkbeeld, het door de omstandigheden benoodigde geld te vinden door de heffing in eens van een oorlogsbelasting. Naar hare overtuiging heeft dat denkbeeld overwegende bezwaren zoowel van practischen als van meer principieelen aard. Principieel schijnt het niet wel gerechtvaardigd buitengewone uitgaven, die in het belang van het geheele volk noodzakelijk zijn, te doen dragen door een betrekkelijk zeer kleine groep van meervermogenden. Practisch schijnt het ongeraden, om, waar straks voor maatregelen van socialen aard, voor verbetering van het volksonderwijs, voor bijlegging van den strijd op onderwijsgebied, voor de verdediging der koloniën, in één woord voor verhooging van de volkskracht en van ’s lands weerbaarheid, nieuwe belastingen zullen moeten worden opgelegd, en daarin het vermogen, zonder twijfel, een belangrijk deel zal hebben bij te dragen, nu op eenmaal aan de vermogens een aderlating te doen ondergaan van 275 millioen. Daarbij komt dat zulk een belasting thans, nu, evenals ook voorheen in oorlogsjaren het geval was, de vermogens bij uitstek groote schommelingen ondergaan, nu sommige rijken zoo al niet arm dan toch veel minder rijk worden en verschillende niet of weinig bezittenden plotseling vermogens vergaren, die nog niet voor het oog van de belastingambtenaren zichtbaar zijn, een oorlogsbelasting van een zoo hoog bedrag als noodig is, al bijzonder ongelijk treffen zou. Velen die onder de omstandigheden toch reeds zwaar gebukt gaan, zouden daardoor nog dieper zinken en anderen die eerst thans bezig zijn vermogend te worden en wier draagkracht veel grooter is, zouden daarvan bevrijd blijven. Aan dat bezwaar is ook niet te ontkomen door in de eenmalige oorlogsbelasting ook de hoogere bedrijfsinkomsten te treffen. Zal een oorlogsbelasting als waarom het hier gaat, voldoende opbrengen, dan zullen alle daarin aangeslagen vermogens een groot deel van hun opbrengst van een enkel jaar moeten afstaan en de grootere zelfs sommen moeten betalen, die de opbrengst van een enkel jaar ver overtreffen. Bij de groote inkomens uit bedrijf kan hiervan geen sprake zijn. Deze zullen toch slechts voor een relatief klein deel in de eenmalige oorlogsbelasting aangeslagen kunnen worden. Haar mede in die belasting trekken, is verklaarbaar als uiting van rechtvaardigheids- en billjkheidszin; voor de opbrengst der belasting en dus voor de bepaling van het heffingspercentage der vermogens doet het weinig ter zake. Vandaar dan ook dat het tot wegneming en zelfs verzachting van het zooeven ontwikkelde bezwaar zeer weinig kan bijdragen.”

Voorts werd er nog eens op gewezen, dat de heffing in eens niet zou strooken met het politiek bestand en dat, al kon de Regeering niet beletten, dat anderen een principieel debat op het gebied der financieele politiek zouden ontketenen, zij zelve voor het uitlokken daarvan de verantwoordelijkheid niet wilde dragen.

Nauwlijks was het leeningsontwerp verschenen, of er werd van sociaaldemocratische zoowel als van vrijzinnigdemocratische zijde een groote agitatie daartegen en voor het denkbeeld der heffing in eens gewekt. Niet alleen de pers dier partijen en enkele kleinere bladen van liberale richting vergaten, dat er nog oorlogsgevaar was en maakten propaganda tegen de Regeering en haar voorstel, zonder zich te bekommeren om de politieke gevolgen, welke die propaganda kon hebben. Er werden volksvergaderingen belegd, waarin het ontwerp werd gebrandmerkt als een schandaal, als het begin van een uitputtingspolitiek der Regeering en met name van den Minister van Financiën jegens de armen. Mij werd beginselverzaking, heulen met de rechterzijde, loopen aan den leiband van Dr. Kuyper verweten en meer vriendelijks van dien aard voor de voeten geworpen.