Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 36
Aan zulke schendingen van het volkenrecht hebben alle belligerenten schuld. Daarvan hebben scheepvaart, handel en visscherij zonder onderscheid te lijden gehad. Met toenemende roekeloosheid werd door alle oorlogvoerenden van het internationale oorlogsrecht afgeweken. Toch is er verschil in den aard hunner roekeloosheid. Men kan dat in het kort aldus uitdrukken: Groot-Brittannië werd steeds roekeloozer tegenover de handelsbelangen der neutralen, Duitschland had allengs minder ontzag voor hun leven. Uit menschelijkheidsoogpunt was de Duitsche roekeloosheid veel erger dan de Britsche. Gezien uit het oogpunt van de onmisbaarheid van het internationaal verkeer in de moderne samenleving, was het telkens verder vernielen van onderdeelen van het economisch fundament der menschelijke beschaving niet minder bedenkelijk. Allen te zamen drukt den belligerenten de verantwoordelijkheid, dat zij de wereld teruggebracht hebben in een toestand, waarvan Mephistopheles op nieuw zou kunnen getuigen:
„Man fragt um’s Was und nicht um’s Wie; Ich musste keine Schiffahrt kennen. Krieg, Handel und Piraterie, Dreieinig sind sie nicht zu trennen.”
Bij de maatregelen, welke door de oorlogvoerenden werden genomen, werden de bij tractaat geregelde rechten der neutralen allengs minder ontzien en bleken helaas de wederzijdsche verbittering der belligerenten en de wederzijdsche zucht om elkander op elke denkbare en uitvoerbare wijze te benadeelen, meer en meer de overhand te verkrijgen boven het in den aanvang nog eenigermate medesprekend rechtsbesef, dat eenmaal gesloten verdragen geëerbiedigd dienden te worden. Alle oorlogvoerenden werden allengs doof, niet alleen voor elke overweging die niet was ingegeven door het oorlogsbelang van henzelven of van hunne verbondenen, maar ook voor elk volkenrechtelijk bezwaar tegen maatregelen, die zij in dat belang meenden te moeten en dus ook te mogen nemen.
Men heeft hieruit wel de pessimistische conclusie getrokken, dat de thans woedende krijg bewijzen zou, dat internationale verdragen, als het er op aankomt, niet meer dan scheurpapier zijn. Gelukkig is voor dat pessimisme geen reden. Dat het volkenrecht in dezen oorlog sterk is gehavend, is niet voor tegenspraak vatbaar, maar dit maakt het nog niet waardeloos. Internationale verdragen zullen, naar te verwachten is, in de toekomst het uitbreken van oorlog in nog meer gevallen kunnen voorkomen, dan in het verleden het geval was. Ook in den oorlog zelf zullen zij in de toekomst worden geëerbiedigd, zoo dikwijls de machtsverhoudingen tusschen neutralen en oorlogvoerenden zoodanig zijn zal, dat de onzijdigen door bedreiging met feitelijkheden tegen den overtreder, de inachtneming van het internationale verdrag kunnen afdwingen. Wanneer echter, zooals thans, de groote mogendheden van een geheel werelddeel allen met elkander in oorlog zijn en het in dien krijg, naar de overtuiging van elk der belligerenten, gaat om eigen lijfs- of althans om eigen machtsbehoud, zijn verdragen niet in staat hen te houden binnen de grenzen van in vredestijd gestelde regelen van volkenrecht, ook al hebben zij zelven tot het stellen dier regelen uit vrijen wil en uit overweging van het belang van geregelde internationale rechtsverhoudingen, zoo al niet uit innige rechtsovertuiging medegewerkt. De oorlog brengt zulk een geweldigen omkeer in den gemoedstoestand zoowel der regeeringen als der bevolkingen van krijgvoerende landen teweeg, dat men daar alles geoorloofd waant, wat den vijand afbreuk kan doen en het haast landverraad zou achten, zich daarvan te laten weerhouden of daarbij te laten intoomen door overwegingen van recht, zoolang men door machtigeren daartoe niet wordt verplicht. Oorlogvoerenden bevinden zich, door het enkele feit dat zij oorlog voeren, naar eigen overtuiging in den noodtoestand die wetten verbreekt, de wet van het recht niet minder dan de wet der menschelijkheid.
De kleine neutrale staten moeten zich zulke schendingen van verdragen wel laten welgevallen, al laten zij niet na, er tegen te protesteeren. Een casus belli leveren zij alleen dan op, wanneer zij tevens een ernstige schending der souvereiniteit inhouden. Zoover is het gelukkig, hoe hinderlijk, vaak zelfs ergerlijk die schendingen ook zijn geweest, voor ons land niet gekomen. Het is bij protesten gebleven en het kon daarbij blijven. Bij velen heeft dat een gevoel van wrevel gewekt. Begrijpelijk, maar ongegrond. Waar het recht de macht aan het woord moet laten, hebben de kleine naties daarvoor wel te buigen. Door echter, zonder onderscheid te maken tusschen de belligerente partijen, telkens te protesteeren, wanneer het volkenrecht ten nadeele van Nederland werd geschonden, diende onze Regeering niet alleen het belang van het land als handeldrijvende en zeevarende natie, kwam zij niet alleen op voor de waardigheid en de hoogheid van den staat, maar vervulde zij tevens voor haar deel de taak, die aan de neutralen in deze reuzenworsteling is weggelegd. Zij hielp er toe mede, het rechtsgeweten der oorlogvoerenden niet geheel te doen inslapen en daarmede tevens de kiemen te bewaren, waaruit straks een nieuw en, laat ons hopen, hechter gebouwde regeling van het voor de menschelijke beschaving onmisbaar volkerenverkeer tot ontwikkeling zal komen.
* * * * *
Doch ik moet nog, met een enkel woord althans, in herinnering brengen hoe het met onzen handel onder al die moeilijkheden van den oorlogstoestand gegaan is. Dat daardoor onze buitenlandsche handel zeer werd gehandicapt, spreekt wel van zelf. Enkele onderdeelen daarvan werden geheel stopgezet of sterk verminderd. Dit werd nog verergerd, toen de belligerenten verschillende neutrale kooplieden gingen keuren en, al naar gelang deze al dan niet ook met den vijand handel dreven, hen op blanke of zwarte lijsten plaatsten. Die lijsten op zich zelf zijn een negatie van het recht van den neutrale om zaken te doen met alle oorlogvoerenden en een niet onbedenkelijke poging om verder te reiken dan het eigen rechtsgebied en om, naast den eigen onderdaan, ook den vreemdeling „the trading with the enemy” te verbieden. Zoowel de goederen- als de geldhandel worden door die lijsten belemmerd, niet alleen voor het heden, maar ook voor de toekomst. Daarbij komt voor den effectenhandel in buitenlandsche fondsen nog een speciale moeilijkheid. De oorlogvoerende staten verlangen bij de uitbetaling der coupons hunner schulden waarborgen dat de stukken niet toebehooren aan onderdanen van vijandige naties. Dit geeft heel wat oponthoud en ongerief, zoowel voor de beleggers zelven als voor de bankiers en commissionnairs. Bovendien heeft de politiek der economische isoleering van de centrale mogendheden er toe gevoerd, niet alleen hun invoer van goederen te fnuiken, maar ook hen te belemmeren in het zich verschaffen van geld of crediet door verkoop van buitenlandsche effecten. Met deze financieele isoleering begon Engeland niet aanstonds; er zijn dan ook zeker heel wat Amerikaansche fondsen over de Amsterdamsche beurs voor Duitsche rekening naar Amerika verkocht. Een tusschenkomst die volkomen geoorloofd was, maar die toch ook weer geleid heeft tot maatregelen van de Britsche regeering, waarbij het recht voor het belang van Engeland als belligerent moest wijken. De aanhouding van groote waarden door Groot-Brittannië, op vermoeden dat daarbij vijandelijke belangen betrokken waren, en de toenemende moeilijkheid voor den internationalen geld- en effectenhandel hebben er ten slotte toe geleid, dat zelfs een financieele afdeeling van de N. O. T. moest worden in werking gesteld. Dit bewijst genoegzaam, hoe ook de Nederlandsche geld- en effectenhandel zwarigheid ondervond van de economische oorlogspolitiek van de geallieerden, met name van Groot-Brittannië.
Het is moeilijk een algemeen oordeel te vellen hoe de handel onder den oorlog gevaren is. De groote geld- en effectenhandelaars behoeven zeker geen medelijden; zij zullen daar ook wel niet om vragen. De kleinere commissionnairs zijn er over het algemeen heel wat slechter aan toe. De provinciale bankiers ondervinden den gunstigen terugslag van de welvaart in den boerenstand.
Tegenover de belemmeringen van den overzeeschen handel staat, dat de export naar Duitschland in allerlei voedingsmiddelen zich sterk ontwikkeld heeft. Niet alleen land- en tuinbouw en enkele fabrieken van voedings- en genotmiddelen, maar ook sommige kringen uit den groothandel hebben daarvan profijt getrokken. Ten gevolge van de economische politiek der geallieerden tegenover Duitschland steeg daar de vraag naar producten van onzen bodem zoodanig, dat onze exporthandel er aanmerkelijk veel hoogere prijzen kon maken dan in Engeland of Frankrijk. Het gevolg hiervan is een sterke overhelling van dien handel in Duitsche richting. Dat is niet toe te schrijven aan sympathie of antipathie, maar aan zuiver economische oorzaken. Men kan het den boeren, fabrikanten en handelaren, voor zoover zij goederen uit te voeren hebben, niet kwalijk nemen, dat zij die daarheen zenden waar zij er de hoogste markt voor vinden. Het is echter niet te miskennen, dat het tijdelijk verwaarloozen van de Engelsche en Fransche markt voor de toekomst niet zonder bedenking is. Gelukkig komen er organisaties om het hierin liggend gevaar zooveel mogelijk te keeren.
Aan het opmaken van een balans van den stilstand of achteruitgang in den eenen en de verlevendiging in den anderen tak van handel, durf ik mij niet wagen. Men zal wel niet ver van de waarheid af zijn, wanneer men aanneemt, dat over het algemeen de groothandel niet al te slecht is weggekomen. De tusschenhandel en meer nog de kleinhandel hebben het minder goed gehad. Vooral in den aanvang was het hiermede droevig gesteld. Maar toch heeft zich zelfs voor de grossiers en de winkeliers de toestand langzamerhand ten goede gekeerd in een mate als waarop men aanvankelijk niet had durven hopen. Na hetgeen ik daaromtrent reeds opmerkte bij de bespreking van het middenstandscrediet in hoofdstuk IV[26] behoef ik daarop hier niet meer terug te komen.
[26] Zie bl. 218/9.
De handel heeft zeker niet zulk een gulden tijd gehad als de landbouw. Onder de kooplieden, dit geldt zoowel voor den geld- en den effectenhandel als voor den goederenhandel, hebben over het algemeen de grooten de meeste baat gevonden en zijn er heel wat kleineren, die moeten worstelen om het hoofd boven water te houden. De oorlog heeft over het algemeen de bedrijfsconcentratie in de hand gewerkt en zal, naar het zich laat aanzien, in deze richting nog lang nawerken. Alles bij elkaar genomen is er, zoo al geen stof tot juichen dan toch wel tot tevredenheid over den toestand van den handel, nadat meer dan twee jaren van oorlogstoestand zijn doorgemaakt.
* * * * *
Neemt men alle takken van ons volksbestaan, welke ik in dit hoofdstuk de revue liet passeeren, bij elkaar, dan is er ongetwijfeld reden om van geluk te spreken.
De klippen zijn wij echter nog niet voorbij. Wij leven nog in een zeer bijzonderen tijd, die ook voor het economisch leven ongekende gevaren in zijn schoot kan bergen, niet slechts gedurende den oorlogstoestand, maar ook als er eindelijk weer vrede op aarde zijn zal. Daarom zij men zoo voorzichtig niet te voorbarig juichtonen aan te heffen. De toekomst is daarvoor veel te onzeker. Terecht waarschuwt de heer Posthuma daartegen aan het slot van zijn Economische Nota, die den toestand in het begin van het jaar 1916 beschrijft. Maar toch stemt het tot blijdschap, dat hij zonder overdrijving kon neerschrijven: „Vat men de indrukken van het geheele economische leven te zamen, dan is de slotsom dat er, de omstandigheden in aanmerking genomen, alleszins reden tot dankbaarheid bestaat.”
Ik deed gelukkig geen vergeefsch beroep op de natie in al haar geledingen, toen ik, sprekende in de tegelijk zoo rustige en ernstige, maar toch ook innerlijk zoo bewogen vergadering van 3 Augustus 1914, aan het slot mijner rede zeide:
„Wanneer dan ieder van zijn standpunt, gelijk de Regeering hoopt van het hare te doen, onder deze moeilijke omstandigheden wel tracht te voorzien in de gevaren die dreigen, maar aan den anderen kant het hoofd koel te houden en zijn kalmte te bewaren, dan ben ik overtuigd, dat de bronnen van welvaart waarover Nederland beschikt, ons in staat zullen stellen aan deze heel zware economische crisis het hoofd te bieden.”
Wat ook de toekomst nog moge brengen, reeds nu heeft de uitkomst bewezen, dat ik omtrent de levenskracht van ons volk mijne verwachtingen niet te hoog gespannen had. Zeker, wij kunnen nog voor nieuwe crisissen te staan komen, maar die van 1914/5 heeft Nederland glansrijk doorstaan en overwonnen. Men mag en moet dit zeggen, trots de slagen die hier en daar vielen, trots de moeilijkheden waarin het oploopen der prijzen breede lagen van de bevolking bracht. Dat resultaat dankt Nederland aan de onmisbare samenwerking van vele en velerlei krachten, die met groote energie en volharding aan alle kanten tegelijk de schouders er onder hebben gezet. Natuurlijk werden er fouten gemaakt; natuurlijk zijn er leemten, zelfs groote leemten aan te wijzen; natuurlijk is niet ieder tevreden; natuurlijk zijn er die goede redenen tot klagen hebben; maar als men er zich in terugdenkt, wat men in Augustus 1914 had te vreezen, zich voorstelt, hoe het had kunnen worden, en ziet hoe het in werkelijkheid geworden is, mogen allen, die daartoe hun beste krachten gaven, groote voldoening gevoelen over hetgeen met vereende krachten werd bereikt, al heeft niemand het recht zich de verdienste ervan toe te zeggen, dat het gegaan is zooals het ging. Hieraan wordt niets te kort gedaan door het feit, dat het verkregen resultaat mede, zoo niet grootendeels, tevens te danken is aan factoren, die buiten onze macht staan en waaraan men zich had te onderwerpen. De conjunctuur is voor Nederland gunstig geweest; dit stemt tot grooten dank. Door aller samenwerking is van die conjunctuur gemaakt, wat er van te maken was; dit stemt tot voldoening. Het Nederlandsche volk heeft in den oorlogstoestand wel is waar enkele minder gunstige eigenschappen vertoond, maar daarnaast blijk gegeven van een hoogst verblijdende levenskracht. Dit wekt vertrouwen in ’s lands toekomst.
HOOFDSTUK VI.
DE OORLOGSTOESTAND EN DE SCHATKIST.
§ 1. _De Staatsleening 1914._
Toen de oorlog uitbrak, was de economische toestand van het land goed; de toestand van ’s Rijks schatkist slecht. Zoo kan men met een enkel woord uitdrukken, hoe het in Augustus 1914 hier te lande gesteld was. Nederland had een tijdperk van groote welvaart doorgemaakt, doch terzelfder tijd had men geworsteld met voortdurende tekorten op de Staatsbegrooting. Wel is waar werden die geraamde tekorten in werkelijkheid telkens ingehaald en was er, met uitzondering van het jaar 1908, waarin de opbrengst der belastingen onder den invloed stond van de pas doorgemaakte crisis, een zoodanig grootere opbrengst der middelen boven de raming, dat het geraamde tekort in een werkelijk overschot omsloeg, maar dit gunstige kasresultaat werd alleen bereikt, doordien tot het jaar 1913 toe, de Staatsbegrooting nog niet werd gedrukt door de verschillende uitgaven op sociaal gebied, die bij groot verschil in uitgangspunt over hetgeen op dit terrein te doen valt, bij groot verschil ook ten aanzien van den omvang en den aard der maatregelen, waarom het gaat, algemeen noodzakelijk werden geacht. Waren de ouderdomsrenten volgens de Invaliditeitswet-Talma--om slechts één voorbeeld te noemen--in plaats van op 9 December met 1 Januari 1913 begonnen, dan zou het overschot op den dienst van 1913 ten bedrage van omstreeks ƒ 4 millioen, zijn omgeslagen in een tekort van ƒ 6 à ƒ 7 millioen.
Bij het optreden van het Ministerie Cort van der Linden moest er op gerekend worden, dat voor ƒ 25 à ƒ 30 millioen nieuwe belastingen ter bestrijding van uitgaven voor den gewonen dienst zouden moeten worden opgelegd, waarin voor een deel zou worden bijgedragen door de Rijksinkomstenbelasting, waarvan het ontwerp als dankbaar aanvaard onderdeel van de nalatenschap der vorige Regeering werd overgenomen. Doch toen ik, na in October 1914 te zijn opgetreden als Minister van Financiën, den toestand wat meer in bijzonderheden naging, kwam ik tot de weinig bemoedigende ontdekking, dat, zonder misrekening in de te verwachten uitgaven, mede in verband met het sociaal program van het Kabinet, niet ƒ 25 à ƒ 30 millioen aan nieuwe middelen zou moeten worden gevonden, met inbegrip van de inkomstenbelasting, maar niet minder dan omstreeks ƒ 60 millioen, nadat de inkomstenbelasting reeds was in rekening gebracht. Toen ik op 10 December 1914, sprekende in de Tweede Kamer, dit cijfer noemde, sloeg aan enkele kamerleden waarschijnlijk wel eenigszins de schrik om het hart. Maar mijn nadere verklaring daarvan gaf geen aanleiding tot critiek. Het was van hetgeen ik dien dag zeide haast het eenige, dat niet gecritiseerd werd; alleen werd mij tegemoet gevoerd, dat ik niet ƒ 60 maar ƒ 70 millioen had moeten noemen, als bedrag waarin, afgezien van de uitgaven als gevolg van den oorlogstoestand, voorzien zou moeten worden.
Het is mijn bedoeling niet, hier op den algemeenen toestand van ’s Rijks kas in te gaan noch op hetgeen door mij werd voorgesteld ter voorziening van het tekort dat de gewone dienst der Staatsbegrooting bij normale ontwikkeling der staatswerkzaamheid op sociaal gebied, speciaal ten aanzien van het onderwijs en het verzekeringswezen en in verband met de uitgaven voor de verdediging zoowel van Nederlandsch-Indië als van het moederland en ter verbetering van land- en waterwegen in de komende jaren, onvermijdelijk zal te zien geven, tenzij het gat wordt gestopt door invoering van nieuwe en verhooging van bestaande belastingen. Dat onderwerp ligt buiten het bestek van dit boek. Ik maak er slechts melding van om de tegenstelling, waarmede ik dit hoofdstuk begon, eenigszins toe te lichten. Hier heb ik alleen te maken met de uitgaven van het Rijk als gevolg van den oorlogstoestand en met de wijze waarop dekking van die uitgaven werd gezocht en gevonden.
Zoodra de oorlog was uitgebroken en het duidelijk was, dat het land voor ongekend hooge buitengewone uitgaven zou komen te staan, werden de reeds opgemaakte begrootingen, die eerst ongewijzigd moesten worden ingediend, herzien en zooveel mogelijk besnoeid. Veel heeft dat niet kunnen baten. Groote bezuinigingen waren niet aan te brengen. Een der hoofdzaken was, dat alle uitgaven voor niet periodieke salarisverhoogingen van ambtenaren werden geschrapt. Een goed jaar later moest, als gevolg van de toenemende duurte van levensmiddelen, een tegenovergestelde weg worden bewandeld en moesten duurtetoeslagen worden toegekend. Uit hetgeen ik in hoofdstuk II opmerkte, is duidelijk gebleken, dat ik geen groot voorstander daarvan ben en in oorlogstijd veel meer gevoel voor een politiek, die de prijzen binnen redelijke grenzen houdt. Toen de maatregelen in deze richting getroffen, de prijsstijging niet voldoende konden beletten, kon de Regeering den aandrang tot het geven van een duurtetoeslag niet langer weerstaan. Zulk een toeslag werd toegezegd door den tijdelijken voorzitter van den Ministerraad bij de behandeling der Staatsbegrooting voor 1916. Die toezegging werd verwezenlijkt, nadat ik als minister was afgetreden. De duurtetoeslag der Rijksambtenaren verhoogt de buitengewone uitgaven van den oorlogstoestand met omstreeks ƒ 2 millioen.
Doch ik loop door deze mededeeling op de gebeurtenissen en hun financieele gevolgen vooruit. De eerste weken van de mobilisatie brachten natuurlijk verschillende niet periodiek weerkeerende kosten mede en waren dus de duurste. Vandaar dat zij in de eerste maand op ongeveer ƒ 20 millioen te staan kwam. Normaal, voor zoover men bij een zoo buitengewonen toestand van normaal kan spreken, was de uitgaaf voor het leger omstreeks ƒ 500.000 per dag. Na de eerste maand waren de kosten van den oorlogstoestand in totaal op omstreeks ƒ 20 millioen per maand te stellen. Later werden zij hooger, zoowel door de verder gaande sociale maatregelen, men denke--om slechts een voorbeeld te noemen--aan de bruinbroodregeling, als door de stijging van verschillende prijzen en, in verband daarmede, ook door de verhooging der vergoedingen voor gezinnen van gemobiliseerden. Er moest toen gerekend worden met omstreeks ƒ 22 millioen per maand. Het zou mij niet verwonderen, als thans de crisisuitgaven gemiddeld maandelijks het bedrag van ƒ 25 millioen naderen. Rekenend met gemiddeld ƒ 21 millioen per maand over alle verloopen oorlogsmaanden, komt men er toe, dat de oorlogstoestand gedurende de twee oorlogsjaren, welke op het oogenblik dat ik dit schrijf, juist verstreken zijn, de schatkist op een crisis-uitgaaf van rond een half milliard zijn te staan gekomen.
Dat het zulk een vaart zou loopen, kon men in den aanvang niet vermoeden, maar wel was het duidelijk dat, waar men voor onbepaalden tijd voor een ongekend groote extra-uitgaaf stond, maatregelen tot dekking daarvan niet mochten uitblijven. Te meer was dit noodig, omdat bij het uitbreken van den oorlog niet alleen ’s Rijks financieele toestand, zooals ik vermeldde, niet al te sterk was, maar ook over den toestand van ’s Rijks kas niet te roemen viel. In het voorjaar van 1914 was de uitgifte van een leening door en ten laste van Nederlandsch-Indië tot een bedrag van ƒ 100 millioen in voorbereiding. De oorlog haalde in de eerste maanden door dit leeningsplan een streep, zooals hij door zooveel goede voornemens gedaan heeft. Dit was voor de Nederlandsche schatkist een tegenvaller. Zoolang Nederlandsch-Indië niet door eigen leeningsgeld in de dekking zijner buitengewone uitgaven kon voorzien, steunde het daarvoor op de schatkist van het moederland, welke bij het uitbreken van den oorlog aan het Ned. Indische Gouvernement ongeveer ƒ 60 millioen had voorgeschoten. In verband daarmede waren er toen ongeveer ƒ 69 millioen schatkistbiljetten en schatkistpromessen in omloop, die voor het grootste deel waren geplaatst bij de Nederlandsche Bank. In totaal was de vlottende schuld toen omstreeks ƒ 84 millioen; men moest er op rekenen dat die schuld, als zij niet werd geconsolideerd, met omstreeks ƒ 20 millioen per maand zou stijgen. Die rekening werd door de feiten geheel bevestigd. Op 1 December was de vlottende schuld, met inbegrip van de toen uitstaande zilverbons, gestegen tot ruim ƒ 152 millioen en zij zou nog omstreeks ƒ 7 millioen hooger zijn geweest, indien niet tot dit bedrag winst was gemaakt op het zilvergeld, dat ten beloope van ruim ƒ 14 millioen sedert 1 Augustus was aangemaakt en in omloop gebracht.
Daar het schatkistpapier voor het grootste deel, rechtstreeks of indirect, bij de Nederlandsche Bank terecht kwam, moest de schatkist, indien de vlottende schuld niet werd geconsolideerd, allengs meer op de Bank steunen. Dit mocht de Regeering niet lijdelijk toezien. Indien zij doorging met in zoo hooge mate gebruik te maken van de diensten der Bank, zou ’s Rijks financieele toestand bedenkelijk en daarmede ’s lands veiligheid in groot gevaar zijn geweest, indien ons land onverhoopt in den oorlog mocht worden betrokken. Hierin moest worden voorzien. Men behoorde de weerkracht van het land naar alle kanten zoo groot mogelijk te maken; niet minder dan de militaire moest de financieele weerkracht gericht zijn op het oorlogsgevaar, waaraan het land blootstond.
Reeds aanstonds werd aan de Staten-Generaal een oorlogscrediet gevraagd van 50 millioen, dat den 3den Augustus 1914 verleend werd; den 7den Augustus werd dit verhoogd met ƒ 5 millioen voor Marine en den 16den October met op nieuw ƒ 50 millioen voor het Departement van Oorlog; dat was eerst het begin.