Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken
Part 35
Aan de laatste heeft de N. O. T. een taak uit handen genomen, met welker vervulling zij noodgedrongen een aanvang had gemaakt, maar die voor haar van den beginne af zeer bedenkelijke kanten had en, bij den grooten omvang welken die taak kreeg, aan de krachten der Regeering, die toch reeds met werk was overladen, zou zijn te boven gegaan. De oprichting van de N. O. T. geschiedde dan ook niet alleen met medeweten maar met onverdeelde instemming der Regeering, en bij de uitvoering van de taak, welke de maatschappij op zich nam, was er voortdurend nauwe samenwerking met de Departementen van Buitenlandsche Zaken, van Landbouw, Nijverheid en Handel en van Financiën, alsook met de verschillende organisaties op het gebied der uitvoerconsenten, die in hoofdstuk II § 1 behandeld werden, inzonderheid met de Commissie voor de voeding van mensch en dier. Die samenwerking was onmisbaar voor de goede werking der maatschappij; met Buitenlandsche Zaken moest zij voortdurend voeling houden wegens de internationale vragen, die zij telkens op haar weg ontmoette; met Landbouw, omdat de regeling der uitvoerconsenten onder dit Departement staat en er voor gezorgd moest worden, dat geen consenten werden afgegeven voor goederen die onder N. O. T.-verband lagen; met Financiën, omdat dit Departement de zorg heeft voor het beletten der ontduiking van uitvoerverboden en, waar de meeste N. O. T.-goederen onder de uitvoerverboden vielen, voor den staat en voor de N. O. T. een gemeenschappelijk belang aanwezig was, om door samenwerking zoo goed mogelijk te bereiken, dat niet over de grens zou worden vervoerd, wat daarbinnen behoorde te blijven.
De noodzakelijke samenwerking tusschen de N. O. T. en de genoemde Departementen, de Commissie voor de voeding van mensch en dier, het Kolenbureau en de Nijverheidscommissie had ten gevolge, dat voortdurend persoonlijke samenkomsten tusschen vertegenwoordigers of ambtenaren van die verschillende Rijks- en semi-officieele instellingen werden gehouden. Die bijeenkomsten hebben hoogst nuttig gewerkt; haar resultaat zou nog grooter zijn geweest en de samenwerking, waarom het te doen was, nog meer hebben bevorderd, indien de leidende persoonlijkheden der noodorganisaties elkander steeds goed hadden begrepen.
Toen de Regeering in de eerste oorlogsmaanden er toe moest overgaan, aan enkele importeurs de bevoegdheid te geven hun waren aan haar te adresseeren, beperkte zij zich, zooals ik in herinnering bracht, tot goederen, waarvan de uitvoer was verboden. De N. O. T. behoefde zich die beperking niet op te leggen en zij zou haar doel slechts zeer onvolledig hebben kunnen bereiken, als zij haar werkkring op die wijze had begrensd. Het waarborgen van het binnen de grens blijven van goederen, waarvan de uitvoer niet was verboden, leverde intusschen groote moeilijkheid op. Wèl werden de overeenkomsten van de N. O. T. met groote zorg opgemaakt; wèl waren volgens die contracten de importeurs verplicht ook aan de koopers hunner goederen op te leggen, dat deze uitsluitend voor binnenlandsch verbruik zouden dienen; wèl werd een bankgarantie van den importeur verlangd, welke door dezen zou worden verbeurd ook als een opvolgend kooper zijner waar de tegenover de N. O. T. aangegane verplichting schond; maar dit alles nam niet weg, dat clandestiene uitvoer van goederen, die onder N. O. T.-verband stonden hoogst moeilijk was te verhinderen, als zij in de derde of vierde hand overgegaan en onder verschillende détaillisten verspreid waren.
Dat de Regeering geen uitvoerverboden kon uitvaardigen om deze moeilijkheid voor de N. O. T. weg te nemen, spreekt van zelf. Wanneer men dan ook de vraag stelt of ter wille van de N. O. T. uitvoerverboden mochten worden uitgevaardigd, kan het antwoord daarop niet anders dan ontkennend luiden. Uitvoerverboden met die strekking werden dan ook in geen enkel geval gesteld. Heel iets anders echter is het, of het stellen van een uitvoerverbod gerechtvaardigd was, als ten aanzien van eenig artikel gebrek dreigde te ontstaan door onvoldoenden toevoer van buiten af en die toevoer alleen kon worden verzekerd, indien de uitvoer van hetgeen voor binnenlandsch verbruik zou worden ingevoerd, niet slechts door de contractueele N. O. T.-voorschriften, maar door een krachtiger werkend en beter te handhaven uitvoerverbod werd verhinderd. Men heeft meer dan eens zich bevreesd gemaakt, in zulk een geval een uitvoerverbod uit te vaardigen en gemeend, dat men dan toch de contractueele verplichtingen tegenover de N. O. T. door een publiekrechtelijke handeling van overheidswege zou sanctionneeren. Die meening is alleen verklaarbaar uit onvoldoend onderscheiden van de verschillende elementen van het geval. De N. O. T. is wel een vereeniging van particulieren, maar zij is opgericht in het algemeen handelsbelang van het land. De waarborgen die zij aan de belligerenten of aan een hunner geeft, dat de aan haar geconsigneerde goederen uitsluitend binnenslands zullen worden verbruikt, geeft zij niet in haar eigen particulier belang, maar in het belang van de voorziening van het land met de voedingsmiddelen en grond- en hulpstoffen voor nijverheid en landbouw, die zij aan zich laat adresseeren. Wanneer nu aan een bepaalde soort dier goederen gebrek dreigt te ontstaan en een uitvoerverbod de aanvulling daarvan kan mogelijk maken of vergemakkelijken, dient de Regeering, die in zulk een geval een uitvoerverbod uitvaardigt, noch het belang van den belligerent, die anders het goed niet zou doorlaten, noch het particulier belang van de N. O. T., maar alleen en uitsluitend het eigen landsbelang, dat voorziening in het dreigende gebrek wenschelijk of zelfs noodig maakt.
Mij is nu en dan gebleken, dat zoowel sommigen mijner gewezen ambtgenooten als enkele leden van het parlement het volgen of althans het openlijk uitspreken van deze redeneering gevaarlijk achtten en daarvoor terugschrikten. Daarvoor bestond, dunkt mij, niet de minste reden. Een dergelijk uitvoerverbod staat ook mijlen ver van hetgeen bedoeld werd met de slotparagraaf van de Britsche „Order in Council” van 15 Maart 1915, waarin verzachting der bepalingen tot het tegengaan van verscheping van goederen met bestemming naar Duitschland werd in uitzicht gesteld voor koopvaardijschepen van eenig land „dat aan handel in goederen bestemd voor of afkomstig uit Duitschland of toebehoorende aan Duitsche onderdanen niet de bescherming van zijn vlag zou verleenen”. Het spreekt wel van zelf, dat het opvolgen van dezen wenk gelijk zou hebben gestaan met het verlaten der neutraliteit op handelsgebied, en het was dan ook geheel correct dat de Minister van Buitenlandsche Zaken dit aan den Britschen gezant in beleefde termen te verstaan gaf. Het uitvaardigen van uitvoerverboden ten aanzien van goederen waaraan hier gebrek dreigde te ontstaan, ging echter met de meest strikte en oprechte onpartijdigheid gepaard; het werd ingegeven door het eigen lands- en volksbelang en bracht aan geen der belligerenten voordeel. Betrof het goederen waaraan in Duitschland gebrek heerschte, dan werd dit niet erger door de omstandigheid dat Nederland zich door het sluiten zijner grens voor die goederen, er tegen waarborgde niet zelf in gelijken toestand te zullen komen.
* * * * *
Waar de prijsverschillen van een aantal goederen aan deze en aan gene zijde van de grens een ongekende hoogte bereikten, bezweken niet alleen Duitsche handelaars en agenten maar ook een helaas veel te groot aantal Nederlandsche kooplieden voor de verleiding, om daarvan te profiteeren en „à la barbe” van uitvoerverboden zulke waren over de grens te smokkelen. Er moest dan ook een voortdurende strijd gevoerd worden tegen de smokkelaars door de ambtenaren, die dien verboden uitvoer hadden te keeren. Dit behoorde tot de taak van de commiezen der directe belastingen, accijnzen en invoerrechten en van hunne superieuren. Zij hebben zich van die taak, op zeer enkele uitzonderingen na, op voorbeeldige wijze gekweten en zich bestand getoond tegen vele en velerlei pogingen tot omkooping. Het corps dezer ambtenaren verdient algemeene waardeering voor de goede eigenschappen en de strenge plichtsbetrachting, waarvan het in den oorlogstijd onder vaak zeer moeilijke omstandigheden, heeft blijk gegeven.
Niettemin waren die ambtenaren, ondanks hun ijver en plichtsbetrachting, niet in staat de smokkelarij afdoende te beteugelen. Zij waren daartoe te gering in aantal en vonden niet voldoenden steun in de wet, welke beter op het tegengaan van smokkelen binnenwaarts dan op dat van het smokkelen buitenwaarts berekend is. Ter aanvulling van de belastingcommiezen en in samenwerking met hen, geschiedde de grensbewaking tot het tegengaan van smokkelarij ook door daartoe aangewezen militie- of landweerplichtigen. Behoudens hoogst enkele uitzonderingen is die opdracht door de officieren, die er mede belast waren, zoo nauwgezet mogelijk vervuld, maar toch was de samenwerking tusschen militaire grenswachten en belastingcommiezen lang niet overal zooals zij wezen moest. Vooral waar, om militaire redenen, de grenswacht was toevertrouwd aan landweerkorpsen uit de te bewaken streek, waren er vaak zooveel banden van bloedverwantschap, vriendschap en nabuurschap tusschen grenswachters en smokkelaars, dat de belastingcommiezen somtijds van de militaire wachters zelfs meer tegen- dan medewerking ondervonden. Ik zou evenwel een verkeerden en onverdienden indruk vestigen, wanneer ik hieraan niet terstond toevoegde, dat de militaire autoriteiten op aandrang van het Ministerie van Financiën met kracht hebben medegewerkt, om in den toestand verandering te brengen en dat daardoor ten slotte een veel verbeterde samenwerking werd verkregen, die aan de bestrijding der smokkelarij zeer is ten goede gekomen. Tot het meer afdoende tegengaan daarvan werden ook verschillende voorschriften van het Departement van Financiën aangevuld en voor zooveel noodig verscherpt, enkele algemeene maatregelen van bestuur uitgevaardigd, en werd de Algemeene Wet van 1821 aangevuld door de wet van 31 December 1915, houdende tijdelijke bepalingen betreffende het vervoer en de nederlage van goederen. Door deze wet werd het nederleggen en buitenwaarts vervoeren van ten uitvoer verboden goederen in de onvrije strook langs de grens meer afdoende bestreden. Den smokkelaars geheel de loef afsteken, is een voor de belastingadministratie wel verleidelijk, maar helaas onbereikbaar ideaal.
Bij een bespreking van den handel mocht ik den smokkelhandel niet ongenoemd laten. Dit zou zoowel onvolledig als ongewenscht zijn geweest. Onvolledig, omdat de smokkelaars er wel voor gezorgd hebben, dat een oud-Minister van Financiën, bij het neerschrijven zijner herinneringen, hen niet vergeten zou; ongewenscht, omdat mijn stilzwijgen over deze wondeplek van het handelsverkeer in den oorlogstijd voedsel zou kunnen geven aan de voorstelling, die vooral in _De Telegraaf_ werd gewekt, dat de Regeering het smokkelaarsbedrijf liefst met den mantel der vergetelheid, zoo niet met dien der liefde bedekte. Zooeven wees ik er zelf reeds op, dat aan de bestrijding van dien handel nu en dan wel wat heeft ontbroken, vooral doordien de samenwerking tusschen de verschillende diensten, die daartegen hadden op te treden, in den aanvang nog al te wenschen overliet. Alleen ergdenkenden en lieden, die het in ’s lands belang achtten de oprechte bedoelingen der Regeering bij een deel der belligerenten, in casu bij de geallieerden, verdacht te maken, konden uit smokkelarijen welke inderdaad zijn voorgekomen,--veel meer dan had moeten zijn geschied,--de conclusie trekken en ook in het buitenland, speciaal in Engeland en Frankrijk, doen ingang vinden, dat de Nederlandsche Regeering het met de bestrijding der smokkelarij zoo nauw niet nam. Daartegenover sta mijne pertinente verklaring, dat zij alles wat in haar vermogen was heeft gedaan en nog steeds doet, om de smokkelarij den kop in te drukken, en dat de lekken, die door de smokkelarij telkens op nieuw werden gestoken, niet zulk een omvang hebben genomen als in de verbeelding van de lezers van het genoemde blad, dat zulke zonderlinge opvattingen heeft omtrent de plichten, die de vaderlandsliefde in oorlogstijd oplegt, door zijn voortdurend geschrijf over en overdrijving van de smokkelarij aan de Duitsche grens, werd gewekt.
Het was waarlijk niet tot zijn genoegen, dat aan douanebeambten, die op smokkelaars hadden geschoten, ook al hadden zij daarbij den verkeerde geraakt, door den Minister van Financiën de hand boven het hoofd werd gehouden. Dit was noodig, omdat die ambtenaren hun zwaren dienst in het geheel niet naar behooren hadden kunnen uitoefenen, indien zij bovendien nog bestraffing hadden te vreezen, wanneer zij zich een enkelen keer vergisten. Bij het lezen van rapporten, inhoudende dat een smokkelaar was doodgeschoten, heb ik het onvermijdelijke van zulke voorvallen erkend en beseft dat deze zijn lot had verdiend, maar tevens toch medelijden gehad met den armen drommel, die in de meeste gevallen slechts handlangersdiensten verrichtte voor den veel grooteren schurk, die, rustig op zijn kantoor gezeten, de drijfkracht was der smokkelarij en zich verrijkte met de resultaten daarvan, aan anderen het gevaar overlatend. Dan kwam bij mij telkens het gevoel op: jammer dat het die andere niet was!
Maar ik zou niet gaarne den indruk vestigen, alsof de sluikhandel in den oorlogstijd het hoofdbestanddeel van onzen handel is geweest. Een volk van smokkelaars zijn wij gelukkig niet, al vindt men smokkelaars in alle lagen der bevolking. De gemoederen waren echter niet alleen bij de oorlogvoerenden, maar ook bij een deel onzer eigen landgenooten zoozeer opgewonden, dat zij het ongeoorloofd achtten en met smokkelarij op één lijn stelden, wanneer handelsbetrekkingen werden onderhouden met in den oorlog betrokken landen, inzonderheid als deze niet op hunne persoonlijke sympathie mochten bogen. Het moest niet noodig zijn zulke dwaze voorstellingen te weerleggen; maar het is helaas noodig. Zij hebben hier maar al te veel ingang gevonden, voor zoo ver zij openlijk aan den dag kwamen, aan onze waardigheid vaak tekort gedaan en ons in de oorlogvoerende landen, inzonderheid bij de geallieerden, nadeel berokkend. Men kan het aan de bevolking van een land, dat in oorlog is, niet kwalijk nemen, dat het niet nauwkeurig onderscheidt, daarom ook in den neutrale alles ongeoorloofd acht, wat met het belang van haar partij niet strookt, en den onderdaan van een neutralen staat, die zijn eigen land bekladt, op zijn woord gelooft en zelfs ten voorbeeld stelt. Den oorlogvoerende verwijt men dat niet; de landgenoot die er oorzaak van is, verdiende te worden gesteenigd.
Daarentegen treft ook den oorlogvoerende gegrond verwijt, als hij het onderscheid tusschen zijn eigen belang en het recht der neutralen zoozeer uit het oog verliest, dat hij met schending van verdragen, welke hij zelf heeft onderteekend, den volkenrechtelijk geoorloofden handel tusschen neutrale landen onderling of van neutralen met zijn vijand verhindert, voor zoover zijn belang dat medebrengt. Zulke indirecte schendingen van den handel door hetgeen Duitschers zoowel als Britten aan het volkenrecht ten aanzien van de scheepvaart misdreven, had ik in de vorige paragraaf reeds al te veel te vermelden.
Rechtstreeks vergrepen de geallieerden zich ook aan het internationale handelsrecht der neutralen door zelfs het internationale brievenverkeer, dat door het Haagsche verdrag van 1907 omtrent de rechten der neutralen bij een oorlog ter zee volkomen gewaarborgd scheen, niet te eerbiedigen.
Artikel 1 van dat zoowel door Frankrijk als door Engeland mede-onderteekende verdrag bepaalt: „De brievenposterij van onzijdigen of oorlogvoerenden, welke ook haar ambtelijke of particuliere aard zij, die op zee op een onzijdig of vijandig schip wordt gevonden, is onschendbaar.” Dit heeft de geallieerden, met name Engeland, niet belet de mail van neutrale schepen, die zijn havens aandeden of zijne territoriale wateren moesten passeeren, aan te houden en te censureeren.
Op verschillende gronden hebben zij gepoogd dit te rechtvaardigen. De mail werd op de open zee inderdaad geëerbiedigd, maar zij werd aangehouden, wanneer onze schepen een Britsche haven aandeden of, als gevolg van de afzetting van het Kanaal door de Britsche marine, verplicht waren, hun vaart onder de kust in Britsche territoriale wateren te nemen. Het feit van het aandoen eener Engelsche haven ontneemt intusschen het neutrale schip niet de onschendbaarheid van de post, welke het aan boord heeft. Elke staat heeft volkenrechtelijk de bevoegdheid brieven, die aan zijn postadministratie worden toevertrouwd, te onderzoeken, onverschillig of zij uit het buitenland komen of niet. In vredestijd maken beschaafde staten van die bevoegdheid geen gebruik. Wordt in oorlogstijd wegens de veiligheid van den staat op de post censuur toegepast, dan heeft men geen recht van beklag, als dit lot ook de mail treft, die de postadministratie van het censureerende land passeeren moet, om haar bestemming te bereiken. Doch daarop kon men zich hier niet beroepen. De mails waarom het hier gaat, worden aan de Britsche postadministratie _niet_ toevertrouwd. Voor de bevordering daarvan heeft het schip haar medewerking niet noodig en vraagt het haar niet. Het geeft die post dan ook niet af; deze wordt hem afgenomen en komt eerst onder het bereik der Britsche postadministratie en van de daarmede verbonden censuur, doordien de gezagvoerder de schending van zijn door internationaal verdrag gewaarborgd recht, bukkend voor overmacht, lijdelijk moet toezien. Ten opzichte van de mail aan boord van schepen, die niet een Britsche haven aandoen, maar door den zeeoorlog gedwongen worden hun vaart door Britsche territoriale wateren te nemen, staat de zaak niet anders; alleen spreekt hier het zooeven aangevoerde nog duidelijker.
Ter rechtvaardiging van hun behandeling der neutrale post, welke zij bemachtigen kunnen, hebben de geallieerden zich voorts er op beroepen, dat de onschendbaarheid der brievenpost niet geldt voor de pakketpost. Dit is op zich zelf genomen juist. Wanneer zij daaruit echter afleiden, dat zij dus ook recht hebben te onderzoeken of niet als brief wordt verzonden, wat feitelijk een pakket is, verlaten zij op hetzelfde oogenblik, dat zij die conclusie trekken, den weg van het recht. Het feit dat kleine pakketten als brief verzonden kunnen worden en ook wel als brief verzonden worden, zal wel niemand betwisten, maar daarover gaat het niet. De geallieerden hebben, zonder eenig voorbehoud, het verdrag geteekend, waarbij de brievenpost onschendbaar werd verklaard. Door te onderzoeken wat die post inhoudt, schenden zij juist wat op het papier onschendbaar was en dat in werkelijkheid had moeten blijven. Door zich hieraan niet te storen, verlaagden zij het door hen geteekend verdrag tot scheurpapier in het wezen der zaak op geen enkelen anderen grond, dan dat hun belang het medebracht.
Ging het om een belangenkwestie, dan zou men Engeland het volste gelijk van de wereld moeten geven. Dat de mail verschillende brieven inhield, die niet strookten met de politiek der economische isoleering van de centrale mogendheden, en dat dit nog veel meer het geval was, toen met haar schending door de geallieerden nog niet behoefde te worden gerekend, is niet aan twijfel onderhevig. En evenzoo zal het wel juist zijn, dat bijv. rubber in brieven verzonden werd. Het belang der geallieerden als oorlogvoerende mogendheid bracht ongetwijfeld mee, dit tegen te houden; maar dit gaf hun daartoe nog geen recht. Voor zoover verzending van contrabande per brievenpost betreft, hadden zij desgewenscht vertoogen kunnen richten tot de neutralen om deze feitelijke uitbreiding van de onschendbaarheid der brievenpost tegen te gaan. Overigens hadden zij er in te berusten, dat neutrale landen, juist omdat zij neutraal zijn, zich niet dienstbaar kunnen maken aan het oorlogsbelang van een der belligerente partijen.
Nederland stelt zich geen partij in de oorlogspolitiek van de geallieerden tegen de centrale mogendheden. Het staat tegenover de economische zijde even onzijdig als tegenover het krijgskundige doel der oorlogspolitiek van de belligerenten. Zijn handelaars doen met Duitschers en Oostenrijkers even goed zaken als met Engelschen, Franschen of Italianen. Zij hebben daarbij niets anders te eerbiedigen dan de wetten van hun eigen land, de verdragen, waartoe Nederland is toegetreden, en hun eigen woord. Binnen die perken blijvend, zullen hunne internationale handels-transacties en de daarop betrekking hebbende correspondentie nu eens aan een der oorlogvoerenden, dan weer aan de andere belligerente partij onwelgevallig zijn. Dit geeft aan geen hunner het recht, die correspondentie te onderzoeken en te belemmeren, als zij die, met schending van het bij tractaat erkende recht der neutrale staten gedurende den oorlog ter zee, onder haar machtssfeer heeft gebracht.
Het strekt der Nederlandsche Regeering en inzonderheid den Minister van Buitenlandsche Zaken tot eer, dat het haast overbodig is mede te deelen, dat tegen de schending onzer mail met klem werd geprotesteerd, evenals dit telkens gebeurde bij schending van bij tractaat gewaarborgde rechten, van welke zijde zij ook kwam. De schending van de post tastte het onbetwistbaar recht der neutralen tot het drijven van handel met alle oorlogvoerende partijen in zijn wortel aan. Daarom moest die schending hoog opgenomen worden en werd zij ook hoog opgenomen. Het is plicht van elke neutrale Regeering en van elk neutraal volk dat recht hoog te houden en tegen elken inbreuk daarop, met de krachten die men heeft, op te komen en, als men niet krachtig genoeg is om die inbreuken te verhinderen, daartegen met klem te protesteeren. En dat niet slechts uit eigen _belang_, maar ook terwille van eigen _waardigheid_, en niet minder ten bate van de internationale samenleving, die aanstonds hervat worden _moet!_ Het is al erg genoeg, dat voor de eene helft van Europa haast de geheele andere helft vijand is, en dat dientengevolge de begrippen vreemdeling en vijand even dicht tot elkander genaderd zijn als in de vroegste middeleeuwen het geval was. De oorlog heeft de volksziel eeuwen achteruit gezet. Wanneer hij bovendien nog moest teweegbrengen, dat het internationale verkeer als minderwaardig werd beschouwd en teruggedrongen, zou hij zich aan de beschaving, aan den menschelijken vooruitgang, zelfs nog meer hebben bezondigd dan door den reusachtigen menschenmoord, die nu reeds meer dan twee jaren met toenemende bitterheid en toenemende verfijning voortduurt. Hij zou dan aan dien vooruitgang een zijner onmisbare economische levenswortels hebben afgesneden en daarmede Europa in den wedstrijd der volken ten ondergang hebben gedoemd.
Men meene intusschen niet, dat deze beschouwing zich speciaal tegen de geallieerden keert. Zij geldt tegenover Duitschland evenzeer als tegenover Groot-Brittannië. Alleen komt men onwillekeurig meer in opstand, wanneer men zulke schendingen van het internationale recht der neutralen in oorlogstijd ziet begaan door een land als Engeland, een handeldrijvend land bij uitnemendheid, een land bovendien dat zich zelf en anderen heeft diets gemaakt, dat het ter wille van de vrijheid en het recht, inzonderheid van de kleine naties, in den oorlog was gegaan.