Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 34

Chapter 343,610 wordsPublic domain

Ook zonder in de keuken te hebben kunnen neuzen, waarin deze kennisgeving werd bereid, kan men uit haar bewoordingen wel afleiden, dat zij niet door ééne enkele gedachte wordt beheerscht, maar min of meer het karakter draagt van een compromis tusschen verschillende opvattingen, waarbij die welke ook voor den oorlogstijd het verschil tusschen doorvoer en in- en uitvoer meende te moeten doen beslissen door de handelsgebruiken uit vredestijd de bovenhand hield. Zoo is het dan ook inderdaad geweest. Er werd bij de behandeling dezer aangelegenheid in den Ministerraad, o.a. door mij, een andere opvatting voorgestaan, waarvan ik overtuigd was en nog ben, dat zij niet alleen niet met de letter of den geest van de Rijnvaartakte in strijd was, maar ook den plicht der onzijdigheid tegenover Duitschland niet te na kwam. Die opvatting zou aan het doorlaten van overzeesche goederen uit een onzer havens over den Rijn, voor zoover die doorlating bij de Britsche opvattingen, wijzigingen en aanvullingen van de Londensche Zeerecht Declaratie nog mogelijk was, niets hebben te kort gedaan, maar zij zou de aanhouding van Nederlandsche schepen door Britsche of Fransche marine-autoriteiten in den aanvang waarschijnlijk eenigszins hebben beperkt.

Die afwijkende opvatting ging hiervan uit, dat men in oorlogstijd het verschil tusschen doorvoer en in- en uitvoer niet meer kan doen beslissen door handelsusantiën uit vredestijd, maar een zoodanig criterium daarvoor stellen moet, dat de gezaghebber van een oorlogsschip van een der belligerenten, die, gebruik makend van zijn volkenrechtelijke bevoegdheid, het Nederlandsche vaartuig tot onderzoek van de lading aanhoudt, uit de papieren aan boord kan zien of hij te doen heeft met doorvoergoed dan wel met goed, dat in het vrije verkeer in Nederland wordt ingevoerd.

In de hoofdzaak ging die opvatting dus lijnrecht in tegen de officieele verklaring van 21 Augustus, die juist uitdrukkelijk deed uitkomen dat de onderzoekende belligerente marine, wat dit punt betreft, op één uitzondering na, niet op de scheepspapieren kon afgaan, en de handelsusantiën uit den vredestijd ook voor den oorlogstoestand deed beslissen.

Art. 7 der Rijnvaartakte, waarom het hier in de eerste plaats gaat, bepaalt: „De doorvoer van alle goederen langs den Rijn, van Bazel tot in open zee, is vrij, tenzij gezondheidsmaatregelen uitzonderingen noodzakelijk maken.--Voor dezen doorvoer, hetzij die regtstreeks plaats heeft of wel met overlading, of na opslag in entrepôt, worden door de Oeverstaten geen regten geheven.” Wat doorvoer is, laat dit tractaat in het midden; alleen in zoover geeft het terloops eene uitlegging daarvan, welke onder alle omstandigheden behoort te worden geëerbiedigd, dat een vervoer, hetwelk op zichzelf als doorvoer is te beschouwen, door overlading of tijdelijken opslag der goederen in entrepôt dat karakter niet verliest.

Waar nu vaststond, dat voor zoover de Britsche marine doorvoer naar Duitschland toeliet, het den Duitschen handelaren niet schaden kon, dat de doorvoerbestemming uit de scheepspapieren bleek, en 2º voor zoover de Britsche marine doorvoer naar Duitschland niet toeliet, goederen waarvan de eindbestemming uit de scheepspapieren niet bleek, toch zouden worden aangehouden, maakte men het m.i. Duitschland in geen enkel opzicht gemakkelijker door aan de gebruikelijke opvatting omtrent het begrip doorvoer voor den oorlogstijd vast te houden, maar veroorzaakte men wel aan de Nederlandsche scheepvaart meer last dan strikt noodig was, omdat men ook die schepen aan aanhouding blootstelde, welker lading bestond uit niet voor doorvoer bestemde en ten uitvoer verboden goederen. Toen de Ministerraad in meerderheid evenwel de voorkeur gaf aan een opvatting van het doorvoerbegrip, waarbij zelfs de schijn van het zich niet strikt houden van de Rijnvaartakte werd vermeden en elk geschil hieromtrent van tevoren werd afgesneden, legde de minderheid zich daarbij natuurlijk neer.

Indien hare opvatting was gevolgd, zouden voor doorvoer alleen zijn in aanmerking gekomen de goederen bedoeld onder _a._ van de kennisgeving van 21 Augustus 1914. Doorcognossementen als daar worden genoemd, zijn in den handel niet onbekend; zij komen o.a. voor bij goederen, welke uit een niet aan zee gelegen plaats van Noord-Amerika eerst per spoor en vervolgens per scheepsgelegenheid worden vervoerd; voor de vaart op den Rijn zijn zij niet gebruikelijk.

Ik erken volmondig, dat ik in het licht der later opgedane ervaring omtrent het allengs scherper voeren van den economischen strijd van de zijde der geallieerden tegenover Duitschland en omtrent het daarbij allengs minder ontzien van de rechten der neutralen, thans zelf er niet meer zoo zeker van ben, dat het volgen van de door mij voorgestane opvatting den last der aanhouding door Britsche of Fransche marineschepen voor de Nederlandsche koopvaardijvloot in beteekenende mate zou hebben verlicht. Het scheen mij echter niet van belang ontbloot, door eenigszins uitvoerig op deze zaak in te gaan, scherp te belichten, hoe, in tegenstelling met het ter zijde stellen van hun hinderlijke tractaatsbepalingen door alle oorlogvoerende partijen, Nederland zich zóó nauwgezet aan zijn verdragverplichtingen hield, dat het zelfs den schijn van inbreuk daarop niet wilde op zich laden, hoewel het door dien schijn te aanvaarden, aan de belangen der staten met wie het de Rijnvaartakte sloot, in geen enkel opzicht zou hebben geraakt, en in het wezen der zaak zijn verplichtingen ten volle zou zijn nagekomen en zijn eigen handelsmarine zou hebben gebaat.

Er was intusschen, toen gevaar dreigde van gebrek aan goederen, welke door de oorlogvoerenden en inzonderheid door de geallieerden als conditioneele contrabande werden beschouwd, voor onze Regeering nog meer te doen. Toen de eischen van de Britsche autoriteiten voor het bewijs dat van Engeland te betrekken goederen uitsluitend voor „home consumption” bestemd waren, al heel spoedig zóó streng werden, dat het aan particuliere handelaren niet wel mogelijk was daaraan te voldoen, nam ik, in overleg met mijn ambtgenoot van Buitenlandsche Zaken, als Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel in overweging, aan importeurs, wier betrouwbaarheid buiten twijfel stond, verlof te geven bepaalde goederen, waaraan hier gebrek bestond of dreigde te ontstaan en waarvan de uitvoer was verboden, aan order van de Regeering te adresseeren, hetgeen aan de onderzoekende marine-autoriteiten van oorlogvoerenden afdoenden waarborg geven zou, dat het aldus geadresseerde goed uitsluitend voor verbruik binnenslands bestemd was.

Dit ging intusschen niet zoo gemakkelijk. Er moest een overeenkomst worden ontworpen, die niet slechts bindend zou zijn voor den importeur, maar ook voor de latere koopers van de aan de Regeering geconsigneerde goederen. Voor de uitvoering van dezen maatregel werd aan de afdeeling Handel van het Departement de heer H. Bock, die ervaring had op het gebied der scheepsbevrachting, tijdelijk toegevoegd. De maatregel bleek weldra ook noodig voor waren, die niet uit Engeland maar van elders over zee voor gebruik hier te lande werden verscheept. Het eerst werd een overeenkomst van laatstbedoelden aard gesloten met de Holland-Amerika lijn. De Regeering had er groot belang bij, dat inzonderheid de booten van deze lijn niet zouden worden aangehouden, voor zoover zij graan aan boord hadden, dat voor Rijksrekening was gekocht.

Den 6den September 1914 werd een mededeeling in de Staatscourant geplaatst, „dat goederen waarvan de uitvoer hier te lande is verboden en die uit de Vereenigde Staten van Noord-Amerika naar Nederland zullen worden verzonden, aan de Nederlandsche Regeering kunnen worden geadresseerd, na daartoe van de Regeering verkregen toestemming. Ook ten opzichte van goederen die uit andere landen dan de Vereenigde Staten van Noord-Amerika naar Nederland zullen worden verzonden, kunnen in bijzondere gevallen soortgelijke maatregelen getroffen worden.

„Verzoeken tot het verkrijgen van zoodanige toestemming moeten, wanneer het vervoer per Holland-Amerika-Lijn zal geschieden, uitsluitend door tusschenkomst van de Holland-Amerika-Lijn te Rotterdam worden ingediend, enz.”.

Bij de uitvoering van dezen noodmaatregel had men groote en aangroeiende moeilijkheden te overwinnen. Men moest onderscheid maken tusschen bona fide handelaars, met wie men wèl zulk een overeenkomst wilde aangaan en andere, met wie men dit niet wenschte; een onderscheiding die voor een Regeering bij uitstek moeilijk is en waarbij men onvermijdelijk gevaar loopt den schijn van willekeur en bevoorrechting op zich te laden. Vooral in oorlogstijd, wanneer de Regeering meer nog dan anders gedragen moet worden door het algemeene vertrouwen, is dat ver van onbedenkelijk. Bovendien lag voor de hand, dat bij overtreding van contractueele verplichtingen ten aanzien van goederen, die aan de order van de Regeering waren geconsigneerd, daarin een bron van internationale moeilijkheden kon schuilen.

Het was daarom bijzonder gelukkig dat uit den handel zelf het plan opkwam en tot uitvoering werd gebracht, om de taak, welke, naar men voorzag, voor de Regeering te zwaar moest worden, van haar over te nemen. Dit denkbeeld is zeker wel het meest belangrijke product van de Commissie voor den Nederlandschen Handel, die zich in September 1914 had gevormd met het doel de Nederlandsche handelaars voor te lichten omtrent hetgeen in den oorlogstoestand wèl en hetgeen daarin niet geoorloofd was. Die Commissie, waarvan de heer C. J. K. van Aalst voorzitter was en die als leden telde de heeren A. G. Kröller, Jhr. L. P. D. Op ten Noort, Joost van Vollenhoven en Prof. Mr. C. van Vollenhoven, bracht bij monde van haar voorzitter zoowel den Minister van Buitenlandsche Zaken als mij op de hoogte van haar voornemen.

Mij viel een pak van het hart, toen ik in het begin van October van dit plan vernam. Er zou in samenwerking met vertegenwoordigers van den Nederlandschen handel en van de Nederlandsche scheepvaart die wegens hun _standing_ het volle vertrouwen van de oorlogvoerenden zouden hebben, een vereeniging worden opgericht, welke tegenover de belligerenten de garantie zou op zich nemen, dat goederen, die aan haar zouden worden geadresseerd, uitsluitend binnenslands zouden worden verbruikt. Gelijk wel van zelf spreekt, kon dit denkbeeld alleen levensvatbaarheid hebben, indien van te voren vaststond, dat het bij de betrokken oorlogvoerenden een gewillig oor zou vinden. Aangezien vooral voor den toevoer van over zee van goederen voor binnenlandsch verbruik gevaren dreigden, was het in de eerste plaats van belang, dat de grondleggers van het plan tot overeenstemming zouden komen met de geallieerden en wel vooral met de Britsche autoriteiten over de waarborgen, welke deze verlangden, opdat goederen, die aan order van de op te richten vereeniging zouden worden geconsigneerd, vrij zouden worden doorgelaten. Reeds het voeren van zulke onderhandelingen kon beter geschieden door hoogstaande particuliere personen dan door de Regeering, die daarbij lichter in conflict zou zijn gekomen met hare neutraliteitsverplichtingen. Nadat, na veel onderhandelen, overeenstemming was verkregen, kon den 24sten November de akte van oprichting der Nederlandsche Overzee Trust Maatschappij worden verleden. Zoo kwam de spoedig algemeen bekend geworden N. O. T. tot stand, waarvan de heer C. J. K. van Aalst _par droit de conquête_ tot voorzitter werd benoemd. De dagelijksche leiding kwam in handen van een Uitvoerende Commissie, die geregeld tweemaal per week onder leiding van den president bijeenkwam; den heer Joost van Vollenhoven werd de zorg voor de geregelde dagelijksche uitvoering van de besluiten der Commissie opgedragen. De heer Bock ging naar de N. O. T. over, inzonderheid voor de liquidatie der contracten waarbij toestemming was gegeven goederen aan order van de Regeering te consigneeren.

Het doel der maatschappij werd aldus omschreven: „het verleenen van hare tusschenkomst in den ruimsten zin des woords ten behoeve van Nederlandsche kooplieden of Nederlandsche vennootschappen van koophandel ter verzekering van den ongestoorden aanvoer van overzee van artikelen, welke door oorlogvoerende mogendheden tot absolute dan wel conditioneele contrabande zijn verklaard of daartoe alsnog verklaard zouden kunnen worden.” Later werd die omschrijving verruimd. Zij luidde toen: „het verleenen van hare tusschenkomst in den ruimsten zin des woords ten behoeve van Nederlandsche kooplieden of vennootschappen van koophandel ten einde, ondanks den bestaanden oorlogstoestand, den ongestoorden aanvoer en uitvoer van goederen zooveel mogelijk te verzekeren.” Deze verruiming was drieledig. In de eerste plaats werd niet meer gesproken van aanvoer van overzee, maar van aanvoer in het algemeen. Daaruit volgde dat de N. O. T. niet langer haar tusschenkomst alleen zou verleenen ter bevordering van den aanvoer van producten van Britschen of Franschen oorsprong en van waren die, hoewel afkomstig uit neutrale landen, aan het onderzoek van de marine-autoriteiten der geallieerden waren onderworpen, maar ook ter bevordering van den aanvoer van Duitsche en Oostenrijksche goederen. Deze aanvulling van het doel der maatschappij was een verbetering zoowel uit het oogpunt der wenschelijkheid, dat een lichaam van zoo overwegende beteekenis voor den handel, als de N. O. T. in den oorlogstijd was, een zoo neutraal mogelijk karakter hebben zou en uitsluitend Nederlandsche handelsbelangen zou voorstaan, alsook om de practische overweging, dat tusschenkomst van een daarop ingericht lichaam ook noodig kon zijn om van Duitsche autoriteiten te verkrijgen, dat zij grond- of hulpstoffen, waaraan in Nederland de nijverheid of de landbouw behoefte hadden, ten uitvoer naar hier zouden vrijlaten onder waarborg, dat die stoffen niet naar een aan Duitschland vijandig land zouden worden uitgevoerd. Men denke slechts aan de kleurstoffen ten behoeve van de textielnijverheid. Men mag het aan de N. O. T. niet verwijten dat dit deel der verruiming harer statuten weinig effect heeft gesorteerd. Duitschland gaf er de voorkeur aan, het binnenslands blijven der van daar ingevoerde goederen door eigen agenten te doen controleeren.

In verband hiermede werd, nadat de Commissie voor de voeding van mensch en dier was tot stand gekomen, welke in hoofdstuk II werd besproken[25], nauwe samenwerking tusschen haar en de N. O. T. verzekerd, doordien de N. O. T. een Commissie voor het handelsverkeer met het buitenland benoemde, welke met de Commissie voor de voeding van mensch en dier geregeld voeling zou houden. Van die commissie uit de N. O. T. werd de heer A. G. Kröller als president aangewezen; als leden werden daarin opgenomen de heeren E. Heldring en W. Westerman, en voorts de heeren Joost van Vollenhoven als dagelijksch uitvoerder der zaken van de N. O. T. en Mr. J. T. Linthorst Homan als voorzitter van de Commissie voor de voeding van mensch en dier. „Op deze wijze”--zoo zegt de Zesde Nota betreffende den Economischen Toestand--”wordt er, op de meest doeltreffende wijze gezorgd voor de behartiging van de belangen van de nijverheid en den handel.”

[25] Zie bl. 60-63.

In de tweede plaats kon de N. O. T., na de verruiming der omschrijving van haar doel, haar tusschenkomst ook verleenen ter vergemakkelijking van den uitvoer van Nederlandsche producten. Voor den uitvoer naar Duitschland, dat aan Nederlandsche producten, inzonderheid aan onze voortbrengselen van landbouw en veeteelt groote behoefte heeft, was zulk een tusschenkomst weinig noodig. Maar toen de geallieerden den economischen oorlog ook in dien zin toespitsten, dat zij den invoer binnen hun gebied van waren, die verdacht konden worden van Duitschen oorsprong te zijn, met alle middelen tegengingen en in verband daarmede voor de producten van neutrale landen het gedekt zijn door een vertrouwbaar certificaat van oorsprong verlangden, lag ook hier voor de N. O. T. een veld van werkzaamheid open. Bij deze aangelegenheid moest zij in voortdurende verbinding staan met het Ministerie van Financiën, dat in het begin van 1915 een uitgewerkte regeling omtrent de afgifte van certificaten van oorsprong trof en openbaar maakte.

In de derde plaats behoefde de N. O. T. zich, na de verruiming van haar statutair doel, in haar werkzaamheid niet te beperken tot goederen, die door een der oorlogvoerenden tot absolute of tot conditioneele contrabande waren verklaard. Bij de gestadige uitbreiding welke--zooals wij in de vorige paragraaf zagen--het begrip conditioneele contrabande kreeg, werd het onderscheid tusschen vrij goed en contrabande allengs moeilijker. Bovendien moest rekening gehouden worden met het verbod aan Britsche onderdanen om handel te drijven met den vijand. Dien ten gevolge waren voor invoer van Britsche goederen, ook al stonden zij niet op de steeds aangroeiende contrabande-lijsten, waarborgen noodig dat zij hier zouden blijven. De tusschenkomst van de N. O. T. kon reeds uit dezen hoofde niet tot de contrabande-goederen beperkt blijven, en bij het voortdurend scherper worden der economische oorlogsmaatregelen, die steeds grootere belemmeringen voor den neutralen handel met zich brachten, was zij wel genoodzaakt consignatie van alle soorten van goederen aan haar adres te aanvaarden.

Zoowel omtrent den werkkring als omtrent de beteekenis die de N. O. T. voor den handel in den oorlogstijd gehad heeft en nog heeft, zijn vaak de grofste misvattingen aan den dag gekomen. Zij heeft zich niet opgeworpen als makelaar voor den internationalen handel; ook expediteursdiensten bood zij niet aan en heeft zij niet verricht. Zij is niet meer en heeft niet meer willen zijn, dan een bij de belligerenten vertrouwen verdienend en vertrouwen inboezemend adres, waarheen van buitenaf goederen konden worden toegezonden, waaromtrent zekerheid werd verlangd, dat zij niet naar elders zouden worden uitgevoerd, maar binnenslands zouden worden verbruikt. Zulk een algemeen consignatiekantoor voor den internationalen handel zou in vredestijd een onding en een sta-in-den-weg zijn; in oorlogstijd was het, zoo men wil, ook een kwaad, maar dan een noodzakelijk kwaad dat, als kind der omstandigheden geboren wegens zijn onmisbaarheid met den dag groeide en spoedig een veel grooteren omvang kreeg dan zelfs de oprichters hadden verwacht. Begonnen met een bureau van een paar kamers en met een klein personeel, breidde zij zich spoedig zoodanig uit, dat het ééne huis na het andere, vooral in de Parkstraat en omgeving in Den Haag gehuurd moest worden en dat het personeel tot omstreeks 1000 aangroeide. De N. O. T. heeft aan Nederlands handel en nijverheid onschatbare diensten bewezen, die over het algemeen niet op haar juiste waarde zijn gesteld. Niettegenstaande de statuten der maatschappij zoowel het drijven van zaken voor eigen rekening als elk winstbejag uitdrukkelijk uitsluiten en het overschot der inkomsten, nadat het gestorte vennootschappelijk kapitaal, dat slechts een betrekkelijk zeer klein bedrag uitmaakt, 4 pct rente zal hebben genoten, bestemd is voor het Kon. Nat. Steuncomité (zooals in hoofdstuk III § 1 werd medegedeeld, droeg de N. O. T. aan het Kon. Nat. Steuncomité in totaal reeds ƒ 600.000 af), kan men telkens hooren, dat zij schatten verdiende en een goudmijn was voor hare aandeelhouders. Deze averechtsche voorstelling is te verklaren uit de groote achterdocht, die het publiek helaas maar al te zeer geneigd is aan den dag te leggen ten aanzien van dingen, welke het niet goed begrijpt, vooral als daarbij invloedrijke personen op financieel en handelsgebied betrokken zijn. Zij was bovendien zoozeer in strijd met den feitelijken toestand, dat zij slechts wortel kon schieten bij hen, die in het geheel niet op de hoogte waren van hetgeen zij beoordeelden en, indien hun voorstelling met de feiten had gestrookt, terecht zouden hebben veroordeeld.

Daarnevens kwamen de klachten van hen die niet geholpen konden of mochten worden en die dadelijk gereed waren dit aan achteruitzetting en verwaarloozing hunner belangen toe te schrijven, en de N. O. T. van willekeur en bevoorrechting beschuldigden. Zonder twijfel heeft ook zij fouten gemaakt en zullen door haar ook wel onwillekeurig niet steeds alle aanvragers met gelijke maat zijn gemeten; dat is bij zulk een noodinstelling, welke plotseling geplaatst wordt voor een reuzentaak en die in enkele maanden haar personeel van een paar man tot bijna duizend ziet aangroeien, niet geheel te vermijden. Maar zeker geeft dat allerminst recht tot beschuldigingen, als waarop ik het oog heb, welke maar al te vaak zijn verspreid en een maar al te gewillig oor vonden.

Voorts was ook de N. O. T. niet almachtig; wel verre van dien. Ook zij was afhankelijk van hetgeen oorlogvoerenden, in het bijzonder Engeland, op het stuk van waarborgen voor „home consumption” verlangden. Telkens moest zij op nieuw onderhandelingen voeren, om nu eens het eene, dan weer het andere goed voor invoer hier te lande vrij te krijgen. Niet altijd ging dat even voorspoedig, en de schuld van het oponthoud werd dan, in den regel zeer onbillijk, op haar rug geschoven.

Eindelijk werd zij herhaaldelijk verdacht van niet neutraal te zijn in haar bedoelingen en in haar handelingen, en pro-engelsche neigingen te hebben. Verklaarbaar is het wel, dat deze indruk werd gevestigd, maar gerechtvaardigd niet. Daar onze handel veel meer goederen ontvangt van overzee dan uit Duitschland, waren de onderhandelingen van de N. O. T. met de geallieerden, en inzonderheid met de Britsche regeering, ook veelvuldiger dan die met de Duitsche autoriteiten en waren er meer gelegenheden waarbij zij genoodzaakt was zich te richten naar Britsche eischen omtrent het vrijlaten van invoer naar Nederland, dan waarbij dit moest geschieden ter zake van Duitsche voorwaarden. Nog meer was dit het geval toen de Duitsche regeering van haar tusschenkomst niet langer gebruik maakte en de zorg voor het in Nederland blijven der uit Duitschland ingevoerde waren aan eigen agenten opdroeg. Dit een en ander kon licht een schijn geven, die het wezen der zaak niet dekte. Waar die schijn toch reeds door de omstandigheden zelf werd gewekt, was het dubbel jammer dat, toen bij gelegenheid van een der reizen naar Londen van het bestuurslid der N. O. T., dat met de dagelijksche leiding der zaken was belast, enkele Engelsche bewindslieden hem een beleefdheid bewezen, daaraan ruchtbaarheid werd gegeven op een wijze, welke het karakter dier beleefdheid in een verkeerd licht stelde, haar beteekenis deed overschatten en den valschen schijn, waarvan de N. O. T. reeds te lijden had, nog versterkte.

Doch welke tekortkomingen ook op rekening van de N. O. T. mogen geschreven worden, onze handel en nijverheid en daarmede het heele Nederlandsche volk hebben reden tot groote erkentelijkheid aan hen, die tot de oprichting van deze maatschappij het initiatief namen en niet minder aan allen die zich met de moeilijke en weinig dankbare taak belastten, haar naar hun beste weten en met hun beste krachten aan haar doel te doen beantwoorden. _Met_ de N. O. T. en ondanks haar tusschenkomst, was de internationale handel, inzonderheid de invoerhandel over het algemeen moeilijk, _zonder_ de N. O. T. zou hij zoo goed als onmogelijk zijn geweest. Onder de instellingen die, onder den drang van den oorlogsnood geboren, voor hetgeen zij hebben bijgedragen tot het aan den gang houden van het economisch leven in den oorlogstoestand, recht hebben op erkentelijkheid van de Nederlandsche bevolking zoowel als van de Nederlandsche Regeering, neemt de N. O. T. een eerste plaats in.