Oorlogstijd Herinneringen en Indrukken

Part 32

Chapter 323,504 wordsPublic domain

Al is de oorlog, na de eerste maanden van vrees en van aarzeling om uit te varen, voor de zeevisscherij niet ongunstig en later over het algemeen zelfs schitterend geweest, dit neemt niet weg, dat onze visschersvloot en haar bemanning ook hun tol aan het oorlogsmonster hebben moeten betalen. Al staan de visschersschepen wegens hun minderen diepgang aan het mijnengevaar minder bloot dan de veel dieper liggende handelsvaartuigen, toch zijn ook verschillende daarvan, bij het ophalen van netten waarin contactmijnen verward waren, aan dit verraderlijk wapen in den zeeoorlog ten offer gevallen. Dit is vooral geschied nabij de Doggersbank. De Duitsche marine had wel in Februari 1915 in het algemeen verklaard, dat de wateren om Engeland, Schotland en Ierland tot het oorlogsgebied behoorden en op het mijnengevaar gewezen, maar zij had niet voldaan aan den volkenrechtelijken plicht de streek, waar zij mijnen gelegd had, behoorlijk aan te duiden. De visschers konden er dan ook niet op verdacht zijn, bij de Doggersbank op een niet bekend gemaakt Duitsch mijnenveld te kunnen stooten. Dit heeft, zooals de „Note Verbale” die onze gezant te Berlijn in opdracht van de Nederlandsche aan de Duitsche Regeering overhandigde, het uitdrukt, naar alle waarschijnlijkheid den dood veroorzaakt van verscheidene Nederlandsche visschers, die in de open zee hun vreedzaam bedrijf uitoefenden. Het ernstig protest van Nederlandsche zijde tegen de roekelooze handelwijze der Duitsche marine, kon niet alleen het kwaad niet meer verhelpen; de Duitsche Regeering hield zelfs haar goed recht vol, om op die wijze de zee onveilig te maken. Zij beriep zich daarvoor op de oorlogsnoodzakelijkheid en zij achtte het bovendien veel waarschijnlijker, dat de visschers verongelukt waren door losgeraakte Engelsche mijnen.

Indien onzijdige Staten alleen protesteerden tegen schending van het internationaal recht, als zij konden rekenen op erkenning van onrecht van de zijde van den belligerent die dit pleegde, konden zij zich de moeite daarvan wel sparen. Andere en hoogere motieven dwingen hen echter, zulke protesten bij elke voorkomende gelegenheid te herhalen, hoe gering ook het rechtstreeksche resultaat moge zijn, dat zij ervan verwachten kunnen. Naast het mijnengevaar waren er andere, die de visscherij met de handelsschepen broederlijk moest deelen, zoo zij daaraan wegens de verdenking van oorlogsdaden te verrichten, inzonderheid van mijnen te leggen, niet nog meer bloot stonden. Dit geldt voornamelijk voor dat van door onderzeeërs te worden getorpedeerd of door luchtvaarders te worden gebombardeerd. Daaraan stond onze scheepvaart zonder onderscheid van het economisch karakter daarvan bloot. Ik bespreek die daarom zoo aanstonds bij de behandeling der scheepvaart.

Hoewel dit feit zich heeft voorgedaan eenige maanden nadat ik tot het ambtelooze leven was teruggekeerd, moet ik volledigheidshalve nog melding maken van het ongehoorde opbrengen onzer geheele visschersvloot door de Britsche marine in Juli 1916. Tegen deze ernstige schending van het recht der neutralen op de open zee, werd uit de kringen der belanghebbenden heftig geprotesteerd. Begrijpelijkerwijze waren zij over de hun aangedane rechtsschennis verontwaardigd. De Regeering heeft zeker niet nagelaten het protest der reeders krachtig te ondersteunen. Hetgeen de Britsche autoriteiten met die aanhouding beoogden, is duidelijk genoeg. Men wilde tegengaan dat de visch, welke door Nederlandsche visschers wordt gevangen, zijn weg zal vinden naar Duitschland. Het oorlogsmotief dat Engeland tot het opbrengen en vasthouden van de Nederlandsche visschersvloot deed besluiten, is een rechtstreeksche consequentie van de politiek der economische isoleering van Duitschland. Hoe scherper het in den strijd gaat--en bij den langen duur van den oorlog moet het daarin steeds scherper gaan--des te gemakkelijker stappen de oorlogvoerenden heen over de rechten der neutralen, wanneer die hinderlijk zijn voor hun eigen oorlogspolitiek.

Het vasthouden van de visschersvloot van Britsche zijde lag in dezelfde lijn als het belemmeren der scheepvaart, voor zoover niet vaststaat, dat de goederen, welke de schepen aan boord hebben, uitsluitend voor verbruik binnen Nederland bestemd zijn. Maar het ging in die lijn veel verder. Hier werd een vreedzaam bedrijf, dat door de Nederlandsche visschers sedert eeuwen wordt beoefend en waarmede het grootste deel der bevolking onzer kustplaatsen zijn brood verdient, eenvoudig onmogelijk gemaakt. En dit zonder schijn of schaduw van recht, bloot op overweging van eigen belang als oorlogvoerende, gesteund door machtsbesef. Gelukkig is ten slotte een regeling tusschen de Britsche autoriteiten en de belanghebbenden getroffen, waardoor het visschersbedrijf in de Noordzee weer kan worden uitgeoefend en Engeland zich op minder stuitende wijze dan door het vasthouden der visschersvloot verzekerd heeft, dat de Nederlandsche visscherij aan zijn economische oorlogspolitiek geen afbreuk zal doen. Had men dien weg terstond ingeslagen, dan zou men zich het plegen van nieuw onrecht hebben bespaard en het opwekken van nieuwe verbittering, welke door internationale rechtsschennis gelukkig nog altijd wordt te voorschijn geroepen, tevens hebben voorkomen.

* * * * *

Men wachte zich er intusschen voor in de tegenovergestelde fout te vervallen, als waaraan de belligerenten zich telkens schuldig maken en alles onrechtmatig te achten, wat voor de neutrale scheepvaart of de neutrale visscherij hinderlijk is.

Het leggen van verankerde mijnen op bepaalde plaatsen in de open zee, mits den neutralen van de ligging dier mijnenvelden wordt kennis gegeven, was voor de scheepvaart wel lastig, maar volkenrechtelijk geoorloofd. Daarentegen dreven en drijven er heel wat onbeheerde mijnen van beide oorlogvoerende partijen op de Noordzee rond, welke in strijd met de verdragen, hun springkracht hebben behouden en voor de scheepvaart hoogst gevaarlijk zijn. Het laten ronddrijven van zulke mijnen in de Noordzee kan niet worden gerechtvaardigd door de verklaring van Engeland, van November 1914, dat de geheele Noordzee als oorlogsgebied is te beschouwen en dat de onzijdige scheepvaart in dat gebied aan ernstige gevaren zou blootstaan, noch door de overeenkomstige verklaring van Duitschland, van Februari 1915, waarbij de wateren om Engeland, Schotland en Ierland, met inbegrip van het Kanaal, tot oorlogsgebied werden gestempeld. Zulke bekendmakingen konden de mogendheden, die haar deden, niet ontheffen van de verplichting om bij het plegen van oorlogsdaden, zich ervan te vergewissen, dat zij niet tegen onzijdigen zouden werken. Daarom hadden zij zich moeten onthouden van het leggen van mijnen, die voor de neutrale scheepvaart even gevaarlijk waren als voor den vijand. Dit standpunt werd herhaaldelijk uiteengezet in de nota’s die van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken uitgingen.

Nog minder hadden neutrale schepen mogen blootstaan aan het gevaar van uit de lucht te worden gebombardeerd; toch zijn zulke ernstige neutraliteitsschendingen van de zijde van Duitsche vliegeniers enkele malen voorgekomen. Hoewel de protesten, welke daarover tot de Duitsche regeering werden gericht, slechts gedeeltelijk bevredigend werden beantwoord, werd toch het onrechtmatige van dergelijk bommenwerpen erkend. Meer dan verontschuldigingen waren in deze gevallen niet noodig, daar de geworpen bommen in geen enkel geval doel troffen, menschenlevens, als gevolg van zulke aanvallen, gelukkig niet waren te betreuren en er geen materieele schade door werd aangericht. Het uitblijven ook van verontschuldigingen, ondanks de erkenning van de onrechtmatigheid der geïncrimineerde handelingen, was het gevolg van verschil omtrent de voorstelling der feiten door de Duitsche vliegeniers, die deze hadden bedreven en de Nederlandsche zeevaarders, die aan het gevaar hadden bloot gestaan. Inzonderheid liep het geschil dan telkens over de vraag of de schepen wel duidelijk de Nederlandsche vlag hadden gevoerd en als neutrale schepen waren te herkennen geweest.

Het voeren van duidelijk waarneembare herkenningsteekenen van hun neutrale karakter was voor de schepen van onzijdigen nog meer noodig in verband met het duikbooten- dan met het vliegeniersgevaar. De duikboot is in dezen oorlog niet alleen voor de handelsvloot van den vijand maar ook voor die der neutralen veel gevaarlijker gebleken dan het vliegtuig of het luchtschip. Vooral toen Duitschland in Februari 1915 een groote verscherping van den duikbootenoorlog aankondigde en aan de neutrale regeeringen verklaarde dat schepen, welke het Kanaal en het gedeelte van de Noordzee bevoeren, dat als oorlogsgebied was aangewezen, dit zouden doen op hun eigen verantwoordelijkheid, werd daartegen van regeeringswege krachtig geprotesteerd en gewezen op de verplichting, zoowel van luchtvaarders als van duikbootcommandanten zich eerst te vergewissen van de neutraliteit van een vaartuig, alvorens zij daartegen eenige vijandelijkheid mochten ondernemen. Doch ook de belanghebbende reederijen zelven namen zoo goed mogelijk maatregelen tegen zulke aanrandingen van het onzijdig karakter harer schepen. Daartoe werden de gebruikelijke herkenningsteekenen, het voeren van de Nederlandsche vlag en het aan boord hebben van Nederlandsche scheepspapieren, aangevuld met het aanbrengen van op grooten afstand waarneembare kenteekenen. Als zoodanig kwam het verwen van de meest zichtbare gedeelten van het schip met de nationale kleuren het eerst in aanmerking; het werd dan ook vrij algemeen toegepast. Tot het nemen van dien maatregel was des te meer aanleiding, omdat gerekend moest worden niet alleen met het misbruik dat door handelsschepen van oorlogvoerenden, bij vervolging door een vijandelijk oorlogsschip, van een neutrale vlag kan worden gemaakt en stellig ook wel gemaakt werd, maar ook met de zeer bedenkelijke omstandigheid, dat de Britsche admiraliteit, ondanks het protest o.a. van onze Regeering het voeren van de vlag van een onzijdige natie door een Engelsch schip, bij vervolging door een vijandelijk oorlogsschip als een geoorloofde krijgslist aanmerkte en aanprees.

Ondanks die voorzorgsmaatregelen werden eenige Nederlandsche schepen het slachtoffer van den duikbootoorlog. Ik zal geen opsomming doen van al die oorlogsrampen ter zee; alleen enkele der meest treffende wil ik vermelden. Het stoomschip „Katwijk” verging op 14 April 1915. Hoewel terstond bij de bemanning, die gelukkig gered werd, het vermoeden rees dat het schip door een Duitsche onderzeeboot was getorpedeerd, was dit niet aanstonds te bewijzen. De Duitsche Marine stelde evenwel uit eigen beweging een onderzoek in, en toen daaruit bleek, dat het ongeval inderdaad aan een onderzeeër dier marine was te wijten, aarzelde de Duitsche regeering niet hare verontschuldigingen aan te bieden en de reederij volledig schadeloos te stellen. Niet altijd echter liep het voor de reederijen bij ongelukken als gevolg van den zeeoorlog even gelukkig af. Het stoomschip „Koningin Emma” van de Stoomvaartmaatschappij „Nederland” dat den 22en September 1915 op een mijn liep, ging voor die reederij zonder vergoeding geheel verloren, daar niet was uit te maken, welke natie hier voor het ongeval aansprakelijk was. Bij de „Palembang” van de Rotterdamsche Lloyd, die op 18 Maart 1916 te gronde ging, was het vrijwel evenzoo gesteld, hoewel in dit geval in het onzekere bleef, of het schip op een mijn stootte dan wel getorpedeerd was.

Het ongeval van de „Tubantia” van de Koninklijke Hollandsche Lloyd, die op 16 Maart 1916 werd getorpedeerd, ligt bij ieder nog versch in het geheugen. Meer nog dan de andere oorlogsrampen, die onze handelsvloot troffen, heeft het hier te lande onrust en ontstemming gewekt, vooral ook, omdat het een analoog geval betrof als bij de „Katwijk”, doch de Duitsche regeering ditmaal een zeer onbevredigende houding ten aanzien van de erkenning harer aansprakelijkheid aannam. Nadat zij aanvankelijk zelfs de mogelijkheid had ontkend, dat dit ongeval aan een onderzeeër of torpedoboot van haar marine kon zijn te wijten, werden de bewijzen, dat het schip door een Duitsche torpedo was getroffen, nadat stukken van zulk een wapen in een boot waren gevonden, zóó overtuigend, dat ook de Duitsche marine dit niet langer tegensprak. Men blijft nu echter nog volhouden, dat die torpedo op den datum van het ongeval niet door een Duitschen onderzeeër of een Duitsche torpedoboot kan zijn afgevuurd. Hoe de torpedo dan echter de „Tubantia” heeft kunnen treffen, is en blijft een onoplosbaar raadsel. Volgens de uitkomsten van het onderzoek, door de Duitsche marine ingesteld, zou de torpedo, die de „Tubantia” trof, reeds op 6 Maart zijn afgevuurd. Het sprookje dat door enkele Duitsche bladen werd opgeworpen, als zou zij toen haar doel gemist hebben, door een Britsch oorlogsvaartuig drijvende gevonden en listig op het mooie Nederlandsche schip afgeschoten zijn, om zoodoende de Duitsche marine in een kwaden schijn te brengen,--dat kinderachtige maar alles behalve kinderlijk onschuldige sprookje wordt door de Duitsche overheid begrijpelijkerwijze niet eens als een mogelijke oplossing aangegeven. Zooals ik van deskundige zijde vernam, is wat daarin verondersteld wordt, trouwens technisch onmogelijk. De oplossing die de Duitsche regeering aan de hand doet, heeft op die van de bedoelde Duitsche bladen voor, dat zij niet iets duivelachtig boosaardigs van den vijand veronderstelt, maar in onaannemelijkheid staat zij daarmede vrijwel gelijk. Volgens de veronderstelling van de Duitsche marine zou de torpedo zijn drijvende gebleven en door een gebrek in de machinerie zijn explosiekracht hebben behouden. In dien toestand zou hij met den kop schuin naar beneden bij toeval tegen de „Tubantia” hebben gestooten en het schip hebben doen zinken.

Men mag aan den ernst van het onderzoek, dat door de Duitsche marine werd ingesteld, niet twijfelen. Maar daarmede is de zaak niet uit. Haar oplossing is, hoewel stellig te goeder trouw ten beste gegeven, reeds op zichzelf zóó totaal onaannemelijk, dat men geneigd is, er, met een variant op een rijmpje dat mij juist te binnen schiet, van te zeggen:

Wie aan zoo’n torpedo gelooft, Is van zijn verstand beroofd.

Maar bovendien ontzinkt aan de veronderstelling van de Duitsche marine elke grond, nu vaststaat dat een der schepelingen reeds vóór dat het schip getroffen werd, den nabij hem staanden scheepsofficier wees op een naderende bellenbaan. Ook de later afgegeven getuigenissen van andere schepelingen luiden dat zij die hebben gezien. Stonden deze op zich zelf, dan zouden zij die haar aflegden zich nog hebben kunnen vergissen en zich te goeder trouw achteraf kunnen hebben ingebeeld, dat zij gezien hadden, wat slechts een produkt was van hun phantaisie onder den indruk van de schrik, welke de ontploffing teweegbracht. Heel aannemelijk is zulk een verklaring dier getuigenissen wel niet, maar zij is althans, zonder de goede trouw in twijfel te trekken, psychisch mogelijk. Dat echter een schepeling, vóór er nog iets gebeurd was, anderen kon wijzen op het naderen van een bellenbaan is als effect van een waanvoorstelling onder den invloed van een heftige emotie bij geen mogelijkheid te verklaren. Het zien aankomen van een onheil kan niet gevolg zijn van den psychischen schok van het onheil zelf; zulk een schok gaat niet als een voorrijder aan het onheil vooraf.

Vast staat dat de „Tubantia” op 16 Maart 1916 verging door de ontploffing van een torpedo; vast staat dat die torpedo afkomstig was van de Duitsche marine; vast staat ook dat die torpedo niet dreef maar werd afgeschoten. Tegenover die vaststaande feiten staat het resultaat van het Duitsche onderzoek, dat de torpedo, welke de Tubantia trof, niet op 16 Maart kan zijn afgevuurd, omdat hij op 6 Maart reeds afgeschoten was. Hier moet dus ergens een fout schuilen. De Duitsche regeering houdt echter beslist aan haar standpunt vast en blijft alle verantwoordelijkheid ontkennen. Dat standpunt is zelfs, indien de Duitsche veronderstelling kon worden aanvaard, niet vol te houden. Art. 1 toch van het verdrag van 1907 nopens het stellen van onderzeesche zelfwerkende contact-mijnen, dat ook door Duitschland werd onderteekend, verbiedt o.m. „torpedo’s te gebruiken, die niet ongevaarlijk worden, wanneer ze hun doel hebben gemist”. In het licht der uitdrukkelijk geconstateerde feiten is het Duitsche standpunt geheel onhoudbaar. Waar de Nederlandsche Regeering het niet kan noch mag aanvaarden, zal er niets anders op zitten, dan dat de zaak worde onderworpen aan de uitspraak van een onpartijdigen internationalen scheidsrechter. Mocht Duitschland daartoe thans, gedurende den oorlog, niet bereid zijn, dan zal deze zaak in herinnering moeten blijven tot er weer vrede in Europa zijn zal. De gemoedsstemming bij de thans oorlogvoerenden zal dan wel zooveel normaler zijn geworden, dat algemeen de onredelijkheid van het afwijzen van zulk een verlangen zal worden erkend, ook door de mogendheid, welke bij het toegeven daaraan de groote kans loopt, een verantwoordelijkheid te moeten aanvaarden, welke zij uit vrijen wil niet wenscht te erkennen.[22]

[22] Voordat het bovenstaande werd afgedrukt, las ik nog juist het bericht in de bladen, dat de Duitsche regeering zich bereid verklaard heeft, het geschil na den oorlog aan een internationale commissie van onderzoek te onderwerpen.

Behalve de met name genoemde grootere schepen waren ook kleinere handels- en visschersvaartuigen slachtoffer van den zeeoorlog. Gelukkig is bij die ongevallen het verlies aan menschenlevens in verhouding tot het gevaar waaraan deze bloot stonden, gering gebleven. Het vergaan van de „Medea”, dat op het eerste oogenblik groote ontsteltenis wekte zoowel bij de Regeering als bij de bevolking, is van geheel anderen aard dan de ongevallen, die tot nog toe door mij werden besproken. Bij het doen zinken van dat Nederlandsche schip was geen sprake van vergissing in de nationaliteit van een schip dat getorpedeerd werd, noch van het loopen op een mijn van onbekenden oorsprong, maar betrof het een opzettelijke oorlogsdaad van een Duitschen duikbootcommandant, die van de zijde van de daarvoor verantwoordelijke regeering werd verontschuldigd, verdedigd en zelfs gerechtvaardigd met een beroep op het zeeoorlogsrecht. Ter beoordeeling van dit geval is het noodig met een enkel woord na te gaan, hoe het met het zeeoorlogsrecht te dezen aanzien staat en wat er in dezen oorlog van is terecht gekomen. Ik moet het onderdeel van dit recht waarop in dit geval een beroep werd gedaan, dus wel hier bespreken, hoewel het anders in de volgende paragraaf meer zou thuis hooren.

De regelen van het moderne zeeoorlogsrecht zijn neergelegd in het verdrag tusschen een groot aantal staten, behoudens goedkeuring der bevoegde machten in die staten, op 26 Februari 1909 te Londen gesloten, en in het volkenrecht bekend als de Londensche Zeerecht Declaratie. Tot hen, die deze declaratie onderteekenden, behooren--met uitzondering van Turkije en Bulgarije--alle thans oorlogvoerende mogendheden en ook Nederland. Door Engeland werd de declaratie wegens tegenstand in het Hoogerhuis evenwel niet bekrachtigd, zoodat zij het Britsche rijk niet bindt. Op 20 Augustus 1914 vaardigde de Britsche regeering echter een „Order in Council” (voor onze begrippen te vergelijken met een Koninklijk besluit) uit, inhoudende dat de Londensche Zeerecht Declaratie, behoudens eenige wijzigingen en toevoegingen gedurende dezen oorlog werd toepasselijk verklaard. Die wijzigingen en toevoegingen waren van dien aard, dat de waarborgen, welke de Declaratie, ingeval van een oorlog ter zee aan de onzijdige scheepvaart biedt, sterk werden verminderd. Zij betroffen het verschil tusschen absolute en conditioneele contrabande, alsmede de wijze waarop conditioneele contrabande bij aanhouding van een neutraal handelsvaartuig door een oorlogsschip van een der krijgvoerende partijen is te behandelen. De Londensche Declaratie verstaat onder absolute contrabande verschillende met name genoemde goederen, die uitsluitend voor oorlogsdoeleinden zijn bestemd. Onder conditioneele contrabande vallen, volgens die volkenrechtelijke regeling, een aantal eveneens met name genoemde zaken, welke zoowel voor oorlogsgebruik als voor vredelievende doeleinden kunnen dienen.

Voorts bevat zij verschillende artikelen, waaronder vooral grondstoffen en hulpmiddelen voor landbouw en nijverheid van belang zijn, die niet tot contrabande kunnen worden verklaard. Bij de „Order in Council” van 20 Augustus 1914 nu werd in de eerste plaats de lijst der artikelen, welke als conditioneele contrabande worden beschouwd, ver uitgebreid buiten de bepaling daaromtrent in de Londensche Declaratie; een uitbreiding, die bij een nieuwen „Order in Council” van 29 October 1914 nog grootere afmetingen aannam en ten slotte daarop neerkwam, dat met enkele uitzonderingen alles wat voor Duitschland was bestemd of, eenmaal in een neutraal land zijnde, daarheen zou kunnen worden uitgevoerd, als contrabande werd aangemerkt.

Tevens werd het onderscheid dat in de Declaratie tusschen absolute en conditioneele contrabande wordt gemaakt, vrijwel opgeheven. Volgens die volkenrechtelijke regeling mag absolute contrabande door een oorlogsschip van een krijgsvoerende natie worden genomen, als het rechtstreeks of na overlading bestemd is voor een vijandelijk land of voor een gebied dat door den vijand is bezet. Als bewijs van die bestemming is het voldoende, dat de goederen volgens de scheepspapieren bestemd zijn voor een haven van den vijand of dat het schip, waarin zij zijn geladen, een vijandelijke haven aandoet, vóór het de onzijdige haven bereikt, waarheen de goederen zijn geadresseerd. Tot het nemen van conditioneele contrabande geeft de Declaratie alleen recht, indien vaststaat dat de goederen bestemd zijn voor gebruik door vijandelijke strijdkrachten of voor administraties van den vijandelijken staat. Dit wordt aangenomen, wanneer de goederen zijn geadresseerd aan een vijandelijke autoriteit of aan een handelaar in het vijandelijk land, van wien bekend is dat hij den vijand goederen van dien aard levert. Echter mag conditioneele contrabande, zelfs als die bestemming is aan te nemen, alleen genomen worden op een schip, dat koers zet naar een vijandelijke haven of naar een haven in een door den vijand bezet gebied, tenzij het vijandelijk land geen zeekust heeft. De uitzondering vermeld ik slechts volledigheidshalve; zij heeft voor dezen oorlog voor ons geen beteekenis.

Bij den „Order in Council” van 20 Augustus 1914 werd nu in afwijking van deze regels bepaald, dat de bestemming van de conditioneele contrabande voor de vijandelijke strijdkracht zou worden aangenomen, als de goederen waren geconsigneerd aan een agent van den vijandelijken staat of aan een koopman, gevestigd in dien staat, en dat zij zouden kunnen worden genomen, voor welke haven het schip ook vaart en in welke haven de lading ook moet worden gelost. Daarbij werd de bevoegdheid tot het beslag leggen op conditioneele contrabande bovendien nog verruimd door de bepaling, dat het voor het vermoeden der vijandelijke bestemming o. a. voldoende is, dat het goed wordt verzonden aan of door een agent van den vijandelijken staat, of dat de goederen, bestemd voor een neutrale haven, zijn geconsigneerd „aan order”. In alle genoemde gevallen staat het den eigenaars vrij het bewijs te leveren, dat hunne goederen een onschuldige bestemming hadden.